Bestuurdersaansprakelijkheid in theorie
Einde inhoudsopgave
Bestuurdersaansprakelijkheid in theorie (IVOR nr. 108) 2017/9.4.1:9.4.1 Ontvanger/Roelofsen
Bestuurdersaansprakelijkheid in theorie (IVOR nr. 108) 2017/9.4.1
9.4.1 Ontvanger/Roelofsen
Documentgegevens:
mr. W.A. Westenbroek, datum 01-09-2017
- Datum
01-09-2017
- Auteur
mr. W.A. Westenbroek
- JCDI
JCDI:ADS343662:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
HR 8 december 2006, NJ 2006, 659 (Ontvanger/Roelofsen), r.o. 3.5.
De Hoge Raad spreekt in diezelfde overweging overigens ook van ‘persoonlijk verwijt’, ‘persoonlijk een ernstig verwijt’ en ‘een ernstig persoonlijk verwijt’.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In het in 2006 gewezen arrest Ontvanger/Roelofsen1 overwoog de Hoge Raad plots (en anders dan in de hiervoor behandelde eveneens door de Hoge Raad gewezen arresten Textile Company APS/Steins, Ponteceen/Van Straten en Ontvanger/S) in verband met de Beklamel-norm en de nakomingsfrustratie- norm, dat in beide gevallen alleen sprake kan zijn van een onrechtmatige daad van de bestuurder als hem “mede gelet op zijn verplichting tot een behoorlijke taakuitoefening als bedoeld in art. 2:9 BW, een voldoende ernstig verwijt kan worden gemaakt (vgl. HR 18 februari 2000, nr. C98/208, NJ 2000, 295).”2 De Hoge Raad overwoog:
“3.5 Bij de beoordeling van het middel moet het volgende worden vooropgesteld. Het gaat in een geval als het onderhavige om benadeling van een schuldeiser van een vennootschap door het onbetaald en onverhaalbaar blijven van diens vordering. Ter zake van deze benadeling zal naast de aansprakelijkheid van de vennootschap mogelijk ook, afhankelijk van de omstandigheden van het concrete geval, grond zijn voor aansprakelijkheid van degene die als bestuurder (i) namens de vennootschap heeft gehandeld dan wel (ii) heeft bewerkstelligd of toegelaten dat de vennootschap haar wettelijke of contractuele verplichtingen niet nakomt. In beide gevallen mag in het algemeen alleen dan worden aangenomen dat de bestuurder jegens de schuldeiser van de vennootschap onrechtmatig heeft gehandeld waar hem, mede gelet op zijn verplichting tot een behoorlijke taakuitoefening als bedoeld in art. 2:9 BW, een voldoende ernstig verwijt kan worden gemaakt (vgl. HR 18 februari 2000, nr. C98/208, NJ 2000, 295). Voor de onder (i) bedoelde gevallen is in de rechtspraak de maatstaf aanvaard dat persoonlijke aansprakelijkheid van de bestuurder van de vennootschap kan worden aangenomen wanneer deze bij het namens de vennootschap aangaan van verbintenissen wist of redelijkerwijze behoorde te begrijpen dat de vennootschap niet haar verplichtingen zou kunnen voldoen en geen verhaal zou bieden, behoudens door de bestuurder aan te voeren omstandigheden op grond waarvan de conclusie gerechtvaardigd is dat hem ter zake van de benadeling geen persoonlijk verwijt gemaakt kan worden. In de onder (ii) bedoelde gevallen kan de betrokken bestuurder voor schade van de schuldeiser aansprakelijk worden gehouden indien zijn handelen of nalaten als bestuurder ten opzichte van de schuldeiser in de gegeven omstandigheden zodanig onzorgvuldig is dat hem daarvan persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Van een dergelijk ernstig verwijt zal in ieder geval sprake kunnen zijn als komt vast te staan dat de bestuurder wist of redelijkerwijze had behoren te begrijpen dat de door hem bewerkstelligde of toegelaten handelwijze van de vennootschap tot gevolg zou hebben dat deze haar verplichtingen niet zou nakomen en ook geen verhaal zou bieden voor de als gevolg daarvan optredende schade. Er kunnen zich echter ook andere omstandigheden voordoen op grond waarvan een ernstig persoonlijk verwijt kan worden aangenomen.”
Het lijkt erop dat de Hoge Raad hiermee de normen voor interne aansprakelijkheid en externe aansprakelijkheid heeft willen uniformeren/integreren. Mogelijk deed de Hoge Raad dat om te komen tot een zogenoemde normatieve convergentie (lees: om de normen voor interne bestuurdersaansprakelijkheid gelijk te trekken met de normen voor externe bestuurdersaansprakelijkheid, zie verder par. 10.2.3 t/m 10.2.4 en par. 10.7), maar de Hoge Raad liet zich daar niet verder over uit.