Procestaal: Nederlands.
HvJ EU, 03-10-2019, nr. C-70/18
ECLI:EU:C:2019:823
- Instantie
Hof van Justitie van de Europese Unie
- Datum
03-10-2019
- Magistraten
J.-C. Bonichot, R. Silva de Lapuerta, C. Toader, A. Rosas, M. Safjan
- Zaaknummer
C-70/18
- Conclusie
G. Pitruzzella
- Roepnaam
A e.a.
- Vakgebied(en)
EU-recht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:EU:C:2019:823, Uitspraak, Hof van Justitie van de Europese Unie, 03‑10‑2019
ECLI:EU:C:2019:361, Conclusie, Hof van Justitie van de Europese Unie, 02‑05‑2019
Prejudiciële beslissing op vraag van: ECLI:NL:RVS:2018:347
Uitspraak 03‑10‑2019
J.-C. Bonichot, R. Silva de Lapuerta, C. Toader, A. Rosas, M. Safjan
Partij(en)
In zaak C-70/18*,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Raad van State (Nederland) bij verwijzingsuitspraak van 31 januari 2018, ingekomen bij het Hof op 2 februari 2018, in de procedure
Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid
tegen
A,
B,
P,
wijst
HET HOF (Eerste kamer),
samengesteld als volgt: J.-C. Bonichot, kamerpresident, R. Silva de Lapuerta (rapporteur), vicepresident van het Hof, C. Toader, A. Rosas en M. Safjan, rechters,
advocaat-generaal: G. Pitruzzella,
griffier: M. Ferreira, hoofdadministrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 17 januari 2019,
gelet op de opmerkingen van:
- —
A, B en P, vertegenwoordigd door D. Schaap, advocaat,
- —
de Nederlandse regering, vertegenwoordigd door M. K. Bulterman en M. A. M. de Ree als gemachtigden,
- —
de Deense regering, vertegenwoordigd door J. Nymann-Lindegren, M. Wolff en P. Ngo als gemachtigden,
- —
Ierland, vertegenwoordigd door A. Joyce als gemachtigde, bijgestaan door D. Fennelly, barrister,
- —
de regering van het Verenigd Koninkrijk, aanvankelijk vertegenwoordigd door R. Fadoju, vervolgens door S. Brandon, als gemachtigden, bijgestaan door D. Blundell, barrister,
- —
de Europese Commissie, vertegenwoordigd door G. Wils, D. Martin en H. Kranenborg als gemachtigden,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 2 mei 2019,
het navolgende
Arrest
1
Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 7 van besluit nr. 2/76 van 20 december 1976, dat is vastgesteld door de Associatieraad die is ingesteld bij de Overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Economische Gemeenschap en Turkije, die op 12 september 1963 te Ankara (Turkije) is ondertekend door de Republiek Turkije enerzijds en de lidstaten van de EEG en de Gemeenschap anderzijds, en die namens laatstgenoemde is gesloten, goedgekeurd en bevestigd bij besluit 64/732/EEG van de Raad van 23 december 1963 (PB 1964, 217, blz. 3685; hierna: ‘Associatieovereenkomst’), en van artikel 13 van besluit nr. 1/80 van de Associatieraad van 19 september 1980 betreffende de ontwikkeling van de Associatie.
2
Dit verzoek is ingediend in het kader van twee gedingen, het eerste tussen de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid (Nederland) (hierna: ‘Staatssecretaris’) en A, en het tweede tussen de Staatssecretaris en B en P over de verplichting om mee te werken aan het afnemen van biometrische gegevens van A en B met het oog op het verkrijgen van een machtiging tot voorlopig verblijf in Nederland.
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
Associatieovereenkomst
3
Artikel 12 van de Associatieovereenkomst, dat is opgenomen in hoofdstuk 3, met als opschrift ‘Andere bepalingen van economische aard’, van titel II, luidt:
‘De overeenkomstsluitende partijen komen overeen zich te laten leiden door de artikelen [39], [40] en [41 EG], teneinde onderling geleidelijk het vrije verkeer van werknemers tot stand te brengen.’
Besluit nr. 2/76
4
Artikel 1 van besluit 2/76, betreffende de tenuitvoerlegging van artikel 12 van de Associatieovereenkomst, bepaalt het volgende:
- ‘1.
In het besluit wordt de wijze van toepassing voor de tenuitvoerlegging van artikel 36 van het [Aanvullend Protocol, ondertekend te Brussel op 23 november 1970 en namens de Gemeenschap gesloten, goedgekeurd en bevestigd bij verordening (EEG) nr. 2760/72 van de Raad van 19 december 1972 (PB 1972, L 293, blz. 1)] voor een eerste etappe vastgesteld.
- 2.
De duur van deze eerste etappe is bepaald op vier jaar, ingaande op 1 december 1976.’
5
Artikel 7 van dit besluit bepaalt:
‘De lidstaten van de Gemeenschap en [de Republiek Turkije] mogen geen nieuwe beperkingen invoeren met betrekking tot de toegang tot de werkgelegenheid van werknemers wier verblijf en arbeid op hun onderscheiden grondgebied legaal zijn.’
6
Artikel 11 van dat besluit luidt als volgt:
‘Eén jaar voor het einde van de eerste etappe vat de Associatieraad, in het licht van de in die periode behaalde resultaten, werkzaamheden aan om de inhoud van de daarop volgende etappe te bepalen en ervoor te zorgen dat het besluit betreffende die etappe in werking treedt op het tijdstip waarop de eerste etappe verstrijkt. Dit besluit blijft van toepassing tot de inwerkingtreding van de volgende etappe.’
7
Besluit nr. 2/76 is volgens artikel 13 ervan op 20 december 1976 in werking getreden.
Besluit nr. 1/80
8
Deel 1, met als opschrift ‘Arbeidsmarktvraagstukken en vraagstukken in verband met het vrije verkeer van werknemers’, van hoofdstuk II, met als opschrift ‘Sociale bepalingen’, van besluit nr. 1/80 bevat artikel 13, dat luidt:
‘De lidstaten van de Gemeenschap en [de Republiek] Turkije mogen geen nieuwe beperkingen invoeren met betrekking tot de toegang tot de werkgelegenheid van werknemers en hun gezinsleden wier verblijf en arbeid op hun onderscheiden grondgebied legaal zijn.’
9
Artikel 14, lid 1, van dat besluit, dat eveneens staat in deel 1, luidt:
‘De bepalingen van dit deel worden toegepast onder voorbehoud van beperkingen welke gerechtvaardigd zijn uit hoofde van openbare orde, openbare veiligheid en volksgezondheid.’
10
Overeenkomstig artikel 16, lid 1, van besluit nr. 1/80 zijn de bepalingen van deel 1 van hoofdstuk II ervan van toepassing met ingang van 1 december 1980.
Richtlijn 95/46/EG
11
Artikel 2 van richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 1995 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (PB 1995, L 281, blz. 31) luidt als volgt:
‘In de zin van deze richtlijn wordt verstaan onder:
- a)
‘persoonsgegevens’, iedere informatie betreffende een geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon, hierna ‘betrokkene’ te noemen; als identificeerbaar wordt beschouwd een persoon die direct of indirect kan worden geïdentificeerd, met name aan de hand van een identificatienummer of van een of meer specifieke elementen die kenmerkend zijn voor zijn of haar fysieke, fysiologische, psychische, economische, culturele of sociale identiteit;
- b)
‘verwerking van persoonsgegevens’, hierna ‘verwerking’ te noemen, elke bewerking of elk geheel van bewerkingen met betrekking tot persoonsgegevens, al dan niet uitgevoerd met behulp van geautomatiseerde procedés, zoals het verzamelen, vastleggen, ordenen, bewaren, bijwerken, wijzigen, opvragen, raadplegen, gebruiken, verstrekken door middel van doorzending, verspreiden of op enigerlei andere wijze ter beschikking stellen, samenbrengen, met elkaar in verband brengen, alsmede het afschermen, uitwissen of vernietigen van gegevens;
- c)
‘bestand van persoonsgegevens’, hierna ‘bestand’ te noemen, elk gestructureerd geheel van persoonsgegevens die volgens bepaalde criteria toegankelijk zijn, ongeacht of dit geheel gecentraliseerd dan wel gedecentraliseerd is of verspreid op een functioneel of geografisch bepaalde wijze;
[…]’
Verordening (EG) nr. 767/2008
12
Artikel 2 van verordening (EG) nr. 767/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 9 juli 2008 betreffende het Visuminformatiesysteem (VIS) en de uitwisseling tussen de lidstaten van gegevens op het gebied van visa voor kort verblijf (VIS-verordening) (PB 2008, L 218, blz. 60) bepaalt het volgende:
‘Het VIS heeft ten doel de uitvoering van het gemeenschappelijk visumbeleid, de consulaire samenwerking en de raadpleging van de centrale visumautoriteiten te verbeteren door de uitwisseling van gegevens tussen de lidstaten betreffende aanvragen en de daarmee samenhangende beslissingen te vergemakkelijken, teneinde:
[…]
- c)
fraudebestrijding te vergemakkelijken;
[…]’
Verordening (EU) 2019/817
13
Artikel 2 van verordening (EU) 2019/817 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2019 tot vaststelling van een kader voor interoperabiliteit tussen de Unie-informatiesystemen op het gebied van grenzen en visa, en tot wijziging van verordeningen (EG) nr. 767/2008, (EU) 2016/399, (EU) 2017/2226, (EU) 2018/1240, (EU) 2018/1726 en (EU) 2018/1861 van het Europees Parlement en de Raad, beschikking 2004/512/EG van de Raad en besluit 2008/633/JBZ van de Raad (PB 2019, L 135, blz. 27) luidt als volgt:
- ‘1.
Door de interoperabiliteit te waarborgen, dient deze verordening de volgende doelstellingen:
- a)
verhogen van de doeltreffendheid en doelmatigheid van grenscontroles aan de buitengrenzen;
- b)
bijdragen tot het voorkomen en bestrijden van illegale immigratie;
[…]
- 2.
De in lid 1 bedoelde doelstellingen worden bereikt door:
- a)
de correcte identificatie van personen te verzekeren;
- b)
bij te dragen tot de bestrijding van identiteitsfraude;
[…]’
Nederlands recht
14
Artikel 106a, lid 1, van de Vreemdelingwet 2000 van 23 november 2000 (Stb. 2000, 495), zoals gewijzigd bij de Wet van 11 december 2013 tot wijziging van de Vreemdelingenwet 2000 in verband met de uitbreiding van het gebruik van biometrische kenmerken in de vreemdelingenketen in verband met het verbeteren van de identiteitsvaststelling van de vreemdeling (Stb. 2014, 2) (hierna: ‘Vreemdelingenwet’), bepaalt:
‘Voor zover op grond van de Europese verordeningen die betrekking hebben op biometrische gegevens, bedoeld in artikel 1, geen gezichtsopname of vingerafdrukken kunnen worden afgenomen en verwerkt, kunnen van een vreemdeling een gezichtsopname en tien vingerafdrukken worden afgenomen en verwerkt voor het vaststellen van de identiteit met het oog op de uitvoering van deze wet. De gezichtsopname en vingerafdrukken worden vergeleken met de gezichtsopnames en vingerafdrukken in de vreemdelingenadministratie.’
15
Artikel 107 van de Vreemdelingenwet bepaalt:
- ‘1.
Er is een vreemdelingenadministratie, die wordt beheerd door Onze Minister. De vreemdelingenadministratie bevat:
- a.
de gezichtsopnames en vingerafdrukken, bedoeld in artikel 106a, eerste lid;
[…]
- 2.
De vreemdelingenadministratie heeft tot doel de verwerking van:
- a.
de in het eerste lid, onder a, bedoelde gegevens voor de uitvoering van deze wet, de Rijkswet op het Nederlanderschap en de daarop gebaseerde regelgeving;
[…]
- 5.
Onverminderd het in het tweede lid, onder a, genoemde doel […], kunnen gegevens als bedoeld in het eerste lid, onder a, uitsluitend beschikbaar worden gesteld met het oog op:
[…]
- c.
de opsporing en vervolging van strafbare feiten;
[…]
- 6.
De verstrekking van gegevens betreffende de vingerafdrukken van de vreemdeling uit de vreemdelingenadministratie in de gevallen bedoeld in het vijfde lid, onderdeel c, ten behoeve van de opsporing en vervolging van strafbare feiten vindt slechts plaats in geval van een misdrijf waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten en na schriftelijke machtiging van de rechter-commissaris op vordering van de officier van justitie:
- a.
indien er een redelijk vermoeden bestaat dat de verdachte een vreemdeling is, of
- b.
in het belang van het onderzoek en het opsporingsonderzoek op een dood spoor is beland, dan wel snel resultaat geboden is bij de opheldering van het misdrijf.
[…]’
16
In artikel 8.34 van het Vreemdelingenbesluit 2000 van 23 november 2000 (Stb. 2000, 497) is bepaald:
- ‘1.
De ambtenaren die het beheer voeren over de vreemdelingenadministratie, hebben rechtstreekse toegang tot de gezichtsopnames en vingerafdrukken in de vreemdelingenadministratie, voor zover zij die toegang nodig hebben voor een goede vervulling van hun taak en Onze Minister hen daartoe heeft gemachtigd.
[…]’
17
Artikel 8.35 van het Vreemdelingenbesluit 2000 luidt:
‘De in de vreemdelingenadministratie opgenomen gezichtsopnames en vingerafdrukken worden niet langer bewaard dan:
- a.
vijf jaar nadat de aanvraag tot het verlenen van een machtiging tot voorlopig verblijf is afgewezen;
- b.
in geval van rechtmatig verblijf: vijf jaar nadat de betrokken vreemdeling, wiens rechtmatig verblijf is geëindigd, Nederland aantoonbaar heeft verlaten; of
- c.
indien tegen de vreemdeling een inreisverbod is uitgevaardigd of de vreemdeling ongewenst is verklaard: vijf jaar na afloop van de geldigheidsduur van het inreisverbod onderscheidenlijk de ongewenstverklaring.’
18
De verwijzende rechter zet uiteen dat onderdanen van een derde land die langer dan 90 dagen in Nederland willen verblijven voor een regulier verblijfsdoel in de regel bij binnenkomst in het bezit moeten zijn van een machtiging tot voorlopig verblijf.
19
Voorts preciseert de verwijzende rechter dat ingevolge artikel 54, lid 1, onder c), van de Vreemdelingenwet, gelezen in samenhang met artikel 1.31 van het Vreemdelingenbesluit 2000, een onderdaan van een derde land bij de aanvraag van een machtiging tot voorlopig verblijf verplicht is mee te werken aan het afnemen en verwerken van zijn biometrische gegevens.
Hoofdgeding en prejudiciële vragen
20
Op 15 november 2013 heeft een vennootschap naar Nederlands recht namens A, een Turks onderdaan, een aanvraag ingediend om een machtiging tot voorlopig verblijf voor het verrichten van arbeid in loondienst in Nederland te verkrijgen.
21
Bij besluit van 28 maart 2014 heeft de Staatssecretaris die aanvraag ingewilligd. Bij dit besluit werd de verlening van de machtiging tot voorlopig verblijf echter afhankelijk gesteld van de voorwaarde dat A bepaalde biometrische gegevens zou afstaan, namelijk een opname van zijn gezicht en zijn tien vingerafdrukken. A heeft meegewerkt aan de afname van zijn biometrische gegevens en een machtiging tot voorlopig verblijf in Nederland verkregen.
22
B is een Turks onderdaan wiens echtgenote, P, in Nederland woont en zowel de Turkse als de Nederlandse nationaliteit heeft. Op 17 februari 2014 heeft P een aanvraag ingediend om voor B een machtiging tot voorlopig verblijf voor gezinshereniging te verkrijgen.
23
De Staatssecretaris heeft dit verzoek aanvankelijk afgewezen. B en P hebben tegen deze afwijzing bezwaar gemaakt. Bij besluit van 4 april 2014 heeft de Staatssecretaris het bezwaar gegrond verklaard en de aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf ingewilligd, waarbij de toekenning ervan afhankelijk werd gesteld van de voorwaarde dat B bepaalde biometrische gegevens zou afstaan, namelijk een opname van zijn gezicht en zijn tien vingerafdrukken. B heeft meegewerkt aan de afname van zijn biometrische gegevens en een machtiging tot voorlopig verblijf in Nederland verkregen.
24
A enerzijds en B en P anderzijds hebben bij de Staatssecretaris bezwaar gemaakt tegen zijn besluiten van 28 maart en 4 april 2014, voor zover daarbij respectievelijk A en B waren verplicht om mee te werken aan het afnemen van hun biometrische gegevens voor het verkrijgen van een machtiging tot voorlopig verblijf in Nederland.
25
Bij besluiten van 23 december 2014 en 6 januari 2015 heeft de Staatssecretaris de bezwaren van B en P enerzijds en van A anderzijds afgewezen.
26
Zowel A als B en P hebben tegen deze laatste besluiten beroep ingesteld bij de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam (Nederland) (hierna: ‘rechtbank’).
27
Bij uitspraken van 3 februari 2016 heeft de rechtbank deze beroepen gegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat de nationale regeling die het afnemen, vastleggen en bewaren van biometrische gegevens van Turkse onderdanen in een centraal bestand verplicht stelt, een ‘nieuwe beperking’ vormt in de zin van artikel 7 van besluit nr. 2/76 en artikel 13 van besluit nr. 1/80. Voorts heeft de rechtbank in essentie overwogen dat de betrokken maatregel niet evenredig is aan het legitieme doel dat wordt nagestreefd, te weten het voorkomen en bestrijden van identiteits- en documentfraude. Dienovereenkomstig heeft de rechtbank de besluiten van de Staatssecretaris van 28 maart en 4 april 2014 vernietigd voor zover zij A en B verplichtten om mee te werken aan het afnemen van hun biometrische gegevens, en de minister opgedragen om hun biometrische gegevens binnen zes weken na de kennisgeving van deze uitspraken uit het centrale bestand te verwijderen.
28
De Staatssecretaris heeft tegen deze uitspraken van 3 februari 2016 hoger beroep ingesteld bij de Raad van State (Nederland).
29
De verwijzende rechter stelt vast dat de nationale regeling die voorziet in het afnemen, vastleggen en bewaren van biometrische gegevens van onderdanen van derde landen in een centraal bestand een ‘nieuwe beperking’ in de zin van artikel 7 van besluit nr. 2/76 en artikel 13 van besluit nr. 1/80 vormt. Hij herinnert eraan dat een dergelijke beperking volgens de rechtspraak van het Hof verboden is, tenzij zij haar rechtvaardiging vindt in een dwingende reden van algemeen belang, geschikt is om de verwezenlijking van het nagestreefde legitieme doel te waarborgen en niet verder gaat dan nodig is voor het bereiken daarvan. In dit verband betwijfelt de nationale rechter, ervan uitgaande dat bedoelde regeling een legitiem doel nastreeft en geschikt is om dat doel te bereiken, of het afnemen, vastleggen en bewaren van biometrische gegevens van onderdanen van derde landen in een centraal bestand, zoals bepaald in deze regels, niet verder gaat dan nodig is om het doel van het voorkomen en bestrijden van identiteits- en documentfraude te verwezenlijken. Aangezien het afnemen en verwerken van biometrische gegevens een verwerking van persoonsgegevens in de zin van artikel 2, onder b), van richtlijn 95/46 vormt en deze gegevens tot een bijzondere categorie van gegevens behoren in de zin van artikel 8, lid 1, van deze richtlijn, moeten volgens de verwijzende rechter de uitzonderingen op en de beperkingen van de bescherming van deze gegevens binnen de grenzen van het strikt noodzakelijke blijven, overeenkomstig de rechtspraak van het Hof die is voortgekomen uit het arrest van 21 december 2016, Tele2 Sverige en Watson e.a. (C-203/15 en C-698/15, EU:C:2016:970, punt 96).
30
Aangezien de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale regeling het onder bepaalde voorwaarden mogelijk maakt biometrische gegevens van Turkse onderdanen aan derden beschikbaar te stellen ten behoeve van de opsporing en vervolging van strafbare feiten, wenst de nationale rechter voorts in essentie te vernemen of een dergelijke regeling een ‘nieuwe beperking’ in de zin van artikel 7 van besluit nr. 2/76 en van artikel 13 van besluit nr. 1/80 vormt en, zo ja, of een dergelijke beperking evenredig is aan het nagestreefde doel. Dienaangaande vraagt de verwijzende rechter zich met name af of het effect van deze regeling op de toegang tot de werkgelegenheid in Nederland voor Turkse onderdanen als te onzeker en indirect kan worden beschouwd om aan te nemen dat sprake is van een ‘nieuwe beperking’ in de zin van deze bepalingen.
31
Daarop heeft de Raad van State de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:
- ‘1)
- a)
[Moet] artikel 7 van besluit nr. 2/76 onderscheidenlijk artikel 13 van besluit nr. 1/80 aldus worden uitgelegd dat deze bepalingen zich niet verzetten tegen een nationale regeling die voorziet in het algemeen verwerken en bewaren van biometrische gegevens van onderdanen van derde landen, waaronder Turkse onderdanen, in een bestand in de zin van artikel 2, aanhef en onder a) en b), van richtlijn [95/46], omdat deze nationale regeling niet verder gaat dan nodig is voor het verwezenlijken van het met deze regeling nagestreefde legitieme doel om identiteits- en documentfraude te voorkomen en bestrijden?
- b)
Is daarbij van belang dat de duur van het bewaren van de biometrische gegevens is gekoppeld aan de duur van het legale en/of illegale verblijf van onderdanen van derde landen, waaronder Turkse onderdanen?
- 2)
Moet artikel 7 van besluit nr. 2/76 onderscheidenlijk artikel 13 van besluit nr. 1/80 aldus worden uitgelegd dat een nationale regeling geen beperking in de zin van deze bepalingen vormt, indien het effect van de nationale regeling op de toegang tot de werkgelegenheid, als bedoeld in deze bepalingen, te onzeker en indirect is om te kunnen aannemen dat deze toegang wordt belemmerd?
- 3)
- a)
Indien het antwoord op vraag 2 is dat een nationale regeling die het mogelijk maakt de biometrische gegevens van onderdanen van derde landen, waaronder Turkse onderdanen, uit een bestand aan derden beschikbaar te stellen met het oog op voorkomen, opsporen en onderzoeken van — al dan niet terroristische — misdrijven een nieuwe beperking is, moet artikel 52, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 7 en artikel 8 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, dan aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een dergelijke nationale regeling?
- b)
Is daarbij van belang dat deze onderdaan op het moment dat hij als verdachte van een misdrijf is aangehouden het verblijfsdocument, waarop zijn biometrische gegevens zijn opgeslagen, bij zich heeft?’
Beantwoording van de prejudiciële vragen
Eerste vraag
32
Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 7 van besluit nr. 2/76 en artikel 13 van besluit nr. 1/80 aldus moeten worden uitgelegd dat een nationale regeling als die welke in het hoofdgeding aan de orde is, die de afgifte van een machtiging tot voorlopig verblijf aan onderdanen van derde landen, waaronder Turkse onderdanen, afhankelijk stelt van de voorwaarde dat hun biometrische gegevens worden afgenomen, vastgelegd en bewaard in een centraal bestand, een ‘nieuwe beperking’ in de zin van deze bepalingen vormt en, zo ja, of een dergelijke regeling kan worden gerechtvaardigd door het doel om identiteits- en documentfraude te voorkomen en te bestrijden.
33
In dat verband zij vooraf eraan herinnerd dat zowel artikel 7 van besluit nr. 2/76 als artikel 13 van besluit nr. 1/80 een standstillbepaling bevat die in algemene zin de invoering verbiedt van nieuwe nationale maatregelen die tot doel of tot gevolg hebben dat aan de gebruikmaking door een Turks onderdaan van het vrije verkeer van werknemers op het nationale grondgebied strengere voorwaarden worden gesteld dan die welke golden bij de inwerkingtreding van die besluiten voor de betrokken lidstaat (arrest van 7 augustus 2018, Yön, C-123/17, EU:C:2018:632, punt 39).
34
Het Hof heeft reeds geoordeeld dat artikel 7 van besluit nr. 2/76 ratione temporis van toepassing is op de nationale maatregelen die zijn ingevoerd in de periode van 20 december 1976 tot en met 30 november 1980, en voorts dat artikel 13 van besluit nr. 1/80 ratione temporis van toepassing is op de nationale maatregelen die zijn ingevoerd vanaf 1 december 1980, de datum van inwerkingtreding van dat besluit (arrest van 7 augustus 2018, Yön, C-123/17, EU:C:2018:632, punt 48).
35
In casu blijkt uit de verwijzingsbeslissing dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale regeling is ingevoerd na de datum waarop besluit nr. 1/80 in Nederland in werking is getreden.
36
Hieruit volgt dat die regeling binnen de temporele werkingssfeer van artikel 13 van besluit nr. 1/80 valt, zodat alleen deze laatste bepaling in het kader van het antwoord op de eerste vraag moet worden uitgelegd.
37
Zoals is gememoreerd in punt 33 van het onderhavige arrest, verbiedt de in artikel 13 van besluit nr. 1/80 vervatte standstillbepaling in algemene zin de invoering van alle nieuwe nationale maatregelen die tot doel of gevolg hebben dat aan de gebruikmaking door een Turks onderdaan van het vrije verkeer van werknemers op het nationale grondgebied strengere voorwaarden worden gesteld dan die welke golden bij de inwerkingtreding van dat besluit voor de betrokken lidstaat (arrest van 29 maart 2017, Tekdemir, C-652/15, EU:C:2017:239, punt 25).
38
Het Hof heeft ook aanvaard dat die bepaling vanaf de datum van inwerkingtreding in de betrokken lidstaat van besluit nr. 1/80 de invoering verbiedt van nieuwe beperkingen van de uitoefening van het vrije verkeer van werknemers, met inbegrip van beperkingen betreffende de materiële en/of procedurele voorwaarden inzake de eerste toelating tot het grondgebied van deze lidstaat van Turkse onderdanen die voornemens zijn aldaar van deze vrijheid gebruik te maken (arrest van 7 november 2013, Demir, C-225/12, EU:C:2013:725, punt 34 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
39
Bovendien volgt uit de rechtspraak van het Hof dat een nationale regeling die de voorwaarden voor gezinshereniging voor Turkse werknemers die wettig verblijven in de betrokken lidstaat strenger maakt ten opzichte van de voorwaarden die golden bij de inwerkingtreding van besluit nr. 1/80 in deze lidstaat, een in artikel 13 van dit besluit bedoelde nieuwe beperking vormt van de uitoefening van het vrije verkeer van werknemers in die lidstaat door die Turkse werknemers (arrest van 29 maart 2017, Tekdemir, C-652/15, EU:C:2017:239, punt 31).
40
In casu bepaalt de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale regeling, waarvan in punt 35 van dit arrest is vastgesteld dat zij in Nederland is ingevoerd na de datum waarop besluit nr. 1/80 in deze lidstaat in werking is getreden, dat onderdanen van derde landen, waaronder Turkse onderdanen, die langer dan 90 dagen in Nederland wensen te verblijven, vooraf een machtiging tot voorlopig verblijf moeten verkrijgen. Uit de verwijzingsbeslissing blijkt dat de afgifte van een dergelijke machtiging afhankelijk is van de voorwaarde dat deze onderdanen meewerken bij het afnemen van hun biometrische gegevens, namelijk tien vingerafdrukken en een gezichtsopname. Deze gegevens worden vervolgens vastgelegd en bewaard in een centraal bestand met het oog op het voorkomen en bestrijden van identiteits- en documentfraude.
41
Aldus maakt voormelde regeling de voorwaarden voor de eerste toelating tot het Nederlandse grondgebied voor Turkse onderdanen strenger dan die welke voor hen golden op de datum van inwerkingtreding van besluit nr. 1/80 in Nederland.
42
Blijkens de verwijzingsbeslissing was in de zaken waarop het hoofdgeding betrekking heeft de afgifte van machtigingen tot voorlopig verblijf aan A en aan B om een activiteit als werknemer in loondienst in Nederland uit te oefenen, respectievelijk om in aanmerking te komen voor gezinshereniging met P in die lidstaat, onderworpen aan de voorwaarde dat A en B hun biometrische gegevens verstrekten.
43
In die omstandigheden vormt de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale regeling een nieuwe beperking in de zin van artikel 13 van besluit nr. 1/80.
44
Volgens vaste rechtspraak is een dergelijke beperking verboden, tenzij deze beperking tot een van de in artikel 14 van dit besluit bedoelde beperkingen behoort dan wel rechtvaardiging vindt in een dwingende reden van algemeen belang, geschikt is om de verwezenlijking van het nagestreefde legitieme doel te waarborgen en niet verder gaat dan noodzakelijk is om dat doel te verwezenlijken (arrest van 7 augustus 2018, Yön, C-123/17, EU:C:2018:632, punt 72 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
45
Bijgevolg moet worden nagegaan of de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale regeling aan deze voorwaarden voldoet.
46
Wat ten eerste de vraag betreft of het doel dat wordt nagestreefd met de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale regeling, namelijk het voorkomen en bestrijden van identiteits- en documentfraude, een dwingende reden van algemeen belang kan vormen die een ‘nieuwe beperking’ in de zin van artikel 13 van besluit nr. 1/80 kan rechtvaardigen, dient ten eerste worden gememoreerd dat het Hof reeds heeft geoordeeld dat het doel van het voorkomen van illegale binnenkomst en illegaal verblijf een dergelijke dwingende reden vormt (arrest van 7 november 2013, Demir, C-225/12, EU:C:2013:725, punt 41).
47
In de tweede plaats heeft het Hof ook geoordeeld dat het afnemen en bewaren van vingerafdrukken bij de afgifte van paspoorten om vervalsing en frauduleus gebruik ervan te voorkomen, een door de Europese Unie erkende doelstelling van algemeen belang nastreeft, namelijk het voorkomen van de illegale binnenkomst van personen op haar grondgebied (zie in die zin arrest van 17 oktober 2013, Schwarz, C-291/12, EU:C:2013:670, punten 36-38).
48
In de derde en laatste plaats moet worden gewezen op het belang dat de Uniewetgever hecht aan de bestrijding van identiteitsfraude, zoals met name blijkt uit artikel 2, onder c), van verordening nr. 767/2008 en artikel 2, lid 2, onder b), van verordening nr. 2019/817.
49
In die omstandigheden kan het doel om identiteits- en documentfraude te voorkomen en te bestrijden een dwingende reden van algemeen belang vormen die een ‘nieuwe beperking’ in de zin van artikel 13 van besluit nr. 1/80 kan rechtvaardigen.
50
Wat ten tweede de vraag betreft, of de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale regeling geschikt is om de verwezenlijking van een dergelijke doelstelling te waarborgen, zij erop gewezen dat het afnemen, vastleggen en bewaren van tien vingerafdrukken en de gezichtsopname van onderdanen van derde landen in een centraal bestand het mogelijk maakt de betrokkene precies te identificeren en identiteits- en documentfraude op te sporen door de biometrische gegevens van de aanvrager van een machtiging tot voorlopig verblijf te vergelijken met de gegevens in dat bestand.
51
De in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale regeling is dan ook geschikt om het nagestreefde doel te waarborgen.
52
Wat ten derde de vraag betreft of de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale regeling niet verder gaat dan nodig is om het nagestreefde doel te bereiken, dient te worden nagegaan of daarmee — uit hoofde van het doel om identiteits- en documentfraude te voorkomen en te bestrijden — geen onevenredige inbreuk wordt gemaakt op het recht op persoonlijke levenssfeer bij de verwerking van persoonsgegevens.
53
In dit verband zij eraan herinnerd dat artikel 7 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: ‘Handvest’) onder meer bepaalt dat eenieder recht heeft op eerbiediging van zijn privéleven. Volgens artikel 8, lid 1, van dit Handvest heeft eenieder recht op bescherming van zijn persoonsgegevens.
54
De eerbiediging van het in de artikelen 7 en 8 van het Handvest erkende recht op persoonlijke levenssfeer bij de verwerking van persoonsgegevens betreft om het even welke informatie aangaande een geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon (arrest van 9 november 2010, Volker und Markus Schecke en Eifert, C-92/09 en C-93/09, EU:C:2010:662, punt 52).
55
Zo vallen vingerafdrukken en de gezichtsopname van een natuurlijke persoon onder dat begrip, aangezien zij objectief gezien unieke informatie geven over natuurlijke personen en het mogelijk maken deze personen precies te identificeren (arrest van 17 oktober 2013, Schwarz, C-291/12, EU:C:2013:670, punt 27). Voorts is het afnemen, vastleggen en bewaren van vingerafdrukken en van een gezichtsopname van onderdanen van derde landen in een centraal bestand een verwerking van persoonsgegevens in de zin van artikel 8 van het Handvest [zie in die zin advies 1/15 (PRN-Overeenkomst EU-Canada) van 26 juli 2017, EU:C:2017:592, punt 123 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
56
Volgens vaste rechtspraak vereist de bescherming van het grondrecht op eerbiediging van het privéleven op het niveau van de Unie dat de uitzonderingen op de bescherming van de persoonsgegevens en de beperkingen ervan binnen de grenzen van het strikt noodzakelijke blijven [zie in die zin advies 1/15 (PRN-Overeenkomst EU-Canada) van 26 juli 2017, EU:C:2017:592, punt 140 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
57
In dit verband zij er in de eerste plaats op gewezen dat de lidstaten ter voorkoming en bestrijding van identiteits- en documentfraude de identiteit die de aanvrager van een machtiging tot voorlopig verblijf opgeeft, moeten verifiëren. Zoals de advocaat-generaal in punt 27 van zijn conclusie in wezen heeft opgemerkt, vereist deze doelstelling dat men zich er met name van vergewist dat de aanvrager niet al eerder een aanvraag heeft ingediend onder een andere identiteit, door de vingerafdrukken van deze aanvrager te vergelijken met de vingerafdrukken die reeds zijn opgeslagen in een centraal bestand.
58
In de tweede plaats zijn de gegevens waarop de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale regeling betrekking heeft, beperkt tot tien vingerafdrukken en een gezichtsopname. Het afnemen van deze gegevens maakt niet alleen een betrouwbare identificatie van de betrokkene mogelijk, maar heeft ook geen intiem karakter en veroorzaakt geen fysieke of psychische ongemakken voor de betrokkene (zie in die zin arrest van 17 oktober 2013, Schwarz, C-291/12, EU:C:2013:670, punt 48).
59
Overigens heeft de Uniewetgever zelf, met name in het kader van verordening nr. 767/2008, voorzien in de verplichting voor visumaanvragers om hun tien vingerafdrukken en een gezichtsopname te verstrekken.
60
In de derde plaats blijkt uit de verwijzingsbeslissing, wat de werkingssfeer van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale regeling betreft, dat deze in wezen van toepassing is op alle onderdanen van derde landen die langer dan 90 dagen in Nederland wensen te verblijven of die illegaal in die lidstaat verblijven.
61
Dienaangaande dient te worden opgemerkt dat het doel van die regeling, namelijk het voorkomen en bestrijden van identiteits- en documentfraude door onderdanen van derde landen, niet zou kunnen worden bereikt wanneer de toepassing van deze regeling wordt beperkt tot een specifieke categorie onderdanen van derde landen. De werkingssfeer van de in geding zijnde nationale regeling blijkt dus te verzekeren dat het nagestreefde doel daadwerkelijk wordt bereikt.
62
In de vierde plaats blijkt uit het aan het Hof overgelegde dossier dat de biometrische gegevens in het centrale bestand alleen kunnen worden geraadpleegd en gebruikt door de ambtenaren van de nationale autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van het nationale vreemdelingenrecht, zoals het personeel van consulaire en diplomatieke posten, die daartoe naar behoren door de bevoegde minister zijn gemachtigd teneinde de identiteit van onderdanen van derde landen vast te stellen of te verifiëren, voor zover dit nodig is voor de vervulling van hun taak.
63
Ten vijfde en tot slot moet wat de duur van de bewaring van de persoonsgegevens betreft, worden opgemerkt dat de betrokken nationale regeling met name steeds moet beantwoorden aan objectieve criteria die een verband leggen tussen de te bewaren persoonsgegevens en het nagestreefde doel [zie in die zin advies 1/15 (PRN-Overeenkomst EU-Canada) van 26 juli 2017, EU:C:2017:592, punt 191].
64
In casu bepaalt de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale regeling dat de biometrische gegevens in het centrale bestand moeten worden bewaard gedurende een periode van vijf jaar na de afwijzing van de aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf, de datum van vertrek van de betrokkene uit Nederland indien een rechtmatig verblijf is geëindigd, of het aflopen van de geldigheidsduur van een inreisverbod of een ongewenstverklaring. De biometrische gegevens worden onmiddellijk vernietigd in geval van naturalisatie van de onderdaan van een derde land tijdens zijn verblijf in Nederland.
65
In dit verband zij opgemerkt dat in de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale wetgeving, een verband wordt gelegd tussen de bewaringstermijn van de biometrische gegevens en de doelstelling om identiteits- en documentfraude te voorkomen en te bestrijden.
66
De bewaring van de biometrische gegevens van onderdanen van derde landen tijdens hun verblijf in Nederland is immers gerechtvaardigd, gelet op de noodzaak om gedurende die periode de identiteit en de rechtmatigheid van het verblijf van dergelijke onderdanen in die lidstaat overeenkomstig de Vreemdelingenwet te verifiëren, met name bij het onderzoek met het oog op een verlenging van een verblijfsvergunning. Bovendien is, zoals de advocaat-generaal in punt 30 van zijn conclusie in wezen heeft opgemerkt, een dergelijke bewaringstermijn noodzakelijk om te voorkomen dat aanvragen voor een machtiging tot voorlopig verblijf zouden worden ingediend onder de identiteit van onderdanen van derde landen die legaal in Nederland verblijven.
67
Wat betreft de bewaring van biometrische gegevens van onderdanen van derde landen gedurende een periode van vijf jaar na de afwijzing van hun aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf, na hun vertrek uit Nederland indien een rechtmatig verblijf is geëindigd of na het aflopen van de geldigheidsduur van een jegens hen uitgevaardigd inreisverbod of ongewenstverklaring, zij opgemerkt dat een dergelijke bewaringstermijn met name voorkomt dat onderdanen van derde landen die zich in die situatie bevinden onder een andere identiteit een nieuwe aanvraag indienen.
68
Daartoe is de bewaringstermijn van vijf jaar niet buitensporig in het licht van het doel dat met de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale regeling wordt nagestreefd.
69
In die omstandigheden gaat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale regeling niet verder dan nodig is om het doel van voorkoming en bestrijding van identiteits- en documentfraude te bereiken.
70
Gelet op een en ander moet op de eerste vraag worden geantwoord dat artikel 13 van besluit nr. 1/80 aldus moet worden uitgelegd dat een nationale regeling als die welke in het hoofdgeding aan de orde is, die de afgifte van een machtiging tot voorlopig verblijf aan onderdanen van derde landen, waaronder Turkse onderdanen, afhankelijk stelt van de voorwaarde dat hun biometrische gegevens worden afgenomen, vastgelegd en bewaard in een centraal bestand, een ‘nieuwe beperking’ in de zin van die bepaling vormt. Die beperking wordt echter gerechtvaardigd door het doel om identiteits- en documentfraude te voorkomen en te bestrijden.
Tweede vraag
71
Met zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter van het Hof te vernemen of artikel 7 van besluit nr. 2/76 en artikel 13 van besluit nr. 1/80 aldus moeten worden uitgelegd dat een nationale regeling geen beperking in de zin van deze bepalingen vormt, indien het effect ervan op de toegang tot de werkgelegenheid te onzeker en indirect is om te kunnen aannemen dat deze toegang wordt belemmerd.
72
In het bijzonder blijkt uit de verwijzingsbeslissing dat de verwijzende rechter met zijn tweede vraag in essentie wenst te vernemen of de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale regeling, gelet op het feit dat zij het ook mogelijk maakt dat biometrische gegevens van onderdanen van derde landen, waaronder Turkse onderdanen, beschikbaar worden gesteld aan derden met het oog op het opsporen en vervolgen van strafbare feiten, een ‘nieuwe beperking’ vormt in de zin van die bepalingen.
73
In dat verband zij eraan herinnerd dat volgens vaste rechtspraak de rechtvaardiging van een verzoek om een prejudiciële beslissing niet is gelegen in het formuleren van rechtsgeleerde adviezen over algemene of hypothetische vraagstukken, maar in de behoefte aan de werkelijke beslechting van een geschil dat verband houdt met het Unierecht (arrest van 21 december 2016, Tele2 Sverige en Watson e.a., C-203/15 en C-698/15, EU:C:2016:970, punt 130 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
74
In casu blijkt uit de verwijzingsbeslissing dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale regeling in wezen bepaalt dat het beschikbaar stellen van biometrische gegevens van onderdanen van derde landen, waaronder Turkse onderdanen, aan derden met het oog op het opsporen en vervolgen van strafbare feiten alleen is toegestaan wanneer het gaat om strafbare feiten waarvoor een maatregel van voorlopige hechtenis kan worden opgelegd, wanneer op zijn minst het vermoeden bestaat dat een onderdaan van een derde land een dergelijk strafbaar feit heeft gepleegd.
75
Uit de verwijzingsbeslissing blijkt echter niet dat A en B ervan verdacht worden een strafbaar feit te hebben gepleegd en dat hun biometrische gegevens aan derden beschikbaar zijn gesteld op grond van artikel 107, leden 5 en 6, van de Vreemdelingenwet. Overigens heeft de Nederlandse regering ter terechtzitting voor het Hof bevestigd dat de biometrische gegevens van A en B niet zijn gebruikt in strafrechtelijke procedures.
76
Derhalve dient de tweede prejudiciële vraag niet-ontvankelijk te worden verklaard.
Derde vraag
77
Aangezien de tweede vraag niet-ontvankelijk is verklaard, behoeft de derde vraag niet te worden beantwoord.
Kosten
78
Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Eerste kamer) verklaart voor recht:
Artikel 13 van besluit nr. 1/80 van 19 september 1980 betreffende de ontwikkeling van de Associatie, dat is vastgesteld door de Associatieraad die is ingesteld bij de Overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Economische Gemeenschap en Turkije, die op 12 september 1963 te Ankara is ondertekend door de Republiek Turkije enerzijds en de lidstaten van de EEG en de Gemeenschap anderzijds, en die namens laatstgenoemde is gesloten, goedgekeurd en bevestigd bij besluit 64/732/EEG van de Raad van 23 december 1963, moet aldus worden uitgelegd dat een nationale regeling als die welke in het hoofdgeding aan de orde is, die de afgifte van een machtiging tot voorlopig verblijf aan onderdanen van derde landen, waaronder Turkse onderdanen, afhankelijk stelt van de voorwaarde dat hun biometrische gegevens worden afgenomen, vastgelegd en bewaard in een centraal bestand, een ‘nieuwe beperking’ in de zin van die bepaling vormt. Die beperking wordt echter gerechtvaardigd door het doel om identiteits- en documentfraude te voorkomen en te bestrijden.
Bonichot
Silva de Lapuerta
Toader
Rosas
Safjan
Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 3 oktober 2019.
De griffier
A. Calot Escobar
De president van de Eerste kamer
J.-C. Bonichot
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 03‑10‑2019
Conclusie 02‑05‑2019
G. Pitruzzella
Partij(en)
Zaak C-70/181.
Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid
tegen
A,
B,
P
[verzoek van de Raad van State (Nederland) om een prejudiciële beslissing]
1.
De onderhavige prejudiciële verwijzing stelt de vraag aan de orde of de verplichting voor Turkse werknemers die het Nederlandse grondgebied willen binnenkomen om er arbeid in loondienst te verrichten, alsmede voor gezinsleden van reeds op dat grondgebied verblijvende Turkse werknemers, die zich daar bij hen willen voegen, om tien vingerafdrukken en een gezichtsopname af te staan, waarna die biometrische gegevens worden opgeslagen in de vreemdelingenadministratie, die kan worden geraadpleegd ofwel om de authenticiteit van documenten en de identiteit van de houder van een document te verifiëren, ofwel om plegers van misdrijven te identificeren, een beperking vormt die verboden is op grond van artikel 7 van besluit nr. 2/762. van 20 december 1976 (hierna: ‘besluit nr. 2/76’), dat is vastgesteld door de Associatieraad die is ingesteld bij de Overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Economische Gemeenschap en Turkije, die op 12 september 1963 te Ankara is ondertekend door de Republiek Turkije enerzijds en de lidstaten van de EEG en de Gemeenschap anderzijds, en die namens laatstgenoemde is gesloten, goedgekeurd en bevestigd bij besluit 64/732/EEG van de Raad van 23 december 19633. (hierna: ‘Associatieovereenkomst’), en — vooral — op grond van artikel 13 van besluit nr. 1/804. van de Associatieraad van 19 september 1980 betreffende de ontwikkeling van de associatie (hierna: ‘besluit nr. 1/80’).
I. Toepasselijke bepalingen
2.
De in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale regeling laat zich als volgt omschrijven.
3.
Volgens de Nederlandse wetgeving moeten staatsburgers van derde landen, met inbegrip van Turkse staatsburgers, die langer dan 90 dagen in Nederland willen verblijven voor een regulier verblijfsdoel, bij binnenkomst op het Nederlandse grondgebied in beginsel in het bezit zijn van een machtiging tot voorlopig verblijf. Een dergelijke machtiging wordt afgegeven door de consulaire en diplomatieke autoriteiten van Nederland. Een derdelander moet ter verkrijging van een machtiging tot voorlopig verblijf aan bepaalde materiële voorwaarden voldoen en is daarnaast verplicht tot ‘het verlenen van medewerking aan het vastleggen van gegevens met het oog op [zijn] identificatie’5..
4.
De Nederlandse autoriteiten zijn op grond van de Vreemdelingenwet bevoegd om de biometrische gegevens van derdelanders af te nemen en te verwerken. Zo bepaalt artikel 106a van de Vreemdelingenwet, kort gezegd, dat van een derdelander een gezichtsopname en tien vingerafdrukken kunnen worden afgenomen en verwerkt voor het vaststellen van de identiteit met het oog op de uitvoering van deze wet. Die gegevens worden meteen vergeleken met de gezichtsopnames en vingerafdrukken in de vreemdelingenadministratie, waarna zij in dat bestand worden opgeslagen.
5.
Volgens artikel 107 van de Vreemdelingenwet is er een vreemdelingenadministratie die de in artikel 106a van deze wet genoemde biometrische gegevens bevat. In dezelfde bepaling staat ook dat die gegevens worden verwerkt met het oog op de uitvoering van genoemde wet6., alsmede met het oog op de opsporing en vervolging van misdrijven7.. De voorwaarden waaronder de biometrische gegevens van derdelanders beschikbaar kunnen worden gesteld ten behoeve van de opsporing en vervolging van misdrijven, zijn vastgelegd in artikel 107, lid 6, van de Vreemdelingenwet. Volgens die bepaling vindt de verstrekking van gegevens uit de vreemdelingenadministratie slechts plaats in geval van een misdrijf waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten8. en na schriftelijke machtiging van de rechter-commissaris op vordering van de officier van justitie, indien er een redelijk vermoeden bestaat dat de verdachte een vreemdeling is9., of in het belang van het onderzoek wanneer het opsporingsonderzoek op een dood spoor is beland, dan wel snel resultaat geboden is bij de opheldering van het misdrijf10.. Bovendien moet er sprake zijn van ernstige bezwaren tegen de verdachte.
6.
De biometrische gegevens worden bewaard gedurende een periode van vijf jaar, te rekenen vanaf een van de volgende momenten: de afwijzing van de aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf, de datum van vertrek uit Nederland indien een rechtmatig verblijf is geëindigd, of het aflopen van de geldigheidsduur van een inreisverbod of een ongewenstverklaring. Na die periode worden de gegevens dus vernietigd; of eerder ingeval de derdelander tot Nederlander wordt genaturaliseerd.11.
7.
Blijkens de verwijzingsbeslissing kan de bevoegdheid om biometrische gegevens af te nemen, te verwerken en te bewaren in de vreemdelingenadministratie worden uitgeoefend ten aanzien van derdelanders die een vergunning wensen te verkrijgen voor een verblijf in Nederland van meer dan 90 dagen, en ten aanzien van derdelanders die illegaal in deze lidstaat verblijven.
II. Hoofdgeding, prejudiciële vragen en procedure bij het Hof
8.
B is een in 1982 geboren Turks staatsburger wiens echtgenote, P12., zowel de Nederlandse als de Turkse nationaliteit heeft. Op 17 februari 2014 heeft P een aanvraag ingediend om B een machtiging tot voorlopig verblijf voor gezinshereniging te verlenen. Na die aanvraag aanvankelijk te hebben afgewezen, heeft de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid (hierna: ‘staatssecretaris’) uiteindelijk bij besluit van 4 april 2014 de gevraagde machtiging tot voorlopig verblijf verleend, zij het onder de voorwaarde dat B zijn biometrische gegevens zou afstaan. B heeft daarmee ingestemd, waarna hij op 2 mei 2014 samen met P bezwaar heeft gemaakt tegen de afname en verwerking van zijn biometrische gegevens. B en P voerden aan dat de verplichting voor B om zijn biometrische gegevens af te staan, in strijd was met artikel 7 van besluit nr. 2/76 en artikel 13 van besluit nr. 1/80. Op 23 december 2014 heeft de staatssecretaris het argument van de hand gewezen dat die verplichting een nieuwe beperking in de zin van die bepalingen vormde, door erop te wijzen dat er al sinds 1965 een wettelijke verplichting bestond om medewerking te verlenen aan het vastleggen van gegevens met het oog op identificatie. Het afnemen en verwerken van de biometrische gegevens leverde volgens de staatssecretaris weliswaar een aantasting op van de door de artikelen 7 en 8 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie13. gewaarborgde rechten, maar die aantasting werd in zijn ogen gerechtvaardigd door een legitiem doel. Het afnemen en verwerken van de biometrische gegevens was volgens de staatssecretaris evenmin in strijd met artikel 9 van de Associatieovereenkomst.14. Anders dan bij burgers van de Unie, zo stelde de staatssecretaris, is de verblijfstitel van Turkse staatsburgers bij een eerste toelating niet declaratoir, maar constitutief van aard, wat rechtvaardigt dat de biometrische gegevens van burgers van de Unie niet worden afgenomen en opgeslagen. De staatssecretaris benadrukte voorts dat de paspoorten van burgers van de Unie van biometrische gegevens zijn voorzien.
9.
A is een in 1966 geboren Turks staatsburger die met ingang van 1 december 2013 is aangesteld om voor de duur van vijf jaar arbeid als internationaal chauffeur te verrichten. Op 15 november 2013 heeft A's referent — zijn werkgever — een aanvraag ingediend om A een machtiging tot voorlopig verblijf voor het verrichten van arbeid in loondienst te verlenen. Op 28 maart 2014 heeft de staatssecretaris die aanvraag ingewilligd, zij het met het voorbehoud dat de machtiging tot voorlopig verblijf pas zou worden verleend nadat A zijn biometrische gegevens zou hebben afgestaan. Na aan de afname van die gegevens te hebben meegewerkt, heeft A bezwaar gemaakt tegen de afname en verwerking van zijn biometrische gegevens. De staatssecretaris heeft in zijn besluit op bezwaar van 6 januari 2015 hetzelfde standpunt ingenomen als in zijn besluit van 23 december 2014 waarbij hij het bezwaar van B en P ongegrond heeft verklaard.
10.
Zowel A als B en P hebben tegen het besluit van de staatssecretaris beroep ingesteld bij de rechtbank Den Haag (Nederland), die in de twee zaken uitspraak heeft gedaan op 3 februari 2016. De rechtbank Den Haag heeft om te beginnen overwogen dat de verplichting om mee te werken aan de afname en de verwerking van biometrische gegevens, die een voorwaarde is voor het verlenen van een machtiging tot voorlopig verblijf, een formele voorwaarde is voor toelating tot het Nederlandse grondgebied en, gelet op de betrokken gegevens, als zodanig een nieuwe voorwaarde is. De rechtbank Den Haag heeft vervolgens overwogen dat het met die verplichting beoogde doel, te weten het voorkomen en bestrijden van identiteits- en documentfraude, legitiem is. Zij heeft tot slot geoordeeld dat de betrokken verplichting geen evenredig middel is om dat legitieme doel te bereiken. Daartoe heeft zij overwogen dat de staatssecretaris niet aannemelijk had gemaakt dat de verwerking van de biometrische gegevens in de in artikel 107, lid 1, van de Vreemdelingenwet bedoelde vreemdelingenadministratie noodzakelijk is. De staatssecretaris zou niet hebben aangetoond dat Turkse staatsburgers meer dan andere derdelanders gebruikmaken van vervalste reisdocumenten of van authentieke documenten die zijn afgegeven op basis van vervalste documenten. Het argument dat het aanleggen van een dergelijk bestand noodzakelijk zou zijn om zich ervan te kunnen vergewissen dat de houder van het reisdocument — dat al biometrische gegevens bevat — niet reeds eerder een aanvraag heeft ingediend onder een andere identiteit, heeft de rechtbank Den Haag niet aanvaard omdat in haar ogen de situatie van Turkse staatsburgers in dit opzicht niet verschilt van die van burgers van de Unie die geen Nederlander zijn en wier biometrische gegevens volgens de nationale wetgeving niet in een centraal bestand worden opgeslagen. De rechtbank Den Haag heeft tot slot geoordeeld dat de beschikbaarstelling van de biometrische gegevens ten behoeve van de identificatie van plegers van misdrijven verder gaat dan noodzakelijk is om het legitieme doel te bereiken. Zij is tot de slotsom gekomen dat de verplichting om mee te werken aan de afname van biometrische gegevens, en daarmee aan de verwerking van die gegevens in de vreemdelingenadministratie overeenkomstig artikel 107 van de Vreemdelingenwet, een nieuwe beperking vormt die op grond van artikel 7 van besluit nr. 2/76 en artikel 13 van besluit nr. 1/80 verboden is.
11.
De staatssecretaris heeft hoger beroep ingesteld bij de verwijzende rechter. Hij betoogt dat de afname van de biometrische gegevens en de verwerking van deze gegevens in een vreemdelingenadministratie noodzakelijk zijn ter verwezenlijking van het legitieme doel van voorkoming en bestrijding van identiteitsfraude. Volgens de staatssecretaris maakt de vergelijking van de tien vingerafdrukken de identificatie betrouwbaarder en is de termijn voor bewaring van de gegevens noodzakelijk en evenredig ten opzichte van het doel van het betrouwbaar vaststellen van de identiteit van derdelanders. De staatssecretaris voert ook aan dat de bevoegdheid om biometrische gegevens te verwerken, op 1 maart 2021 komt te vervallen, zodat de periode waarin van deze bevoegdheid kan worden gebruikgemaakt, beperkt is. De beschikbaarstelling van biometrische gegevens ten behoeve van de identificatie van plegers van misdrijven dient volgens de staatssecretaris het legitieme doel van handhaving van de openbare orde en is in zijn ogen evenredig.
12.
De verwijzende rechter gaat ervan uit dat de bevoegdheid om de biometrische gegevens van Turkse staatsburgers af te nemen en te verwerken, een nieuwe beperking is in de zin van artikel 7 van besluit nr. 2/76 en artikel 13 van besluit nr. 1/80. Zich baserend op onder meer het arrest Genc15., waaruit volgt dat een nieuwe beperking verboden is, tenzij zij haar rechtvaardiging vindt in een dwingende reden van algemeen belang, geschikt is om de verwezenlijking van het nagestreefde legitieme doel te waarborgen en niet verder gaat dan nodig is voor het bereiken daarvan, vraagt de verwijzende rechter zich met name af of het afnemen en verwerken van de biometrische gegevens noodzakelijk en evenredig is. Ten eerste heeft hij twijfels over de noodzaak en evenredigheid van het aanleggen van een vreemdelingenadministratie waarin de biometrische gegevens gedurende een relatief lange periode worden bewaard. Ten tweede vraagt hij zich af of het feit dat de gegevens uit het bestand beschikbaar kunnen worden gesteld aan de politieautoriteiten in het kader van de vaststelling van de identiteit van de pleger van een misdrijf, niet verder gaat dan nodig is voor het bereiken van het legitieme doel van rechtshandhaving op strafrechtelijk gebied.
13.
Tegen deze achtergrond heeft de Raad van State (Nederland) de behandeling van de zaak geschorst en het Hof bij op 2 februari 2018 ter griffie van het Hof ingekomen beslissing verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:
- ‘1)
- a)
Moeten artikel 7 van besluit nr. 2/76 onderscheidenlijk artikel 13 van besluit nr. 1/80 aldus worden uitgelegd dat deze bepalingen zich niet verzetten tegen een nationale regeling die voorziet in het algemeen verwerken en bewaren van biometrische gegevens van onderdanen van derde landen, waaronder Turkse onderdanen, in een bestand in de zin van artikel 2, aanhef en onder a) en b), van richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 1995 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens[16.], omdat deze nationale regeling niet verder gaat dan nodig is voor het verwezenlijken van het met deze regeling nagestreefde legitieme doel om identiteits- en documentfraude te voorkomen en bestrijden?
- b)
Is daarbij van belang dat de duur van het bewaren van de biometrische gegevens is gekoppeld aan de duur van het legale en/of illegale verblijf van onderdanen van derde landen, waaronder Turkse onderdanen?
- 2)
Moet artikel 7 van besluit nr. 2/76 onderscheidenlijk artikel 13 van besluit nr. 1/80 aldus worden uitgelegd dat een nationale regeling geen beperking in de zin van deze bepalingen vormt, indien het effect van de nationale regeling op de toegang tot de werkgelegenheid, als bedoeld in deze bepalingen, te onzeker en indirect is om te kunnen aannemen dat deze toegang wordt belemmerd?
- 3)
- a)
Indien het antwoord op vraag 2 is dat een nationale regeling die het mogelijk maakt de biometrische gegevens van onderdanen van derde landen, waaronder Turkse onderdanen, uit een bestand aan derden beschikbaar te stellen met het oog op [het] voorkomen, opsporen en onderzoeken van — al dan niet terroristische — misdrijven een nieuwe beperking is, moet artikel 52, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 7 en artikel 8 van het [Handvest], dan aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een dergelijke nationale regeling?
- b)
Is daarbij van belang dat deze onderdaan op het moment dat hij als verdachte van een misdrijf is aangehouden het verblijfsdocument, waarop zijn biometrische gegevens zijn opgeslagen, bij zich heeft?’
14.
In deze zaak hebben A, de Nederlandse en de Deense regering, de regering van het Verenigd Koninkrijk en de Europese Commissie schriftelijke opmerkingen ingediend.
15.
De zitting bij het Hof heeft plaatsgevonden op 17 januari 2019. Ter terechtzitting hebben A, de Nederlandse en de Ierse regering alsmede de Commissie pleidooi gehouden.
III. Analyse
A. Inleidende opmerkingen
16.
Voorafgaand aan de analyse zou ik drie inleidende opmerkingen willen maken.
17.
In de eerste plaats bevat zowel artikel 7 van besluit nr. 2/76 als artikel 13 van besluit nr. 1/80 een volstrekt duidelijke standstillclausule, die de invoering verbiedt van nieuwe beperkingen voor de toegang tot de arbeidsmarkt van werknemers wier verblijf en arbeid op het grondgebied van de overeenkomstsluitende staten legaal zijn.17. Die bepalingen verbieden derhalve in algemene zin de invoering van nieuwe nationale maatregelen die tot doel of tot gevolg hebben dat aan de gebruikmaking door een Turks staatsburger van het vrije verkeer van werknemers op het nationale grondgebied strengere voorwaarden worden gesteld dan die welke golden bij de inwerkingtreding van genoemde besluiten voor de betrokken lidstaat.18. Het Hof heeft reeds geoordeeld dat artikel 7 van besluit nr. 2/76 ratione temporis van toepassing is op de nationale maatregelen die zijn ingevoerd in de periode van 20 december 1976 tot en met 30 november 1980, terwijl artikel 13 van besluit nr. 1/80 ratione temporis van toepassing is op de nationale maatregelen die zijn ingevoerd vanaf 1 december 1980.19. Daar de in het hoofdgeding aan de orde zijnde regeling voortvloeit uit wetten en besluiten die zijn aangenomen na laatstgenoemde datum, valt zij uitsluitend binnen de temporele werkingssfeer van artikel 13 van besluit nr. 1/80. Ik zal die regeling dan ook enkel in het licht van die bepaling onderzoeken.
18.
In de tweede plaats merk ik op dat het Hof niet wordt gevraagd of de in het hoofdgeding aan de orde zijnde regeling chronologisch gezien wel of niet een nieuwe beperking vormt, noch of zij wordt gerechtvaardigd door een dwingende reden van algemeen belang in de zin van de rechtspraak van het Hof. Dat zijn de eerste twee stappen van de toets die het Hof uitvoert om te bepalen of er sprake is van een nieuwe beperking die verenigbaar is met artikel 13 van besluit nr. 1/80.20. Het Hof wordt in casu enkel verzocht om zich uit te spreken over de noodzaak en de evenredigheid van de regeling. Hoewel het Hof uiteraard gebonden is door de vragen die de verwijzende rechter heeft geformuleerd, plaats ik toch vraagtekens bij de bewering dat de verplichting om mee te werken aan de afname van de biometrische gegevens, zonder meer een nieuwe beperking vormt. Uit het dossier blijkt namelijk dat vanaf 1965 biometrische gegevens konden worden afgenomen indien de ambtenaar die belast was met grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen, van oordeel was dat daarvoor gegronde redenen waren.21. In deze omstandigheden zou kunnen worden verdedigd dat de bepalingen van de in 2013 gewijzigde versie van de Vreemdelingenwet, die onder meer Turkse werknemers en hun gezinsleden verplichten om mee werken aan de afname van tien vingerafdrukken en een gezichtsopname, strikt genomen niet als een nieuwe beperking moeten worden beschouwd, maar eerder als een nieuwe technologische ontwikkeling met betrekking tot een identificatieverplichting die al vóór de inwerkingtreding van besluit nr. 1/80 in het Nederlandse recht bestond. Het bestaan van een dergelijke beperking zou dus in twijfel kunnen worden getrokken.
19.
Evenwel kan niet worden voorbijgegaan aan het feit dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde regeling niet uitsluitend voorschrijft dat de biometrische gegevens worden afgenomen, maar ook dat die gegevens worden verwerkt in een bestand dat door derden kan worden geraadpleegd voor diverse doeleinden, en dat die gegevens worden bewaard gedurende een periode die in de praktijk zeer lang kan uitvallen. De door mij genoemde nieuwe technologische ontwikkeling heeft geresulteerd in een mogelijke aantasting van de rechten van Turkse werknemers die rechtvaardigt dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde regeling wordt beschouwd als een beperking die ‘nieuw’ is in vergelijking met de omvang van de verplichting zoals die in 1965 was ingevoerd.
20.
Bovendien heeft het Hof reeds aanvaard dat artikel 13 van besluit nr. 1/80 vanaf de datum van inwerkingtreding in de betrokken lidstaat van dit besluit de invoering verbiedt van nieuwe beperkingen van de uitoefening van het vrije verkeer van werknemers, met inbegrip van beperkingen betreffende de materiële en/of procedurele voorwaarden inzake de eerste toelating tot het grondgebied van deze lidstaat van Turkse staatsburgers die voornemens zijn aldaar van deze vrijheid gebruik te maken22., zoals het geval lijkt te zijn bij A. De in het hoofdgeding aan de orde zijnde regeling lijkt op het eerste gezicht dus wel degelijk binnen de materiële werkingssfeer van artikel 13 van besluit nr. 1/80 te vallen.23.
21.
In de derde plaats wijs ik erop dat de verwijzende rechter zelf reeds het bestaan van twee dwingende redenen van algemeen belang heeft vastgesteld, namelijk enerzijds het voorkomen en bestrijden van identiteits- en documentfraude, en anderzijds het voorkomen, opsporen en onderzoeken van misdrijven. Die vaststelling moet door het Hof worden bevestigd. Het doel van voorkoming van identiteits- en documentfraude is immers vergelijkbaar met het doel van voorkoming van illegale binnenkomst en illegaal verblijf, en zelfs met het doel van een efficiënt beheer van de migratiestromen, waarbij het Hof deze twee doelen reeds als dwingende reden van algemeen belang heeft gekwalificeerd.24. Het doel van het voorkomen, opsporen en onderzoeken van misdrijven is bij mijn weten weliswaar nog niet door het Hof erkend als een dwingende reden van algemeen belang in de context van de Associatieovereenkomst, maar het moet worden beschouwd als een uitvloeisel van het doel van handhaving van de openbare orde, dat volgens artikel 14, lid 1, van besluit nr. 1/8025. een nieuwe beperking kan rechtvaardigen en daarmee een legitiem doel is.
22.
Na deze inleidende opmerkingen zal ik thans de eerste vraag onderzoeken.
B. Eerste prejudiciële vraag
23.
Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen of de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale regeling, die voorziet in het verwerken en bewaren van biometrische gegevens van derdelanders, waaronder Turkse werknemers en hun gezinsleden, teneinde identiteits- en documentfraude te voorkomen en te bestrijden, niet verder gaat dan nodig is om het nagestreefde legitieme doel te bereiken. De verwijzende rechter vraagt zich af of in dit verband de bewaartermijn een factor is die in aanmerking moet worden genomen. Bij deze vraag gaat het dus erom dat wordt vastgesteld of de nieuwe beperking, namelijk de voor Turkse staatsburgers geldende verplichting om mee te werken aan het afnemen van hun biometrische gegevens met het oog op verdere registratie en verwerking in de vreemdelingenadministratie, gerechtvaardigd is in de zin van artikel 13 van besluit nr. 1/80.
24.
De belangrijkste kenmerken van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde regeling laten zich als volgt samenvatten. Staatsburgers van derde landen zijn, uitzonderingen daargelaten26., verplicht om mee te werken aan het afnemen van tien vingerafdrukken en een gezichtsopname wanneer wordt overwogen om aan hen een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen. Die machtiging wordt afgegeven in de vorm van een sticker in het geldige reisdocument. Die sticker bevat de biometrische gegevens van de houder van de machtiging tot voorlopig verblijf. Twee van de vingerafdrukken zullen worden opgeslagen op de verblijfsvergunning die de betrokkene bij aankomst in Nederland zal ontvangen. Daarnaast worden alle afgenomen gegevens opgeslagen in het biometrieregister voor de vreemdelingenketen, dat een onderdeel is van de vreemdelingenadministratie. Dat vreemdelingenbestand, inclusief het register, is slechts toegankelijk voor specifiek daartoe gemachtigde medewerkers van de autoriteiten die betrokken zijn bij de uitvoering van het nationale vreemdelingenbeleid, dat wil zeggen in beginsel voor de medewerkers van diplomatieke en consulaire posten in het kader van hun taakuitoefening. De ontvangende autoriteiten kunnen alleen gegevens verifiëren, in voorkomend geval door het bestand te raadplegen. De invoering van het biometrieregister als onderdeel van de vreemdelingenadministratie beantwoordt aan de noodzaak om niet alleen de identiteit te kunnen vaststellen van de persoon die het reisdocument in zijn bezit heeft en presenteert, maar ook te kunnen nagaan of de houder van de machtiging tot voorlopig verblijf dezelfde persoon is als degene die de desbetreffende aanvraag heeft gedaan. Door de gegevens van de aanvrager te vergelijken met de gegevens die reeds in het bestand zijn opgeslagen, kunnen de autoriteiten zich bovendien ervan vergewissen dat de aanvrager niet reeds een aanvraag heeft ingediend onder een andere identiteit, noch eerder illegaal op het Nederlandse grondgebied heeft verbleven. De gegevens worden in het bestand bewaard gedurende een periode van vijf jaar, te rekenen vanaf een van de volgende momenten: de afwijzing van de aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf, de datum van vertrek uit Nederland indien een rechtmatig verblijf is geëindigd, of het aflopen van de geldigheidsduur van een inreisverbod of een ongewenstverklaring. De biometrische gegevens worden meteen vernietigd indien de betrokkene tot Nederlander wordt genaturaliseerd. De relatief lange bewaartermijn zou zijn verklaring vinden in het doel van voorkoming van identiteitswisselingen, aangezien een dergelijke identiteitswisseling kan plaatsvinden nadat de betrokkene zijn verblijf op het Nederlandse grondgebied heeft beëindigd.
25.
Om de gestelde vraag te beantwoorden, moet om te beginnen worden opgemerkt dat biometrische gegevens gevoelige persoonsgegevens zijn, waarvan het gebruik en de verwerking aan regels moeten worden gebonden. Die gegevens worden als zodanig beschermd door artikel 8 van het Handvest. Hun rol bij de identificatie van personen is in de rechtspraak van het Hof reeds erkend. Met name heeft het Hof reeds geoordeeld dat vingerafdrukken onder het begrip ‘persoonsgegevens’ vallen, daar zij objectief gezien unieke informatie geven over natuurlijke personen, en het mogelijk maken deze personen precies te identificeren.27. De Uniewetgever heeft bepaald dat dit soort gegevens mag worden gebruikt met het oog op de vaststelling van de identiteit van burgers van de Unie28. of van derdelanders29.. Voorts moeten de afname van de vingerafdrukken door de nationale autoriteiten en de opslag daarvan in de sticker en in de vreemdelingenadministratie worden beschouwd als een verwerking van persoonsgegevens, die eveneens aan regels is gebonden.30.
26.
Elke verwerking van persoonsgegevens door een derde kan een aantasting van het recht op bescherming van persoonsgegevens opleveren.31. De uitzonderingen op de bescherming van persoonsgegevens en de beperkingen daarvan moeten binnen de grenzen van het strikt noodzakelijke blijven.32. Tegen de achtergrond van deze overwegingen zal dus moeten worden onderzocht of de in het hoofdgeding aan de orde zijnde regeling noodzakelijk en evenredig is. Daartoe zal moeten worden nagegaan of de afname en de opslag van de betrokken gegevens noodzakelijk zijn om het beoogde doel te bereiken, en zullen daarnaast de aard van die gegevens, de hoeveelheid ervan en de bewaartermijn moeten worden onderzocht, alsmede de voorwaarden waaronder de gegevens uit het bestand kunnen worden geraadpleegd.
27.
Zoals ik reeds heb opgemerkt, lijkt het volkomen legitiem voor een lidstaat om door middel van de vaststelling van de voorwaarden voor binnenkomst op zijn grondgebied ervoor te zorgen dat de juiste identiteit kan worden vastgesteld van de persoon die een machtiging tot voorlopig verblijf heeft aangevraagd. De opslag van twee vingerafdrukken in de sticker maakt het mogelijk zich ervan te verzekeren dat de houder van die sticker inderdaad de persoon is aan wie de machtiging tot voorlopig verblijf is afgegeven. Ook de opslag van de biometrische gegevens van de aanvragers in de vreemdelingenadministratie lijkt mij noodzakelijk in het licht van de door de Nederlandse regering — en door de andere regeringen die in de onderhavige prejudiciële procedure opmerkingen hebben ingediend — aangevoerde noodzaak om identiteitsfraude te bestrijden, wat betekent dat men zich ervan moet kunnen vergewissen dat een aanvrager niet al eerder een aanvraag heeft ingediend onder een andere identiteit, door de vingerafdrukken van die aanvrager te vergelijken met de vingerafdrukken die reeds zijn opgeslagen.
28.
De aard van de verzamelde gegevens strookt vanzelfsprekend met het beoogde doel, gelet op het intrinsieke verband tussen de biometrische gegevens van een persoon en diens identiteit.
29.
De hoeveelheid gegevens lijkt niet buitensporig. De Uniewetgever heeft er overigens voor gekozen om aanvragers van een visum te verplichten tien vingerafdrukken en een gezichtsopname af te staan.33. Die gegevens worden ook verwerkt, namelijk in het Visuminformatiesysteem34., dat tot doel heeft de uitvoering van het gemeenschappelijk visumbeleid te verbeteren en fraude te bestrijden.
30.
De bewaartermijn moet uiteraard in aanmerking worden genomen bij de beoordeling of de nieuwe beperking in de zin van artikel 13 van besluit nr. 1/80 evenredig is. Volgens de rechtspraak van het Hof moet een dergelijke termijn steeds beantwoorden aan objectieve criteria die een verband leggen tussen de te bewaren persoonsgegevens en het nagestreefde doel.35. De Nederlandse regering erkent dat de bewaartermijn in de praktijk zeer dikwijls boven vijf jaar zal uitkomen, daar die termijn is gekoppeld aan de duur van het verblijf in Nederland. Toch lijkt die termijn te zijn vastgesteld met inachtneming van het beoogde doel. De noodzaak om de identiteit van de aanvrager van een machtiging tot voorlopig verblijf met zekerheid te kunnen vaststellen, verdwijnt niet zodra de betrokkene het Nederlandse grondgebied is binnengekomen of dat grondgebied heeft verlaten. Er kan opnieuw reden zijn om die identiteit te verifiëren in het kader van een hernieuwd onderzoek of een mogelijke verlenging van het verblijfsrecht van de betrokkene. Zo ook kan de bestrijding van identiteitsfraude en van het aannemen van verschillende identiteiten rechtvaardigen dat de biometrische gegevens gedurende een langere periode in de vreemdelingenadministratie worden bewaard. Dat kan trouwens in het voordeel zijn van derdelanders die reeds op het Nederlandse grondgebied aanwezig zijn, ingeval in hun naam en dus onder hun valse identiteit een aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf zou worden ingediend. Het consulaire personeel zou dan bijvoorbeeld kunnen vaststellen dat met de opgegeven identiteit reeds afgenomen biometrische gegevens corresponderen. De Commissie heeft in dit verband pertinent opgemerkt dat volgens haar voorstel tot wijziging van de VIS-verordening de termijn voor het bewaren van de gegevens van aanvragers van een visum, een visum voor verblijf van langere duur of zelfs een verblijfsvergunning zou moeten worden gesteld op vijf jaar na het aflopen van de geldigheidsduur van het visum of de vergunning.36.
31.
De voorwaarden waaronder het bestand kan worden geraadpleegd, zijn in lijn met de functie en het doel van het bestand, aangezien het personeel van diplomatieke en consulaire posten bevoegd is om gegevens in het bestand op te slaan en om het bestand te raadplegen, steeds met als doel om de identiteit van de aanvrager te verifiëren en om identiteitsfraude uit te sluiten. De ontvangende autoriteiten zijn slechts bevoegd om het bestand voor die doeleinden te raadplegen.
32.
Bij het onderzoek van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde regeling is bijgevolg niet gebleken van enige grond waarop zou kunnen worden gesteld dat de nieuwe beperking geen noodzakelijk en evenredig middel is om de ermee beoogde doelstelling van bestrijding van identiteits- en documentfraude te bereiken.
33.
Uit hetgeen voorafgaat volgt derhalve dat artikel 13 van besluit nr. 1/80 aldus moet worden uitgelegd dat het zich niet verzet tegen de regeling die aan de orde is in het hoofdgeding, op grond waarvan Turkse werknemers die het Nederlandse grondgebied willen binnenkomen om er arbeid in loondienst te verrichten, alsmede gezinsleden van reeds op dat grondgebied verblijvende Turkse werknemers, die zich daar bij hen willen voegen, ter verkrijging van de machtiging tot voorlopig verblijf waarover zij bij binnenkomst op het Nederlandse grondgebied moeten beschikken indien zij langer dan 90 dagen in Nederland wensen te verblijven, verplicht zijn om mee te werken aan het afnemen van tien vingerafdrukken en een gezichtsopname, welke gegevens vervolgens worden opgeslagen en verwerkt in een vreemdelingenadministratie die door de medewerkers van de diplomatieke, consulaire en ontvangende autoriteiten kan worden geraadpleegd teneinde identiteits- en documentfraude te voorkomen en te bestrijden, terwijl de termijn voor het bewaren van die gegevens is gesteld op vijf jaar na de afwijzing van de aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf, na het vertrek uit Nederland nadat een rechtmatig verblijf is geëindigd, of na het aflopen van de geldigheidsduur van een inreisverbod of een ongewenstverklaring.
C. Tweede en derde prejudiciële vraag
34.
Met zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter van het Hof te vernemen of de in het hoofdgeding aan de orde zijnde wettelijke regeling wellicht niet onder het begrip ‘nieuwe beperking’ in de zin van artikel 13 van besluit nr. 1/80 valt, omdat het effect ervan op de toegang van Turkse staatsburgers tot de werkgelegenheid te onzeker en indirect is om te kunnen aannemen dat die toegang wordt belemmerd. Ondanks de algemene formulering van de tweede vraag blijkt uit het verzoek om een prejudiciële beslissing dat deze vraag verband houdt met de tweede functie van de vreemdelingenadministratie, namelijk het voorkomen, opsporen en onderzoeken van misdrijven.
35.
Zoals ik reeds in herinnering heb gebracht, verbiedt de in artikel 13 van besluit nr. 1/80 opgenomen standstillclausule in algemene zin de invoering van nieuwe nationale maatregelen die tot doel of tot gevolg hebben dat aan de gebruikmaking door een Turks staatsburger van het vrije verkeer van werknemers op het grondgebied van de betrokken lidstaat strengere voorwaarden worden gesteld dan die welke voor hem golden bij de inwerkingtreding van dat besluit. De in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale regeling moet dus buiten toepassing worden gelaten ingeval de nieuwe beperking afbreuk doet aan de vrijheid van A om in Nederland een werkzaamheid in loondienst uit te oefenen. Voorts kan ook de beslissing van P om zich als Turkse werknemer in Nederland te vestigen en vooral om daar te blijven, ongunstig worden beïnvloed wanneer de nationale wettelijke regeling gezinshereniging met B moeilijk of onmogelijk maakt, omdat P zich dan mogelijkerwijs genoopt ziet te kiezen tussen haar activiteit in Nederland en haar gezinsleven in Turkije.37. De vraag is hier dus of de enkele mogelijkheid dat de biometrische gegevens van Turkse staatsburgers — werknemers of gezinsleden van werknemers — zullen worden gebruikt voor strafrechtelijke doeleinden, de uitoefening van een economische activiteit door de genoemde werknemers ongunstig kan beïnvloeden en dus wel degelijk een ‘nieuwe beperking’, in de zin van artikel 13 van besluit nr. 1/80, van de uitoefening van het vrije verkeer door die Turkse werknemers vormt.
36.
In dit verband moet worden herinnerd aan de vaste rechtspraak van het Hof dat uit de bewoordingen van de Associatieovereenkomst en uit het doel van besluit nr. 1/80 moet worden afgeleid dat de in het kader van de artikelen 45 en 46 VWEU erkende beginselen zo veel mogelijk moeten worden toegepast op Turkse staatsburgers die de bij het genoemde besluit toegekende rechten genieten.38. De rechtspraak van het Hof over het begrip ‘belemmering van het vrije verkeer van werknemers binnen de Unie’ moet dus als richtsnoer dienen om te bepalen of de in het hoofdgeding aan de orde zijnde regeling, voor zover daarin is bepaald dat de biometrische gegevens die bij Turkse staatsburgers worden afgenomen wanneer aan hen de machtiging tot voorlopig verblijf wordt afgegeven die zij hebben aangevraagd om in Nederland arbeid in loondienst te kunnen gaan verrichten of om zich te kunnen voegen bij een Turkse werknemer die reeds in Nederland verblijft, zullen kunnen worden geraadpleegd om plegers van misdrijven te identificeren, de uitoefening door de betrokken Turkse staatsburgers van hun economische activiteit ongunstig kan beïnvloeden.
37.
De verwijzende rechter en de Nederlandse regering hebben zich met name beroepen op het arrest Graf39.. Uit dat arrest, dat betrekking heeft op het vrije verkeer van werknemers binnen de Unie, volgt dat wanneer het beperkende effect van een nationale maatregel te onzeker en indirect is, die maatregel niet kan worden geacht het vrije verkeer van werknemers te belemmeren.40.
38.
In het onderhavige geval is naar mijn mening de gebeurtenis die erin bestaat dat de in de vreemdelingenadministratie opgeslagen biometrische gegevens van A of B beschikbaar worden gesteld als hulpmiddel bij de identificatie van verdachten van misdrijven, te onzeker en indirect om te kunnen aannemen dat Turkse werknemers daardoor in de uitoefening van het hun toekomende recht van vrij verkeer worden beperkt.
39.
In mijn ogen is de in het hoofdgeding aan de orde zijnde regeling, voor zover zij het mogelijk maakt dat de biometrische gegevens van Turkse werknemers en hun gezinsleden beschikbaar worden gesteld om plegers van misdrijven te kunnen identificeren, niet van dien aard dat zij deze werknemers belet of ervan weerhoudt op het Nederlandse grondgebied te verblijven en aldaar een economische activiteit uit te oefenen, daar die beschikbaarstelling afhangt van een reeks toekomstige en hypothetische gebeurtenissen, te weten a) het feit dat men wordt verdacht van een misdrijf voor het oplossen waarvan raadpleging van de vreemdelingenadministratie is toegestaan, of het feit dat raadpleging van het bestand in het belang van het onderzoek is; b) het feit dat er een redelijk vermoeden bestaat dat de pleger van het misdrijf een derdelander is; c) het feit dat er wegens het gedrag van die vreemdeling ernstige bezwaren jegens hem bestaan, en, ten slotte, d) het feit dat de raadpleging van de vreemdelingenadministratie plaatsvindt op vordering van de officier van justitie en na machtiging van de rechter.41.
40.
Het lijkt mij dan ook onwaarschijnlijk dat P ervan zou worden weerhouden in Nederland te blijven werken wegens het feit dat de biometrische gegevens van haar echtgenoot eventueel ter beschikking zullen worden gesteld van de bevoegde autoriteiten ingeval die echtgenoot er serieus van zou worden verdacht een misdrijf te hebben gepleegd, of dat A om die reden bereid zou zijn om zijn baan als internationaal chauffeur op te geven. De onweersproken bewering van de Nederlandse regering dat de vreemdelingenadministratie 10 tot 30 keer per jaar voor strafrechtelijke doeleinden wordt geraadpleegd, bevestigt in mijn ogen dat het effect van die raadpleging op de uitoefening van de aan Turkse werknemers toekomende vrijheid van verkeer te onzeker en indirect is. De Nederlandse regering heeft ter terechtzitting in antwoord op een vraag van het Hof ook bevestigd dat de gegevens van verzoekers in het hoofdgeding niet in de strafrechtketen zijn gebruikt.
41.
In deze omstandigheden vormt de in het hoofdgeding aan de orde zijnde regeling, voor zover zij het mogelijk maakt de in een bestand opgeslagen biometrische gegevens van Turkse werknemers en hun gezinsleden aan derden beschikbaar te stellen met het oog op het voorkomen, opsporen en onderzoeken van misdrijven, geen nieuwe beperking in de zin van artikel 13 van besluit nr. 1/80, aangezien het effect van die regeling op de toegang van de betrokken werknemers tot arbeid te onzeker en indirect is.
42.
Aangezien de derde prejudiciële vraag aan het Hof wordt voorgelegd voor het geval de tweede vraag bevestigend zou worden beantwoord, kan die vraag volgens mijn analyse onbesproken blijven.
IV. Conclusie
43.
Gelet op al het voorgaande geef ik het Hof in overweging de prejudiciële vragen van de Raad van State te beantwoorden als volgt:
- ‘1)
Artikel 13 van besluit nr. 1/80 van de Associatieraad van 19 september 1980 betreffende de ontwikkeling van de associatie moet aldus worden uitgelegd dat het zich niet verzet tegen de regeling die aan de orde is in het hoofdgeding, op grond waarvan Turkse werknemers die het Nederlandse grondgebied willen binnenkomen om er arbeid in loondienst te verrichten, alsmede gezinsleden van reeds op dat grondgebied verblijvende Turkse werknemers, die zich daar bij hen willen voegen, ter verkrijging van de machtiging tot voorlopig verblijf waarover zij bij binnenkomst op het Nederlandse grondgebied moeten beschikken indien zij langer dan 90 dagen in Nederland wensen te verblijven, verplicht zijn om mee te werken aan het afnemen van tien vingerafdrukken en een gezichtsopname, welke gegevens vervolgens worden opgeslagen en verwerkt in een vreemdelingenadministratie die door de medewerkers van de diplomatieke, consulaire en ontvangende autoriteiten kan worden geraadpleegd teneinde identiteits- en documentfraude te voorkomen en te bestrijden, terwijl de termijn voor het bewaren van die gegevens is gesteld op vijf jaar na de afwijzing van de aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf, na het vertrek uit Nederland nadat een rechtmatig verblijf is geëindigd, of na het aflopen van de geldigheidsduur van een inreisverbod of een ongewenstverklaring.
- 2)
Voor zover de in het hoofdgeding aan de orde zijnde regeling het mogelijk maakt de in een bestand opgeslagen biometrische gegevens van Turkse werknemers en hun gezinsleden aan derden beschikbaar te stellen met het oog op het voorkomen, opsporen en onderzoeken van misdrijven, vormt zij geen nieuwe beperking in de zin van artikel 13 van besluit nr. 1/80, aangezien het effect van die regeling op de toegang van de betrokken werknemers tot arbeid te onzeker en indirect is.’
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 02‑05‑2019
Oorspronkelijke taal: Frans.
Waarin is bepaald dat ‘[d]e lidstaten van de Gemeenschap en Turkije […] geen nieuwe beperkingen [mogen] invoeren met betrekking tot de toegang tot werkgelegenheid van werknemers wier verblijf en arbeid op hun grondgebied legaal zijn’.
PB 1964, 217, blz. 3685.
Waarin is bepaald dat ‘[d]e lidstaten van de Gemeenschap en Turkije […] geen nieuwe beperkingen [mogen] invoeren met betrekking tot de toegang tot werkgelegenheid van werknemers en hun gezinsleden wier verblijf en arbeid op hun onderscheiden grondgebied legaal zijn’.
Artikel 54, lid 1, onder c), van de Vreemdelingenwet 2000, zoals gewijzigd bij de Wet van 11 december 2013 tot wijziging van de Vreemdelingenwet 2000 in verband met de uitbreiding van het gebruik van biometrische kenmerken in de vreemdelingenketen in verband met het verbeteren van de identiteitsvaststelling van de vreemdeling, in werking getreden op 1 maart 2014 (Stb. 2014, 2; hierna: ‘Vreemdelingenwet’).
Artikel 107, lid 2, van de Vreemdelingenwet.
Artikel 107, lid 5, van de Vreemdelingenwet.
Dat geldt in beginsel voor misdrijven waarop een gevangenisstraf van vier jaar of meer staat, alsook voor een aantal in het Nederlandse Wetboek van Strafrecht en in bijzondere wetten nader omschreven misdrijven.
Artikel 107, lid 6, onder a), van de Vreemdelingenwet.
Artikel 107, lid 6, onder b), van de Vreemdelingenwet.
Artikel 107, lid 9, van de Vreemdelingenwet. Zie ook artikel 8.35 van het Vreemdelingenbesluit 2000.
Aangezien de aanvraag voor gezinshereniging gebaseerd lijkt te zijn op de bepalingen van besluit nr. 1/80, moet worden aangenomen dat P de hoedanigheid heeft van Turks werknemer in de zin van dat besluit, die zich reeds op het Nederlandse grondgebied bevindt. Ook moet ervan worden uitgegaan dat P arbeid in loondienst verricht.
Hierna: ‘Handvest’.
Waarin is bepaald dat ‘[d]e overeenkomstsluitende partijen erkennen, dat binnen de werkingssfeer van de overeenkomst, en onverminderd de bijzondere bepalingen die krachtens artikel 8 zouden kunnen worden vastgesteld, elke discriminatie uit hoofde van nationaliteit is verboden, overeenkomstig het in artikel 7 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap vermelde beginsel’.
Arrest van 12 april 2016 (C-561/14, EU:C:2016:247, punt 51).
PB 1995, L 281, blz. 31.
Zie arrest van 7 augustus 2018, Yön (C-123/17, EU:C:2018:632, punt 38 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Zie arrest van 7 augustus 2018, Yön (C-123/17, EU:C:2018:632, punt 39 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Zie arrest van 7 augustus 2018, Yön (C-123/17, EU:C:2018:632, punten 40–48).
Zie voor een beschrijving van die toets punt 12 van de onderhavige conclusie.
Zie punt 7 van het verzoek om een prejudiciële beslissing, waarin de Vreemdelingenwet 1965 en het Vreemdelingenbesluit 1966 worden genoemd.
Zie arresten van 29 april 2010, Commissie/Nederland (C-92/07, EU:C:2010:228, punt 49), en 7 november 2013, Demir (C-225/12, EU:C:2013:725, punt 34 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Ik breng in dit verband in herinnering dat de aan het Hof voorgelegde prejudiciële vragen betrekking hebben op de verenigbaarheid van de betrokken regeling met artikel 13 van besluit nr. 1/80, en niet op de verenigbaarheid van die regeling met artikel 9 van de Associatieovereenkomst, dat de staatssecretaris had aangevoerd in de procedure voor de rechter in eerste aanleg (zie punt 8 van de onderhavige conclusie).
Zie arrest van 7 november 2013, Demir (C-225/12, EU:C:2013:725, punt 41), respectievelijk arresten van 29 maart 2017, Tekdemir (C-652/15, EU:C:2017:239, punt 39), en 7 augustus 2018, Yön (C-123/17, EU:C:2018:632, punt 77).
Waarin is bepaald dat ‘[d]e bepalingen van dit deel worden toegepast onder voorbehoud van beperkingen welke gerechtvaardigd zijn uit hoofde van openbare orde, openbare veiligheid en volksgezondheid’.
Blijkens het dossier geldt de verplichting om biometrische gegevens te laten afnemen niet voor kinderen jonger dan zes jaar en voor personen bij wie het afnemen van die gegevens fysiek onmogelijk is.
Zie arrest van 17 oktober 2013, Schwarz (C-291/12, EU:C:2013:670, punt 27).
Zie met name verordening (EG) nr. 2252/2004 van de Raad van 13 december 2004 betreffende normen voor de veiligheidskenmerken van en biometrische gegevens in door de lidstaten afgegeven paspoorten en reisdocumenten (PB 2004, L 385, blz. 1).
Zie met name verordening (EG) nr. 810/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 tot vaststelling van een gemeenschappelijke visumcode (Visumcode) (PB 2009, L 243, blz. 1).
Zie artikel 8, lid 2, van het Handvest.
Zie arrest van 17 oktober 2013, Schwarz (C-291/12, EU:C:2013:670, punt 25).
Arrest van 21 december 2016, Tele2 Sverige en Watson e.a. (C-203/15 en C-698/15, EU:C:2016:970, punt 96).
Zie artikel 13 van de Visumcode.
Zie verordening (EG) nr. 767/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 9 juli 2008 betreffende het Visuminformatiesysteem (VIS) en de uitwisseling tussen de lidstaten van gegevens op het gebied van visa voor kort verblijf (VIS-verordening) (PB 2008, L 218, blz. 60).
Zie advies 1/15 (PNR-Overeenkomst EU-Canada) van 26 juli 2017 (EU:C:2017:592, punt 191 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Zie het voorstel voor artikel 23 in het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van verordening (EG) nr.767/2008, verordening (EG) nr. 810/2009, verordening (EU) 2017/2226, verordening (EU) 2016/399, verordening XX/2018 [de interoperabiliteitsverordening] en beschikking 2004/512/EG, en tot intrekking van besluit 2008/633/JBZ van de Raad [COM(2018) 302 final, Brussel, 16 mei 2018].
Zie arresten van 12 april 2016, Genc (C-561/14, EU:C:2016:247, punten 39 en 40), en 29 maart 2017, Tekdemir (C-652/15, EU:C:2017:239, punt 31). Zie ook arrest van 21 december 2016, Ucar en Kilic (C-508/15 en C-509/15, EU:C:2016:986, punt 68). Zie met betrekking tot het verband tussen de uitoefening van de vrijheid van vestiging door Turkse werknemers en de voorwaarden waaronder gezinshereniging wordt toegestaan, arresten van 10 juli 2014, Dogan (C-138/13, EU:C:2014:2066, punt 34 en aldaar aangehaalde rechtspraak), en 7 augustus 2018, Yön (C-123/17, EU:C:2018:632, punt 60 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Zie arresten van 6 juni 1995, Bozkurt (C-434/93, EU:C:1995:168, punt 20); 10 februari 2000, Nazli (C-340/97, EU:C:2000:77, punten 50 en 54); 19 november 2002, Kurz (C-188/00, EU:C:2002:694, punt 30 en aldaar aangehaalde rechtspraak), en 8 december 2011, Ziebell (C-371/08, EU:C:2011:809, punten 52, 58 en 66).
Arrest van 27 januari 2000 (C-190/98, EU:C:2000:49).
Zie arrest van 27 januari 2000, Graf (C-190/98, EU:C:2000:49, punten 23–25). Zie ook arrest van 13 maart 2019, Gemeinsamer Betriebsrat EurothermenResort Bad Schallerbach (C-437/17, EU:C:2019:193, punt 40).
Zie naar analogie arrest van 27 januari 2000, Graf (C-190/98, EU:C:2000:49, punt 24).