Einde inhoudsopgave
Eigendomsgrondrecht en belastingen (FM nr. 161) 2020/12.5
12.5 Aanvaardbaarheid van het bodemrecht
dr. T.C. Gerverdinck, datum 13-03-2020
- Datum
13-03-2020
- Auteur
dr. T.C. Gerverdinck
- JCDI
JCDI:ADS197287:1
- Vakgebied(en)
Europees belastingrecht / Mensenrechten
Voetnoten
Voetnoten
EHRM 23 februari 1995, nr. 15375/89 (Gasus Dosier- und Fördertechnik GmbH v. the Netherlands), BNB 1995/262 m.nt. Feteris.
Zie over deze zaak nader Hartlief 2000.
Per 1 januari 2013 is in artikel 22bis van de Invorderingswet 1990 een mededelingsplicht ingevoerd voor houders van pandrechten en andere derden die voornemens zijn om bodemzaken weg te halen van de bodem van een belastingschuldige of om de bodem ‘weg te schuiven’. Zij moeten dit voortaan vooraf melden aan de ontvanger. Doen zij dat niet en worden daardoor de verhaalsmogelijkheden van de ontvanger verkort, dan kunnen zij schadeplichtig worden jegens de ontvanger. In de literatuur is wel betoogd dat deze aanpassing meebrengt dat het bodemrecht niet langer in overeenstemming is met artikel 1 Eerste Protocol. Zie in dit verband Van Immerseel & Linders 2013. Vgl. verder Hoops & Marais 2015.
Idem, par. 70: “It is nonetheless true (…) that the applicant company were engaged in a commercial venture which, by its very nature, involved an element of risk (…). The facts of the case show that Gasus were in fact sufficiently aware of their risk to take steps to limit it.” Gasus had immers onder eigendomsvoorbehoud geleverd (maar had kennelijk geen rekening gehouden met de Nederlandse eigenaardigheid van het fiscale bodemrecht).
Zie de noot van Feteris in BNB 1995/292.
Zie par. 5.2.
Zie par. 5.5.
EHRM 22 september 1994, nr. 13616/88 (Hentrich v. France).
EHRM 22 september 1994, nr. 13616/88 (Hentrich v. France), par. 42. Vgl. Harris, O’Boyle & Warbrick 2018, p. 868.
De zaak Gasus Dosier- und Fördertechnik GmbH v. the Netherlands1 gaat over de bevoegdheid van de ontvanger om beslag te leggen op bepaalde roerende zaken van derden die zich op de bodem van een belastingschuldige bevinden voor de invordering van bepaalde (ondernemers)belastingen (het zogenoemde bodemrecht).2 De zaak Gasus betrof de situatie waarin de Nederlandse fiscus bodembeslag legde op een betonmixer die door een Duitse leverancier onder eigendomsvoorbehoud was geleverd aan een Nederlands bedrijf. De Duitse leverancier betoogde dat door de beslaglegging zonder vergoeding zijn eigendomsgrondrecht was geschonden. Het EHRM maakte duidelijk geen principiële bezwaren te hebben tegen het bodemrecht, zolang de uitoefening van dat recht op proportionele wijze geschiedt.3 Zoals gebruikelijk onderbouwde het Hof zijn beslissing door opsomming van een aantal omstandigheden, zonder aan te geven hoeveel gewicht ieder van de genoemde omstandigheden in de schaal legde. Twee van deze omstandigheden wil ik er, gelet op hun zaak overstijgende belang, uitlichten.
De eerste omstandigheid is dat “the applicant company were engaged in a commercial venture which, by its very nature, involved an element of risk.” Volgens het EHRM blijkt uit de feiten van de zaak dat de belanghebbende zich van die (debiteuren)risico’s ook bewust was.4 Het had volgens het EHRM op de weg van de belanghebbende gelegen om zich tegen de risico’s in te dekken. Zij had kunnen afzien van de verkoop, alleen tegen directe betaling kunnen leveren of aanvullende zekerheid kunnen vragen.5 Deze gestrengheid voor ondernemers is ook terug te vinden in de jurisprudentie over het vereiste van lawfulness, waarin het EHRM van ondernemers verwacht dat zij een adviseur in de hand nemen als zij worden geconfronteerd met ingewikkelde wetgeving.6 Wat het EHRM voorts van belang achtte, is dat Gasus de vraag of het bodemrecht terecht werd uitgeoefend kon voorleggen aan een onafhankelijke rechter. De aanwezigheid van een (effectief) rechtsmiddel is hier een omstandigheid die in aanmerking wordt genomen in het kader van de beoordeling van de proportionaliteit van de eigendomsaantasting.
Als Gasus niet zou hebben beschikt over een rechtsmiddel, had dat, gezien het Capital Bank-arrest,7 kunnen meebrengen dat de aantasting van eigendom niet lawful was. In dat geval zou het EHRM denkelijk niet eens zijn toegekomen aan een beoordeling van de proportionaliteit. In Hentrich v. France8 (over de uitoefening door de Franse fiscus van zijn recht de plaats in te nemen van de koper van een onroerende zaak voor de prijs die de partijen hebben opgegeven voor de overdrachtsbelasting) was de afwezigheid van een effectief rechtsmiddel voor het EHRM echter een omstandigheid die bijdroeg aan zijn oordeel dat Frankrijk de fair balance had geschonden, hoewel hij in het kader van de beoordeling van de lawfulness al het belang van een rechtsmiddel aankaartte:9
“A pre-emption decision cannot be legitimate in the absence of adversarial proceedings that comply with the principle of equality of arms, enabling argument to be presented on the issue of the underestimation of the price and, consequently, on the Revenue’s position – all elements which were lacking in the present case.”
In invorderingszaken valt, zoals trouwens in alle zaken, het belang van een effectief rechtsmiddel niet te onderschatten.