Procestaal: Pools.
HvJ EU, 20-12-2017, nr. C-277/16
ECLI:EU:C:2017:989
- Instantie
Hof van Justitie van de Europese Unie
- Datum
20-12-2017
- Magistraten
M. Ilešič, K. Lenaerts, A. Rosas, C. Toader, E. Jarašiūnas
- Zaaknummer
C-277/16
- Conclusie
E. Tanchev
- Roepnaam
Polkomtel
- Vakgebied(en)
EU-recht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:EU:C:2017:989, Uitspraak, Hof van Justitie van de Europese Unie, 20‑12‑2017
ECLI:EU:C:2017:611, Conclusie, Hof van Justitie van de Europese Unie, 26‑07‑2017
Uitspraak 20‑12‑2017
M. Ilešič, K. Lenaerts, A. Rosas, C. Toader, E. Jarašiūnas
Partij(en)
In zaak C-277/16,*
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Sąd Najwyższy (hoogste rechter in burgerlijke en strafzaken, Polen) bij beslissing van 21 januari 2016, ingekomen bij het Hof op 17 mei 2016, in de procedure
Polkomtel sp. z o.o.
tegen
Prezes Urzędu Komunikacji Elektronicznej,
in tegenwoordigheid van:
Krajowa Izba Gospodarcza Elektroniki i Telekomunikacji,
wijst
HET HOF (Tweede kamer),
samengesteld als volgt: M. Ilešič, kamerpresident, K. Lenaerts, president van het Hof, waarnemend rechter van de Tweede kamer, A. Rosas, C. Toader en E. Jarašiūnas (rapporteur), rechters,
advocaat-generaal: E. Tanchev,
griffier: R. Schiano, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 11 mei 2017,
gelet op de opmerkingen van:
- —
Polkomtel sp. z o.o., vertegenwoordigd door E. Barembruch, radca prawny,
- —
de Prezes Urzędu Komunikacji Elektronicznej, vertegenwoordigd door L. Ochniewicz en D. Dziedzic-Chojnacka, radcowie prawni,
- —
de Poolse regering, vertegenwoordigd door B. Majczyna, D. Lutostańska en K. Wilimborek-Makulska als gemachtigden,
- —
de Italiaanse regering, vertegenwoordigd door G. Palmieri als gemachtigde, bijgestaan door P. Gentili, avvocato dello Stato,
- —
de Nederlandse regering, vertegenwoordigd door M. Bulterman en J. Langer als gemachtigden,
- —
de Europese Commissie, vertegenwoordigd door G. Braun, J. Hottiaux en L. Nicolae als gemachtigden,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 26 juli 2017,
het navolgende
Arrest
1
Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 8, lid 4, en artikel 13 van richtlijn 2002/19/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002 inzake de toegang tot en interconnectie van elektronischecommunicatienetwerken en bijbehorende faciliteiten (toegangsrichtlijn) (PB 2002, L 108, blz. 7).
2
Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen Polkomtel sp. z o.o. en de Prezes Urzędu Komunikacji Elektronicznej (directeur van de dienst voor elektronische communicatie, Polen; hierna: ‘directeur van de UKE’) betreffende een beslissing van deze laatste tot vaststelling van de tarieven voor gespreksafgifte op het mobieletelefonienetwerk van Polkomtel.
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
Richtlijn 2002/21/EG
3
De artikelen 6 en 7 van richtlijn 2002/21/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002 inzake een gemeenschappelijk regelgevingskader voor elektronischecommunicatienetwerken en -diensten (kaderrichtlijn) (PB 2002, L 108, blz. 33; hierna: ‘kaderrichtlijn’) voorzien respectievelijk in raadpleging en transparantie en in een procedure voor de consolidatie van de interne markt voor elektronische communicatie.
4
Artikel 8 van de kaderrichtlijn bevat de algemene doelstellingen en regelgevingsbeginselen waarvan de nationale regelgevende instanties (hierna: ‘NRI's’) de naleving moeten verzekeren. Dit artikel bepaalt:
- ‘1.
De lidstaten zorgen ervoor dat de [NRI's] bij de uitvoering van de in deze richtlijn en de bijzondere richtlijnen omschreven regelgevende taken alle redelijke maatregelen treffen die gericht zijn op de verwezenlijking van de in de leden 2, 3 en 4 genoemde doelstellingen. Die maatregelen dienen in evenredigheid te zijn met die doelstellingen.
[…]
- 2.
De [NRI's] bevorderen de concurrentie bij de levering van elektronischecommunicatienetwerken en -diensten en de bijbehorende faciliteiten en diensten, onder meer op de volgende wijze:
- a)
zij zorgen ervoor dat de gebruikers, met inbegrip van gehandicapte gebruikers, maximaal profiteren wat betreft keuze, prijs en kwaliteit;
- b)
zij zorgen ervoor dat er in de sector elektronische communicatie geen verstoring of beperking van de concurrentie is;
[…]
- 4.
De [NRI's] bevorderen de belangen van de burgers van de Europese Unie […]
[…]’.
5
Artikel 14 van deze richtlijn, met het opschrift ‘Ondernemingen met aanmerkelijke marktmacht’, bevat de criteria aan de hand waarvan de NRI's kunnen vaststellen dat een bepaalde exploitant een aanmerkelijke marktmacht bezit.
6
Artikel 16 van deze richtlijn, met het opschrift ‘Marktanalyseprocedure’, luidt als volgt:
- ‘1.
Zo spoedig mogelijk na de aanneming van de Aanbeveling of een bijwerking daarvan voeren de [NRI's], zo veel mogelijk met inachtneming van de richtsnoeren een analyse van de relevante markten uit. De lidstaten zorgen ervoor dat deze analyse, in voorkomend geval, in samenwerking met de nationale mededingingsinstanties wordt uitgevoerd.
- 2.
Wanneer een [NRI] krachtens de artikelen […] 7 of 8 van [de toegangsrichtlijn] moet bepalen of ten aanzien van ondernemingen verplichtingen moeten worden opgelegd, gehandhaafd, gewijzigd of ingetrokken, bepaalt zij overeenkomstig de richtsnoeren op basis van haar analyse volgens lid 1 van dit artikel of een relevante markt daadwerkelijk concurrerend is.
[…]
- 4.
Wanneer een [NRI] vaststelt dat een relevante markt niet daadwerkelijk concurrerend is, gaat zij na welke ondernemingen op die markt een aanmerkelijke marktmacht in de zin van artikel 14 hebben en legt zij de ondernemingen in kwestie passende specifieke wettelijke verplichtingen op als beschreven in lid 2 of handhaaft zij deze verplichtingen wanneer zij reeds bestaan.
[…]’
7
Lid 1 van artikel 19 van deze richtlijn, met het opschrift ‘Harmonisatiemaatregelen’, bepaalt:
‘Wanneer de Commissie overeenkomstig de procedure van artikel 22, lid 2, aan de lidstaten aanbevelingen doet over de harmonisatie van de uitvoering van de bepalingen van deze richtlijn en de bijzondere richtlijnen bij het nastreven van de verwezenlijking van de in artikel 8 genoemde doelstellingen, zorgen de lidstaten ervoor dat de [NRI's] bij de uitvoering van hun taken zo veel mogelijk rekening houden met die aanbevelingen. Wanneer een [NRI] besluit om een aanbeveling niet op te volgen, brengt zij de Commissie daarvan op de hoogte met vermelding van de motivering van haar standpunt.’
Toegangsrichtlijn
8
De overwegingen 15 en 20 van de toegangsrichtlijn luiden als volgt:
- ‘(15)
Het opleggen van een specifieke verplichting aan een onderneming met een aanmerkelijke marktmacht vereist geen extra marktanalyse, maar wel een verantwoording dat de verplichting in kwestie passend en evenredig aan de aard van het probleem is.
[…]
- (20)
Prijscontrole kan noodzakelijk zijn wanneer uit de analyse van een specifieke markt blijkt dat er sprake is van inefficiënte concurrentie. Eventueel kan worden volstaan met een relatief kleine ingreep, zoals het opleggen van een bij regelgeving vastgestelde verplichting dat de prijzen voor carrierselectie tijdelijk moeten zijn […], maar er kunnen ingrijpender maatregelen nodig zijn zoals de verplichting om, wanneer de prijzen kostengeoriënteerd zijn, volledige verantwoording over deze prijzen af te leggen ingeval de concurrentie onvoldoende sterk is om te voorkomen dat buitensporige prijzen worden toegepast. Met name dienen exploitanten met een aanzienlijke marktmacht zich ervan te onthouden zodanige prijzen te hanteren dat het verschil tussen hun detailprijzen en de interconnectieprijzen die zij aanrekenen aan concurrenten die op detailhandelsniveau vergelijkbare diensten aanbieden, onvoldoende is om een duurzame concurrentie te waarborgen. Wanneer een [NRI] de kosten berekent die worden verricht om een dienst tot stand te brengen waarvoor krachtens deze richtlijn een machtiging is verleend, is het wenselijk een redelijke opbrengst toe te staan uit het geïnvesteerde kapitaal, met inbegrip van relevante arbeidskosten en bouwkosten, indien nodig na aanpassing van de waarde van het kapitaal aan de actuele waarde van de activa en de efficiëntie van de bedrijfsvoering. De methode voor het terugverdienen van de kosten moet aangepast zijn aan de omstandigheden, rekening houdend met de noodzaak om efficiëntie en duurzame concurrentie te bevorderen en de voordelen voor de consumenten te maximaliseren.’
9
Artikel 8 van deze richtlijn, met het opschrift ‘Oplegging, wijziging of opheffing van verplichtingen’, bepaalt:
- ‘1.
De lidstaten zien erop toe dat de [NRI's] de nodige bevoegdheden krijgen om de in de artikelen 9, 10, 11, 12 en 13 van deze richtlijn vermelde verplichtingen op te leggen.
- 2.
Wanneer een overeenkomstig artikel 16 van [de kaderrichtlijn] verrichte marktanalyse uitwijst dat een exploitant een aanmerkelijke macht op een specifieke markt bezit, leggen de [NRI's] hem, waar passend, de in de artikelen 9, 10, 11, 12 en 13 van deze richtlijn genoemde verplichtingen op.
[…]
- 4.
De overeenkomstig dit artikel opgelegde verplichtingen worden op de aard van het geconstateerde probleem gebaseerd en in het licht van de doelstellingen van artikel 8 van [de kaderrichtlijn] proportioneel toegepast en gerechtvaardigd. Die verplichtingen worden alleen opgelegd na overleg als bedoeld in de artikelen 6 en 7 van die richtlijn.
[…]’
10
Artikel 13 van deze richtlijn, met het opschrift ‘Verplichtingen inzake prijscontrole en kostentoerekening’, bepaalt:
- ‘1.
Een [NRI] kan overeenkomstig artikel 8 verplichtingen inzake het terugverdienen van kosten en prijscontrole opleggen, inclusief verplichtingen inzake kostenoriëntering van prijzen en kostentoerekeningssystemen, voor het verlenen van specifieke interconnectie- en/of toegangtypes, wanneer uit een marktanalyse blijkt dat de betrokken exploitant de prijzen door het ontbreken van werkelijke concurrentie op een buitensporig hoog peil kan handhaven of de marges kan uithollen, ten nadele van de eindgebruikers. De [NRI's] houden rekening met de door de exploitant gedane investeringen en laten toe dat hij een redelijke opbrengst verkrijgt uit zijn kapitaalinbreng, de aangegane risico's in aanmerking genomen.
- 2.
De [NRI's] zien erop toe dat regelingen voor het terugverdienen van kosten en tariferingsmethoden die worden opgelegd erop gericht zijn efficiëntie en duurzame concurrentie te bevorderen en de consument maximaal voordeel te bieden. In dat verband kunnen de [NRI's] ook rekening houden met beschikbare prijzen van vergelijkbare concurrerende markten.
- 3.
Wanneer voor een exploitant een verplichting inzake kostenoriëntering van zijn tarieven geldt, is het aan hem om aan te tonen dat de tarieven worden bepaald op basis van de kosten verhoogd met een redelijk investeringsrendement. Voor de berekening van de kosten verbonden aan efficiënte dienstverlening, kunnen de [NRI's] boekhoudkundige kostenberekeningsmethoden gebruiken die losstaan van de door de onderneming gebruikte methoden. De [NRI's] kunnen van een exploitant verlangen dat deze volledige verantwoording aflegt over zijn tarieven en indien nodig dat deze worden aangepast.
[…]’
Aanbeveling 2009/396/EG
11
In punt 1 van aanbeveling 2009/396/EG van de Commissie van 7 mei 2009 inzake de regelgeving voor afgiftetarieven van vaste en mobiele telefonie in de EU (PB 2009, L 124, blz. 67), heet het:
‘Wanneer de [NRI's] overeenkomstig artikel 13 van [de toegangsrichtlijn] prijscontrole en kostenberekeningen opleggen aan exploitanten die door hen zijn aangemerkt als ondernemingen met een aanmerkelijke marktmacht op markten voor gespreksafgifte op wholesaleniveau voor afzonderlijke openbare telefoonnetwerken (hierna ‘vaste en mobiele afgiftemarkten’ genoemd), naar aanleiding van een marktanalyse die is uitgevoerd in overeenstemming met artikel 16 van [de kaderrichtlijn], dienen zij afgiftetarieven vast te stellen die gebaseerd zijn op de kosten van een efficiënte exploitant. Dit houdt in dat deze ook symmetrisch zouden zijn. […]’
Pools recht
12
Artikel 39 van de Ustawa Prawo telekomunikacyjne (telecommunicatiewet) van 16 juli 2004 (Dz. U. nr. 171, volgnr. 1800), in de versie die op het hoofdgeding van toepassing is (hierna: ‘Ustawa Prawo telekomunikacyjne’), luidt:
- ‘1.
Onder de omstandigheden als bedoeld in artikel 24, punt 2, onder a), kan de directeur van de UKE de netwerkaanbieder met aanmerkelijke marktmacht bij besluit de verplichting opleggen:
- 1)
een berekening te maken van de onderbouwde kosten voor de dienst van toegang tot het telecommunicatienetwerk (en daarbij de wijze van kostenberekening uiteen te zetten) die hij moet toepassen op basis van de in artikel 51 bedoelde regeling, overeenkomstig de door de directeur van de UKE opgestelde beschrijving van de kostenberekening,
- 2)
toegangstarieven toe te passen die mede de gerechtvaardigde kosten van de netwerkaanbieder dekken.
- 2.
De netwerkaanbieder die de in lid 1 bedoelde verplichting is opgelegd, legt bij de directeur van de UKE op diens verzoek tot in detail verantwoording af voor de hoogte van de tarieven op basis van de onderbouwde kosten.
[…]
- 4.
Ingeval
[…]
- 3)
de entiteit die bevoegd is tot uitvoering van de in artikel 53, lid 5, bedoelde audit, een ongunstig advies of een advies met voorbehoud uitbrengt,
- 4)
een verschil is geconstateerd tussen de hoogte van de tarieven die door de netwerkaanbieder zijn vastgesteld en die welke overeenkomstig lid 3 door de directeur van de UKE zijn vastgesteld,
stelt de directeur van de UKE de hoogte van de tarieven voor toegang tot het telecommunicatienetwerk dan wel hun maximum- of minimumhoogte vast onder toepassing van de in lid 3, punt 2, bedoelde methoden. De onderstaande tarieven worden bij afzonderlijk besluit vastgesteld […].
- 5.
De directeur van de UKE stelt de tarieven voor toegang tot het telecommunicatienetwerk vast op een wijze die bevorderlijk is voor de efficiëntie en duurzame concurrentie en die de eindgebruiker het grootste voordeel biedt, en houdt er daarbij rekening mee dat de onderbouwde kosten worden terugverdiend.’
13
Artikel 40 van de Ustawa Prawo telekomunikacyjne luidt:
- ‘1.
De directeur van de UKE kan overeenkomstig de in artikel 24, punt 2, onder a), genoemde voorwaarden een exploitant met aanmerkelijke marktmacht bij besluit de verplichting opleggen de tarieven voor de toegang tot telecommunicatie aan de hand van de door hem gedragen kosten vast te stellen.
- 2.
Een exploitant waaraan de in lid 1 genoemde verplichting is opgelegd, legt de directeur van de UKE een onderbouwing voor van de hoogte van de tarieven die zijn vastgesteld aan de hand van de door hem gemaakte kosten.
- 3.
Met het oog op de beoordeling van de juistheid van de tarieven die door een in lid 1 bedoelde exploitant zijn vastgesteld, kan de directeur van de UKE de hoogte of methoden van vaststelling van de tarieven op vergelijkbare, concurrerende markten of andere manieren om de juistheid van de hoogte van deze tarieven te beoordelen, in de beschouwing betrekken.
- 4.
Ingeval de hoogte van de door de exploitant vastgestelde tarieven volgens de in lid 3 bedoelde beoordeling onjuist is, stelt de directeur van de UKE de hoogte van de tarieven of het maximum- of minimumniveau ervan vast aan de hand van de in lid 3 bedoelde methoden op een wijze die bevorderlijk is voor efficiëntie en duurzame concurrentie en die de eindgebruikers het grootste voordeel biedt. De tarieven worden bij afzonderlijk besluit vastgesteld […]’.
Hoofdgeding en prejudiciële vragen
14
Bij besluit van 19 juli 2006 heeft de directeur van de UKE Polkomtel aangemerkt als ondernemer met aanmerkelijke macht op de markt voor gespreksafgiftediensten op haar mobiele netwerk en haar de verplichting opgelegd om haar tarieven voor de toegang tot het telecommunicatienetwerk te baseren op de kosten die zijn gemaakt om deze diensten aan te bieden.
15
In het kader van de nakoming van deze verplichting heeft Polkomtel de directeur van de UKE gegevens overgelegd die de hoogte van de tarieven voor de gespreksafgiftediensten op haar mobiele netwerk onderbouwden. De directeur van de UKE stond op het standpunt dat dit bedrag onrechtmatig was en heeft een procedure gestart om deze tarieven te controleren en aan te passen. Nadat de directeur van de UKE had opgemerkt dat de kosten die Polkomtel daadwerkelijk had gemaakt voor het aanbieden van de mobiele gespreksafgiftediensten 0,1690 Poolse zloty (PLN) (ongeveer 0,0398 EUR) per minuut bedroegen, heeft hij besloten deze tarieven te wijzigen om de efficiëntie en duurzame concurrentie te bevorderen en de eindgebruikers het grootste voordeel te bieden, overeenkomstig artikel 40 van de Ustawa Prawo telekomunikacyjne. Hij heeft deze tarieven vastgesteld op basis van het gemiddelde van de tarieven voor de gespreksafgiftediensten op het mobiele netwerk die zijn vastgesteld voor de andere exploitanten die van oudsher opereren op de Poolse markt voor mobiele telefonie en daarbij met name in aanmerking genomen dat deze op dezelfde markt opereren, soortgelijke marktaandelen hebben, werken met dezelfde leveranciers van infrastructuur en identieke kosten dragen voor de huur van lijnen.
16
Bij besluit van 9 december 2009, vastgesteld op grond van artikel 40 van de Ustawa Prawo telekomunikacyjne, heeft de directeur van de UKE het tarief voor gespreksafgifte op het mobiele netwerk van Polkomtel vastgesteld op 0,1677 PLN (ongeveer 0,0395 EUR) per minuut. Bij dit besluit heeft de directeur van de UKE Polkomtel tevens de verplichting opgelegd hem jaarlijks gegevens te verstrekken die de tarieven voor de gespreksafgifte op haar mobiele netwerk onderbouwen en zijn berekend op basis van de voor het aanbieden van deze diensten gemaakte kosten.
17
Deze onderneming is bij de Sąd Okręgowy w Warszawie (rechter in eerste aanleg Warschau, Polen) tegen het besluit van de directeur van de UKE opgekomen. Bij uitspraak van 27 mei 2013 heeft deze rechter dit besluit gewijzigd en het tarief voor de gespreksafgifte op het mobiele netwerk van Polkomtel vastgesteld op 0,1690 PLN (ongeveer 0,0398 EUR) per minuut, op grond dat, wanneer een onderneming die is aangemerkt als onderneming met aanmerkelijke marktmacht de verplichting wordt opgelegd haar tarieven voor gespreksafgifte te baseren op de kosten, de directeur van de UKE niet bevoegd is de tarieven die deze onderneming hem heeft overgelegd te corrigeren en vast te stellen op een niveau onder de daadwerkelijke kosten voor het aanbieden van deze dienst.
18
Zowel Polkomtel als de directeur van de UKE heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld bij de Sąd Apelacyjny w Warszawie (rechter in tweede aanleg Warschau, Polen). Deze rechter heeft bij arrest van 7 mei 2014 de vordering in hoger beroep van de directeur van de UKE toegewezen, de bestreden uitspraak gewijzigd en het beroep van Polkomtel verworpen. Daarenboven heeft hij geoordeeld dat de verplichting om de directeur van de UKE jaarlijks de gegevens over te leggen die de hoogte van de tarieven voor gespreksafgifte op het mobiele netwerk aan de hand van de kosten onderbouwen, legaal was.
19
Polkomtel heeft tegen het arrest van de Sąd Apelacyjny w Warszawie beroep in cassatie ingesteld bij de verwijzende rechter, de Sąd Najwyższy (hoogste rechter in burgerlijke en strafzaken, Polen).
20
Deze rechter twijfelt aan de uitlegging die moet worden gegeven aan de artikelen 8 en 13 van de toegangsrichtlijn. In de eerste plaats wenst hij te vernemen of de NRI krachtens lid 3 van artikel 13 enkel de kosten kan controleren die de als onderneming met een aanmerkelijke marktmacht aangemerkte exploitant toerekent aan de betrokken diensten, of dat zij ook kan controleren of deze kosten economisch gerechtvaardigd zijn. Hij vraagt zich met name af of de NRI in het licht van de tweede zin van lid 3, de hoogte van de kosten slechts in beperkte mate kan controleren of dat zij daarenboven de hoogte van de vastgestelde prijzen kan corrigeren aan de hand van een gemiddelde prijs die daadwerkelijk op de markt wordt gehanteerd. In dit kader koestert hij twijfels over de vraag of een uitlegging van dit artikel 13 waarbij deze laatste mogelijkheid is uitgesloten, verenigbaar is met het bepaalde in artikel 8, lid 4, van deze richtlijn.
21
In dit verband geeft de verwijzende rechter aan dat, volgens Polkomtel, een exploitant krachtens artikel 40 van de Ustawa Prawo telekomunikacyjne bij de berekening van zijn prijzen rekening mag houden met alle kosten die verband houden met de levering van de dienst waarvoor de verplichting tot kostenoriëntering van prijzen geldt. Volgens deze onderneming mag de NRI geen gebruik maken van de criteria van efficiëntie en duurzame concurrentie, maar enkel de kosten in aanmerking nemen die daadwerkelijk verband houden met de levering van de dienst waarvoor deze verplichting geldt, zodat zij de tarieven niet mag vaststellen op een niveau dat onder de daadwerkelijk gemaakte kosten ligt.
22
De verwijzende rechter meent echter dat, ondanks het verschil tussen de respectievelijk in de artikelen 39 en 40 van de Ustawa Prawo telekomunikacyjne bedoelde kosten, dit laatste artikel de bevoegdheid van de NRI niet beperkt tot een loutere controle van de kosten die de betrokken exploitant in aanmerking heeft genomen bij de vaststelling van het tarief, en toestaat de tarieven vast te stellen op een niveau dat onder de door de betrokken exploitant gemaakte kosten ligt. Volgens hem draagt een dergelijke uitlegging bij aan de verwezenlijking van de doelstellingen die worden nagestreefd door de wetgever van de Unie en de Poolse wetgever, namelijk het bevorderen van efficiëntie en duurzame concurrentie en het bieden van het grootste voordeel aan de consument.
23
In de tweede plaats werpt deze rechter de vraag op of artikel 8, lid 4, en artikel 13, lid 3, van de toegangsrichtlijn, gelezen in samenhang met artikel 16 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: ‘Handvest’) in die zin moeten worden uitgelegd dat de NRI een exploitant kan verplichten regelmatig de gegevens over te leggen die de op basis van de kosten vastgestelde tarieven onderbouwen.
24
Deze rechter geeft op dit punt aan een ‘functionele uitlegging’ van artikel 40, lid 2, van de Ustawa Prawo telekomunikacyjne te verkiezen, welk artikel niet bepaalt met welke frequentie de exploitant moet voldoen aan de verplichting de hoogte van de tarieven die zijn vastgesteld op basis van de kosten, te onderbouwen. Uit dit artikel zou volgens hem kunnen worden afgeleid dat de NRI de termijn kan bepalen waarbinnen de exploitant aan deze verplichting moet voldoen, aangezien de vaststelling van een dergelijke termijn een minimumniveau van rechtszekerheid waarborgt ten aanzien van de frequentie van de eventuele wijzigingen in de toegepaste tarieven, evenredig is en tevens bijdraagt aan het waarborgen van de transparantie van het handelen van de NRI. Ook vraagt hij zich af of een dergelijke uitlegging van deze bepaling van nationaal recht in overeenstemming is met artikel 13, lid 3, van de toegangsrichtlijn.
25
In de derde plaats wenst de verwijzende rechter te vernemen of artikel 13, lid 3, van de toegangsrichtlijn, gelezen in samenhang met artikel 16 van het Handvest, aldus moet worden uitgelegd dat de NRI een exploitant kan vragen de prijzen aan te passen zowel wanneer deze exploitant, die is aangemerkt als onderneming met een aanmerkelijke marktmacht, prijzen hanteert die hij zelfstandig heeft vastgesteld, als wanneer hij prijzen hanteert die eerder door deze instantie zijn vastgesteld. De verwijzende rechter wijst erop dat deze twijfel voortspruit uit de Poolse versie van artikel 13, lid 3, van de toegangsrichtlijn, volgens welke de NRI's een onderneming kunnen vragen om de ‘gehanteerde prijzen’ in hun geheel te onderbouwen en, zo nodig, de aanpassing ervan te eisen, hetgeen suggereert dat de NRI de exploitant alleen kan verzoeken de hoogte van deze prijzen aan te passen wanneer deze de door hem berekende prijzen al is gaan toepassen.
26
Daarop heeft de Sąd Najwyższy de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:
- ‘1)
Moet artikel 13 in samenhang met artikel 8, lid 4, van de toegangsrichtlijn, in de oorspronkelijke versie, aldus worden uitgelegd dat een [NRI] die een exploitant met een aanmerkelijke marktmacht een verplichting inzake kostenoriëntering van prijzen oplegt, met het oog op de bevordering van efficiëntie en duurzame concurrentie voor een dienst die door deze verplichting wordt bestreken een prijs kan vaststellen die lager is dan de door de exploitant gedragen kosten voor het verrichten van die dienst die door de [NRI] zijn getoetst en erkend als kosten die in een oorzakelijk verband staan met deze dienst?
- 2)
Moet artikel 8, lid 4, in samenhang met artikel 13, lid 3, van de toegangsrichtlijn, in de oorspronkelijke versie, in samenhang met artikel 16 van het [Handvest] aldus worden uitgelegd dat een [NRI] een exploitant met een verplichting inzake kostenoriëntering van prijzen kan verplichten de prijs jaarlijks vast te stellen op basis van de actueelste gegevens over de kosten en de aldus vastgestelde prijs met de kostenonderbouwing vóór invoering van deze prijs in het economisch verkeer ter toetsing aan de nationale regelgevende instantie voor te leggen?
- 3)
Moet artikel 13, lid 3, van de toegangsrichtlijn, in de oorspronkelijke versie, in samenhang met artikel 16 van het [Handvest] aldus worden uitgelegd dat een [NRI] enkel aanpassing van de prijs door een exploitant met een verplichting tot kostenoriëntering van prijzen kan eisen wanneer deze exploitant eerst zelfstandig de hoogte van de prijs vaststelt en deze invoert, of ook wanneer de exploitant de prijs toepast die tevoren door de nationale regelgevende instantie is vastgesteld, maar uit de kostenonderbouwing voor de volgende rapportageperiode naar voren komt dat de tevoren door de [NRI] vastgestelde prijs hoger is dan de door de exploitant gedragen kosten?’
Beantwoording van de prejudiciële vragen
Eerste vraag
27
Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 8, lid 4, en artikel 13 van de toegangsrichtlijn in die zin moeten worden uitgelegd dat wanneer een exploitant die is aangemerkt als exploitant met een aanmerkelijke marktmacht op een specifieke markt door een NRI wordt verplicht zijn prijzen vast te stellen aan de hand van de kosten, deze NRI met het oog op de bevordering van de efficiëntie en een duurzame concurrentie de prijs voor de diensten die door een dergelijke verplichting worden bestreken kan vaststellen op een niveau dat lager ligt dan de kosten die voor het verrichten van die dienst door deze exploitant worden gemaakt.
28
Krachtens artikel 8, lid 2, van de toegangsrichtlijn leggen NRI's, wanneer een overeenkomstig artikel 16 van de kaderrichtlijn verrichte marktanalyse uitwijst dat een exploitant een aanmerkelijke macht op een specifieke markt bezit, hem, waar passend, de in de artikelen 9 tot en met 13 van de toegangsrichtlijn genoemde verplichtingen op.
29
Volgens artikel 13, lid 1, van de toegangsrichtlijn kunnen de NRI's een exploitant overeenkomstig artikel 8 van deze richtlijn verplichtingen inzake het terugverdienen van kosten en prijscontrole opleggen, inclusief verplichtingen inzake kostenoriëntering van prijzen en kostentoerekeningssystemen, voor het verlenen van specifieke interconnectie- en/of toegangtypes, wanneer uit een marktanalyse blijkt dat de betrokken exploitant de prijzen door het ontbreken van werkelijke concurrentie op een buitensporig hoog peil kan handhaven of de marges kan uithollen, ten nadele van de eindgebruikers.
30
Artikel 13, lid 1, van de toegangsrichtlijn, noch enige andere bepaling van deze richtlijn geeft een nadere omschrijving van hetgeen moet worden verstaan onder ‘verplichtingen inzake kostenoriëntering van prijzen’.
31
Niettemin moet worden opgemerkt dat uit het gebruik van het woord ‘inclusief’ in artikel 13, lid 1, van de toegangsrichtlijn volgt dat de ‘verplichtingen inzake kostenoriëntering van prijzen’ een van de modaliteiten kunnen zijn van zowel de verplichtingen in verband met het terugverdienen van de kosten als die in verband met de prijscontrole. Zoals de advocaat-generaal heeft opgemerkt in de punten 31 en 32 van zijn conclusie, doelt een ‘verplichting inzake kostenoriëntering van prijzen’, in de gebruikelijke betekenis van deze bewoordingen, bovendien op een verplichting om de prijzen te oriënteren aan de hand van de kosten en niet op een verplichting tot het terugverdienen van alle gemaakte kosten. Derhalve moet de uitlegging van deze bepaling dat het een verplichting betreft om de prijzen vast te stellen op een zodanige hoogte dat de betrokken exploitant alle kosten die hij heeft gemaakt ter levering van de betrokken dienst kan terugverdienen, worden verworpen.
32
Deze uitlegging van artikel 13, lid 1, van de toegangsrichtlijn wordt geschraagd door de context waarin deze bepaling is opgenomen. Naast het opschrift van artikel 13, dat uitdrukkelijk ziet op ‘prijscontrole’, verwijst artikel 13, lid 2, van deze richtlijn namelijk niet alleen naar de ‘regelingen voor het terugverdienen van kosten’ maar ook naar de ‘tariferingsmethoden die worden opgelegd’ door een NRI. Bovendien heet het in overweging 20 van de toegangsrichtlijn dat de NRI's in het kader van een prijscontrole ‘[e]ventueel [kunnen] volstaan met een relatief kleine ingreep zoals het opleggen van een […] verplichting dat de prijzen voor carrierselectie [redelijk] moeten zijn […] maar er […] ingrijpender maatregelen nodig [kunnen] zijn zoals de verplichting om, wanneer de prijzen kostengeoriënteerd zijn, volledige verantwoording over deze prijzen af te leggen’. Uit deze overweging kan worden afgeleid dat de wetgever van de Unie de NRI's een ruime beoordelingsmarge heeft toegekend bij de keuze van de maatregelen ter controle van de prijzen die in een bepaald geval moeten worden opgelegd. Ook in die zin verwijst artikel 16, lid 4, van de kaderrichtlijn, gelezen in samenhang met lid 2 van dat artikel, naar de ‘passende specifieke wettelijke verplichtingen’ die zijn bedoeld in artikel 8 van de toegangsrichtlijn.
33
Wat het begrip ‘kosten’ betreft, zij opgemerkt dat artikel 13, lid 1, van de toegangsrichtlijn niet vermeldt aan de hand van welke kosten de prijzen moeten worden georiënteerd. Uit lid 3 van dit artikel blijkt echter dat wanneer voor een exploitant een verplichting inzake kostenoriëntering van zijn tarieven geldt, de NRI's de kosten verbonden aan efficiënte dienstverlening berekenen en hiertoe boekhoudkundige kostenberekeningsmethoden gebruiken die los staan van de door de onderneming gebruikte methoden. Uit artikel 13, leden 1 en 3, gelezen in samenhang met overweging 20 van deze richtlijn komt tevens naar voren dat de NRI's rekening moeten houden met een redelijke opbrengst uit het geïnvesteerde kapitaal, de aangegane risico's in aanmerking genomen.
34
In dat verband preciseert de toegangsrichtlijn in overweging 20 ervan ook dat de methode voor het terugverdienen van de kosten moet zijn aangepast aan de omstandigheden, rekening houdend met de noodzaak om efficiëntie en duurzame concurrentie te bevorderen en de voordelen voor de consumenten te maximaliseren.
35
Zo vereist artikel 13, lid 2, van de toegangsrichtlijn van de NRI's dat alle regelingen voor het terugverdienen van kosten en tariferingsmethoden die worden opgelegd erop gericht zijn efficiëntie en duurzame concurrentie te bevorderen en de consument maximaal voordeel te bieden. Ook artikel 8, lid 4, van deze richtlijn bepaalt dat de overeenkomstig dit artikel opgelegde verplichtingen worden gebaseerd op de aard van het geconstateerde probleem en in het licht van de doelstellingen van artikel 8 van de kaderrichtlijn proportioneel worden toegepast en gerechtvaardigd. Lid 2, onder a) en b), van dat artikel bepaalt dat de NRI's de concurrentie bevorderen en ervoor zorgen dat de eindgebruikers optimaal profiteren met name wat betreft keuze en prijs, en dat er in de sector elektronische communicatie geen verstoring of beperking van de mededinging is.
36
Voorts bepaalt aanbeveling 2009/396, die is vastgesteld ter uitvoering van artikel 13 van de toegangsrichtlijn, in punt 1 ervan dat wanneer NRI's overeenkomstig dat artikel 13 verplichtingen inzake prijscontrole en kostenberekeningen opleggen aan exploitanten die door hen zijn aangemerkt als ondernemingen met een aanmerkelijke marktmacht op de wholesalemarkten voor vaste en mobiele afgifte naar aanleiding van een marktanalyse die is uitgevoerd in overeenstemming met artikel 16 van de kaderrichtlijn, zij afgiftetarieven dienen vast te stellen die gebaseerd zijn op de kosten van een efficiënte exploitant.
37
Artikel 19, lid 1, van de kaderrichtlijn schrijft voor dat de NRI's bij de uitvoering van hun taken ‘zo veel mogelijk rekening houden’ met de aanbevelingen van de Commissie en dat een NRI, wanneer zij besluit om een aanbeveling niet op te volgen, de Commissie daarvan op de hoogte brengt met vermelding van de motivering van haar standpunt. Een NRI dient bij de oplegging van verplichtingen inzake prijscontrole en kostentoerekening op grond van artikel 13 van de toegangsrichtlijn dan ook in beginsel de aanwijzingen in aanbeveling 2009/396 op te volgen. Slechts indien het bij haar beoordeling van een concrete situatie blijkt dat het in die aanbeveling voorgestane model in de omstandigheden van het geval niet passend is, kan zij daarvan onder motivering van haar standpunt afwijken (zie in die zin arrest van 15 september 2016, Koninklijke KPN e.a., C-28/15, EU:C:2016:692, punten 37 en 38).
38
Zo blijkt uit een gecombineerde lezing van artikel 8, lid 2, onder a) en b), en artikel 16, lid 4, van de kaderrichtlijn enerzijds en artikel 8, lid 4, en artikel 13, leden 1 en 2, van de toegangsrichtlijn anderzijds, dat het aan de NRI is om, wanneer zij een krachtens artikel 13 van deze laatste richtlijn een verplichting tot kostenoriëntering van prijzen oplegt, in beginsel te vereisen dat de afgiftetarieven worden bepaald aan de hand van de kosten die worden gemaakt door een efficiënte exploitant, met inbegrip van de opbrengst uit zijn kapitaalinbreng, waarnaar wordt verwezen in artikel 13, leden 1 en 3, van de toegangsrichtlijn.
39
Hieruit volgt dat de NRI's, na te hebben gecontroleerd dat de betrokken exploitant zijn verplichting tot kostenoriëntering van prijzen heeft geëerbiedigd, en na te hebben besloten dat een prijsaanpassing moet worden geëist, deze exploitant kunnen verplichten om de tarieven vast te stellen op een niveau dat lager ligt dan de door hem gemaakte kosten, indien deze kosten hoger zijn dan de kosten van een efficiënte exploitant, waarbij deze kosten een redelijke opbrengst uit zijn kapitaalopbrengst moeten omvatten.
40
Gelet op het voorgaande moet op de eerste vraag worden geantwoord dat artikel 8, lid 4, en artikel 13 van de toegangsrichtlijn aldus moeten worden uitgelegd dat wanneer een exploitant die is aangemerkt als onderneming met een aanmerkelijke macht op een specifieke markt, door een NRI een verplichting inzake kostenoriëntering van prijzen wordt opgelegd, deze NRI met het oog op de bevordering van efficiëntie en duurzame concurrentie voor de diensten die door deze verplichting worden bestreken een prijs kan vaststellen op een niveau dat lager ligt dan de kosten die voor het verrichten van die diensten door deze exploitant worden gemaakt indien deze kosten hoger zijn dan die van een efficiënte exploitant, hetgeen door de nationale rechter moet worden nagegaan.
Tweede vraag
41
Met zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 8, lid 4, en artikel 13, lid 3, van de toegangsrichtlijn, gelezen in samenhang met artikel 16 van het Handvest, aldus moeten worden uitgelegd dat een NRI een exploitant die is aangemerkt als onderneming met een aanmerkelijke marktmacht en op wie een verplichting inzake kostenoriëntering van prijzen rust, kan verplichten zijn prijzen jaarlijks vast te stellen op basis van de meest actuele gegevens en deze prijzen en de gegevens die deze prijzen onderbouwen voorafgaand aan de toepassing ervan ter toetsing aan haar voor te leggen.
42
In dit verband moet worden vastgesteld dat artikel 8, lid 2, en artikel 13, lid 1, van de toegangsrichtlijn, die de NRI's toestaan een exploitant die is aangemerkt als onderneming met een aanmerkelijke marktmacht een verplichting inzake de kostenoriëntering op te leggen, niet verduidelijken of deze autoriteit, bij het opleggen van deze verplichting, de voorwaarden voor de uitvoering ervan kan vaststellen en meer bepaald van deze exploitant kan eisen dat hij zijn prijzen met een bepaalde frequentie bijwerkt en haar, voor een periodieke toetsing, de gegevens die de toegepaste tarieven onderbouwen meedeelt.
43
Artikel 13, lid 3, van de toegangsrichtlijn bepaalt dan weer, in de derde volzin, dat de NRI's van een exploitant kunnen verlangen dat deze volledige verantwoording aflegt over zijn tarieven en deze indien nodig aanpast. Ofschoon uit de eerste zin van deze bepaling naar voren komt dat dit verzoek kan worden gericht tot een exploitant die al verplicht is tot kostenoriëntering, bevat zij geen verduidelijking over de frequentie waarmee de NRI deze verantwoording kan verlangen en indien nodig kan eisen dat de prijzen worden aangepast.
44
Uit deze overwegingen komt naar voren dat de wetgever van de Unie noch de wijzen van uitvoering van de krachtens artikel 13, lid 1, van de toegangsrichtlijn opgelegde verplichting tot kostenoriëntering, en meer bepaald de frequentie waarmee deze exploitant die deze verplichting is opgelegd de prijzen van de diensten waarop deze verplichting betrekking heeft moet bijwerken, noch de frequentie waarmee de NRI toetst of deze verplichting is nageleefd, heeft willen vaststellen.
45
Overigens dient te worden opgemerkt dat artikel 8, lid 4, van de toegangsrichtlijn bepaalt dat de door de NRI opgelegde verplichtingen — waaronder de in artikel 13 van deze richtlijn bedoelde — op de aard van het geconstateerde probleem worden gebaseerd en in het licht van de doelstellingen van artikel 8 van de kaderrichtlijn proportioneel worden toegepast en worden gerechtvaardigd, en dat daarin is bepaald dat zij alleen kunnen worden opgelegd na overleg als bedoeld in de artikelen 6 en 7 van die richtlijn (zie in die zin arrest van 14 april 2016, Polkomtel, C-397/14, EU:C:2016:256, punt 56).
46
Hieruit volgt dat de frequentie waarmee de NRI's kunnen verzoeken om verantwoording en aanpassing van de eerder opgelegde kostengeoriënteerde prijzen moet worden bepaald aan de hand van de aard van het geconstateerde probleem, evenredig moet zijn en rekening moet houden met de doelstellingen die zowel in de kaderrichtlijn als in de toegangsrichtlijn zijn gedefinieerd. In dit verband is, zoals de advocaat-generaal heeft opgemerkt in punt 59 van zijn conclusie, een van de bijzonderheden van de markten voor elektronische communicatie hun snelle verandering als gevolg van technologische ontwikkelingen, zodat een verplichting tot een jaarlijkse aanpassing van eerder vastgestelde prijzen aan deze dwingende vereisten kan voldoen. Zoals ook door de verwijzende rechter is opgemerkt, kan deze aan de betrokken exploitant opgelegde verplichting hem een minimumniveau van rechtszekerheid waarborgen met betrekking tot de frequentie waarmee de hoogte van de toegepaste tarieven eventueel wordt gewijzigd en kan het opleggen van deze verplichting, door tegelijkertijd bij te dragen aan de waarborging van de transparantie van de handelingen van de NRI, evenredig zijn.
47
Bijgevolg moet worden geoordeeld dat de NRI's een exploitant die is aangemerkt als onderneming met een aanmerkelijke marktmacht en is verplicht tot kostenoriëntering van prijzen, mogen verplichten zijn prijzen jaarlijks vast te stellen op basis van de meest actuele gegevens en hun de verantwoording voor deze prijzen voor te leggen, indien dergelijke verplichtingen zijn gebaseerd op de aard van het vastgestelde probleem, proportioneel zijn en zijn onderbouwd in het licht van de doelstellingen die zijn vermeld in artikel 8 van de kaderrichtlijn en meer bepaald die welke zijn bedoeld in lid 2, onder a) en b), van dit artikel.
48
Met betrekking tot de vraag of nieuwe verplichtingen pas kunnen worden opgelegd na een nieuwe marktanalyse, moet worden vastgesteld dat artikel 16, lid 2, van de kaderrichtlijn bepaalt dat wanneer de NRI krachtens met name artikel 8 van de toegangsrichtlijn moet bepalen of ten aanzien van exploitanten verplichtingen moeten worden opgelegd, gehandhaafd, gewijzigd of ingetrokken, deze autoriteit op basis van haar in artikel 16, lid 1, van deze richtlijn bedoelde marktanalyse vaststelt of een relevante markt daadwerkelijk concurrerend is. Voorts blijkt uit overweging 15 van de toegangsrichtlijn in wezen dat het opleggen van een specifieke verplichting aan een exploitant die is aangemerkt als onderneming met een aanmerkelijke marktmacht geen extra marktanalyse vereist, maar wel het bewijs dat de verplichting in kwestie passend en evenredig aan de aard van het probleem is.
49
Hieruit volgt dat, zoals de advocaat-generaal in wezen heeft opgemerkt in de punten 68 en 69 van zijn conclusie, geen nieuwe marktanalyse hoeft te worden uitgevoerd wanneer, zoals in het hoofdgeding, de NRI voornemens is een specifieke verplichting op te leggen voor de uitvoering van een eerder opgelegde algemene verplichting tot kostenoriëntering van prijzen.
50
Met betrekking tot de vraag of artikel 16 van het Handvest zich verzet tegen de mogelijkheid voor een NRI om een exploitant te verplichten zijn prijzen jaarlijks te actualiseren en deze aan een periodieke toetsing te onderwerpen, zij eraan herinnerd dat, volgens vaste rechtspraak van het Hof, de door deze bepaling verleende bescherming de vrijheid om een economische activiteit of een handelsactiviteit uit te oefenen, de contractvrijheid en de vrije mededinging omvat. De contractvrijheid behelst daarenboven met name de vrije partnerkeuze in het economisch verkeer en de vrijheid om de prijs voor een dienst te bepalen. De vrijheid van ondernemerschap heeft echter geen absolute gelding, maar moet in relatie tot haar maatschappelijke functie worden beschouwd (zie in die zin arresten van 22 januari 2013, Sky Österreich, C-283/11, EU:C:2013:28, punten 42, 43, 45 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 17 oktober 2013, Schaible, C-101/12, EU:C:2013:661, punten 25 en 28).
51
De mogelijkheid voor de NRI om van een exploitant te eisen dat hij zijn tarieven jaarlijks actualiseert en om deze tarieven aan een periodieke toetsing te onderwerpen vormt een inmenging in de uitoefening van een recht dat door artikel 16 van het Handvest is gewaarborgd. Zij moet dan ook, krachtens artikel 52, lid 1, van het Handvest, bij wet zijn voorzien, de wezenlijke inhoud van het door dit artikel 16 gewaarborgde recht eerbiedigen en, met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel, noodzakelijk zijn en daadwerkelijk beantwoorden aan door de Unie erkende doelstellingen van algemeen belang of aan de eisen van de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen (zie in die zin arresten van 22 januari 2013, Sky Österreich, C-283/11, EU:C:2013:28, punten 46–48, en 21 december 2016, AGET Iraklis, C-201/15, EU:C:2016:972, punt 70 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
52
In casu zij ten eerste opgemerkt dat de beslissing van de directeur van de UKE van 9 december 2009 is vastgesteld overeenkomstig de nationale regeling tot omzetting van met name de toegangsrichtlijn en dat deze regeling hem de bevoegdheid verleent verplichtingen tot kostenoriëntering van prijzen en een jaarlijkse prijsaanpassing op te leggen. Ten tweede heeft het opleggen van deze verplichtingen geen afbreuk gedaan aan de wezenlijke inhoud van de vrijheid van ondernemerschap, aangezien de betrokken exploitant de betrokken diensten na het opleggen van deze verplichtingen kon blijven leveren. Ten derde beantwoorden de doelstellingen van algemeen belang die door deze nationale regeling worden nagestreefd aan die van de Unie, zoals de bevordering van de concurrentie en de bescherming van de belangen van de burgers van de Unie als bedoeld in artikel 8, leden 2 en 4, van de kaderrichtlijn, en in artikel 13, lid 1, van de toegangsrichtlijn. Met name de verplichting tot kostenoriëntering van prijzen en tot de jaarlijkse aanpassing van deze prijzen zou, in de zin van artikel 13, lid 1, van de toegangsrichtlijn, de betrokken exploitanten verhinderen prijzen buitensporig hoog te houden of de marges uit te hollen, ten nadele van de eindgebruikers. Ten vierde stemt het onderzoek van de noodzaak van een dergelijke maatregel, dat de evenredigheid ervan omvat en door de nationale rechter moet worden uitgevoerd, overeen met de toetsing of aan de voorwaarden van artikel 8, lid 4, van de toegangsrichtlijn is voldaan.
53
Zo is het aan de nationale rechter om na te gaan of de verplichting de prijzen jaarlijks aan te passen in overeenstemming is met het in artikel 8, lid 4, van de toegangsrichtlijn bedoelde vereiste van evenredigheid, voor zover deze verplichting noodzakelijk is ter verwezenlijking van de doelstellingen die in het bovenstaande punt zijn vermeld.
54
Hieruit volgt dat, onder voorbehoud van deze controle, artikel 16 van het Handvest niet in de weg staat aan de mogelijkheid van een NRI om van een exploitant die is aangemerkt als een onderneming met aanzienlijke marktmacht te eisen dat hij zijn tarieven jaarlijks actualiseert en deze periodiek laat controleren.
55
Gelet op de bovenstaande overwegingen moet op de tweede vraag worden geantwoord dat artikel 8, lid 4, en artikel 13, lid 3, van de toegangsrichtlijn, in samenhang met artikel 16 van het Handvest, aldus moeten worden uitgelegd dat een NRI een exploitant die is aangemerkt als onderneming met een aanmerkelijke macht op een specifieke markt en op wie een verplichting inzake kostenoriëntering van prijzen rust, kan verplichten zijn prijzen jaarlijks vast te stellen op basis van de meest actuele gegevens en deze prijzen en de gegevens die deze prijzen onderbouwen voorafgaand aan de toepassing ervan ter toetsing aan haar voor te leggen, op voorwaarde dat dergelijke verplichtingen zijn gegrond op de aard van het vastgestelde probleem en evenredig en gerechtvaardigd zijn in het licht van de doelstellingen van artikel 8 van de kaderrichtlijn, hetgeen door de nationale rechter moet worden nagegaan.
Derde vraag
56
Vooraf moet worden opgemerkt dat uit het verzoek om een prejudiciële beslissing naar voren komt dat de derde vraag is gebaseerd op de premisse dat de tekst van artikel 13, lid 3, derde zin, van de toegangsrichtlijn, in de Poolse taalversie ervan (‘Krajowe organy regulacyjne mogą zażądać od danego operatora całościowego uzasadnienia stosowanych cen, a w razie potrzeby — odpowiedniego dostosowania tych cen’), afwijkt van andere taalversies. In het Pools zou deze zin inderdaad kunnen suggereren dat de NRI's alleen van een exploitant kunnen eisen dat hij zijn aan de hand van de kosten berekende prijzen aanpast wanneer hij deze al is gaan toepassen.
57
In deze omstandigheden moet de derde vraag aldus worden begrepen dat de verwijzende rechter hiermee in essentie wenst te vernemen of artikel 13, lid 3, van de toegangsrichtlijn aldus moet worden uitgelegd dat, wanneer een verplichting tot kostenoriëntering van prijzen is opgelegd aan een exploitant op basis van artikel 13, lid 1, van deze richtlijn, deze exploitant pas kan worden verplicht zijn prijzen aan te passen nadat hij is begonnen de kostengeörienteerde prijzen toe te passen, of ook voordat hij deze is gaan toepassen.
58
Opgemerkt zij dat op grond van de versies van artikel 13, lid 3, derde zin, van de toegangsrichtlijn in met name het Duits (‘Die nationalen Regulierungsbehörden können von einem Betreiber die umfassende Rechtfertigung seiner Preise und gegebenenfalls deren Anpassung verlangen’), Engels (‘National regulatory authorities may require an operator to provide full justification for its prices, and may, where appropriate, require prices to be adjusted’), Frans (‘Les autorités réglementaires nationales peuvent demander à une entreprise de justifier intégralement ses prix et, si nécessaire, en exiger l'adaptation’) en Italiaans (‘Le autorità nazionali di regolamentazione possono esigere che un operatore giustifichi pienamente i propri prezzi e, ove necessario, li adegui’), deze bepaling in die zin moet worden uitgelegd dat de betrokken exploitant de prijzen niet noodzakelijkerwijze al hoeft toe te passen voordat de NRI hem in voorkomend geval verplicht zijn prijzen aan te passen.
59
Volgens vaste rechtspraak van het Hof kan de in een van de taalversies van een Unierechtelijke bepaling gebruikte formulering niet als enige grondslag voor de uitlegging van die bepaling dienen of voorrang hebben boven de andere taalversies. Unierechtelijke bepalingen moeten immers uniform worden uitgelegd en toegepast tegen de achtergrond van de tekst in alle talen van de Unie. Wanneer er tussen de verschillende taalversies van een tekst van Unierecht verschillen bestaan, moet bij de uitlegging van de betrokken bepaling worden gelet op de algemene opzet en de doelstelling van de regeling waarvan zij een onderdeel vormt (arrest van 1 maart 2016, Alo en Osso, C-443/14 en C-444/14, EU:C:2016:127, punt 27 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
60
In dat verband moet ten eerste worden opgemerkt dat ofschoon lid 1 van artikel 13 van de toegangsrichtlijn de NRI's toestaat exploitanten verplichtingen op te leggen inzake kostenoriëntering van prijzen, lid 3 van dit artikel, door NRI's toe te staan van een exploitant te verlangen dat hij volledige verantwoording aflegt over zijn tarieven en deze indien nodig aanpast, de NRI's voorziet van de middelen waarmee de toepassing van dit recht kan worden verzekerd en waarmee kan worden verzekerd dat deze exploitant daadwerkelijk de kostengeoriënteerde prijzen toepast.
61
Ten tweede mogen de NRI's krachtens artikel 8, lid 1, van de kaderrichtlijn bij de uitvoering van de in de kaderrichtlijn en meer bepaald in de toegangsrichtlijn omschreven regelgevende taken, alle redelijke maatregelen treffen die gericht zijn op de verwezenlijking van de in artikel 8, lid 2, van de kaderrichtlijn genoemde doelstellingen, waaronder met name de doelstelling om de efficiëntie en duurzame concurrentie te bevorderen en de eindgebruikers het grootste voordeel te bieden. Zo kunnen de NRI's dankzij de toepassing van de maatregelen van artikel 13, lid 3, derde volzin, van de toegangsrichtlijn, door van de betrokken exploitant te verlangen dat deze volledige verantwoording aflegt over zijn tarieven en indien nodig dat deze worden aangepast, verzekeren dat de doelstellingen als bedoeld in zowel artikel 8, lid 2, van de kaderrichtlijn als artikel 13, leden 1 en 2, van de toegangsrichtlijn, worden nagestreefd.
62
Deze doelstellingen zouden echter niet altijd worden verwezenlijkt indien de NRI's alleen van de betrokken exploitant zouden kunnen verlangen dat deze volledige verantwoording aflegt over zijn tarieven en indien nodig dat deze worden aangepast in het geval deze tarieven al worden toegepast.
63
Derhalve moet op de derde vraag worden geantwoord dat artikel 13, lid 3, van de toegangsrichtlijn aldus moet worden uitgelegd dat, wanneer een verplichting tot kostenoriëntering van prijzen is opgelegd aan een exploitant op basis van artikel 13, lid 1, van deze richtlijn, deze exploitant kan worden verplicht zijn prijzen aan te passen voordat of nadat hij deze is gaan toepassen.
Kosten
64
Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Tweede kamer) verklaart voor recht:
- 1)
Artikel 8, lid 4, en artikel 13 van richtlijn 2002/19/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002 inzake de toegang tot en interconnectie van elektronischecommunicatienetwerken en bijbehorende faciliteiten (toegangsrichtlijn) moeten aldus worden uitgelegd dat wanneer een exploitant die is aangemerkt als onderneming met een aanmerkelijke macht op een specifieke markt, door een nationale regelgevende instantie een verplichting inzake kostenoriëntering van prijzen wordt opgelegd, deze nationale regelgevende instantie met het oog op de bevordering van efficiëntie en duurzame concurrentie voor de diensten die door deze verplichting worden bestreken een prijs kan vaststellen op een niveau dat lager ligt dan de kosten die voor het verrichten van die diensten door deze exploitant worden gemaakt indien deze kosten hoger zijn dan die van een efficiënte exploitant, hetgeen door de nationale rechter moet worden nagegaan.
- 2)
Artikel 8, lid 4, en artikel 13, lid 3, van richtlijn 2002/19, gelezen in samenhang met artikel 16 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, moeten aldus worden uitgelegd dat een nationale regelgevende instantie een exploitant die is aangemerkt als onderneming met een aanmerkelijke macht op een specifieke markt en op wie een verplichting inzake kostenoriëntering van prijzen rust, kan verplichten zijn prijzen jaarlijks vast te stellen op basis van de meest actuele gegevens en deze prijzen en de gegevens die deze prijzen onderbouwen voorafgaand aan de toepassing ervan ter toetsing aan haar voor te leggen, op voorwaarde dat dergelijke verplichtingen zijn gegrond op de aard van het vastgestelde probleem en evenredig en gerechtvaardigd zijn in het licht van de doelstellingen van artikel 8 van richtlijn 2002/21/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002 inzake een gemeenschappelijk regelgevingskader voor elektronischecommunicatienetwerken en -diensten (kaderrichtlijn), hetgeen door de nationale rechter moet worden nagegaan.
- 3)
Artikel 13, lid 3, van richtlijn 2002/19 moet aldus worden uitgelegd dat, wanneer een verplichting tot kostenoriëntering van prijzen is opgelegd aan een exploitant op basis van artikel 13, lid 1, van deze richtlijn, deze exploitant kan worden verplicht zijn prijzen aan te passen voordat of nadat hij deze is gaan toepassen.
ondertekeningen
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 20‑12‑2017
Conclusie 26‑07‑2017
E. Tanchev
Partij(en)
Zaak C-277/161.
Polkomtel sp. z o.o.
tegen
Prezes Urzędu Komunikacji Elektronicznej
[verzoek van de Sąd Najwyższy (hooggerechtshof, Polen) om een prejudiciële beslissing]
1.
Met deze prejudiciële verwijzing verzoekt de Sąd Najwyższy (hooggerechtshof, Polen) het Hof om te verduidelijken in hoeverre, en onder welke voorwaarden, nationale regelgevende instanties (NRI's) op grond van richtlijn 2002/19/EG (hierna: ‘toegangsrichtlijn’)2. bevoegd zijn om de prijzen te controleren die door telecommunicatie-exploitanten in rekening worden gebracht voor de levering van toegangs- en interconnectiediensten.
2.
De dienst waar het in deze zaak om gaat, betreft de wholesale gespreksafgifte op mobiele netwerken. Wanneer een abonnee van een mobiel netwerk belt naar een abonnee van een ander mobiel netwerk, belt de beller naar het netwerk van de gebelde persoon. Wholesale gespreksafgifte is de dienst die is vereist om die oproep ‘af te geven’ op het netwerk van de gebelde persoon. In de EU wordt het afgiftetarief vastgesteld door het gebelde netwerk en betaald door het bellende netwerk. Hoge afgiftetarieven, die vervolgens via hoge beltarieven worden doorberekend aan de eindgebruikers, vormen dus een belangrijk mededingingsprobleem.3.
3.
Dit is de reden waarom artikel 13 van de toegangsrichtlijn NRI's de bevoegdheid geeft om prijscontrolemaatregelen voor interconnectiediensten op te leggen. Prijscontrolemaatregelen mogen echter enkel worden opgelegd aan een exploitant die in een volgens artikel 16 van richtlijn 2002/21/EG (hierna: ‘kaderrichtlijn’)4. uitgevoerde marktanalyse is aangewezen als onderneming met een aanmerkelijke marktmacht, en enkel wanneer die exploitant ‘de prijzen […] op een buitensporig hoog peil kan handhaven, of de marges kan uithollen, ten nadele van de eindgebruikers’. Op grond van artikel 13, lid 1, van de toegangsrichtlijn kunnen prijscontrolemaatregelen met name de vorm aannemen van ‘verplichtingen inzake kostenoriëntering van prijzen’.
4.
De kernvraag van deze prejudiciële verwijzing is of NRI's door het opleggen van een verplichting tot kostenoriëntering van prijzen een exploitant met een aanmerkelijke marktmacht mogen verplichten om zijn prijzen lager vast te stellen dan de kosten die hij voor het leveren van afgiftediensten maakt. Verder wordt het Hof in het bijzonder de vraag gesteld hoe vaak een NRI, wanneer die kostengeoriënteerde prijzen eenmaal zijn vastgesteld, mag eisen dat deze worden aangepast, en welke procedure daarvoor moet worden gevolgd.
I. Toepasselijke bepalingen
A. Unierecht
5.
Artikel 16 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: ‘Handvest’) luidt als volgt:
‘De vrijheid van ondernemerschap wordt erkend overeenkomstig het recht van de Unie en de nationale wetgevingen en praktijken.’
6.
Artikel 8 van de kaderrichtlijn bepaalt:
- ‘1.
De lidstaten zorgen ervoor dat de nationale regelgevende instanties bij de uitvoering van de in deze richtlijn en de bijzondere richtlijnen omschreven regelgevende taken alle redelijke maatregelen treffen die gericht zijn op de verwezenlijking van de in de leden 2, 3 en 4 genoemde doelstellingen. Die maatregelen dienen in evenredigheid te zijn met die doelstellingen.
[…]
- 2.
De nationale regelgevende instanties bevorderen de concurrentie bij de levering van elektronische-communicatienetwerken en -diensten en de bijbehorende faciliteiten en diensten, onder meer op de volgende wijze:
[…]
- b)
zij zorgen ervoor dat er in de sector elektronische communicatie geen verstoring of beperking van de concurrentie is;
- c)
zij moedigen efficiënte investeringen op het gebied van infrastructuur aan en steunen innovaties; […]
[…]’
7.
Artikel 16 van de kaderrichtlijn bepaalt:
- ‘1.
Zo spoedig mogelijk na de aanneming van de Aanbeveling of een bijwerking daarvan voeren de nationale regelgevende instanties, zoveel mogelijk met inachtneming van de richtsnoeren een analyse van de relevante markten uit. De lidstaten zorgen ervoor dat deze analyse, in voorkomend geval, in samenwerking met de nationale mededingingsinstanties wordt uitgevoerd.
- 2.
Wanneer een nationale regelgevende instantie krachtens de artikelen 16, 17, 18 of 19 van richtlijn 2002/22/EG (universeledienstrichtlijn), of de artikelen 7 of 8 van [de toegangsrichtlijn] moet bepalen of ten aanzien van ondernemingen verplichtingen moeten worden opgelegd, gehandhaafd, gewijzigd of ingetrokken, bepaalt zij overeenkomstig de richtsnoeren op basis van haar analyse volgens lid 1 van dit artikel of een relevante markt daadwerkelijk concurrerend is.
- 3.
Wanneer een nationale regelgevende instantie concludeert dat de markt daadwerkelijk concurrerend is, mag zij niet een van de specifieke wettelijke verplichtingen als beschreven in lid 2 opleggen of handhaven. Wanneer er reeds sectorspecifieke verplichtingen bestaan, trekt zij die verplichtingen van ondernemingen op die relevante markt in. Partijen die gevolgen ondervinden van het intrekken van die verplichtingen worden tijdig in kennis gesteld.
- 4.
Wanneer een nationale regelgevende instantie vaststelt dat een relevante markt niet daadwerkelijk concurrerend is, gaat zij na welke ondernemingen op die markt een aanmerkelijke marktmacht in de zin van artikel 14 hebben en legt zij de ondernemingen in kwestie passende specifieke wettelijke verplichtingen op als beschreven in lid 2 of handhaaft zij deze verplichtingen wanneer zij reeds bestaan.
[…]’
8.
Artikel 8 van de toegangsrichtlijn luidt:
- ‘1.
De lidstaten zien erop toe dat de nationale regelgevende instanties de nodige bevoegdheden krijgen om de in de artikelen 9, 10, 11, 12 en 13 van deze richtlijn vermelde verplichtingen op te leggen.
- 2.
Wanneer een overeenkomstig artikel 16 van [de kaderrichtlijn] verrichte marktanalyse uitwijst dat een exploitant een aanmerkelijke macht op een specifieke markt bezit, leggen de nationale regelgevende instanties hem, waar passend, de in de artikelen 9, 10, 11, 12 en 13 van deze richtlijn genoemde verplichtingen op.
[…]
- 4.
De overeenkomstig dit artikel opgelegde verplichtingen worden op de aard van het geconstateerde probleem gebaseerd en in het licht van de doelstellingen van artikel 8 van [de kaderrichtlijn] proportioneel toegepast en gerechtvaardigd. Die verplichtingen worden alleen opgelegd na overleg als bedoeld in de artikelen 6 en 7 van die richtlijn.
[…]’
9.
Artikel 13 van de toegangsrichtlijn bepaalt:
- ‘1.
Een nationale regelgevende instantie kan overeenkomstig artikel 8 verplichtingen inzake het terugverdienen van kosten en prijscontrole opleggen, inclusief verplichtingen inzake kostenoriëntering van prijzen en kostentoerekeningssystemen, voor het verlenen van specifieke interconnectie- en/of toegangtypes, wanneer uit een marktanalyse blijkt dat de betrokken exploitant de prijzen door het ontbreken van werkelijke concurrentie op een buitensporig hoog peil kan handhaven of de marges kan uithollen, ten nadele van de eindgebruikers. De nationale regelgevende instanties houden rekening met de door de exploitant gedane investeringen en laten toe dat hij een redelijke opbrengst verkrijgt uit zijn kapitaalinbreng, de aangegane risico's in aanmerking genomen.
- 2.
De nationale regelgevende instanties zien erop toe dat regelingen voor het terugverdienen van kosten en tariferingsmethoden die worden opgelegd erop gericht zijn efficiëntie en duurzame concurrentie te bevorderen en de consument maximaal voordeel te bieden. In dat verband kunnen de nationale regelgevende autoriteiten ook rekening houden met beschikbare prijzen van vergelijkbare concurrerende markten.
- 3.
Wanneer voor een exploitant een verplichting inzake kostenoriëntering van zijn tarieven geldt, is het aan hem om aan te tonen dat de tarieven worden bepaald op basis van de kosten verhoogd met een redelijk investeringsrendement. Voor de berekening van de kosten verbonden aan efficiënte dienstverlening, kunnen de nationale regelgevende instanties boekhoudkundige kostenberekeningsmethoden gebruiken die los staan van de door de onderneming gebruikte methoden. De nationale regelgevende instanties kunnen van een exploitant verlangen dat deze volledige verantwoording aflegt over zijn tarieven en indien nodig dat deze worden aangepast.
[…]’
B. Pools recht
10.
Artikel 40 van de wet van 16 juli 2004 inzake telecommunicatie5., in de in het hoofdgeding geldende versie (hierna: ‘WT’), luidt:
- ‘1.
De voorzitter van de [dienst voor elektronische communicatie] kan overeenkomstig de in artikel 24, punt 2, onder a), genoemde voorwaarden een exploitant met een aanmerkelijke marktmacht bij besluit de verplichting opleggen de tarieven voor de toegang tot telecommunicatie aan de hand van de door hem gedragen kosten vast te stellen.
- 2.
Een exploitant waaraan de in lid 1 genoemde verplichting is opgelegd, legt de voorzitter van de [dienst voor elektronische communicatie] een onderbouwing voor van de hoogte van de tarieven die zijn vastgesteld aan de hand van de door hem gemaakte kosten.
- 3.
Met het oog op de beoordeling van de juistheid van de tarieven die door een in lid 1 bedoelde exploitant zijn vastgesteld, kan de voorzitter van de [dienst voor elektronische communicatie] de hoogte of methoden van vaststelling van de tarieven op vergelijkbare, concurrerende markten of andere manieren om de juistheid van de hoogte van deze tarieven te beoordelen in de beschouwing betrekken.
- 4.
Ingeval de hoogte van de door de exploitant vastgestelde tarieven volgens de in lid 3 bedoelde beoordeling onjuist is, stelt de voorzitter van de [dienst voor elektronische communicatie] de hoogte van de tarieven of het maximum- of minimumniveau ervan vast aan de hand van de in lid 3 bedoelde methoden op een wijze die bevorderlijk is voor efficiëntie en duurzame concurrentie en die de eindgebruikers het grootste voordeel biedt.’
II. Feiten, hoofdgeding en prejudiciële vragen
11.
Bij besluit van 19 juli 20066. heeft de Prezes Urzędu Komunikacji Elektronicznej (voorzitter van de dienst voor elektronische communicatie; hierna: ‘voorzitter van de UKE’) telecommunicatieaanbieder Polkomtel Sp. z o.o. (hierna: ‘Polkomtel’) op grond van artikel 40 van de WT aangemerkt als onderneming met een aanmerkelijke macht op de markt voor gespreksafgiftediensten op haar openbare mobiele netwerk. Bij dat besluit is Polkomtel bijgevolg de verplichting opgelegd om haar mobiele afgiftetarief (hierna: ‘MAT’) vast te stellen op basis van de door haar bij het aanbieden van diensten gemaakte kosten. Dat besluit is nog steeds van kracht.
12.
In antwoord op een vraag van het Hof op de terechtzitting heeft de voorzitter van de UKE uitgelegd dat hij in 2007 een besluit heeft genomen waarbij het MAT voor Polkomtel voor de volgende drie jaar, dus tot mei 2010, was vastgesteld. Volgens dat besluit was het MAT van Polkomtel vastgesteld op 0.44 Poolse złoty (PLN) per minuut. De bedoeling was echter om dat bedrag geleidelijk over een periode van drie jaar te verlagen.
13.
Tijdens de terechtzitting heeft de voorzitter van de UKE verder verklaard dat hij in 2008 desondanks nog een besluit (hierna: ‘MAT-besluit 2008’) heeft genomen waarbij het MAT voor Polkomtel is vastgesteld. Volgens dat besluit was het MAT vastgesteld op PLN 0.33 per minuut voor het derde kwartaal van 2008, PLN 0.21 per minuut voor het eerste semester van 2009, en PLN 0.1677 per minuut met ingang van het derde kwartaal van 2009.
14.
De voorzitter van de UKE en Polkomtel hebben ter terechtzitting beide gesteld dat Polkomtel bij de Poolse rechtbanken met succes heeft verzocht om nietigverklaring van het MAT-besluit 2008.
15.
Ten slotte heeft de voorzitter van de UKE, nadat Polkomtel gegevens ter verantwoording van haar kosten had overgelegd, het MAT voor Polkomtel vastgesteld op PLN 0.1677 per minuut7. (hierna: ‘MAT-besluit 2009’). Het bij dat besluit vastgestelde MAT komt dus overeen met het MAT dat bij het MAT-besluit 2008 voor het derde kwartaal van 2009 was vastgesteld.
16.
In het MAT-besluit 2009 heeft de voorzitter van de UKE de door Polkomtel ter verantwoording van haar kosten overgelegde gegevens gecontroleerd. Hij heeft benadrukt dat op grond van artikel 40 van de WT alle door de exploitant gemaakte kosten mochten worden terugverdiend (terwijl volgens een andere bepaling van de WT, artikel 39, enkel de door de exploitant verantwoorde kosten kunnen worden terugverdiend). Hij heeft geconstateerd dat de door Polkomtel gemaakte kosten voor de levering van de betrokken dienst PLN 0.1690 per minuut beliepen.
17.
De voorzitter van de UKE heeft het MAT voor Polkomtel echter niet vastgesteld op PLN 0.1690 per minuut. De reden hiervoor was dat hij overeenkomstig artikel 40, leden 3 en 4, van de WT besloot om het MAT voor Polkomtel te berekenen op basis van het gemiddelde MAT van de drie actieve exploitanten, namelijk Polkomtel, Orange en T-Mobile. Het MAT voor Orange beliep PLN 0.1676 per minuut en het MAT voor T-Mobile PLN 0.1667 per minuut. In het MAT-besluit 2009 heeft de voorzitter van de UKE het MAT voor Polkomtel dus op PLN 0.1677 per minuut vastgesteld.
18.
Polkomtel heeft tegen het MAT-besluit 2009 beroep ingesteld bij de Sąd Okręgowy w Warszawie (regionale rechtbank, Warschau, Polen). Bij uitspraak van 27 mei 2013 heeft de Sąd Okręgowy w Warszawie het aangevallen besluit gewijzigd. Deze rechter heeft het MAT voor Polkomtel op PLN 0.1690 per minuut vastgesteld, dus op het niveau van de kosten die Polkomtel maakt voor de levering van de afgiftedienst in kwestie. Volgens de Sąd Okręgowy w Warszawie kan de voorzitter van de UKE, wanneer de verplichting bedoeld in artikel 40 van de WT wordt opgelegd aan een exploitant met een aanmerkelijke marktmacht, het door die exploitant voorgestelde MAT niet in die zin wijzigen dat het bedrag van het MAT lager wordt vastgesteld dan de kosten die die exploitant voor het leveren van de betrokken dienst maakt.
19.
Zowel Polkomtel als de voorzitter van de UKE heeft tegen de uitspraak van de Sąd Okręgowy w Warszawie hoger beroep ingesteld bij de Sąd Apelacyjny w Warszawie (hogerberoepsrechter, Warschau, Polen). Bij arrest van 7 mei 2014 heeft de Sąd Apelacyjny w Warszawie het hoger beroep van de voorzitter van de UKE gegrond verklaard en het hoger beroep van Polkomtel verworpen. Volgens de Sąd Apelacyjny w Warszawie kan de voorzitter van de UKE, wanneer de verplichting bedoeld in artikel 40 van de WT wordt opgelegd aan een exploitant met een aanmerkelijke marktmacht, het MAT lager vaststellen dan de kosten van die exploitant, mits dit efficiëntie en duurzame concurrentie bevordert en de eindgebruikers maximaal voordeel biedt. In dit verband heeft de Sąd Apelacyjny w Warszawie zich gebaseerd op artikel 13, lid 3, van de toegangsrichtlijn, dat bepaalt dat het aan die exploitant is om aan te tonen dat de prijzen op kosten zijn georiënteerd. Wanneer de exploitant daarin niet slaagt, mag de betrokken NRI het MAT dus bij besluit vaststellen. Volgens de Sąd Apelacyjny w Warszawie kan de voorzitter van de UKE Polkomtel bovendien verplichten om haar MAT jaarlijks te verantwoorden teneinde de voorzitter van de UKE in staat te stellen zijn regelgevende bevoegdheid uit te oefenen.
20.
Polkomtel heeft tegen het arrest van de Sąd Apelacyjny w Warszawie (Appeal Court, Warsaw) cassatieberoep ingesteld bij de Sąd Najwyższy (hooggerechtshof).
21.
De Sąd Najwyższy heeft besloten de behandeling van de zaak te schorsen en het Hof de volgende prejudiciële vragen te stellen:
- ‘1)
Moet artikel 13, in samenhang met artikel 8, lid 4, van [de toegangsrichtlijn], in de oorspronkelijke versie, aldus worden uitgelegd dat een nationale regelgevende instantie die een exploitant met een aanmerkelijke marktmacht een verplichting inzake kostenoriëntering van prijzen oplegt, met het oog op de bevordering van efficiëntie en duurzame concurrentie voor een dienst die door deze verplichting wordt bestreken een prijs kan vaststellen die lager is dan de door de exploitant gedragen kosten voor het verrichten van die dienst, die door de nationale regelgevende instantie zijn getoetst en erkend als kosten die in een oorzakelijk verband staan met deze dienst?
- 2)
Moet artikel 13, lid 3, in samenhang met artikel 8, lid 4, van [de toegangsrichtlijn], in de oorspronkelijke versie, in samenhang met artikel 16 van het Handvest […] aldus worden uitgelegd dat een nationale regelgevende instantie een exploitant met een verplichting inzake kostenoriëntering van prijzen kan verplichten de prijs jaarlijks vast te stellen op basis van de actueelste gegevens over de kosten en de aldus vastgestelde prijs met de kostenverantwoording vóór invoering van deze prijs in het economisch verkeer ter toetsing aan de nationale regelgevende instantie voor te leggen?
- 3)
Moet artikel 13, lid 3, van [de toegangsrichtlijn], in de oorspronkelijke versie, in samenhang met artikel 16 van het Handvest […] aldus worden uitgelegd dat een nationale regelgevende instantie enkel aanpassing van de prijs door een exploitant met een verplichting tot kostenoriëntering van prijzen kan eisen wanneer deze exploitant eerst zelfstandig de hoogte van de prijs vaststelt en deze invoert, of ook wanneer de exploitant de prijs toepast die tevoren door de nationale regelgevende instantie is vastgesteld, maar uit de kostenverantwoording voor de volgende rapportageperiode naar voren komt dat de tevoren door de nationale regelgevende instantie vastgestelde prijs hoger is dan de door de exploitant gedragen kosten?’
22.
Polkomtel, de voorzitter van de UKE, de Italiaanse Republiek, het Koninkrijk der Nederlanden, de Republiek Polen en de Europese Commissie hebben schriftelijke opmerkingen ingediend. Polkomtel, de voorzitter van de UKE, de Republiek Polen en de Europese Commissie hebben voorts pleidooi gehouden ter terechtzitting van 11 mei 2017.
III. Beoordeling
A. Eerste prejudiciële vraag
23.
Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen of artikel 13 van de toegangsrichtlijn, gelezen in samenhang met artikel 8, lid 4, van die richtlijn, aldus moet worden uitgelegd dat een NRI een exploitant met een aanmerkelijke marktmacht de verplichting mag opleggen om zijn prijzen lager vast te stellen dat de door hem voor de levering van de betrokken dienst gemaakte kosten, zoals geverifieerd door die autoriteit.
24.
Ik herinner eraan dat de voorzitter van de UKE in het MAT-besluit 2009 de door Polkomtel ter verantwoording van haar MAT overgelegde gegevens heeft geverifieerd en geoordeeld dat de door Polkomtel voor de levering van de gespreksafgiftediensten op haar mobiele netwerk gemaakte kosten PLN 0.1690 per minuut beliepen. Vanwege het feit dat efficiëntie en duurzame concurrentie moesten worden bevorderd, is in dat besluit het MAT voor Polkomtel echter vastgesteld op PLN 0.1677 per minuut, dat wil zeggen lager dan de door die exploitant gemaakte kosten. Omdat de MAT's van de twee andere actieve exploitanten, Orange en T-Mobile, respectievelijk PLN 0.1676 en PLN 0.1667 per minuut bedroegen, is het MAT van Polkomtel vastgesteld op basis van het gemiddelde MAT voor de drie actieve exploitanten.
25.
Polkomtel betoogt dat een exploitant met een aanmerkelijke marktmacht niet kan worden verplicht om zijn prijzen lager vast te stellen dan de kosten die worden gemaakt voor de levering van de betrokken dienst. Artikel 13 van de toegangsrichtlijn bepaalt niet dat prijzen lager dan de kosten mogen worden vastgesteld. De verplichting van kostenoriëntering van prijzen als vervat in lid 1 van die bepaling, strekt er eenvoudigweg toe om buitensporig hoge prijzen te vermijden. Polkomtel voert verder aan dat op grond van artikel 13, lid 3, van de toegangsrichtlijn van de exploitant wordt verlangd dat hij het causale verband tussen specifieke kosten en de geleverde dienst aantoont. Van hem wordt niet verlangd dat hij aantoont dat zijn kosten die van een efficiënte exploitant zijn.
26.
De voorzitter van de UKE betoogt dat een NRI aan een exploitant met een aanmerkelijke marktmacht de verplichting mag opleggen om de prijzen lager vast te stellen dan de voor de levering van de betrokken dienst gemaakte kosten. Het is een NRI op grond van artikel 13, lid 1, van de toegangsrichtlijn toegestaan om verplichtingen tot kostenoriëntatie van prijzen op te leggen. In de leden 2 en 3 van artikel 13 van die richtlijn wordt verwezen naar respectievelijk de bevordering van efficiëntie en duurzame concurrentie en naar de kosten van efficiënte dienstverlening. In artikel 8 van de kaderrichtlijn wordt ook verwezen naar het bevorderen van concurrentie. Bijgevolg kan een exploitant met een aanmerkelijke marktmacht worden verplicht om de prijzen lager vast te stellen dan de gemaakte kosten wanneer die kosten hoger zijn dan de kosten die een efficiënte exploitant voor de levering van die dienst zou maken.
27.
De Italiaanse regering, de Poolse regering en de Commissie zijn het eens met de voorzitter van de UKE. De Nederlandse regering heeft over de eerste prejudiciële vraag geen opmerkingen ingediend.
28.
Naar mijn opvatting moet artikel 13 van de toegangsrichtlijn, gelezen in samenhang met artikel 8, lid 4, van die richtlijn, aldus worden uitgelegd dat een NRI ter bevordering van de efficiëntie aan een exploitant die is aangemerkt als onderneming met een aanmerkelijke marktmacht de verplichting mag opleggen om de prijs voor de levering van een specifieke dienst lager vast te stellen dan de kosten die die exploitant voor de levering van die dienst heeft gemaakt.
29.
Artikel 13, lid 1, van de toegangsrichtlijn bepaalt dat een NRI aan een exploitant met een aanmerkelijke marktmacht ‘verplichtingen inzake het terugverdienen van kosten en prijscontrole […], inclusief verplichtingen inzake kostenoriëntering van prijzen’ kan opleggen.
30.
Artikel 13, lid 1, van de toegangsrichtlijn bevat geen definitie van het begrip ‘kostenoriëntering’. Een verplichting tot ‘kostenoriëntering’ van prijzen zou betrekking kunnen hebben op een verplichting om de prijzen op een niveau vast te stellen dat gelijk is aan de hoogte van de door de exploitant voor de levering van de betrokken dienst gemaakte kosten (in dat geval zijn de prijzen ‘kostengeoriënteerd’ in de zin dat zij gelijk zijn aan de hoogte van de gemaakte kosten). Het zou ook kunnen gaan om een verplichting om de prijzen op een zodanig niveau vast te stellen dat niet alleen alle gemaakte kosten zijn gedekt, maar ook is voorzien in een kleine winstmarge (in dat geval zijn de prijzen ‘kostengeoriënteerd’ in de zin dat zij de gemaakte kosten slechts in geringe mate te boven gaan). Ten slotte zou het een verplichting kunnen betreffen om de prijzen op een zodanig niveau vast te stellen dat niet alle door de betrokken exploitant voor de levering van de dienst in kwestie gemaakte kosten worden gedekt, maar wel de kosten die voor de levering van die dienst zouden worden gemaakt door een efficiënte exploitant, met of zonder een kleine winstmarge (in dat geval zijn de kosten ‘georiënteerd’ op de kosten van een efficiënte verlening van de betrokken dienst).
31.
Ten eerste benadruk ik dat de verplichting ‘inzake kostenoriëntering’ van prijzen als bedoeld in artikel 13, lid 1, van de toegangsrichtlijn niet kan worden opgevat als een verplichting om de prijzen op een zodanig niveau vast te stellen dat alle door de betrokken exploitant voor de levering van de dienst in kwestie gemaakte kosten kunnen worden terugverdiend.
32.
De reden hiervoor is dat artikel 13, lid 1, van de toegangsrichtlijn verplicht tot ‘kostenoriëntering’ van prijzen. Dit artikel behelst geen verplichting tot het ‘terugverdienen’ van alle gemaakte kosten.
33.
Juist is dat in artikel 13, lid 1, wordt verwezen naar verplichtingen ‘inzake het terugverdienen van kosten’, waarvan de verplichting ‘inzake kostenoriëntering’ van prijzen als een voorbeeld kan worden gezien. De verplichting ‘inzake kostenoriëntering’ van prijzen kan echter ook worden gezien als een voorbeeld van maatregelen voor ‘prijscontrole’, waarnaar in artikel 13, lid 1, ook wordt verwezen (aangezien daarin wordt bepaald dat een NRI ‘verplichtingen inzake het terugverdienen van kosten en prijscontrole [kan] opleggen, inclusief verplichtingen inzake kostenoriëntering van prijzen’).8.
34.
Ten tweede zou, zelfs indien de verplichting ‘inzake kostenoriëntering’ van prijzen als bedoeld in artikel 13, lid 1, van de toegangsrichtlijn zou moeten worden opgevat als een verplichting om alle door de betrokken exploitant voor de levering van de dienst in kwestie gemaakte kosten terug te verdienen, dit nog steeds een verplichting zijn die NRI's aan exploitanten met een aanmerkelijke marktmacht kunnen opleggen. Het kan niet gaan om een verplichting die NRI's onder bepaalde omstandigheden aan dergelijke exploitanten moeten opleggen, namelijk ingeval buitensporig hoge prijzen in rekening worden gebracht of marges worden uitgehold.
35.
De reden hiervoor is dat in artikel 13, lid 1, van de toegangsrichtlijn uitdrukkelijk is bepaald dat een NRI verplichtingen inzake kostenoriëntering van prijzen ‘kan’ opleggen.
36.
Wanneer uit een overeenkomstig artikel 16 van de kaderrichtlijn uitgevoerde markanalyse blijkt dat een bepaalde markt niet daadwerkelijk concurrerend is, heeft de betrokken NRI een ruime beoordelingsbevoegdheid bij de keuze van de maatregel die moet worden opgelegd aan de exploitant die is aangewezen als onderneming met een aanmerkelijke marktmacht.9. In artikel 16, lid 4, van de kaderrichtlijn en artikel 8, lid 2, van de toegangsrichtlijn is sprake van het ‘opleggen’ door de betrokken NRI van een verplichting aan een dergelijke exploitant. Daarbij mag de NRI echter kiezen uit de verplichtingen als opgesomd in met name de artikelen 9 tot en met 13 van de toegangsrichtlijn. De NRI mag ‘in uitzonderlijke omstandigheden’ zelfs besluiten om een niet in de toegangsrichtlijn genoemde maatregel op te leggen, mits de Commissie daarvoor toestemming verleent.10.
37.
Wat betreft maatregelen voor prijscontrole wordt in overweging 20 van de toegangsrichtlijn opgemerkt dat ‘eventueel kan worden volstaan met een relatief kleine ingreep, zoals het opleggen van een bij regelgeving vastgestelde verplichting dat de prijzen voor carrierselectie tijdelijk moeten zijn, […] maar er kunnen ingrijpender maatregelen nodig zijn zoals de verplichting om, wanneer de prijzen kostengeoriënteerd zijn, volledige verantwoording over deze prijzen af te leggen’, waarmee wordt aanvaard dat NRI's een ruime beoordelingsbevoegdheid hebben bij het vaststellen van in een specifiek geval op te leggen prijscontrolemaatregelen. Het Hof heeft deze beoordelingsbevoegdheid bij de keuze voor prijscontrolemaatregelen erkend.11.
38.
Bijgevolg ben ik van oordeel dat artikel 13, lid 1, van de toegangsrichtlijn niet uitsluit dat aan een exploitant die is aangewezen als onderneming met een aanmerkelijke marktmacht, een verplichting wordt opgelegd om de prijzen lager vast te stellen dan de kosten.
39.
Ten derde ben ik van oordeel dat, hoewel NRI's een ruime beoordelingsbevoegdheid hebben bij de op te leggen prijscontrolemaatregelen, zij de prijzen in de regel moet vaststellen op basis van de kosten van een efficiënte exploitant, en niet de kosten van de betrokken exploitant. Dat betekent dat de gereguleerde prijzen lager mogen zijn dan de kosten van de betrokken exploitant.
40.
Ik merk op dat artikel 13, lid 1, van de toegangsrichtlijn geen definitie bevat van de ‘kosten’ waarop de prijzen moeten worden georiënteerd.
41.
In artikel 13, lid 3, van die richtlijn, waarin het gaat om de verplichting om kostengeoriënteerde prijzen in rekening te brengen, wordt als een van de door de NRI's in die situatie na te streven ‘doelen’ genoemd ‘de berekening van de kosten verbonden aan efficiënte dienstverlening’.12.
42.
Bovendien is in punt 1 van de Aanbeveling afgiftetarieven bepaald dat ‘[NRI's] afgiftetarieven [dienen] vast te stellen die gebaseerd zijn op de kosten van een efficiënte exploitant’.13. In dat verband benadruk ik dat NRI's weliswaar, zoals hierboven aangegeven, ten aanzien van te nemen maatregelen een ruime beoordelingsbevoegdheid hebben, maar dat artikel 19, lid 1, van de kaderrichtlijn bepaalt dat de NRI ‘zoveel mogelijk rekening [moet] houden’ met door de Commissie gedane aanbevelingen en dat zij, indien zij mocht besluiten een aanbeveling niet te volgen, ‘de Commissie daarvan op de hoogte [moet stellen] met vermelding van de motivering van haar standpunt’. In de zaak Koninklijke KPN oordeelde het Hof dan ook dat ‘[NRI's] [b]ij de oplegging van verplichtingen inzake prijscontrole en kostentoerekening op grond van artikel 13 van de toegangsrichtlijn […] in beginsel […] de aanwijzingen in [de Aanbeveling afgiftetarieven] [dienen] op te volgen. Slechts indien de NRI's bij hun beoordeling van een concrete situatie blijkt dat het in die aanbeveling voorgestane [model] in de omstandigheden van het geval niet passend is, kunnen zij daarvan onder motivering van hun standpunt afwijken’.14.
43.
De reden waarom in de Aanbeveling afgiftetarieven is bepaald dat de afgiftetarieven moeten worden gebaseerd op de kosten van een efficiënte exploitant is er, zoals hierboven opgemerkt, in gelegen dat ‘[d]e regelgevingsinstanties […] zich […] met betrekking tot de concurrentie vooral zorgen [maken] over extreme prijzen’, des te meer nu hoge afgiftetarieven kunnen worden doorberekend aan eindgebruikers en ‘uiteindelijk [kunnen worden] terugverdiend door hogere beltarieven’.15.
44.
Dit strookt met artikel 13, lid 2, van de toegangsrichtlijn, dat voorschrijft dat ‘regelingen voor het terugverdienen van kosten en tariferingsmethoden die worden opgelegd erop gericht zijn efficiëntie en duurzame concurrentie te bevorderen en de consument maximaal voordeel te bieden’.16. Dit strookt verder met artikel 8, lid 4, van de toegangsrichtlijn, waarin is bepaald dat verplichtingen die overeenkomstig artikel 13 van die richtlijn in het bijzonder worden opgelegd, ‘in het licht van de doelstellingen van artikel 8 van [de kaderrichtlijn] […] gerechtvaardigd’ moeten zijn. Tot deze doelstellingen behoren het voorkomen van ‘verstoring of beperking van de concurrentie’ en de bevordering van ‘efficiënte investeringen op het gebied van infrastructuur’.17.
45.
Indien de kosten van de betrokken exploitant hoger zijn dan die van een efficiënte exploitant, kunnen de prijzen die zijn vastgesteld op basis van laatstgenoemde kosten dus lager zijn dan de eerstgenoemde kosten. Naar mijn mening is dit niet onverenigbaar met artikel 13 van de toegangsrichtlijn, aangezien, zoals hierboven toegelicht, voor de vaststelling van kostengeoriënteerde prijzen overeenkomstig die bepaling ‘in beginsel’ de kosten van een efficiënte exploitant zouden moeten worden gehanteerd. Zoals het Hof heeft geoordeeld in de zaak Koninklijke KPN, laat dit echter de vrijheid van de NRI onverlet om in een gegeven situatie af te wijken van de in de Aanbeveling afgiftetarieven voorgestane methode, wanneer zij dit passend acht en motiveert.18.
46.
Ik benadruk echter dat op grond van artikel 13 van de toegangsrichtlijn opgelegde kostengeoriënteerde prijzen naar mijn mening niet lager kunnen zijn dan de kosten die een efficiënte exploitant maakt voor de levering van de betrokken interconnectiedienst.19. De reden hiervoor is dat het opleggen van prijzen die lager zijn dan de kosten van de efficiënte levering van de dienst in kwestie, de betrokken exploitant ervan kan weerhouden zijn netwerk in stand te houden en infrastructuur van de volgende generatie te ontwikkelen. Het kan exploitanten er ook van weerhouden om hun eigen infrastructuur aan te leggen, hetgeen een van de doelstellingen genoemd in artikel 8, lid 2, van de kaderrichtlijn is. De reden hiervoor is mede dat de betrokken exploitant volgens artikel 13, leden 1 en 3, van de toegangsrichtlijn, een ‘redelijke opbrengst’ uit zijn kapitaal of investeringen moet kunnen verdienen.
47.
Voor de onderhavige zaak merk ik op dat volgens de verwijzingsbeslissing niet is geconstateerd dat de kosten van Polkomtel hoger zijn dan die van een efficiënte exploitant. Het MAT van Polkomtel is zodoende vastgesteld op basis van het gemiddelde MAT van de drie actieve exploitanten, namelijk Polkomtel zelf en haar concurrenten Orange en T-Mobile, die zijn gebruikt voor de benchmark.20. Het Hof is geen informatie verstrekt over de vraag hoe de MAT's van Orange en T-Mobile zijn berekend. Met name is geen informatie verstrekt over de vraag of de MAT's van Orange en T-Mobile vrij zijn bepaald of door de voorzitter van de UKE.21. Indien zij zouden zijn vastgesteld door de voorzitter van de UKE, dan zijn zij mogelijk zelf berekend aan de hand van de kosten van een efficiënte exploitant.
48.
Het zal dus aan de verwijzende rechter zijn om na te gaan of het MAT van Polkomtel is gebaseerd op de kosten die een efficiënte exploitant maakt voor de levering van wholesale gespreksafgiftediensten op een mobiel netwerk. Mocht dit niet het geval zijn, dan zou de verwijzende rechter vervolgens moeten nagaan of het passend was om af te wijken van het model dat wordt voorgestaan in de Aanbeveling afgiftetarieven, en of die benadering in het MAT-besluit 2009 is gemotiveerd. In dat verband merk ik op dat de vertegenwoordiger van de voorzitter van de UKE op de terechtzitting heeft betoogd dat in het MAT-besluit 2009 een benchmarkmethode is toegepast omdat NRI's in de Aanbeveling afgiftetarieven een overgangsperiode wordt toegestaan om te komen tot toepassing van op efficiënte kosten gebaseerde afgiftetarieven, en dat het MAT-besluit 2009 tijdens die overgangsperiode, die liep tot en met 31 december 2012, is vastgesteld.22.
49.
Bijgevolg zou op de eerste vraag moeten worden geantwoord dat artikel 13 van de toegangsrichtlijn, gelezen in samenhang met artikel 8, lid 4, van die richtlijn, aldus moet worden uitgelegd dat wanneer een NRI aan een exploitant die is aangemerkt als onderneming met een aanmerkelijke marktmacht een verplichting tot kostenoriëntering van prijzen oplegt, die prijzen in beginsel lager mogen worden vastgesteld dan de kosten die de betrokken exploitant voor de dienst in kwestie maakt, mits zij niet lager worden vastgesteld dan de kosten die een efficiënte exploitant voor de levering van die dienst maakt. Dit laat echter onverlet dat een NRI in een gegeven situatie de beoordelingsbevoegdheid heeft om de prijzen hoger vast te stellen dan de kosten die een efficiënte exploitant voor de levering van de betrokken dienst maakt, wanneer zij een dergelijke methodologie passend acht en het gebruik van deze methodologie motiveert.
B. Tweede prejudiciële vraag
50.
Met zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen of artikel 13, lid 3, van de toegangsrichtlijn, gelezen in samenhang met artikel 8, lid 4, van die richtlijn en artikel 16 van het Handvest, aldus moet worden uitgelegd dat wanneer een NRI een verplichting tot het vaststellen van kostengeoriënteerde prijzen heeft opgelegd aan een exploitant die is aangemerkt als onderneming met een aanmerkelijke marktmacht, deze NRI die exploitant mag verplichten om die prijzen jaarlijks aan te passen aan de hand van de geactualiseerde kostengegevens, en om die geactualiseerde prijzen aan de NRI voor te leggen voordat deze worden toegepast.
51.
Polkomtel voert aan dat wanneer aan een exploitant met een aanmerkelijke marktmacht de verplichting is opgelegd om kostengeoriënteerde prijzen vast te stellen, van hem niet kan worden verlangd dat hij die prijzen jaarlijks aanpast en de aangepaste prijzen voorlegt aan de betrokken NRI, die deze dan toetst voordat zij worden toegepast. De verplichting van kostengeoriënteerde prijzen kan enkel worden opgelegd na het doorlopen van een complexe procedure, die mede een marktanalyse in de zin van artikel 16 van de kaderrichtlijn omvat. Die marktanalyse moet volgens artikel 16, lid 6, van de kaderrichtlijn, zoals gewijzigd bij richtlijn 2009/140/EG23. (waarvan Polkomtel niet betwist dat deze ten tijde hier van belang niet van toepassing was), om de drie jaar worden uitgevoerd, en volgens het nationale recht om de twee jaar. Niets staat er echter aan in de weg dat de betrokken NRI de marktanalyses vaker uitvoert. Integendeel, de betrokken NRI kan van de exploitant in kwestie niet eisen dat hij eerder vastgestelde kostengeoriënteerde prijzen aanpast zonder eerst een nieuwe marktanalyse uit te voeren. Anders zouden gereguleerde prijzen kunnen worden gehandhaafd wanneer de markt weer concurrerend is geworden. Met name kan artikel 13, lid 3, van de toegangsrichtlijn niet in die zin worden gelezen dat een exploitant verplicht is om kostengeoriënteerde prijzen jaarlijks aan te passen.
52.
De Nederlandse regering is het eens met Polkomtel. Zij benadrukt in het bijzonder dat NRI's elke drie jaar een marktanalyse van de markten voor gespreksafgifte op mobiele netwerken moeten uitvoeren. NRI's moeten de maximumprijzen dus voor de komende drie jaar vaststellen. Indien NRI's een jaarlijkse aanpassing van die prijzen zouden verlangen, dan zouden zij in strijd handelen met het proportionaliteitsvereiste van artikel 8, lid 4, van de toegangsrichtlijn, en exploitanten geen rechtszekerheid bieden, hetgeen investeringen in gevaar brengt.
53.
De voorzitter van de UKE betoogt dat van een exploitant aan wie een verplichting tot kostenoriëntering van prijzen is opgelegd, mag worden verlangd dat hij die prijzen jaarlijks aanpast en vóór toepassing ervan ter controle voorlegt aan de betrokken NRI. De reden hiervoor is dat de NRI op grond van artikel 13, lid 3, van de toegangsrichtlijn bevoegd is om van de exploitant te verlangen dat deze te allen tijde volledige verantwoording aflegt over zijn tarieven en deze zo nodig aanpast. De voorzitter van de UKE heeft op grond van de WT enkel de bevoegdheid om te eisen dat de prijzen worden verantwoord en om zo nodig te eisen dat deze een keer per jaar worden aangepast. De WT is dus verenigbaar met artikel 13, lid 3, van de toegangsrichtlijn, en biedt exploitanten rechtszekerheid. De WT is ook in overeenstemming met het proportionaliteitsvereiste van artikel 8, lid 4, van de toegangsrichtlijn.
54.
De Italiaanse regering, de Poolse regering en de Commissie zijn het eens met de voorzitter van de UKE.
55.
Naar mijn mening moet artikel 13, lid 3, van de toegangsrichtlijn, gelezen in samenhang met artikel 8, lid 4, van die richtlijn, aldus worden uitgelegd dat wanneer een verplichting tot kostenoriëntering van prijzen is opgelegd aan een exploitant, die exploitant verplicht kan worden om zijn prijzen jaarlijks aan te passen aan de hand van geactualiseerde gegevens en deze prijzen ter controle voor te leggen aan de betrokken NRI.
56.
Artikel 13, lid 3, van de toegangsrichtlijn bepaalt dat ‘[w]anneer voor een exploitant een verplichting inzake kostenoriëntering van zijn tarieven geldt’24., dat wil zeggen wanneer die verplichting al aan een exploitant is opgelegd, ‘[NRI's] van een exploitant kunnen verlangen dat deze volledige verantwoording aflegt over zijn tarieven en indien nodig dat deze worden aangepast’.
57.
Ik merk op dat, zoals de Commissie betoogt, artikel 13, lid 3, van de toegangsrichtlijn geen aanwijzingen bevat over de frequentie waarmee de betrokken NRI verantwoording en zo nodig aanpassing van de eerder vastgestelde prijzen mag verlangen.25.
58.
Bijgevolg moet worden gekeken naar artikel 8, lid 4, van de toegangsrichtlijn, dat bepaalt dat verplichtingen zoals die van de kostenoriëntering van prijzen ‘op de aard van het geconstateerde probleem [worden] gebaseerd en in het licht van de doelstellingen van artikel 8 van [de kaderrichtlijn] proportioneel [worden] toegepast en gerechtvaardigd’. Het komt mij voor dat artikel 8, lid 4, van de toegangsrichtlijn niet alleen op de aanvankelijke oplegging van de verplichting van kostenoriëntering van prijzen moet worden toegepast, maar ook op de aanpassing van die prijzen op grond van artikel 13, lid 3, van de toegangsrichtlijn. De frequentie waarmee om verantwoording en aanpassing van de eerder opgelegde kostengeoriënteerde prijzen kan worden verzocht, moet in het bewuste geval dus passend (‘op de aard van het geconstateerde probleem gebaseerd’) en evenredig zijn, en gericht op de verwezenlijking van de in de kaderrichtlijn vervatte doelstellingen.
59.
Ik merk op dat één kenmerk van de markten voor elektronische communicatie hun snelle verandering is als gevolg van technologische ontwikkelingen. Op de terechtzitting heeft de Commissie uitgelegd dat die markten worden ‘gekenmerkt door snelle verandering en technologische vooruitgang’, terwijl de voorzitter van de UKE heeft benadrukt dat ‘technologische ontwikkelingen die de werking van de betrokken markt wezenlijk veranderen, zich plotseling voordoen’.26. In het licht van deze marktkenmerken ben ik van mening dat een verplichting tot jaarlijkse aanpassing van eerder vastgestelde prijzen niet als buitensporig of onevenredig kan worden aangemerkt.
60.
Verder benadruk ik dat het niet tijdig aanpassen van kostengeoriënteerde prijzen kan leiden tot verstoring of beperking van de mededinging, hetgeen volgens artikel 8, lid 2, onder b), van de kaderrichtlijn moet worden voorkomen. Indien de kosten wezenlijk lager mochten worden nadat de kostengeoriënteerde prijzen zijn vastgesteld, dan zou de betrokken exploitant buitensporig hoge prijzen in rekening kunnen brengen wanneer deze niet tijdig worden aangepast. Omgekeerd zou de betrokken exploitant zich met moeilijkheden bij het onderhoud van de infrastructuur of het investeren in nieuwe technologieën geconfronteerd kunnen zien indien de kosten na de vaststelling van kostengeoriënteerde prijzen mochten stijgen.
61.
Bijgevolg zou naar mijn mening van een exploitant aan wie eerder een verplichting tot kostenoriëntering van prijzen is opgelegd, kunnen worden verlangd dat deze zijn prijzen verantwoordt en zo nodig jaarlijks aanpast.
62.
Ik zal nu ingaan op de vraag of NRI's verplicht zijn om een marktanalyse in de zin van artikel 16 van de kaderrichtlijn uit te voeren voordat zij tot een dergelijke jaarlijkse aanpassing van kostengeoriënteerde prijzen overgaan.
63.
Om te beginnen wijs ik erop dat een verplichting tot kostenoriëntering van prijzen enkel mag worden opgelegd als laatste stap van een uit drie stappen bestaand proces.27.
64.
De eerste stap behelst de vaststelling en definitie van markten die aan ex ante regelgeving kunnen worden onderworpen, dat wil zeggen markten waarop het gerechtvaardigd is om wettelijke verplichtingen op te leggen. Op het niveau van de EU doet de Commissie een aanbeveling op grond van artikel 15, lid 1, van de kaderrichtlijn. Die aanbeveling bevat een opsomming van de markten die aan ex ante regelgeving kunnen worden onderworpen.28. Het is vervolgens aan de NRI's om de betrokken markten binnen hun nationale grondgebied vast te stellen en te definiëren. Volgens artikel 15, lid 3, van de kaderrichtlijn moeten zij daarbij ‘zoveel mogelijk rekening [houden]’ met de door de Commissie gedane aanbeveling.
65.
De tweede stap bestaat volgens artikel 16, leden 1 en 2, van de kaderrichtlijn in het uitvoeren van een analyse van de relevante markt door de betrokken NRI om te bepalen of die markt daadwerkelijk concurrerend is, dat wil zeggen of er een exploitant (alleen of samen met anderen) is die op die markt een aanmerkelijke macht heeft.29.
66.
De derde stap houdt in dat wanneer een NRI tot het oordeel komt dat een exploitant op een bepaalde markt een aanmerkelijke marktmacht heeft, zij die exploitant op grond van artikel 16, leden 2 en 4, van de kaderrichtlijn passende verplichtingen zal opleggen. Eén zo een verplichting is de verplichting tot kostenoriëntering van prijzen als bedoeld in artikel 13, lid 1, van de toegangsrichtlijn.
67.
Naar mijn mening kunnen NRI's een jaarlijkse aanpassing van kostengeoriënteerde prijzen verlangen zonder een marktanalyse in de zin van artikel 16 van de kaderrichtlijn uit te voeren.
68.
Ten eerste is in artikel 16, lid 2, van de kaderrichtlijn bepaald dat ‘[w]anneer een nationale regelgevende instantie krachtens […] artikel 8 van [de toegangsrichtlijn] moet bepalen of ten aanzien van ondernemingen verplichtingen moeten worden opgelegd, gehandhaafd, gewijzigd of ingetrokken, […] zij overeenkomstig de richtsnoeren op basis van haar analyse volgens lid 1 van dit artikel [bepaalt] of een relevante markt daadwerkelijk concurrerend is’. Lid 1 van artikel 16 van de kaderrichtlijn bepaalt dat NRI's zo spoedig mogelijk nadat de Commissie ter zake van markten voor relevante producten en diensten die kunnen worden onderworpen aan ex ante regelgeving, een aanbeveling heeft aangenomen (hetgeen de Commissie tot dusverre drie keer heeft gedaan)30., een analyse van de door de Commissie in die aanbeveling vastgestelde markten uitvoeren. Mij lijkt dus dat artikel 16, lid 2, van de kaderrichtlijn niet vereist dat NRI's een nieuwe marktanalyse uitvoeren wanneer zij doende zijn te bepalen of een eerder opgelegde verplichting moet worden gewijzigd. Veeleer vereist artikel 16, lid 2, enkel dat NRI's zich baseren op de aanvankelijke marktanalyse die heeft geleid tot de oplegging van bijvoorbeeld een verplichting tot kostenoriëntering van prijzen en om na te gaan of die verplichting in het licht van de geactualiseerde kostengegevens nog steeds passend is.
69.
Ten tweede wordt in overweging 15 van de toegangsrichtlijn opgemerkt dat voor het opleggen van een specifieke verplichting aan een onderneming waarvan op basis van een marktanalyse al is vastgesteld dat deze een aanmerkelijke marktmacht heeft, ‘geen extra marktanalyse’ is vereist, maar enkel ‘een verantwoording dat de verplichting in kwestie passend en evenredig aan de aard van het probleem is’. Het enige doel van een overeenkomstig artikel 16 van de kaderrichtlijn uitgevoerde marktanalyse bestaat er dus in om te bepalen of een markt daadwerkelijk concurrerend is. Het ontbreken van werkelijke concurrentie kan verschillende betekenissen hebben, zoals de situatie bedoeld in artikel 13, lid 1, van de toegangsrichtlijn dat ‘de betrokken exploitant de prijzen […] op een buitensporig hoog peil kan handhaven of de marges kan uithollen’. Wanneer dit eenmaal is vastgesteld, is geen extra marktanalyse vereist om wettelijke verplichtingen op te leggen. Het doel van de markanalyse in de zin van artikel 16 van de kaderrichtlijn is met andere woorden niet om te bepalen of een specifieke maatregel passend is. Indien er geen marktanalyse vereist is om te bepalen of er kostengeoriënteerde prijzen moeten worden opgelegd, dan kan een marktanalyse dus ook niet vereist zijn om te bepalen of die prijzen één jaar later moeten worden aangepast (of gehandhaafd of ingetrokken).
70.
Uiteraard betekent dit niet dat eerder opgelegde kostengeoriënteerde prijzen kunnen worden gewijzigd zonder enige beoordeling van hun passend- en evenredigheid. De ‘verantwoording’ van hun passend- en evenredigheid die volgens overweging 15 van de toegangsrichtlijn vereist is voor de aanvankelijke oplegging van een verplichting ziet naar mijn mening ook op de wijziging van die verplichting. Dit strookt met artikel 8, lid 4, van de toegangsrichtlijn, dat vereist dat verplichtingen ‘proportioneel’ zijn.
71.
In dat verband merk ik op dat terwijl artikel 13, lid 3, van de toegangsrichtlijn bepaalt dat het aan de betrokken exploitant is ‘om aan te tonen dat de tarieven worden bepaald op basis van de kosten’, die bepaling niettemin verwijst naar de berekening van de ‘kosten verbonden aan efficiënte dienstverlening’, die is opgedragen aan NRI's. Dit houdt naar mijn mening in dat NRI's de door de betrokken exploitant verstrekte gegevens moeten controleren en nagaan of de kosten, zoals berekend op basis van de aanvankelijke marktanalyse,31. zijn veranderd zodat de prijzen moeten worden aangepast.
72.
Naar mijn mening is dit verenigbaar met de vrijheid van ondernemerschap als vervat in artikel 16 van het Handvest.
73.
De bij artikel 16 van het Handvest verleende bescherming omvat de vrijheid om een economische activiteit of een handelsactiviteit uit te oefenen, de contractsvrijheid en de vrije mededinging. De contractsvrijheid omvat de vrijheid om de prijs voor een dienst te bepalen.32. Naar mijn mening vormt de verplichting om kostengeoriënteerde prijzen vast te stellen zonder twijfel een inmenging in de vrijheid van ondernemerschap. De verplichting om die prijzen jaarlijks aan te passen zonder dat de NRI een marktanalyse uitvoert, vormt derhalve ook een inmenging in die vrijheid.
74.
Artikel 52, lid 1, van het Handvest erkent evenwel dat aan de uitoefening van de in het Handvest neergelegde rechten en vrijheden beperkingen kunnen worden gesteld, voor zover bij wet in deze beperkingen is voorzien, de beperkingen de wezenlijke inhoud van die rechten en vrijheden eerbiedigen en, met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel, noodzakelijk zijn en daadwerkelijk beantwoorden aan door de Unie erkende doelstellingen van algemeen belang of aan de eisen van de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.33. Ik merk ten eerste op dat de verplichting om kostengeoriënteerde prijzen vast te stellen en de verplichting om die prijzen jaarlijks aan te passen zonder dat de NRI een marktanalyse uitvoert, zijn neergelegd in het nationale recht, namelijk de WT. Ten tweede eerbiedigen die verplichtingen de wezenlijke inhoud van de vrijheid van ondernemerschap, aangezien exploitanten de betrokken interconnectiedienst mogen blijven aanbieden (nu de NRI de kosten niet lager mag vaststellen dan de kosten van een efficiënte exploitant). Ten derde worden met de artikelen 39 en 40 van de WT, waarmee artikel 13 van de toegangsrichtlijn is omgezet, door de Europese Unie erkende doelstellingen van algemeen belang nagestreefd, zoals de bevordering van de concurrentie als bedoeld in artikel 8, lid 2, van de kaderrichtlijn. In het bijzonder strekt de verplichting om kostengeoriënteerde prijzen vast te stellen en die prijzen jaarlijks aan te passen er volgens artikel 13, lid 1, van de toegangsrichtlijn toe om te voorkomen dat exploitanten buitensporig hoge prijzen in rekening brengen of de marges uithollen. Ten vierde is de verplichting om prijzen jaarlijks aan te passen op basis van een beoordeling door de betrokken NRI van de vraag of een dergelijke aanpassing in het licht van de kostenontwikkeling passend is, in overeenstemming met het proportionaliteitsvereiste zoals vervat in artikel 8, lid 4, van de toegangsrichtlijn.
75.
Op de tweede prejudiciële vraag zou dus moeten worden geantwoord dat artikel 13, lid 3, van de toegangsrichtlijn, gelezen in samenhang met artikel 8, lid 4, van de toegangsrichtlijn en artikel 16 van het Handvest, aldus moet worden uitgelegd dat wanneer een NRI een verplichting tot het vaststellen van kostengeoriënteerde prijzen heeft opgelegd aan een exploitant die is aangemerkt als onderneming met een aanmerkelijke marktmacht, die NRI van de betrokken exploitant mag verlangen dat deze zijn prijzen volledig verantwoordt en zo nodig jaarlijks aanpast. NRI's zijn, om een dergelijke prijsaanpassing te verlangen, niet verplicht om een marktanalyse in de zin van artikel 16 van de kaderrichtlijn uit te voeren. Zij zijn echter wel verplicht om ervoor te zorgen dat de prijsaanpassing in het licht van de kostenontwikkeling passend en evenredig is.
C. Derde prejudiciële vraag
76.
Met zijn derde vraag wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of van een exploitant aan wie op grond van artikel 13, lid 1, van de toegangsrichtlijn een verplichting tot kostenoriëntering van prijzen is opgelegd, eerst nadat hij is begonnen die kostengeoriënteerde prijzen toe te passen mag worden verlangd dat hij zijn prijzen op grond van artikel 13, lid 3, van die richtlijn aanpast, of ook voordat hij die kosten begint toe te passen.34.
77.
De verwijzende rechter merkt op dat de Poolse versie van artikel 13, lid 3, van de toegangsrichtlijn bepaalt dat ‘[NRI's] van een onderneming kunnen verlangen dat deze de door haar toegepaste prijzen volledig verantwoordt en indien nodig dat die prijzen worden aangepast’.35. Volgens de verwijzende rechter suggereert de Poolse versie van die bepaling dat NRI's van een exploitant aan wie een verplichting tot kostenoriëntering van prijzen is opgelegd, pas mogen verlangen dat deze zijn prijzen aanpast wanneer hij is begonnen de op grond van artikel 13, lid 1, vastgestelde prijzen toe te passen. De verwijzende rechter merkt echter op dat de Engelse, de Duitse en de Franse versie van de laatste zin van artikel 13, lid 3, anders dan de Poolse versie, geen melding maken van al ‘toegepaste’ prijzen. De verwijzende rechter is daarom van oordeel dat NRI's van een exploitant aan wie een verplichting tot kostenoriëntering van prijzen is opgelegd, niet alleen wanneer die exploitant is begonnen die kostengeoriënteerde prijzen toe te passen mogen verlangen dat deze hun prijzen op grond van artikel 13, lid 3, aanpassen, maar ook voordat die exploitant deze begint toe te passen.
78.
Ik merk op dat bijvoorbeeld de Deense, de Duitse, de Franse, de Hongaarse, de Italiaanse en de Zweedse versie36. van de laatste zin van artikel 13, lid 3, van de toegangsrichtlijn alle bepalen dat NRI's van een exploitant mogen verlangen dat deze ‘zijn kosten’ volledig verantwoordt. Deze versies maken geen melding van ‘toegepaste’ prijzen. De Spaanse versie verwijst echter wel naar ‘toegepaste’ prijzen.37.
79.
Volgens vaste rechtspraak moet, wanneer er verschillen bestaan tussen de taalversies van een regeling van het Unierecht, bij de uitlegging van de betrokken bepaling worden gelet op de algemene opzet en de doelstelling van de regeling waarvan deze een onderdeel vormt.38. In deze zaak strekt artikel 13, lid 3, van de toegangsrichtlijn ertoe om ervoor te zorgen dat een exploitant aan wie op grond van artikel 13, lid 1, een verplichting tot kostenoriëntering van prijzen is opgelegd, feitelijk kostengeoriënteerde prijzen in rekening brengt. Artikel 13, lid 3, zorgt ervoor dat de op grond van artikel 13, lid 1, opgelegde verplichting daadwerkelijk wordt geëffectueerd. Het komt mij voor dat die verplichting niet daadwerkelijk kan worden geëffectueerd indien de betrokken NRI van de exploitant in kwestie niet zou kunnen verlangen dat deze zijn prijzen zowel aanpast voordat hij begint deze toe te passen als nadat hij is begonnen deze toe te passen. In dat verband benadruk ik dat artikel 8, lid 1, van de kaderrichtlijn NRI's de bevoegdheid verleent om ‘alle redelijke maatregelen’ te treffen om de in lid 2 van die bepaling genoemde doelstellingen te verwezenlijken, met name de bevordering van concurrentie, mits die maatregelen evenredig zijn.39.
80.
Op de derde vraag zou derhalve moeten worden geantwoord dat artikel 13, lid 3, van de toegangsrichtlijn aldus moet worden uitgelegd dat wanneer er aan een exploitant op grond van artikel 13, lid 1, van die richtlijn een verplichting tot kostenoriëntering van prijzen is opgelegd, van die exploitant mag worden verlangd dat hij zijn prijzen aanpast voordat hij deze begint toe te passen of nadat hij is begonnen die toe te passen.
IV. Conclusie
81.
Gelet op een en ander geef ik het Hof in overweging de prejudiciële vragen van de Sąd Najwyższy te beantwoorden als volgt:
- ‘1)
Artikel 13 van richtlijn 2002/19/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002 inzake de toegang tot en interconnectie van elektronische-communicatienetwerken en bijbehorende faciliteiten (toegangsrichtlijn), gelezen in samenhang met artikel 8, lid 4, van die richtlijn, moet aldus worden uitgelegd dat wanneer een nationale regelgevende instantie aan een exploitant die is aangemerkt als onderneming met een aanmerkelijke marktmacht een verplichting tot kostenoriëntering van prijzen oplegt, die prijzen in beginsel lager mogen worden vastgesteld dan de kosten die de betrokken exploitant voor de dienst in kwestie maakt, mits zij niet lager worden vastgesteld dan de kosten die een efficiënte exploitant voor de levering van die dienst maakt. Dit laat echter onverlet dat een nationale regelgevende instantie in een gegeven situatie de beoordelingsbevoegdheid heeft om de prijzen hoger vast te stellen dan de kosten die een efficiënte exploitant voor de levering van de betrokken dienst maakt, wanneer zij een dergelijke methodologie passend acht en het gebruik van deze methodologie motiveert.
- 2)
Artikel 13, lid 3, van de toegangsrichtlijn, gelezen in samenhang met artikel 8, lid 4, van de toegangsrichtlijn en artikel 16 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, moet aldus worden uitgelegd dat wanneer een nationale regelgevende instantie een verplichting tot het vaststellen van kostengeoriënteerde prijzen heeft opgelegd aan een exploitant die is aangemerkt als onderneming met een aanmerkelijke marktmacht, die nationale regelgevende instantie van de betrokken exploitant mag verlangen dat deze zijn prijzen volledig verantwoordt en zo nodig jaarlijks aanpast. Nationale regelgevende instanties zijn, om een dergelijke prijsaanpassing te verlangen, niet verplicht om een marktanalyse in de zin van artikel 16 van richtlijn 2002/21/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002 inzake een gemeenschappelijk regelgevingskader voor elektronischecommunicatienetwerken en -diensten (kaderrichtlijn) uit te voeren. Zij zijn echter wel verplicht om ervoor te zorgen dat de prijsaanpassing in het licht van de kostenontwikkeling passend en evenredig is.
- 3)
Artikel 13, lid 3, van de toegangsrichtlijn moet aldus worden uitgelegd dat wanneer er aan een exploitant op grond van artikel 13, lid 1, van die richtlijn een verplichting tot kostenoriëntering van prijzen is opgelegd, van die exploitant mag worden verlangd dat hij zijn prijzen aanpast voordat hij deze begint toe te passen of nadat hij is begonnen die toe te passen.’
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 26‑07‑2017
Oorspronkelijke taal: Engels.
Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002 inzake de toegang tot en interconnectie van elektronische-communicatienetwerken en bijbehorende faciliteiten (toegangsrichtlijn) (PB 2002, L 108, blz. 7).
Zie overweging 7 van de Aanbeveling van de Commissie van 7 mei 2009 inzake de regelgeving voor afgiftetarieven van vaste en mobiele telefonie in de EU (hierna: ‘Aanbeveling afgiftetarieven’) (PB 2009, L 124, blz. 67). Zie voorts Marini Balestra, F., Manuale di diritto europeo e nazionale delle comunicazioni elettroniche, CEDAM, 2013, blz. 86 en 87, en Garzaniti, L., en O'Regan, M. (eds.), Telecommunications, Broadcasting and the Internet. EU Competition Law and Regulation, 3e druk, Sweet & Maxwell, 2010, paragraaf 4-010.
Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002 inzake een gemeenschappelijk regelgevingskader voor elektronischecommunicatienetwerken en -diensten (kaderrichtlijn) (PB 2002, L 108, blz. 33).
Ustawa z dnia 16 lipca 2004 r. Prawo telekomunikacyjne (Dz.U. Nr 171, poz. 1800 ze zm.).
Zoals aangegeven door de voorzitter van de UKE in zijn schriftelijke opmerkingen en in antwoord op een vraag van het Hof op de terechtzitting.
Ik merk op dat de voorzitter van de UKE op de terechtzitting heeft erkend dat de ontwerp van het MAT-besluit 2008 niet was meegedeeld aan de Commissie. Zoals aangegeven in de verwijzingsbeslissing, is het MAT-besluit 20009 wel overeenkomstig de procedure van artikel 7 van de kaderrichtlijn vastgesteld (zie besluit van de Commissie van 28 oktober 2009 in zaak PL/2009/0991, C(2009)8536, SG-Greffe (2009) D/8051: Voice Call Termination on Individual Mobile Networks — Details of the price control remedy).
Cursivering van mij.
Zie in dit verband Garzaniti, L., en O'Regan, M. (eds.), Telecommunications, Broadcasting and the Internet. EU Competition Law and Regulation, 3e druk, Sweet & Maxwell, 2010, paragraaf 1-069: op grond van de kaderrichtlijn en de toegangsrichtlijn, die beide in 2002 zijn aangenomen, ‘genieten NRI's een ruime beoordelingsbevoegdheid bij de keuze van de maatregelen die zij kunnen opleggen aan ondernemingen met een aanmerkelijke marktmacht, anders dan bij het regelgevingskader uit 1998 het geval was, op grond waarvan een onderneming, wanneer eenmaal was vastgesteld dat deze een aanmerkelijke marktmacht had, aan alle in de betrokken richtlijnen opgenomen wettelijke verplichtingen was onderworpen [vertaling]’.
Zie tweede alinea van artikel 8, lid 3, van de toegangsrichtlijn.
Arresten van het Hof van 24 april 2008, Arcor, C-55/06, EU:C:2008:244, punt 153;van 3 december 2009, Commissie/Duitsland, C-424/07, EU:C:2009:749, punt 61; en van 15 september 2016, Koninklijke KPN e.a., C-28/15, EU:C:2016:692, punt 36.
Cursivering van mij.
Cursivering van mij.
Arrest van het Hof van 15 september 2016, Koninklijke KPN e.a., C-28/15, EU:C:2016:692, punt 38 (cursivering van mij).
Zie overweging 7 van de Aanbeveling afgiftetarieven. Zie voorts overweging 9 van die aanbeveling, waarin wordt opgemerkt dat ‘ [exploitanten] [i]n een situatie waarin sprake is van concurrentie, concurreren […] op basis van de huidige kosten en […] niet [worden] gecompenseerd voor kosten die het gevolg zijn van inefficiënte bedrijfsvoering […]’.
Cursivering van mij.
Zie artikel 8, lid 2, onder b) en c), van de kaderrichtlijn (cursivering van mij).
Arrest van het Hof van 15 september 2016, Koninklijke KPN e.a., C-28/15, EU:C:2016:692, punt 38.
Zie Garzaniti, L., en O'Regan, M. (eds.), Telecommunications, Broadcasting and the Internet EU. Competition Law and Regulation, 3e druk, Sweet & Maxwell, 2010, paragraaf 1-278: exploitanten aan wie een verplichting inzake kostenoriëntering van prijzen is opgelegd, mogen desondanks hun prijzen verhogen ‘indien er op grond van een door de betrokken NRI goedgekeurde kostenanalyse deugdelijk bewijs is dat de voorgestelde prijs lager zou zijn dan de efficiënte kosten van de onderliggende netwerkelementen en de verzochte diensten, inclusief een redelijk rendement [vertaling]’; zie ook Marini Balestra, F., Manuale di diritto europeo e nazionale delle comunicazioni elettroniche, CEDAM, 2013, blz. 175: ‘kostenoriëntering van prijzen is in beginsel de ondergrens die de NRI's niet mogen onderschrijden; NRI's mogen met andere woorden de tarieven niet lager vaststellen dan de kosten […]. Deze opmerking moet echter worden genuanceerd door de omstandigheid dat de door de NRI berekende kosten lager kunnen zijn dan de feitelijke kosten, wanneer de NRI de infrastructuur van een efficiënte exploitant simuleert en niet uitgaat van de infrastructuur van de betrokken exploitant […]. Bijgevolg kan een NRI de prijzen niet lager vaststellen dan de door haar berekende kosten, maar wel lager dan de feitelijke kosten [vertaling]’.
In de verwijzingsbeslissing wordt benadrukt dat ‘in deze zaak niet is aangetoond dat kosten van Polkomtel die ten grondslag liggen aan de vaststelling van de prijs voor de dienst die valt onder de verplichting op grond van artikel 40 van de WT, op een hoger niveau zijn vastgesteld dan nodig is om de dienst efficiënt te leveren. De voorzitter van de UKE heeft enkel aangenomen dat het tarief dat aan de hand van de kosten van Polkomtel is bepaald — in laatste instantie — op een lager niveau moet worden gezet vanwege de noodzaak om eenvormige concurrentievoorwaarden te waarborgen voor alle exploitanten met een aanmerkelijke marktmacht’ (cursivering van mij). Bovendien heeft de voorzitter van de UKE op de terechtzitting aangegeven dat in het MAT-besluit 2009 een benchmarkmethode is toegepast.
Ik merk evenwel op dat de voorzitter van de UKE op de terechtzitting heeft aangegeven dat ten tijde hier van belang in Polen drie exploitanten, waaronder Polkomtel, een aanmerkelijke marktmacht hadden. Elk had marktaandeel van ongeveer 30 % en was onderworpen aan door de voorzitter van de UKE opgelegde verplichtingen.
Inderdaad is in punt 11 van de Aanbeveling afgiftetarieven bepaald dat ‘NRI's […] er […] voor [dienen] te zorgen dat afgiftetarieven vóór 31 december 2012 worden toegepast op een kostenefficiënt, symmetrisch niveau’. Bovendien heet het in overweging 21 van die aanbeveling dat ‘[e]en overgangsperiode tot 31 december 2012 moet volstaan om NRI's de mogelijkheid te bieden een kostenmodel op te zetten’.
Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2009 tot wijziging van richtlijn 2002/21 inzake een gemeenschappelijk regelgevingskader voor elektronischecommunicatienetwerken en -diensten, richtlijn 2002/19 inzake de toegang tot en interconnectie van elektronischecommunicatienetwerken en bijbehorende faciliteiten, en richtlijn 2002/20/EG betreffende de machtiging voor elektronischecommunicatienetwerken en -diensten (PB 2009, L 337, blz. 37).
Cursivering van mij.
Niet van belang is dat, zoals Polkomtel heeft opgemerkt, artikel 16, lid 6, van de kaderrichtlijn, zoals gewijzigd bij richtlijn 2009/140, bepaalt dat NRI's elke drie jaar een marktanalyse moeten uitvoeren. Het Hof wordt de vraag gesteld hoe vaak de NRI mag verlangen dat kostengeoriënteerde prijzen overeenkomstig artikel 13, lid 3, van de toegangsrichtlijn worden aangepast. De vraag is niet hoe vaak de NRI een marktanalyse kan uitvoeren in de zin van artikel 16 van de kaderrichtlijn.
Zie voorts Garzaniti, L., en O'Regan, M. (eds.), Telecommunications, Broadcasting and the Internet. EU Competition Law and Regulation, 3e druk, Sweet & Maxwell, 2010, paragraaf 4-015, waarin de impact van technologische ontwikkelingen op de marktafbakening wordt onderstreept.
Zie Garzaniti, L., en O'Regan, M. (eds.), Telecommunications, Broadcasting and the Internet. EU Competition Law and Regulation, 3e druk, Sweet & Maxwell, 2010, paragrafen 1-220 tot en met 1-226.
Aanbeveling van de Commissie van 17 december 2007 betreffende relevante producten- en dienstenmarkten in de elektronischecommunicatiesector die overeenkomstig richtlijn 2002/21 aan regelgeving ex ante kunnen worden onderworpen (2007/879/EG ) (hierna: ‘Marktenaanbeveling’) (PB 2007, L 344, blz. 65).
Het begrip ‘aanmerkelijke marktmacht’ als omschreven in artikel 14 van de kaderrichtlijn is gelijk aan het mededingingsrechtelijke concept van de dominante marktpositie. Zie overweging 70 van de Richtsnoeren van de Commissie voor de marktanalyse en de beoordeling van aanmerkelijke marktmacht in het bestek van het [Unierechtelijke] regelgevingskader voor elektronische communicatienetwerken en -diensten (PB 2002, C 165, blz. 6).
De eerste aanbeveling betreffende relevante producten- en dienstenmarkten die aan regelgeving ex ante kunnen worden onderworpen is aangenomen in 2003 [Aanbeveling van de Commissie van 11 februari 2003 betreffende relevante producten- en dienstenmarkten in de elektronischecommunicatiesector die overeenkomstig richtlijn 2002/21 van het Europees Parlement en de Raad inzake een gemeenschappelijk regelgevingskader voor elektronischecommunicatienetwerken en -diensten aan regelgeving ex antekunnen worden onderworpen ( 2003/311/EG), (PB 2003, L 114, blz. 45)]. De tweede is aangenomen in 2007 (de Marktenaanbeveling, genoemd hierboven in voetnoot 28). De derde is aangenomen in 2014 [Aanbeveling van de Commissie van 9 oktober betreffende relevante producten- en dienstenmarkten in de elektronische-communicatiesector die aan regelgeving ex ante kunnen worden onderworpen overeenkomstig richtlijn 2002/21 van het Europees Parlement en de Raad inzake een gemeenschappelijk regelgevingskader voor elektronische-communicatienetwerken en -diensten (2014/710/EU), (PB 2014, L 295, blz. 79)].
Ongeacht de gehanteerde kostenberekeningsmethode.
Arrest van 22 januari 2013, Sky Österreich, C-283/11, EU:C:2013:28, punten 42 en 43.
Arrest van 21 december 2016, AGET Iraklis, C-201/15, EU:C:2016:972, punt 70.
In de motivering van de verwijzingsbeslissing wordt opgemerkt dat de verwijzende rechter met zijn derde vraag wil vernemen ‘of artikel 13, lid 3, van de toegangsrichtlijn aldus moet worden uitgelegd dat de verplichting voor een exploitant met een aanmerkelijke marktmacht om de tarieven aan te passen die hij ter uitvoering van de krachtens artikel 13, lid 1, van de toegangsrichtlijn opgelegde verplichting heeft berekend, uitsluitend […] nadat de aldus bepaalde tarieven in het economisch verkeer zijn ingevoerd, wordt geactualiseerd, of [voordat] de exploitant in het economisch verkeer tarieven toepast die door de [NRI] zijn bepaald’ (cursivering van mij). Naar mijn mening vraagt de verwijzende rechter dus niet of van de betrokken exploitant op grond van artikel 13, lid 3, mag worden verlangd dat hij zijn prijzen aanpast zowel wanneer hij vrij vastgestelde prijzen hanteert als wanneer hij eerder op grond van artikel 13, lid 1, door de NRI vastgestelde prijzen hanteert. De verwijzende rechter vraagt of van de betrokken exploitant op grond van artikel 13, lid 3, mag worden verlangd dat hij zijn prijzen aanpast zowel nadat hij is begonnen de eerder op grond van artikel 13, lid 1, door de NRI vastgestelde prijzen te hanteren, als voordat hij is begonnen de eerder door de NRI vastgestelde prijzen te hanteren.
Cursivering van mij. De Poolse versie van de laatste zin van artikel 13, lid 3, van de toegangsrichtlijn luidt als volgt: ‘[k]rajowe organy regulacyjne mogą zażądać od danego operatora całościowego uzasadnienia stosowanych cen, a w razie potrzeby — odpowiedniego dostosowania tych cen’ (cursivering van mij).
De Deense versie luidt als volgt: ‘de nationale tilsynsmyndigheder kan anmode en udbyder om at fremlægge fuld dokumentation for priserne og om nødvendigt kræve, at priserne tilpasses’; de Duitse versie: ‘die nationalen Regulierungsbehörden können von einem Betreiber die umfassende Rechtfertigung seiner Preise und gegebenenfalls deren Anpassung verlangen’; de Franse versie: ‘les autorités réglementaires nationales peuvent demander à une entreprise de justifier intégralement ses prix et, si nécessaire, en exiger l'adaptation’; de Italiaanse versie: ‘le autorità nazionali di regolamentazione possono esigere che un operatore giustifichi pienamente i propri prezzi e, ove necessario, li adegui’; de Hongaarse versie: ‘a nemzeti szabályozó hatóságok megkövetelhetik az üzemeltetőtől, hogy árait teljeskörűen indokolja, és szükség szerint megkövetelhetik az árak kiigazítását is’; en de Zweedse versie: ‘de nationella regleringsmyndigheterna får ålägga en operatör att fullt ut motivera sina priser och, när så är lämpligt, kräva att priserna justeras’ (cursivering van mij).
De Spaanse versie luidt als volgt: ‘las autoridades nacionales de reglamentación podrán exigir a un operador que justifique plenamente los preciosque aplica y, cuando proceda, ordenarle que los modifique’ (cursivering van mij).
Arrest van 17 mei 2017, ERGO Poist'ovňa, C-48/16, EU:C:2017:377, punt 37.
Ik moet erop wijzen dat de vertegenwoordigers van de voorzitter van de UKE en de Poolse regering ter terechtzitting hebben aangegeven dat het MAT-besluit 2009 niet met terugwerkende kracht is toegepast.