De autonomie van de leraar
Einde inhoudsopgave
De autonomie van de leraar (SteR nr. 64) 2024/3.1:3.1 Inleiding
De autonomie van de leraar (SteR nr. 64) 2024/3.1
3.1 Inleiding
Documentgegevens:
J.S. Buiting, datum 07-02-2024
- Datum
07-02-2024
- Auteur
J.S. Buiting
- JCDI
JCDI:ADS949333:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In hoofdstuk 2 is geschetst dat de leraar als vakdeskundige aanspraak kan maken op autonomie. Dit houdt in dat hij eigen keuzes kan maken bij het geven van onderwijs en bij de invulling van het onderwijsprogramma. Met zijn autonomie kan de leraar een concrete situatie in de klas interpreteren en daarop zijn kennis en ervaring toepassen. In hoofdstuk 1 is uiteengezet dat zijn autonomie beperkt of versterkt kan worden door onder meer wet- en regelgeving, jurisprudentie, de professionele standaard en instructies en beleid van het bevoegd gezag. In dit hoofdstuk staat centraal in hoeverre de autonomie van de leraar beperkt of versterkt wordt door wet- en regelgeving, waaronder verdragen en de Grondwet, en de professionele standaard. Daarbij wordt ook de jurisprudentie betrokken.
In § 3.2 wordt eerst vanuit mensenrechtelijk perspectief de autonomie van de leraar onderzocht, daarbij wordt onder meer ingegaan op het recht op onderwijs en op de vraag of de leraar vanuit dit perspectief aanspraak kan maken op autonomie. Met de leraar wordt bedoeld diegene die zelfstandig of in teamverband onderwijs geeft in het primair, voortgezet, middelbaar beroeps- of hoger onderwijs. Vervolgens wordt in § 3.3 nader ingegaan op artikel 23 van de Grondwet. Hierin is de vrijheid van onderwijs geregeld. Deze vrijheid komt in beginsel toe aan het bevoegd gezag van de school. Onderzocht wordt of de leraar, vanuit de Grondwet bezien, aanspraak kan maken op autonomie, hoe deze autonomie van de leraar zich verhoudt tot de rol van het bevoegd gezag en wat de ratio zou zijn van deze autonomie.
Alvorens dieper in te gaan op de autonomie die de leraar kan afleiden uit de onderwijswetten, wordt eerst ingegaan op de totstandkoming van de bepalingen in de onderwijswetten over het beroep van leraar. Sinds de jaren 90 is er veel discussie over de rol van de leraar binnen de school, zijn autonomie en over de ontwikkeling van een eigen beroepsorganisatie. In § 3.4 wordt geschetst hoe deze discussie heeft geleid tot het huidige wettelijke kader voor de autonomie van de leraar en hoe de in 2011 opgerichte beroepsorganisatie in 2017 weer werd opgeheven. Het huidige wettelijke kader wordt toegelicht in § 3.5. Hieruit blijkt in hoeverre de leraar op grond van de onderwijswetten aanspraak kan maken op autonomie. In een groot deel van deze wetten is sinds kort geregeld dat de leraar voldoende vakinhoudelijke, vakdidactische en pedagogische zeggenschap dient te hebben over de inhoud van de lesstof. Ook komt aan hem een zelfstandige verantwoordelijkheid toe bij het beoordelen van de onderwijsprestaties van leerlingen. Tot slot wordt in deze paragraaf toegelicht dat de leraar zijn autonomie ook in teamverband kan uitoefenen. Voor het hoger onderwijs geldt het voorgaande niet. In deze sector vloeit reeds uit de academische vrijheid voort dat de leraar aanspraak kan maken op autonomie. Hier wordt afzonderlijk bij stilgestaan in § 3.6.
Ten slotte wordt nader ingegaan op de professionele standaard van de leraar. Zoals omschreven in § 2.3.3. hebben leraren momenteel geen beroepsgroep die een professionele standaard opstelt om de beroepsuitoefening van de leraren te reguleren. Wel hebben leraren een ongeschreven professionele standaard, bestaande uit normen voor de beroepsuitoefening die uit de jurisprudentie kunnen worden afgeleid. In § 3.7 wordt hier nader op ingegaan. Ook wordt aan de hand van de professionele standaard van zorgverleners beschreven hoe de professionele standaard van leraren in de toekomst vorm kan krijgen.
Met dit hoofdstuk wordt de volgende vraag beantwoord: in hoeverre beperkt of versterkt wet- en regelgeving en de professionele standaard de autonomie van de leraar, bij het geven van onderwijs en in het bijzonder bij het nemen van examenbeslissingen?