type: 5427 (NLK)coll:
Rb. Midden-Nederland, 23-07-2025, nr. C/16/560325 / HA ZA 23-472
ECLI:NL:RBMNE:2025:3529
- Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
- Datum
23-07-2025
- Zaaknummer
C/16/560325 / HA ZA 23-472
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:RBMNE:2025:3529, Uitspraak, Rechtbank Midden-Nederland, 23‑07‑2025; (Eerste aanleg - enkelvoudig)
ECLI:NL:RBMNE:2025:1760, Uitspraak, Rechtbank Midden-Nederland, 23‑04‑2025; (Eerste aanleg - meervoudig)
Tussenuitspraak: ECLI:NL:RBMNE:2024:4106
ECLI:NL:RBMNE:2024:4106, Uitspraak, Rechtbank Midden-Nederland, 17‑07‑2024; (Tussenuitspraak)
Einduitspraak: ECLI:NL:RBMNE:2025:1760
ECLI:NL:RBMNE:2023:5728, Uitspraak, Rechtbank Midden-Nederland, 01‑11‑2023; (Eerste aanleg - enkelvoudig)
ECLI:NL:RBMNE:2023:4159, Uitspraak, Rechtbank Midden-Nederland, 09‑08‑2023; (Eerste aanleg - enkelvoudig)
- Vindplaatsen
JBP 2025/147
GZR-Updates.nl 2025-0098
JBP 2025/84 met annotatie van mr. M.M.A Janssen, mr. R.H. Burm
GJ 2025/64
GZR-Updates.nl 2024-0185
GZR-Updates.nl 2023-0351
GJ 2024/13
JBP 2024/20 met annotatie van A.C. Hendriks
UDH:IR/18029 met annotatie van mr. F. Schemkes en M.V. Avanesian LL.B, BSc
JBPr 2023/89 met annotatie van Mr. M.A. Blom, mr. H.J. Vanderveen
Uitspraak 23‑07‑2025
Inhoudsindicatie
Een zaak tussen individuele eisers en de Nederlandse Zorgautoriteit. Zij hebben samen met drie belangenorganisaties de zaak aangespannen en dezelfde vorderingen ingesteld. De belangenorganisaties hebben op grond van de WAMCA geprocedeerd. Er is op 23 april 2025 eindvonnis gewezen. Daarin is bepaald dat de HoNOS+-gegevens geen persoonsgegevens zijn. Het opvragen en verwerken van die gegevens door de NZa is niet in strijd met het recht. Daardoor wordt er niet onrechtmatig gehandeld tegenover de cliënten en beroepsbeoefenaren in de GGZ. De individuele eisers hebben geen andere argumenten of omstandigheden aangevoerd. De vorderingen worden daarom ook afgewezen.
Partij(en)
vonnis
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
handelskamer
locatie Utrecht
zaaknummer / rolnummer: C/16/560325 / HA ZA 23-472
Vonnis van 23 juli 2025
in de zaak van
1. [eiseres sub 1] ,
wonende te [woonplaats] ,
2. [eiseres sub 2],
wonende te [woonplaats] ,
3. [eiseres sub 3],
wonende te [woonplaats] ,
4. [eiseres sub 4],
wonende te [woonplaats] ,
5. [eiser sub 5],
wonende te [woonplaats] ,
6. [eiseres sub 6],
wonende te [woonplaats] ,
7. [eiser sub 7],
wonende te [woonplaats] ,
8. [eiseres sub 8],
wonende te [woonplaats] ,
9. de stichting
STICHTING KOEPEL VAN DBC-VRIJE PRAKTIJKEN VAN PSY.,
gevestigd te Amsterdam,
10. de stichting
STICHTING LOC WAARDEVOLLE ZORG,
gevestigd te Utrecht,
11. de stichting
STICHTING PLATFORM BESCHERMING BURGERRECHTEN,
gevestigd te Amsterdam,
eisers,
advocaat mr. A.H. Ekker te Amsterdam,
tegen
de publiekrechtelijke rechtspersoon
NEDERLANDSE ZORGAUTORITEIT,
zetelend te Utrecht,
gedaagde,
advocaat mr. M.M.C. van Graafeiland en mr. F.J.H van Tienen te Den Haag.
Eisers 1 tot en met 4 worden gezamenlijk aangeduid als ‘de individuele eisende cliënten’. Eisers 5 tot en met 8 worden gezamenlijk aangeduid als ‘de individuele eisende behandelaren’. Eisers 9 tot en met 11 worden samen ‘de belangenorganisaties’ genoemd. Alle eisende partijen samen worden aangeduid als ‘eisers’. Gedaagde wordt ‘de NZa’ genoemd.
1. De procedure
1.1.
Alle eisers samen hebben op 19 juli 2023 de NZa gedagvaard. In het tussenvonnis van 17 juli 2024 (ECLI:NL:RBMNE:2024:4106) is geoordeeld dat de eisers ontvankelijk zijn in hun vorderingen. In datzelfde vonnis is besloten om de behandeling van de vorderingen van de individuele eisende cliënten en behandelaren op te schorten totdat de collectieve procedure, die de belangenorganisaties op grond van de WAMCA hebben aangespannen, in eerste aanleg is afgerond. In de WAMCA-procedure tussen de belangenorganisaties en de NZa is op 23 april 2025 een eindvonnis gewezen waarin de vorderingen van de belangenorganisaties zijn afgewezen (ECLI:NL:RBMNE:2025:1760).
1.2.
De individuele eisende cliënten en behandelaren hebben in een akte van 21 mei 2025 laten weten dat zij hun vorderingen handhaven en de individuele procedures willen hervatten. Daarop heeft de rechtbank de NZa gevraagd of zij een nieuwe conclusie van antwoord wil indienen om verweer te voeren tegen de vorderingen van de individuele eisende cliënten en behandelaren. De NZa heeft de rechtbank in een akte van 2 juli 2025 laten weten dat zij geen nieuwe conclusie van antwoord wil indienen. De NZa heeft verzocht om alle processtukken die zijn ingediend in de procedure tussen de belangenorganisaties en de NZa in deze individuele procedures als herhaald en ingelast te beschouwen, met uitzondering van de (passages uit) de processtukken die alleen op de belangenorganisaties betrekking hebben. Dat geldt ook voor de stellingen die partijen hebben ingenomen tijdens de mondelinge behandelingen van 22 mei 2024 en 28 januari 2025. De individuele eisende cliënten en behandelaren hebben hiermee ingestemd in een akte van 2 juli 2025. Ook hebben partijen gezamenlijk laten weten dat zij geen behoefte hebben aan een tweede schriftelijke ronde of een nieuwe mondelinge behandeling. Daarom wordt er nu vonnis gewezen in de individuele procedures.
2. De kern van de zaak
2.1.
De feitelijke achtergrond van het geschil is weergegeven in hoofdstuk 4 van het vonnis van 17 juli 2024 en hoofdstuk 2 van het vonnis van 23 april 2025. In het eindvonnis in de WAMCA-procedure van 23 april 2025 zijn de vorderingen van de belangenorganisaties afgewezen. De rechtbank heeft geoordeeld dat het opvragen van de HoNOS+-gegevens en het verwerken van die gegevens niet in strijd is met het recht en daarom ook niet onrechtmatig is tegenover cliënten in de GGZ en beroepsbeoefenaren. De rechtbank komt tot hetzelfde oordeel in deze individuele procedures.
3. De beoordeling van de vorderingen
3.1.
De individuele cliënten en behandelaren hebben (een deel van) dezelfde vorderingen ingesteld tegenover de NZa net zoals de belangenorganisaties dat in de WAMCA-procedure hebben gedaan. De vorderingen zijn opgesomd in rechtsoverweging 3.4 van het vonnis van 17 juli 2024. Met de eiswijziging van 22 mei 2024 is duidelijk geworden dat de individuele cliënten de vorderingen onder I tot en met IV hebben ingesteld. De individuele behandelaren hebben de vorderingen onder I tot en met VIII ingesteld. Zij hebben de vorderingen ieder voor henzelf ingesteld. De overige vorderingen zijn ingetrokken. De vordering onder I is een provisionele voorziening die in het vonnis in incident van 1 november 2023 al is afgewezen. Deze vordering wordt nu niet meer behandeld.
3.2.
Voor de resterende vorderingen geldt dat daarover al in het vonnis van 23 april 2025 is geoordeeld in de zaak tussen de NZa en de belangenorganisaties. De individuele cliënten en behandelaren hebben geen andere argumenten of grondslagen aangevoerd dan de belangenorganisaties hebben gedaan. De beoordeling van de vorderingen is daarom hetzelfde. Het algemene oordeel over de vraag of de HoNOS+-gegevens persoonsgegevens zijn en of het opvragen en verwerken daarvan door de NZa in strijd is met het recht en daardoor onrechtmatig is, geldt daarom ook voor de individuele cliënten en behandelaren. Er zijn door de individuele eisende cliënten en behandelaren geen individuele omstandigheden aangevoerd die de rechtbank tot een ander oordeel doet komen. Dat betekent dat de rechtbank de vorderingen van de individuele cliënten en behandelaren zal afwijzen. De rechtbank verwijst naar de rechtsoverwegingen 3.2 tot en met 3.26 van het vonnis van 23 april 2025 voor een uitleg hierover.
Proceskosten
3.3.
De individuele eisende cliënten en behandelaren hebben in deze procedure ongelijk gekregen. Hun vorderingen worden afgewezen. Zij zouden daarom in principe de proceskosten van de NZa moeten vergoeden. De belangenorganisaties zijn echter al veroordeeld om de proceskosten van de NZa in de WAMCA-procedure te vergoeden. De NZa heeft in deze individuele procedure geen extra proceskosten gemaakt. Alle processtukken, die zij eerder in de WAMCA-procedure heeft ingediend, zijn namelijk als herhaald en ingelast beschouwd. De NZa heeft alleen advocaatkosten gemaakt voor de akte van 2 juli 2025. De rechtbank vindt een vergoeding voor het salaris van de advocaat voor deze akte niet aangewezen, gelet op de zeer beperkte omvang en inhoud daarvan. Bovendien heeft de NZa ook niet gevorderd om de individuele cliënten en patiënten hoofdelijk (of aanvullend) in de proceskosten (van die akte) te veroordelen.
3.4.
De proceskosten van de NZa worden daarom op nihil begroot.
4. De beslissing
De rechtbank
4.1.
wijst de vorderingen af.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.R. Hurenkamp, mr. M. Eversteijn en mr. H.J. ter Meulen, bijgestaan door mr. N.L. Lintel-Kuipers en in het openbaar uitgesproken op 23 juli 2025.1.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 23‑07‑2025
Uitspraak 23‑04‑2025
Inhoudsindicatie
WAMCA-zaak. De Nederlandse Zorgautoriteit mocht in 2023 HoNOS+-gegevens over cliënten in de GGZ opvragen bij zorgaanbieders en deze verwerken ten behoeve van het zorgprestatiemodel. De gegevens zijn geen persoonsgegevens en zijn niet direct of indirect herleidbaar tot individuen. De NZa heeft niet in strijd met het recht (waaronder de AVG, de Grondwet en het EVRM) gehandeld tegenover de cliënten in de GGZ. De behandelaren schenden hun medisch beroepsgeheim niet door het verstrekken van de HoNOS+-gegevens aan de NZa.
Partij(en)
vonnis
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
handelskamer
locatie Utrecht
zaaknummer / rolnummer: C/16/560325 / HA ZA 23-472
Vonnis van 23 april 2025
in de zaak van
1. [eiseres sub 1] ,
wonende te [woonplaats] ,
2. [eiseres sub 2],
wonende te [woonplaats] ,
3. [eiseres sub 3],
wonende te [woonplaats] ,
4. [eiseres sub 4],
wonende te [woonplaats] ,
5. [eiser sub 5],
wonende te [woonplaats] ,
6. [eiseres sub 6],
wonende te Amsterdam,
7. [eiser sub 7],
wonende te [woonplaats] ,
8. [eiseres sub 8],
wonende te [woonplaats] ,
9. de stichting
STICHTING KOEPEL VAN DBC-VRIJE PRAKTIJKEN VAN PSYCHOTHERAPEUTEN EN PSYCHIATERS,
gevestigd te Amsterdam,
10. de stichting
STICHTING LOC WAARDEVOLLE ZORG,
gevestigd te Utrecht,
11. de stichting
STICHTING PLATFORM BESCHERMING BURGERRECHTEN,
gevestigd te Amsterdam,
eisers,
advocaat mr. A.H. Ekker te Amsterdam,
tegen
de publiekrechtelijke rechtspersoon
NEDERLANDSE ZORGAUTORITEIT,
zetelend te Utrecht,
gedaagde,
advocaten mr. M.M.C. van Graafeiland en mr. F.J.H van Tienen te Den Haag.
Eisers 1 tot en met 4 worden gezamenlijk aangeduid als ‘de individuele eisende cliënten’. Eisers 5 tot en met 8 worden gezamenlijk aangeduid als ‘de individuele eisende behandelaren’. Eisers 9 tot en met 11 worden samen ‘de belangenorganisaties’ genoemd. Afzonderlijk worden zij ‘Stichting DBC’, ‘Stichting LOC’ en ‘Stichting Platform Burgerrechten’ genoemd. Alle eisende partijen samen worden aangeduid als ‘eisers’. Gedaagde wordt ‘de NZa’ genoemd.
1. De procedure
1.1.
In het tussenvonnis van 17 juli 2024 (ECLI:NL:RBMNE:2024:4106) is geoordeeld dat de eisers ontvankelijk zijn in hun vorderingen. De behandeling van de vorderingen van de individuele eisende cliënten en behandelaren is opgeschort totdat de collectieve procedure, die de belangenorganisaties op grond van de WAMCA hebben aangespannen, in eerste aanleg is afgerond. De NZa heeft na het tussenvonnis een inhoudelijke conclusie van antwoord genomen. De belangenorganisaties hebben daarop bij akte gereageerd. In diezelfde akte hebben zij ook hun eis gewijzigd. Het betreft een verduidelijking van de vordering onder VII. Verder hebben de belangenorganisaties nog twee aktes met aanvullende producties 32 tot en met 41 ingediend. De NZa heeft ook een akte met aanvullende producties 30 tot en met 32 ingediend. Tot slot heeft de rechtbank op 7 januari 2025 het bericht ontvangen dat mevrouw [A] , oorspronkelijk eiseres sub 5, is overleden. Haar erfgenamen hebben verzocht om haar individuele vorderingen in te trekken. Daartegen is door de NZa geen bezwaar gemaakt. De rechtbank beschouwt deze vorderingen daarom als ingetrokken.
1.2.
Op 28 januari 2025 vond de mondelinge behandeling in de inhoudelijke fase van deze procedure plaats. De advocaten van partijen hebben spreekaantekeningen voorgedragen. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat er verder is besproken.
1.3.
Na de mondelinge behandeling hebben partijen allebei twee aktes genomen over de vernietiging van de verzamelde HoNOS+-gegevens en de back-ups daarvan.
1.4.
Tot slot is er vonnis bepaald.
2. De kern van de zaak
2.1.
In de inhoudelijke fase van de procedure moet worden geoordeeld of het opvragen van HoNOS+-gegevens en de verwerking daarvan door de NZa in strijd is met het recht. De feitelijke achtergrond van het geschil is weergegeven in hoofdstuk 3 van het tussenvonnis van 17 juli 2024. In rechtsoverweging 3.4 van dat tussenvonnis zijn ook de ingestelde vorderingen weergegeven, waarvan vordering VII nadien nog is gewijzigd door eisers en nu luidt als volgt: "de NZa te verbieden om aan beroepsbeoefenaren in de zin van artikel 88 Wet BIG een verplichting op te leggen om de in artikel 4.2 lid 4 Regeling geestelijke gezondheidszorg en forensische zorg genoemde informatie-elementen te verstrekken aan de NZa, althans om deze informatie-elementen ten behoeve van zorgvraagtypering te verwerken."
2.2.
Kort gezegd moesten behandelaren in de geestelijke gezondheidszorg (GGZ) in 2023 eenmalig de antwoorden op zogenaamde HoNOS+-vragenlijsten over hun cliënten aanleveren bij de NZa. Dit is bepaald in artikel 4.2, vierde lid, van de Regeling geestelijke gezondheidszorg en forensische zorg (NR/REG-2313a) zoals die gold vanaf 17 januari 2023 tot en met 31 december 2023 (hierna: de Regeling 2023). De HoNOS+-vragenlijst bevat negentien vragen over de sociale en psychische problematiek bij de cliënt. De behandelaar moet een score geven over de ernst van de problemen. De NZa heeft de antwoorden op deze vragen verwerkt in een algoritme dat kan voorzien in een zogenoemde zorgvraagtypering. De zorgvraagtypering is bedoeld om beter inzicht te geven in de zorgvraag en problematiek van de patiënt, zodat tot een betere inzet van zorg kan worden gekomen. De zorgvraagtypering is onderdeel van het zorgprestatiemodel. Het zorgprestatiemodel is het nieuwe bekostigingsstelsel voor de geestelijke gezondheidszorg en forensische zorg dat op 1 januari 2022 is ingevoerd door de Nederlandse wetgever.
2.3.
Eisers vinden dat de HoNOS+-gegevens persoonsgegevens bevatten en dat het opvragen en verwerken daarvan door de NZa in strijd is met de artikelen 5 en 6 van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG). Ook menen zij dat de NZa een ernstige inbreuk maakt op het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer van cliënten in de GGZ (artikel 8 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, hierna: het EVRM, en artikel 10 van de Grondwet). Tegelijkertijd worden behandelaren in de GGZ gedwongen om hun medisch beroepsgeheim te overtreden. Eisers willen daarom – samengevat – dat de rechtbank voor recht verklaart dat de Regeling 2023 in strijd is met hoger recht en onrechtmatig is tegenover alle cliënten in de GGZ en GGZ-beroepsbeoefenaren. Zij willen verder dat het de NZa wordt verboden om de HoNOS+-gegevens in de toekomst op te vragen en te verwerken. Zij vorderen ook een gebod voor de NZa om de opgevraagde en verwerkte gegevens te vernietigen. De NZa betwist dat zij handelt in strijd met het recht en bepleit afwijzing van de vorderingen.
3. De beoordeling van de vorderingen
3.1.
De vorderingen van de belangenorganisaties worden afgewezen. Het opvragen van de HoNOS+-gegevens en het verwerken van die gegevens is niet in strijd met het recht en daarom ook niet onrechtmatig tegenover cliënten in de GGZ en beroepsbeoefenaren. De rechtbank zal het oordeel hierna per grondslag uitleggen.
De antwoorden op de HoNOS+-vragen zijn geen persoonsgegevens in de zin van de AVG
3.2.
Eisers voeren aan dat de NZa in strijd handelt met de AVG. Zij stellen dat de HoNOS+-gegevens persoonsgegevens zijn. Iedere individuele lijst met antwoorden op de vragen zou namelijk indirect kunnen worden herleid tot individuele cliënten in de GGZ. Er is geen welbepaald en gerechtvaardigd doel om deze gegevens te verwerken (artikelen 5 en 6 AVG). Volgens eisers mag de NZa deze gegevens daarom niet opvragen en verwerken voor het ijken van het algoritme achter de zorgvraagtypering. De NZa betwist dat de HoNOS+-gegevens persoonsgegevens zijn. Volgens de NZa zijn deze gegevens niet te herleiden tot individuele cliënten; de AVG is daarom niet van toepassing.
3.3.
De NZa heeft, voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Regeling 2023, advies gevraagd aan de Autoriteit Persoonsgegevens (hierna: AP) over de rechtmatigheid van de verplichte aanlevering van de HoNOS+-gegevens.1.Volgens eisers bevestigt het vragen van dat advies aan de AP dat de NZa zelf ook van mening is dat zij persoonsgegevens opvraagt. De NZa betwist dat en heeft tijdens de zitting toegelicht dat zij uit zorgvuldigheid om advies heeft gevraagd aan de AP. Voor de rechtbank is het vragen van advies aan de AP niet van doorslaggevend belang. De NZa heeft in deze procedure gemotiveerd betwist dat sprake is van persoonsgegevens in de zin van de AVG. De rechtbank moet daarom zelfstandig beoordelen of er sprake is van (de verwerking van) persoonsgegevens en een schending van de AVG. Dat de NZa dit standpunt bij de adviesaanvraag aan de AP niet heeft ingenomen, maakt dat niet anders. Volledigheidshalve merkt de rechtbank op dat dit ook geldt voor de inhoud van het advies van de AP. De rechtbank is hier niet aan gebonden en dient in deze procedure zelfstandig een oordeel te vellen over de toepasselijkheid van de AVG.
3.4.
In artikel 4, eerste lid, van de AVG staat de definitie van het begrip ‘persoonsgegevens’. Het gaat om alle informatie over geïdentificeerde of identificeerbare personen. Dat zijn niet alleen gegevens die direct herleidbaar zijn tot een natuurlijk persoon, maar ook gegevens waarmee een persoon indirect kan worden geïdentificeerd. Er is sprake van indirecte persoonsgegevens als de gegevens in combinatie met andere gegevens kunnen worden herleid tot een individu. Zo vallen ook gepseudonimiseerde gegevens onder de bescherming van de AVG als deze kunnen worden gekoppeld aan aanvullende gegevens, waardoor deze samen herleidbaar zijn tot een individu.2.Het kan dan gaan om aanvullende gegevens die bij de verwerkingsverantwoordelijke zelf aanwezig zijn, maar ook bij derden.3.
3.5.
Uit overweging 26 van de considerans bij de AVG volgt dat bij de beoordeling of een natuurlijk persoon identificeerbaar is, rekening moet worden gehouden met alle middelen waarvan redelijkerwijs valt te verwachten dat zij worden gebruikt door de verwerkingsverantwoordelijke om de natuurlijk persoon te identificeren. Om te beoordelen of redelijkerwijs te verwachten is dat middelen zullen worden gebruikt om een persoon te identificeren, moet rekening worden gehouden met alle objectieve factoren. Het gaat daarbij bijvoorbeeld om de kosten en de tijd die nodig is voor de identificatie gelet op de beschikbare technologie. Op grond van het Breyer-arrest van het Hof van Justitie valt niet redelijkerwijs te verwachten dat een middel zal worden gebruikt om een persoon te identificeren als dat bij wet verboden is of in de praktijk ondoenlijk is. Van dat laatste geval kan sprake zijn, als dit – gelet op de vereiste tijd, kosten en mankracht – een excessieve inspanning vergt, zodat het gevaar voor identificatie in werkelijkheid onbeduidend lijkt.4.
3.6.
De eerste vraag die voorligt, is of de HoNOS+-gegevens direct herleidbare persoonsgegevens zijn. Dat is niet het geval. De rechtbank stelt vast dat de HoNOS+-gegevens anoniem zijn. Er staan geen identificeerbare gegevens op die betrekking hebben op cliënten, zoals namen, adresgegevens en burgerservicenummers. De ingevulde vragenlijsten bevatten alleen aangekruiste scores als antwoorden op de vragen. De NZa kan de HoNOS+-gegevens daarom niet direct herleiden tot een individu.
3.7.
De tweede vraag die voorligt, is of de HoNOS+-gegevens indirect herleidbare persoonsgegevens zijn, doordat de NZa de HoNOS+-gegevens kan koppelen aan gepseudonimiseerde declaratiegegevens waarover zij ook beschikt. Deze gepseudonimiseerde declaratiegegevens over verleende zorg binnen de GGZ zijn in twee stappen gepseudonimiseerd. Zorgverzekeraars delen de declaratiegegevens eerst met Vektis. Vektis is een organisatie die systemen aanbiedt waarin declaratiegegevens tussen zorgaanbieders en zorgverzekeraars worden uitgewisseld. Vektis versleutelt en pseudonimiseert de persoonlijke gegevens op de declaraties. Vervolgens worden deze versleutelde en gepseudonimiseerde gegevens doorgestuurd aan ZorgTTP. ZorgTTP is ook een organisatie die zorggegevens pseudonimiseert. Zij pseudonimiseert de declaratiegegevens in een tweede stap voordat de gegevens aan de NZa worden verstrekt. De gepseudonimiseerde declaratiegegevens die de NZa ontvangt zijn daardoor geen direct herleidbare persoonsgegevens meer. Hooguit zijn deze declaratiegegevens dan nog indirect herleidbaar, wanneer zij gekoppeld worden aan informatie bij derden (zoals die van de zorgaanbieder zelf of de betrokken zorgverzekeraar).
3.8.
Wat dan nog beoordeeld moet worden, is of koppeling van deze gepseudonimiseerde declaratiegegevens aan de anonieme HoNOS+-gegevens tot identificatie van individuele personen kan leiden. De NZa bestrijdt dat. Zij heeft onderbouwd dat de NZa de anonieme HoNOS+-gegevens opslaat in een afzonderlijk systeem. Deze gegevens worden daardoor afgescheiden bewaard van andere data, waaronder de (dubbel) gepseudonimiseerde declaratiedata. Drie werknemers van de NZa hebben toegang tot de HoNOS+-gegevens. Van die drie werknemers hebben twee werknemers ook toegang tot de gepseudonimiseerde declaratiegegevens. Volgens de Nza hebben deze twee werknemers nooit tegelijkertijd toegang tot beide sets data en kunnen zij die gegevens dus nooit tegelijkertijd verwerken en aan elkaar koppelen. Dat koppelen is de NZa bovendien verboden. In artikel 4.2, vierde lid, van de Regeling 2023 is namelijk een zogenoemd koppelverbod opgenomen.
3.9.
Om met het laatste te beginnen: de rechtbank is van oordeel dat dit koppelverbod onvoldoende is voor de conclusie dat er geen sprake is van indirect herleidbare persoonsgegevens. De Regeling 2023 gold tot 31 december 2023. In de opvolgende Regeling die gold in 2024 en ook in de huidige Regeling is het koppelverbod niet meer opgenomen, terwijl de HoNOS+-gegevens en de declaratiedata in die periode nog wel bij de NZa aanwezig waren en zijn. Er is hiervoor in de Regelingen volgend op die van 2023 geen overgangsrecht bepaald, waardoor het koppelverbod na het aflopen van de Regeling 2023 ontbreekt. Bovendien is namens de NZa op de zitting verklaard dat niet wordt gecontroleerd of de twee werknemers gelijktijdig de HoNOS+-gegevens en de declaratiedata bekijken. Daarmee is het koppelverbod uit de Regeling 2023 een onvoldoende waarborg om te kunnen spreken van een wettelijk verbod in de zin van de AVG.
3.10.
Daarmee staat echter niet vast dat van indirect herleidbare persoonsgegevens sprake is. De rechtbank oordeelt namelijk dat, zelfs al zouden de twee werknemers binnen de NZa de HoNOS+-gegevens koppelen aan declaratiedata, dat het voor de NZa redelijkerwijs niet mogelijk is om de gegevens te herleiden tot individuen. Doordat de declaratiedata door hashing zijn gepseudonimiseerd, zijn ze versleuteld. De NZa kan deze gegevens niet ‘ontsleutelen’. Zij beschikt namelijk niet over de sleutel om de hashing, en daarmee de pseudonimisering, ongedaan te maken. Ook heeft zij – zoals de NZa heeft aangevoerd - niet de benodigde quantumcomputer om deze hashing te 'kraken', omdat die computer simpelweg nog niet bestaat. Het is daarom voor haar technisch gezien niet mogelijk om de versleuteling terug te draaien. De NZa kan dus niet zelfstandig de HoNOS+-gegevens indirect herleiden tot individuen.
3.11. In theorie bestaat de (enige) mogelijkheid voor de NZa om de ontvangen gegevens indirect te herleiden tot individuen als zij nadere gegevens opvraagt bij de zorgverzekeraar. Dat is pas mogelijk als de antwoorden op een HoNOS+-vragenlijst dermate uniek zijn dat die kunnen worden gekoppeld aan declaratiegegevens die in diezelfde mate uniek zijn. Die kans is zodanig klein, aangezien er vijf mogelijke antwoorden kunnen worden gegeven op de negentien verschillende vragen op de HoNOS-lijst, dat de rechtbank dat onvoldoende vindt. Bovendien heeft de NZa geen bevoegdheid om (niet-gepseudonimiseerde) gegevens op te vragen bij zorgverzekeraars of zorgaanbieders. De bevoegdheden van de NZa zijn namelijk wettelijk ingekaderd in de Wet marktordening gezondheidszorg (hierna: Wmg). Daar komt bij dat voor het opvragen van aanvullende gegevens ook geen gerechtvaardigd doel op grond van de AVG bestaat. Er is ook niet onderbouwd dat de NZa dit zal doen.
3.12.
Tijdens de mondelinge behandeling is verder nog duidelijk geworden dat de belangenorganisaties en daarmee de cliënten en behandelaren in de GGZ vrezen voor de mogelijkheid dat de systemen van de NZa worden gehackt, waardoor de HoNOS+-gegevens in verkeerde handen van derden komen. De rechtbank beaamt dat dat in deze tijd een risico is. In de praktijk komt het tenslotte met enige regelmaat voor dat systemen worden gehackt, waardoor derden toegang krijgen tot (persoons)gegevens. Hacking is evenwel een bij wet verboden middel waarvan (dus) niet redelijkerwijs valt te verwachten dat dit door een verwerkingsverantwoordelijke of een derde wordt gebruikt om een persoon te identificeren, als bedoeld in overweging 26 van de considerans van de AVG en voornoemde jurisprudentie van het Europese Hof van Justitie. In dit specifieke geval geldt overigens dat bij een mogelijke hack bij de NZa de HoNOS+-gegevens anoniem blijven en de declaratiegegevens versleuteld. Ook voor een hacker zal het daardoor technisch gezien vrijwel onmogelijk (en in ieder geval verboden) zijn om de gegevens te herleiden tot individuen, omdat hij dan meerdere partijen zou moeten hacken.
3.13.
Uit het voorgaande volgt naar het oordeel van de rechtbank dat de HoNOS+-gegevens geen persoonsgegevens zijn. Voor de NZa is het in de praktijk onmogelijk om de anonieme HoNOS+-gegevens te herleiden tot een individu, ook niet nadat deze gekoppeld zouden worden aan de gepseudonimiseerde declaratiedata. Er bestaan voor de NZa geen middelen, waarvan redelijkerwijs te verwachten is dat zij deze gaat gebruiken, om personen te identificeren. Daardoor is de AVG niet van toepassing op het opvragen en verwerken van de HoNOS+-gegevens. De Regeling 2023 is daarmee niet in strijd met de AVG. Bij de nieuwe regelingen die hierna zijn ingevoerd, is de bevoegdheid tot het opvragen van HoNOS+-gegevens niet opgenomen. Over een nieuwe regeling in de toekomst kan de rechtbank niet oordelen, omdat de inhoud van de Regeling daarvoor relevant is, evenals de concrete feiten en omstandigheden op dat moment.
Er is geen sprake van een schending van artikel 8 EVRM en artikel 10 van de Grondwet
3.14.
Eisers voeren aan dat de NZa ook inbreuk maakt op artikel 8 van het EVRM en artikel 10 van de Grondwet. Zij menen dat de NZa zich onterecht inmengt in de persoonlijke levenssfeer van cliënten, doordat de behandelaar wordt verplicht vragenlijsten in te vullen over de psychische gesteldheid van een individuele cliënt.
3.15.
De rechtbank begrijpt dat de vragenlijst over hun psychische gesteldheid voor cliënten in de GGZ als een grote inbreuk op hun privacy kan worden ervaren. Cliënten hebben recht op een vertrouwelijke behandelrelatie met hun behandelaar. Zeker voor cliënten met geestelijke problematiek kan er een hoge drempel bestaan om zich te wenden tot een behandelaar. Voor hen is het extra belangrijk dat zeer privacygevoelige informatie over hun geestelijke gezondheid niet openbaar wordt gemaakt en zij daar redelijkerwijs ook niet voor hoeven te vrezen. De rechtbank stelt echter vast dat er door het verstrekken van de HoNOS+-gegevens geen sprake is van een schending van artikel 8 EVRM en het daaraan gelijke artikel 10 van de Grondwet. Er kunnen namelijk wettelijke beperkingen worden gesteld aan het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer. Artikel 8, tweede lid, van het EVRM bepaalt dat een inperking van het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer mogelijk is als dit (i) een legitiem doel dient, (ii) noodzakelijk is in een democratische samenleving, en (iii) bij wet is voorzien. Aan deze voorwaarden is in dit geval voldaan. Dat wordt hierna toegelicht.
3.16.
De rechtbank oordeelt dat het opvragen van de HoNOS+-gegevens een legitiem doel dient en noodzakelijk is in onze democratische samenleving. Partijen zijn het erover eens dat het noodzakelijk is om de wachtlijsten in de GGZ te verkorten. Ook zal het systeem om de Nederlandse gezondheidszorg te bekostigen moeten worden doorontwikkeld. De politiek heeft meerdere jaren nagedacht over de wijze waarop zij dat wil vormgeven. Uiteindelijk is er gekozen voor het zorgprestatiemodel waarbij aan de hand van een systeem van zorgvraagtypering de hiervoor geschetste problematiek moet worden aangepakt. Er bestaat voldoende steun vanuit de zorgsector en politiek voor dit model.
3.17.
De belangenorganisaties zijn van mening dat het gekozen zorgprestatiemodel met het systeem van zorgvraagtypering niet geschikt is om de doelen te bereiken, en daarom niet voldoet aan het noodzakelijkheidsvereiste. Zij hebben, onder leiding van professor dr. J. van Os5.verschillende kritiekpunten geuit en alternatieven voorgesteld. Het is echter niet aan de rechterlijke macht om de politieke keuze voor het zorgprestatiemodel te beoordelen en af te wegen tegen alternatieve keuzes. De keuze voor het zorgprestatiemodel is op wettige wijze gemaakt. Men is daardoor gebonden aan het gekozen zorgprestatiemodel.
3.18.
Het is verder niet gebleken dat het huidige zorgprestatiemodel met het systeem van zorgvraagtypering op voorhand en per definitie ongeschikt is om de doelstellingen te bereiken, zoals eisers hebben betoogd. Daarbij geldt dat niet op voorhand vast hoeft te staan wat de uitkomst zal zijn van het algoritme en het systeem van zorgvraagtypering en in hoeverre dat geschikt is. De NZa moet onderbouwen dat het systeem tot een betere uitkomst kán leiden. Dat heeft zij gedaan; de NZa heeft in deze procedure gemotiveerd naar voren gebracht dat de HoNOS+-gegevens kunnen leiden tot de ontwikkeling van een goed werkend algoritme, waarmee het systeem van zorgvraagtypering kan worden verbeterd. Het staat daarmee vast dat het algoritme en het systeem van zorgvraagtypering niet op voorhand kansloos of per definitie onwerkbaar te noemen is. De doelstelling van het zorgprestatiemodel (en het opvragen van de HoNOS+-gegevens om dit model te laten functioneren) vindt de rechtbank daarom legitiem en noodzakelijk.
3.19.
De uitvraag en verwerking voldoet ook aan de beginselen van subsidiariteit en proportionaliteit. De NZa heeft gemotiveerd aangevoerd waarom het opvragen van de HoNOS+-gegevens nodig was om tot ontwikkeling van het algoritme – en daarmee verbetering van het systeem van zorgvraagtypering – te komen. De NZa heeft daarbij voldoende onderzocht of de doelen die zij nastreeft ook kunnen worden bereikt met minder ingrijpende middelen. Zij heeft gemotiveerd toegelicht waarom niet kon worden volstaan met een beperktere uitvraag of alternatieven, zoals het gebruik van alleen kwalitatief onderzoek of declaratiegegevens. Dit is door eisers onvoldoende gemotiveerd weersproken. Daarmee staat vast dat aan de subsidiariteitseis is voldaan.
3.20.
De eenmalige uitvraag was ook proportioneel. Hoewel de rechtbank begrip heeft voor cliënten in de GGZ die een onveilig gevoel ervaren doordat er vragenlijsten over hun psychische problemen zijn ingevuld en gedeeld met de NZa, heeft de rechtbank hiervoor vastgesteld dat de NZa geen informatie heeft ontvangen waaruit zij kan afleiden om welke specifieke persoon het gaat. Hetzelfde geldt bij een eventuele hack van de systemen. De aangeleverde informatie is volledig geanonimiseerd (HoNOS+-gegevens) en gepseudonimiseerd (declaratiegegevens). Cliënten hoeven er dus niet voor te vrezen dat specifieke informatie over hun individuele situatie op enige wijze (openbaar) bekend kan worden. De privacy van de cliënten loopt dus geen gevaar, terwijl het in het belang van de samenleving is dat het zorgprestatiemodel op deze wijze wordt doorontwikkeld.
3.21.
De eenmalige verplichting om de HoNOS+-gegevens aan te leveren aan de NZa is tot slot bij wet voorzien. Deze verplichting is opgenomen in artikel 4.2, vierde lid, van de Regeling 2023. De artikelen 62 en 65 Wmg vormen de grondslag voor de uitvraag op basis van de Regeling. De Wmg is een wet in formele zin. De NZa mag op grond van artikel 62 Wmg nadere regels stellen over de verstrekking van gegevens en inlichtingen door zorgaanbieders aan haar. Dat heeft zij gedaan door het opstellen van de Regeling. Vervolgens is op grond van artikel 65 Wmg bepaald welke gegevens de NZa bij de zorgaanbieder en de zorgverzekeraar mag opvragen. Daarnaast voldoet de Regeling aan de vereisten van voorzienbaarheid en toegankelijkheid. De Regeling is duidelijk en openbaar.
Het medisch beroepsgeheim kan worden doorbroken
3.22.
Eisers stellen dat de eenmalige aanleververplichting van de HoNOS+-gegevens uit de Regeling 2023 ook in strijd is met het medisch beroepsgeheim dat op grond van artikel 7:457 Burgerlijk Wetboek (BW) en artikel 88 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (Wet BIG) op de behandelaren rust. Daardoor is de Regeling onrechtmatig tegenover hen. De NZa betwist dit.
3.23.
De rechtbank is van oordeel dat de behandelaren hun medisch beroepsgeheim niet schenden door het verstekken van de HoNOS+-gegevens aan de NZa. Met de belangenorganisaties is de rechtbank het eens dat het medisch beroepsgeheim een groot goed is, maar dit recht is niet absoluut. De behandelaar mag inlichtingen over zijn patiënt verstrekken of inzage geven in gegevens uit het behandeldossier als daartoe een wettelijke verplichting bestaat. In dat geval is hiervoor geen toestemming nodig van de patiënt. Hiervoor is overwogen dat de Regeling 2023 een wettelijke grondslag bevat, op basis waarvan de behandelaar verplicht is om de HoNOS+-gegevens over de patiënt aan de NZa te verstrekken. De NZa heeft op grond van de Wmg de bevoegdheid om deze Regeling op te stellen met daarin de wettelijke verplichting tot het aanleveren van de HoNOS+-gegevens. De behandelaar mag zijn medisch beroepsgeheim daardoor doorbreken, ook zonder toestemming van de cliënt. Daar komt bij dat in de Regeling een opt-out mogelijkheid is opgenomen. Als de cliënt niet wil dat zijn behandelaar de HoNOS+-gegevens deelt met de NZa, dan kan er een privacyverklaring worden ingevuld. In dat geval hoeft de behandelaar zijn beroepsgeheim niet te doorbreken, omdat iedere cliënt de gegevensverstrekking- en verwerking kan voorkomen.
Conclusie
3.24.
De rechtbank zal de vorderingen van de belangenorganisaties afwijzen. Het opvragen van de HoNOS+-gegevens en de verwerking daarvan, op grond van artikel 4.2, vierde lid, van de Regeling 2023, is niet in strijd met het recht. De NZa mocht de HoNOS+-gegevens opvragen en verwerken. Zij had deze bevoegdheid op grond van de Wmg. De HoNOS+-gegevens zijn geen direct of indirect herleidbare persoonsgegevens, waardoor de AVG niet van toepassing is op de aanleveringsverplichting en de verdere verwerking. Er is ook geen sprake van een ongerechtvaardigde inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van cliënten. Tot slot vormt de Regeling een wettelijke grondslag, waardoor behandelaren hun medische geheimhoudingsplicht mogen doorbreken.
3.25.
Daardoor handelt de NZa niet onrechtmatig tegenover de belangenorganisaties en de cliënten en de behandelaren in de GGZ, waarvan zij de belangen behartigen. Artikel 4.2, vierde lid, van de Regeling 2023 zal niet (met terugwerkende kracht) buiten werking worden gesteld of onverbindend worden verklaard. De rechtbank laat zich niet uit over de artikelen 4.3 en 2.1 van de Regeling 2023, ondanks dat de belangenorganisaties deze artikelen wel noemen in hun dagvaarding. Alleen artikel 4.2 ziet namelijk op de eenmalige aanleververplichting van de HoNOS+-gegevens.
3.26.
Nu artikel 4.2, vierde lid, van de Regeling 2023 niet onverbindend wordt verklaard of buiten werking wordt gesteld en is vastgesteld dat de HoNOS+-gegevens geen persoonsgegevens bevatten, zal de NZa niet worden veroordeeld om de verzamelde HoNOS+-gegevens te vernietigen. Eisers hebben ook geen belang meer bij deze vordering. De NZa heeft verklaard dat zij de verzamelde HoNOS+-gegevens op 13 februari 2025 heeft vernietigd en niet aan derden heeft verstrekt. De NZa heeft ook al de opdracht verstrekt om de laatste back-ups te vernietigen. Dit zal op 12 mei 2025 en op 12 juni 2025 worden gedaan. Het is vanwege technische redenen voor de beveiliging niet mogelijk om de back-ups eerder te verwijderen.
Vervolg geschorste procedure van individuele cliënten en behandelaren
3.27.
In het tussenvonnis van 17 juli 2024 heeft de rechtbank geoordeeld dat de vorderingen, die de individuele cliënten en de individuele behandelaren tegenover de NZa hebben ingesteld, worden opgeschort totdat de collectieve procedure is afgerond. De collectieve procedure wordt met dit eindvonnis afgerond. De individuele procedures kunnen daardoor worden hervat. De individuele cliënten en behandelaren mogen op de roldatum van 21 mei 2025 een akte nemen om de rechtbank en de NZa te informeren of zij hier nog behoefte aan en belang bij hebben, gezien het oordeel dat in dit eindvonnis is gegeven. Als de individuele cliënten en behandelaren hun vorderingen wensen in te trekken, dan mag de NZa zich nog uitlaten over de proceskostenveroordeling van de individuele cliënten en behandelaren.
Proceskosten
3.28.
De belangenorganisaties hebben in deze procedure ongelijk gekregen. Hun vorderingen worden afgewezen. Daarom moeten zij hoofdelijk de kosten van de NZa voor deze procedure (inclusief nakosten) betalen.
3.29.
De kosten aan de kant van de NZa worden tot op vandaag begroot op:
- griffierecht € 676,00- salaris advocaat € 2.456,00 (4 punten x tarief II)
- nakosten € 178,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 3.310,00
3.30.
De NZa heeft ook de wettelijke rente over de proceskosten gevorderd. Deze rente wordt toegewezen op de wijze zoals in het dictum is vermeld.
4. De beslissing
De rechtbank
4.1.
wijst de vorderingen af,
4.2.
veroordeelt de belangenorganisaties hoofdelijk tot betaling van de proceskosten, aan de kant van de NZa tot op vandaag begroot op € 3.310,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als de belangenorganisaties niet tijdig aan de veroordeling voldoen en het vonnis daarna wordt betekend, dan moeten zij € 92,00 extra betalen, plus de kosten van betekening, en te vermeerderen met de wettelijke rente (als bedoeld in artikel 6:119 BW) over dit bedrag met ingang van de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot aan de dag van betaling,
4.3.
verwijst de zaak naar de rol van 21 mei 2025 voor het nemen van een akte door de individuele cliënten en behandelaren over de hervatting van hun procedure,
4.4.
verklaart de proceskostenveroordeling in randnummer 4.2. van dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.R. Hurenkamp, mr. M. Eversteijn en mr. H.J. ter Meulen, bijgestaan door mr. N.L. Lintel-Kuipers en in het openbaar uitgesproken op 23 april 2025.
5427 (NLK)
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 23‑04‑2025
Op grond van artikel 36, vierde lid, van de AVG.
Overweging 26 uit de considerans bij de AVG.
HvJEU 7 maart 2024, zaaknr. C-604/22, ECLI:EU:C:2024:214 (IAB Europe/Gegevensbeschermingsautoriteit). en HvJEU 7 maart 2024, zaaknr. C-479/22, ECLI:EU:C:2024:215 (OC/Europese Commissie).
HvJEU 19 oktober 2016, zaaknr. C582/14, ECLI:EU:C:2016:779 (Breyer/Bondsrepubliek Duitsland).
Hoogleraar Psychiatrische Epidemiologie en Publieke ggz.
Uitspraak 17‑07‑2024
Inhoudsindicatie
WAMCA-zaak. Collectieve actie van drie belangenorganisaties tegen de Nederlandse Zorgautoriteit om verplichte gegevensaanlevering van cliënten in de GGZ aan de NZa te stoppen en de gegevens te vernietigen (3:305a BW). De belangenorganisaties zijn ontvankelijk in hun vorderingen. Daarop is de WAMCA van toepassing. Het lichte ontvankelijkheidsregime wordt toegepast, omdat het ideële vorderingen zijn die een algemeen belang behartigen. Ook de individuele eisers zijn ontvankelijk, maar die procedures worden vooralsnog opgeschort. De drie belangenorganisaties worden samen aangewezen als exclusieve belangenbehartigers.
Partij(en)
vonnis
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
handelskamer
locatie Utrecht
zaaknummer / rolnummer: C/16/560325 / HA ZA 23-472
Vonnis van 17 juli 2024
in de zaak van
1. [eiseres sub 1] ,
wonende te [woonplaats] ,
2. [eiseres sub 2],
wonende te [woonplaats] ,
3. [eiseres sub 3],
wonende te [woonplaats] ,
4. [eiseres sub 4],
wonende te [woonplaats] ,
5. [eiseres sub 5],
wonende te [woonplaats] ,
6. [eiser sub 6],
wonende te [woonplaats] ,
7. [eiseres sub 7],
wonende te [woonplaats] ,
8. [eiser sub 8],
wonende te [woonplaats] ,
9. [eiseres sub 9],
wonende te [woonplaats] ,
10. de stichting
STICHTING KOEPEL VAN DBC-VRIJE PRAKTIJKEN VAN PSYCHOTHERAPEUTEN EN PSYCHIATERS,
gevestigd te Amsterdam,
11. de stichting
STICHTING LOC WAARDEVOLLE ZORG,
gevestigd te Utrecht,
12. de stichting
STICHTING PLATFORM BESCHERMING BURGERRECHTEN,
gevestigd te Amsterdam,
eisers,
advocaat mr. A.H. Ekker te Amsterdam,
tegen
de publiekrechtelijke rechtspersoon
NEDERLANDSE ZORGAUTORITEIT,
zetelend te Utrecht,
gedaagde,
advocaten mrs. M.M.C. van Graafeiland, F.J.H van Tienen en L. Groeneveld te Den Haag.
Eisers 1 tot en met 5 worden gezamenlijk aangeduid als ‘de individuele eisende cliënten’. Eisers 6 tot en met 9 worden gezamenlijk aangeduid als ‘de individuele eisende behandelaren’. Eisers 10 tot en met 12 worden samen ‘de belangenorganisaties’ genoemd. Afzonderlijk worden zij ‘Stichting DBC’, ‘Stichting LOC’ en ‘Stichting Platform Burgerrechten’ genoemd. Alle eisende partijen samen worden aangeduid als ‘eisers’. Gedaagde wordt ‘de NZa’ genoemd.
1. De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:- de dagvaarding van 19 juli 2023 met producties,
- -
het incidenteel vonnis van 1 november 2023,
- -
de conclusie van antwoord over de ontvankelijkheid van eisers,
- -
de akte met eiswijziging van eisers,
- -
de akte uitlating van eisers met producties.
1.2. Eisers hebben de NZa gedagvaard en gesteld dat de Wet afwikkeling massaschade in collectieve actie (hierna: de WAMCA) van toepassing is op de vorderingen van de belangenorganisaties. Eisers hebben voldaan aan de vereisten van artikel 1018c lid 2 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv). Zij hebben binnen twee dagen, nadat zij de dagvaarding bij de griffie van de rechtbank hebben ingediend, aantekening van de dagvaarding gemaakt in het centraal register voor collectieve vorderingen.
1.3. Vervolgens is de zaak op grond van artikel 1018c lid 3 Rv voor drie maanden aangehouden om andere belangenorganisaties de gelegenheid te geven ook een collectieve vordering in te stellen voor dezelfde gebeurtenis(sen) en over gelijksoortige feitelijke vragen en rechtsvragen als die waarop deze collectieve actie is gebaseerd. Tijdens deze periode zijn er geen vorderingen ingesteld door andere belangenorganisaties.
1.4. In dit geval bevat de dagvaarding ook een incidentele vordering tot het treffen van een provisionele voorziening. De rechtbank heeft in haar rolbeslissing van 9 augustus 2023 beslist om het incident direct te behandelen zonder eerst de hiervoor genoemde aanhoudingstermijn van drie maanden af te wachten. Er is op 1 november 2023 vonnis gewezen in het incident.1.De gevraagde provisionele voorziening is afgewezen.
1.5.
Vervolgens heeft de rechtbank bepaald dat er een mondelinge behandeling zal worden gehouden over de ontvankelijkheid van eisers en de toepassing van de WAMCA in de hoofdzaak. Op 29 maart 2024 heeft de rechtbank aan partijen een agenda met te bespreken onderwerpen voor de zitting toegestuurd, naar aanleiding waarvan eisers de hiervoor genoemde akte met eiswijziging en akte uitlating met producties hebben ingediend.
1.6.
De mondelinge behandeling heeft op 22 mei 2024 plaatsgevonden. De advocaten van partijen hebben spreekaantekeningen voorgedragen. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat er verder is besproken.
1.7.
Daarna is er vonnis bepaald.
2. De kern van de zaak en de beslissing
2.1.
Het gaat in deze zaak om een collectieve actie van de belangenorganisaties en individuele eisende cliënten en behandelaren tegen de NZa. Eisers willen dat de NZa stopt met het opvragen van informatie over de gezondheidssituatie van individuele cliënten in de geestelijke gezondheidszorg (hierna: GGZ) bij hun behandelaren en ook met het verwerken van die gegevens, omdat dit het recht op privacy en het medische beroepsgeheim schendt.
2.2.
In dit vonnis beantwoordt de rechtbank (enkel) de vraag of eisers ontvankelijk zijn en of de WAMCA van toepassing is op de collectieve vorderingen in deze procedure. Dat is naar het oordeel van de rechtbank het geval. De behandeling van de vorderingen van de individuele eisende cliënten en behandelaren wordt opgeschort, totdat de rechtbank op de (gelijkluidende) vorderingen van de belangenorganisaties heeft beslist.
3. Waar het in deze procedure om gaat
Achtergrond van het geschil
3.1. Op 1 januari 2022 is er een nieuw bekostigingsstelsel voor de geestelijke gezondheidszorg en forensische zorg ingevoerd. Dat is het zorgprestatiemodel. In dat model wordt gewerkt met een systeem van ‘zorgvraagtypering’. Met de zorgvraagtypering wordt de zorgvraag van cliënten in kaart gebracht en wordt er een verband gelegd tussen de zorgvraag en de mogelijke behandelwijzen.
3.2.
Volgens de NZa moeten behandelaren gegevens over hun cliënten aanleveren om het systeem van zorgvraagtypering goed te laten werken. Behandelaren moesten daarvoor zogenoemde HoNOS+-vragenlijsten invullen. De behandelaar moet op die vragenlijsten 16 onderwerpen over sociale en mentale problemen een score geven met betrekking tot de ernst van de problematiek van de cliënt. Zo moet er informatie worden gegeven over depressies, angsten, zelfverwondingen, alcohol- en drugsgebruik, seksuele problemen en waanvoorstellingen. De NZa verwerkt deze gegevens. Met de data kan een algoritme worden geijkt en worden de zorgvraagtyperingen ingedeeld. De behandelaar bepaalt vervolgens op basis van zijn antwoorden welk zorgvraagtype passend kan zijn voor de cliënt. De behandelaar wordt daarbij geadviseerd over mogelijke behandelwijze door het algoritme achter de vragenlijst. Ook ondersteunt de zorgvraagtypering bij het maken van afspraken tussen zorgverzekeraars en zorgaanbieders over vergoedingen en gepaste zorg. De verplichting tot het aanleveren van de ingevulde vragenlijsten staat in artikel 4.2 lid 4 van de Regeling geestelijke gezondheidszorg en forensische zorg (NR/REG-2313a) (hierna: de Regeling 2023) zoals die gold vanaf 17 januari 2023 tot en met 31 december 2023. In de huidige regeling (NR/REG-2418a), die geldt vanaf 1 januari 2024 tot en met 31 december 2024, zijn de ingevulde vragenlijsten uitgezonderd van de verplichte informatieverstrekking aan de NZa.
3.3.
Eisers vinden dat met de verplichting voor behandelaren om de HoNOS+-vragenlijsten aan de NZa aan te leveren, op ongeoorloofde wijze (privacy)gevoelige persoonsgegevens van cliënten worden opgevraagd en verwerkt. Hiermee wordt een ernstige inbreuk op het recht van bescherming van de persoonlijke levenssfeer van cliënten gemaakt en worden de behandelaren gedwongen om hun medisch beroepsgeheim te schenden. Volgens eisers zorgt de gegevensverstrekking voor een ongewenste drempel voor cliënten om zich te laten behandelen. Zij willen dat de NZa per direct stopt met het opvragen van de HoNOS+-gegevens en de verwerking daarvan en dat de reeds ontvangen gegevens worden vernietigd. Volgens eisers is artikel 4.2 lid 4 van de Regeling 2023 in strijd met, onder andere, de Algemene Verordening Gegevensbescherming (hierna: AVG) en artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna: EVRM).
De vorderingen en het verweer
3.4.
Eisers hebben meerdere vorderingen ingesteld. Vordering I betreft de provisionele voorziening die in het incident is afgewezen, namelijk het verbod voor de NZa om nog gegevens te verwerken gedurende deze procedure totdat eindvonnis is gewezen. In de hoofdzaak gaat het nog - kort samengevat - om de volgende vorderingen:
II. een verklaring voor recht dat toepassing van de artikelen 4.2 lid 4, 4.3 en 2.1 onder D en E van de Regeling 2023 onverenigbaar is met hoger recht, in het bijzonder met artikel 8 van het EVRM, artikel 10 lid 1 van de Grondwet, artikelen 5 en 6 van de AVG en artikel 65 van de Wet marketing gezondheidszorg (Wmg),
III. een verklaring voor recht dat de verwerking van de informatie-elementen, zoals genoemd in artikel 4.2 lid 4 van de Regeling 2023, door de NZa strijdig is met hoger recht,
IV. een gebod om de artikelen 4.2 lid 4, 4.3 en 2.1 onder D en E van de Regeling 2023 buiten werking te stellen, althans onverbindend te verklaren,
V. een verklaring voor recht dat de artikelen 4.2 lid 4 en 2.1 onder D en E van de Regeling 2023 onrechtmatig zijn tegenover alle patiënten in de GGZ van wie gegevens worden verstrekt en tegenover alle beroepsbeoefenaren in de zin van artikel 88 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (hierna: Wet BIG) van wie het beroepsgeheim wordt doorbroken, althans tegenover alle zorgaanbieders in de zin van de Regeling, althans de behandelaren,
VI. een verklaring voor recht dat artikel 4.2 lid 4 van de Regeling 2023 geen wettelijke verplichting, als bedoeld in artikel 6 lid 1 sub c AVG, bevat voor beroepsbeoefenaren om gegevens aan de NZa te verstrekken, althans dat deze gegevensverstrekking niet noodzakelijk is om te voldoen aan deze wettelijke verplichting,
VII. een verklaring voor recht dat de zorgaanbieders, althans de behandelaren, in strijd handelen met hun geheimhoudingsplicht of het verbod van artikel 9 lid 1 van de AVG om gegevens over de gezondheid te verwerken, door de gegevens op grond van artikel 4.2 lid 4 van de Regeling aan de NZa te verstrekken,
VIII. een verbod voor de NZa om aan de beroepsbeoefenaren een verplichting tot gegevensaanlevering op te leggen, althans om deze gegevens voor de zorgvraagtypering te verwerken,
IX. een gebod voor de NZa om alle gegevens, die zij op grond van artikel 4.2 lid 4 van de Regeling heeft ontvangen en alle gegevens en resultaten van de data-analyse die op basis hiervan tot stand zijn gebracht, te vernietigen en daarvan bewijs over te leggen en de verdere verwerking van de gegevens te staken en gestaakt te houden.
Vorderingen I tot en met IX worden ingesteld door de belangenorganisaties, vorderingen I tot en met IV door de individuele eisende cliënten en vorderingen I tot en met VIII door de individuele eisende behandelaren. Alle eisers vorderen daarnaast een proceskostenveroordeling.
3.5.
De NZa heeft verweer gevoerd tegen de ontvankelijkheid van de belangenorganisaties. Zij meent dat de belangenorganisaties niet voldoen aan alle ontvankelijkheidsvereisten. De NZa moet nog inhoudelijk verweer voeren tegen de vorderingen van de belangenorganisaties. Wel bestrijdt zij in het kader van de ontvankelijkheid al dat zij persoonsgegevens opvraagt als gedefinieerd in de AVG, waardoor de vorderingen ten aanzien van de AVG summierlijk ondeugdelijk zijn. Volgens haar is niet uit de ingevulde HoNOS+-vragenlijsten af te leiden over welke cliënt het gaat, waarbij zij wijst op het koppelverbod met andere gegevens in de Regeling. De verweren van de NZa tegen de ontvankelijkheid worden hierna besproken.
4. De beoordeling
4.1.
In dit vonnis wordt beoordeeld of eisers ontvankelijk zijn in hun vorderingen en of de WAMCA daarop van toepassing is. Dat is wat betreft beide vragen het geval. Hierna wordt uitgelegd hoe de rechtbank tot dat oordeel is gekomen, maar eerst zal de rechtbank ingaan op de uitleg van de vorderingen van eisers in hun dagvaarding. Dit oordeel is namelijk ook relevant voor de verdere inhoudelijke behandeling.
De reikwijdte van de vorderingen
4.2.
Eisers hebben de dagvaarding op 19 juli 2023 aan de NZa betekend. Op dat moment gold de Regeling 2023. In artikel 4.2 lid 4 van die Regeling 2023 is een aanleververplichting van, onder andere, de HoNOS+-vragenlijsten opgenomen. De behandelaren moesten uiterlijk 31 augustus 2023 (later verlengd tot 1 januari 2024) cliëntgegevens over de periode 1 juli 2022 tot 1 juli 2023 aanleveren aan de NZa. De NZa heeft deze gegevens verwerkt in het algoritme achter het zorgprestatiemodel.
4.3.
Met ingang van 1 januari 2024 is de Regeling 2023 vervangen door een gewijzigde regeling, waarin de eerder genoemde aanleververplichting niet meer in die vorm genoemd staat. In het bijzonder zijn in de regeling van 2024 de antwoorden op de HoNOS+-vragenlijsten uitgezonderd van de aanleververplichting. Tijdens de mondelinge behandeling hebben eisers verduidelijkt dat zij ook voor de periode vanaf 1 januari 2024 een algemeen verbod willen voor de NZa om behandelaren te verplichten dit soort gegevens over hun cliënten aan te leveren en voor de zorgvraagtypering te verwerken, aangezien de NZa het (opnieuw) wijzigen van de regeling in eigen hand heeft. De rechtbank legt de vorderingen van eisers daarom zo uit dat eisers vorderen dat aan de NZa een algemeen en niet aan tijd gebonden verbod wordt opgelegd, dat gericht is tegen (de dreiging van) het opvragen van de HoNOS+-gegevens en de verwerking daarvan, op gelijke wijze zoals in de Regeling 2023 is gedaan. Uit vordering VIII van eisers blijkt deze bedoeling ook. Dit gebod is algemeen geformuleerd en daarin is geen tijdsperiode opgenomen.
De WAMCA is van toepassing op de collectieve vorderingen van de belangenorganisaties
4.4.
De belangenorganisaties hebben collectieve vorderingen ingesteld op grond van artikel 3:305a BW. Zij behartigen in deze procedure de belangen van alle cliënten in de GGZ en alle behandelaren die geestelijke gezondheidszorg leveren. De WAMCA is van toepassing op deze collectieve vorderingen. De vorderingen zijn namelijk ingesteld ná 1 januari 2020 en hebben betrekking op gebeurtenissen die ná 15 november 2016 hebben plaatsgevonden. In Titel 14A van Boek 3 Rv staan een aantal ontvankelijkheidsvereisten genoemd. Hierna wordt uitgelegd dat alle drie de belangenorganisaties hieraan voldoen.
De ontvankelijkheidseisen van artikel 1018c lid 5 Rv
4.5.
De belangenorganisaties voldoen aan de vereisten van artikel 1018c lid 5 Rv, waarin staat dat een collectieve vordering pas inhoudelijk behandeld wordt als:
a. a) de belangenorganisaties voldoen aan de ontvankelijkheidseisen van artikel 3:305a lid 1 tot en met 3 BW of dat niet aan een deel van deze eisen hoeft te worden voldaan, omdat de belangenorganisaties met succes een beroep hebben gedaan op het lichte ontvankelijkheidsregime van lid 6;
b) de belangenorganisaties voldoende aannemelijk hebben gemaakt dat 1) het efficiënter en effectiever is om deze collectieve procedure te voeren dan dat de benadeelden individuele vorderingen instellen, 2) het aantal personen tot bescherming van wier belangen de vordering strekt voldoende is en 3) dat zij alleen of samen een voldoende groot financieel belang hebben als de vordering tot schadevergoeding strekt;
c) de vordering niet summierlijk ondeugdelijk was op het moment dat de procedure aanhangig werd gemaakt.
4.6.
Bij sub a, de vereisten van artikel 3:305a leden 1 tot en met 3 BW, wordt hierna vanaf randnummer 4.10 afzonderlijk stilgestaan.
4.7.
Ten aanzien van sub b geldt dat de belangenorganisaties de efficiëntie en effectiviteit van deze collectieve procedure voldoende aannemelijk hebben gemaakt. De te beantwoorden feitelijke en rechtsvragen zijn voor alle cliënten en behandelaren gelijk of zeer nauw met elkaar verweven. De collectieve vorderingen zijn ingesteld om de belangen van alle cliënten in de GGZ (circa 800.000 mensen) en hun behandelaren te beschermen. Alle cliënten en behandelaren vormen samen een voldoende grote groep om daarvoor bij voorkeur een collectieve procedure te voeren in plaats van op individueel niveau. De collectieve vorderingen strekken niet tot vergoeding van schade, waardoor niet aan het derde vereiste van artikel 1018c lid 5 sub b Rv hoeft te worden voldaan.
4.8.
In het kader van sub c heeft de NZa aangevoerd dat de collectieve vorderingen summierlijk ondeugdelijk zijn voor zover zij zijn gegrond op de AVG, omdat de HoNOS+-gegevens geen persoonsgegevens zijn als bedoeld in de AVG. Zij stelt dat de gegevens op zichzelf, dus zonder koppeling met andere gegevens, niet herleidbaar zijn tot individuen. Ook mét aanvullende gegevens zou slechts een klein deel wel herleidbaar zijn. Om dit te voorkomen, heeft de NZa een koppelverbod opgenomen in de Regeling 2023 (en ook daarna), op grond waarvan de ontvangen gegevens niet gekoppeld mogen worden met andere gegevens waarover de NZa beschikt. Eisers bestrijden dat geen sprake (meer) is van persoonsgegevens.
4.9.
Het doel van de summierlijke ondeugdelijkheidstoets is om in uitzonderlijke gevallen een collectieve vordering voorafgaand aan de inhoudelijke behandeling van tafel te krijgen, omdat deze niet deugt. Het gaat hierbij om een beperkte inhoudelijke toetsing, waarbij de rechter een poortwachtersfunctie heeft (bescherming tegen lichtvaardige en ongefundeerde massaclaims). Op grond van die beperkte toetsing concludeert de rechtbank dat de vorderingen van eisers niet summierlijk ondeugdelijk zijn, ook niet voor zover zij zijn gegrond op de AVG en het EVRM. De NZa heeft onvoldoende toegelicht en onderbouwd waarom slechts een klein deel van de aangeleverde gegevens herleidbaar zijn, indien zij gekoppeld worden met andere gegevens waarover de NZa kan beschikken. Daarom staat op dit moment nog niet vast dat cliënten niet kunnen worden geïdentificeerd aan de hand van de vragenlijsten in combinatie met andere gegevens (bijvoorbeeld declaratiegegevens). Los daarvan, is het nog de vraag of het door de NZa aan zichzelf opgelegde koppelverbod kwalificeert als een 'wettelijk verbod' om de gegevens te herleiden. De NZa kan dit koppelverbod immers van de ene op de andere dag zelf wijzigen.
Het statutenvereiste (artikel 3:305a lid 1 BW)
4.10.
Er is voldaan aan het statutenvereiste. Artikel 3:305a lid 1 BW bepaalt dat een belangenorganisatie alleen belangen van andere personen kan behartigen als deze belangen overeenkomen met het statutaire doel van de belangenorganisatie. De doelstellingen van de belangenorganisaties verschillen op enkele punten, maar de belangen die de drie stichtingen in deze procedure willen behartigen, sluiten aan bij hun statutaire doelstellingen. De NZa heeft dit niet betwist.
Het gelijksoortigheidsvereiste (artikel 3:305a lid 1 BW)
4.11. Er is voldaan aan het gelijksoortigheidsvereiste. De belangen van de cliënten en de behandelaren, die worden behartigd door de belangenorganisaties, zijn voldoende gelijksoortig.
4.12.
De rechtbank onderkent dat er in deze procedure twee groepen belanghebbenden te onderscheiden zijn: de cliënten en de behandelaren in de GGZ. Deze twee groepen hebben verschillende belangen. Het is voor de beoordeling van het gelijksoortigheidsvereiste uit de WAMCA echter geen probleem dat er verschillende groepen zijn te onderscheiden binnen de achterban, voor zover hun belangen maar voldoende gelijksoortig zijn.
4.13.
Voor de cliënten is het belangrijk dat privacygevoelige informatie over hun gezondheid niet met derden wordt gedeeld. Behandelaren willen hun beroepsgeheim niet schenden en een vertrouwelijke omgeving aan hun cliënten bieden. In zoverre zijn de belangen met elkaar verweven en vormen ze elkaars spiegelbeeld. Voor beide groepen draait het in deze procedure om dezelfde vraag: of de Regeling 2023 strijdig is met hoger recht en of het de NZa moet worden verboden om de HoNOS+-vragenlijsten op te vragen, deze gegevens te verwerken en te bewaren. De beoordeling van deze vraag is voor iedere belanghebbende gelijk en heeft voor ieder van hen een gelijk gevolg. Er zijn namelijk geen bijzondere omstandigheden aan de kant van de belanghebbenden die hierbij in acht hoeven te worden genomen.
4.14.
Er is ook voldaan aan het waarborg- en representativiteitsvereiste. Artikel 3:305a lid 1 BW bepaalt dat een belangenorganisatie alleen een collectieve vordering kan instellen als de belangen van de achterban voldoende zijn gewaarborgd. Lid 2 bepaalt dat de belangen voldoende gewaarborgd zijn als de belangenorganisatie voldoende representatief is, gelet op de achterban die de belangenorganisatie vertegenwoordigt en de omvang van de vorderingen. De belangenorganisaties stellen dat deze representativiteitseis voor hen niet geldt, omdat zij een ideële vordering hebben ingesteld en daardoor een beroep kunnen doen op het lichtere ontvankelijkheidsregime uit lid 6 van artikel 3:305a BW. De NZa betwist dat de belangenorganisaties voldoen aan het representativiteitsvereiste, enerzijds omdat zij niet concreet hebben gesteld en onderbouwd voor welke betrokkenen zij opkomen, anderzijds (en kennelijk subsidiair) omdat zij niet opkomen voor een voldoende groot aantal betrokkenen.
4.15.
De rechtbank oordeelt dat, ook nu de belangenorganisaties een beroep doen op het lichte regime van lid 6 (het al dan niet slagen hiervan wordt hierna in randnummer 4.22 nog apart beoordeeld), zij in beginsel wel moeten voldoen aan de representativiteitseis genoemd in de aanhef van lid 2. Dit volgt uit de wetsgeschiedenis van de WAMCA en de rechtspraak.2.Deze representativiteitseis is in de WAMCA-wetgeving opgenomen om te voorkomen dat een belangenorganisatie een collectieve vordering instelt, terwijl zij onvoldoende of niet wordt ondersteund door de achterban. Een belangenorganisatie moet daarom bij het starten van een collectieve actie stellen dat zij kwantitatief gezien voor een voldoende groot deel van de gedupeerden opkomt.
4.16.
In dit geval hoeven de belangenorganisaties niet ieder voor zich een voldoende grote achterban te hebben. De drie belangenorganisaties hebben zich namelijk verenigd in de coalitie ‘Vertrouwen in de GGZ’ (hierna: de coalitie). Zij zijn gezamenlijk onder die naam naar buiten getreden. De coalitie heeft een achterban die de vorderingen steunt.
4.17.
Voor de beoordeling of de belangorganisaties hebben voldaan aan de representativiteitseis is het van belang om een onderscheid te maken tussen de twee verschillende soorten collectieve acties die kunnen worden gevoerd. Dat zijn groepsacties en algemeen belangacties. Bij een groepsactie kunnen de personen, om wiens belang het gaat, worden geïndividualiseerd. De belangen van een bepaald of bepaalbaar aantal individuele personen worden dan in een groepsactie gebundeld. Bij een algemeen belangactie worden algemene belangen behartigd. Die belangen kunnen niet worden geïndividualiseerd, omdat zij horen bij een veel grotere groep personen die diffuus en onbepaald is. Uit de wettekst van artikel 3:305a lid 1 en 2 BW en de wetsgeschiedenis van de WAMCA volgt dat de wetgever bij de invulling van de representativiteitseis vooral heeft gedacht aan groepsacties waarbij de belanghebbenden kunnen worden geïndividualiseerd.3.Uit rechtspraak volgt dat er niet strikt aan het representativiteitsvereiste wordt getoetst bij een algemeen belangactie.4.
4.18.
De rechtbank stelt vast dat in deze procedure sprake is van een algemeen belangactie. De belangenorganisaties komen in de eerste plaats op voor een grote, diffuse groep personen (alle GGZ-aanbieders en GGZ-patiënten, waarvan de laatste groep naar schatting bestaat uit circa 800.000 personen die steeds wisselt in samenstelling). In de tweede plaats geldt dat de belangenorganisaties willen laten beoordelen of de Regeling 2023, en de verplichting tot het aanleveren en verwerken van de HoNOS+-gegevens, strijdig is met hoger recht. Die vorderingen zijn volgens de belangenorganisaties bedoeld om ideële belangen van cliënten en behandelaren in de GGZ te beschermen. Die belangen betreffen het recht op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer en de bescherming van het medisch beroepsgeheim, zoals vastgelegd en uitgewerkt in het EVRM, de Grondwet, de AVG en de Wet BIG. De belangenorganisaties vorderen ten slotte geen schadevergoeding voor hun achterban en zij willen geen rechtsverhouding laten vaststellen tussen de NZa en de cliënten en de behandelaren in de GGZ.
4.19.
Zoals hiervoor opgemerkt, heeft de wetgever bij representativiteit vooral gedacht aan groepsacties, waarbij de belanghebbenden duidelijk zijn te individualiseren. In dit geval is individualisering niet goed mogelijk, gelet op de grote, diffuse groep voor wie de belangenorganisaties opkomen. De achterban verschilt per moment, door de in- en uitstroom van (met name) GGZ-patiënten en behandelaren in de GGZ, en niet exact is vast te stellen van wie wanneer de HoNOS+-gegevens zijn opgevraagd en verwerkt. Het zou voor de belangenorganisaties in een zaak als deze daarnaast ook praktisch bezwaarlijk zijn om hun achterban bij naam en toenaam te noemen. De cliënten in de GGZ vormen een kwetsbare groep, waardoor niet van de belangenorganisaties kan worden gevraagd nadere persoonsgegevens over deze groep mensen te verzamelen en te verschaffen. Daar komt bij dat algemeen belangacties het toetsingselement "de omvang van de vertegenwoordigde vorderingen" ten opzichte van het totaal aantal betrokkenen geen bruikbaar toetsingselement is, zodat slechts de toetssteen van "de achterban" resteert.5.De rechtbank hecht daarom in dit geval geen waarde aan de kwantitatieve toets van het representativiteitsvereiste. Daardoor is de omvang van de vertegenwoordigde vorderingen (het aantal aanmeldingen bij de belangenorganisaties) ten opzichte van het totale aantal benadeelden niet relevant.
4.20.
De rechtbank sluit dus niet aan bij de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 7 september 2023 (ECLI:NL:RBDHA:2023:14320), zoals de NZa heeft bepleit. De vordering die in die procedure werd behandeld, was weliswaar een ideële vordering waarop het verlichte ontvankelijkheidsregime van lid 6 van artikel 3:305a BW van toepassing was, maar in dat geval was - anders dan in deze zaak - sprake van een groepsactie. Bij een groepsactie is de kwantitatieve toets, ook bij een ideële vordering, relevanter dan bij een algemeen belangactie zoals in deze procedure het geval is.
4.21.
Van de belangenorganisatie kan bij een algemeen belangactie wel worden verlangd dat zij duidelijk maakt dat zij een adequate spreekbuis is van de groep waarvoor wordt opgekomen. In dat geval is sprake van een voldoende 'achterban' en is (dus) voldaan aan het representativiteitsvereiste.6.De rechtbank is van oordeel dat ook aan dit vereiste in deze procedure is voldaan: de belangenorganisaties hebben voldoende aangetoond dat zij een adequate spreekbuis vormen van de cliënten en behandelaren in de GGZ. Dat blijkt ten eerste uit de werkzaamheden die de belangenorganisaties hebben verricht. Zij zijn al jarenlang actief en hebben een aantoonbare ‘track record’ van hun activiteiten. Zij zijn eerder ontvankelijk verklaard in collectieve acties, waarbij werd opgekomen voor gelijksoortige belangen. Bovendien hebben de belangenorganisaties samen, de coalitie, voldoende steun van andere relevante belangenorganisaties. De belangenorganisaties hebben namelijk bij de dagvaarding screenshots van de website van de coalitie (www. [website] .nl) overgelegd, waarop een overzicht van steunbetuigingen staat. Daaruit blijkt dat organisaties als de Consumentenbond, vakbonden FNV en CNV en diverse beroepsorganisaties van zorgverleners en patiëntenorganisaties de coalitie en deze procedure steunen, nadat zij dit de coalitie actief hebben laten weten door het sturen van een e-mail. Tot slot blijkt de brede steun aan de coalitie uit het feit dat de belangenorganisaties deze procedure kunnen bekostigen dankzij een succesvolle crowdfunding. De belangenorganisaties genieten dus een breed maatschappelijk draagvlak. De NZa heeft dit onvoldoende gemotiveerd betwist.
Het lichte ontvankelijkheidsregime (artikel 3:305a lid 6 BW)
4.22.
Het lichte ontvankelijkheidsregime van artikel 3:305a lid 6 BW is van toepassing op de vorderingen van de belangenorganisaties. Daarom hoeven de belangenorganisaties niet te voldoen aan de ontvankelijkheidseisen die staan in lid 2, onderdelen a tot en met e, en lid 5 van artikel 3:305a BW. Het lichte ontvankelijkheidsregime kan worden toegepast als de vorderingen zijn ingesteld met een ideëel doel en als de vorderingen een zeer beperkt financieel belang hebben of als de aard van de vorderingen daartoe aanleiding geeft. Het lichte ontvankelijkheidsregime van lid 6 van artikel 3:305a BW geldt niet als de vorderingen zijn ingesteld met het doel om een schadevergoeding in geld te krijgen of als de vorderingen een opmaat zijn voor het vaststellen van schade. In dat geval moeten de belangenorganisaties wel voldoen aan de strengere ontvankelijkheidseisen van de leden 2 en 5 van artikel 3:305a BW.
4.23.
De NZa heeft betwist dat het verlichte ontvankelijkheidsregime van toepassing is, omdat een deel van de vorderingen verklaringen voor recht zijn die niet nodig zijn om het doel van deze procedure te bereiken: het stoppen van het aanleveren van de HoNOS+-gegevens en de verwerking daarvan. De NZa meent dat die verklaringen voor recht een opmaat zijn voor het vorderen van schadevergoeding door de belangenorganisaties.
4.24.
De rechtbank is van oordeel dat het beroep van de belangenorganisaties op het lichte ontvankelijkheidsregime van artikel 3:305a lid 6 BW slaagt. De belangenorganisaties behartigen een maatschappelijk belang. Zij vinden dat het opvragen en het verwerken van de HoNOS+-gegevens in strijd is met hoger recht en willen daarom dat de NZa wordt verboden om deze gegevens op te vragen en te verwerken. Deze doelstelling komt direct terug in de vorderingen onder IV (buiten werking stellen of onverbindend verklaren van onderdelen van de Regeling), VIII (verbod om aanlevering van HoNOS+-gegevens te verplichten) en onder IX (gebod om alle gegevens te verwijderen en de verdere verwerking te staken). Deze vorderingen zijn ingesteld om een ideëel doel te bereiken en hebben geen financieel belang, maar zien op het voorkomen van (nieuwe) gegevensverwerking. Dat geldt ook voor de vorderingen onder VI en VII.
4.25.
De rechtbank begrijpt dat het verweer van de NZa meer specifiek ziet op de vorderingen onder II, III en V. Dat zijn verklaringen voor recht dat de verplichting tot het aanleveren en verwerken van HoNOS+-gegevens, zoals volgt uit de artikelen 4.2 lid 4, 4.3 en 2.1 onder D en E van de Regeling 2023, onverenigbaar en strijdig is met hoger recht en daardoor onrechtmatig is tegenover de cliënten en behandelaren in de GGZ.
4.26.
De rechtbank oordeelt dat ook op deze vorderingen het lichte ontvankelijkheidsregime kan worden toegepast. De NZa heeft onvoldoende concrete aanknopingspunten aangevoerd dat de belangenorganisaties deze procedure hoofdzakelijk gebruiken om een financieel belang te verzilveren, nu of in de toekomst. Met de kwalificatie ‘onrechtmatig’ in de verklaringen voor recht zal nog geen oordeel over aansprakelijkheid van de NZa komen vast te staan, zoals door de NZa wordt geïmpliceerd. Hiervoor bestaan immers nog aanvullende vereisten, zoals de positieve beantwoording van de vraag of er schade is die in causaal verband staat met de onrechtmatige gedraging (of nalaten) én of die schade toerekenbaar is aan de veroorzaker ervan. Over deze punten hebben de belangenorganisaties geen verklaringen voor recht gevraagd, zodat de rechtbank hen volgt in hun toelichting in de schriftelijke stukken en tijdens de mondelinge behandeling dat zij in deze procedure niet als (hoofd)doel hebben om uiteindelijk een (substantiële) schadevergoeding te verkrijgen, maar enkel een kwalificatie van de gegevensverzameling en -verwerking door de NZa. Zij vorderen de verklaringen voor recht in zoverre om daarmee een antwoord te krijgen op principiële rechtsvragen. De kans dat individuele cliënten of behandelaren in de toekomst eigen procedures zullen opstarten met een financieel belang, staat ook niet aan toepassing van het lichte regime in de weg, omdat dit vorderingen zijn van een andere aard dan de belangenorganisaties nu instellen.
Aanvullende vereisten in de Richtlijn representatieve vorderingen ter bescherming van collectieve belangen van consumenten
4.27.
Nadat de Europese richtlijn representatieve vorderingen ter bescherming van collectieve belangen van consumenten (hierna: de Richtlijn)7.is ingevoerd, is aan artikel 3:305a lid 6 BW een extra zin toegevoegd, waaruit blijkt dat een belangenorganisatie moet voldoen aan extra ontvankelijkheidsvereisten van artikel 3:305a lid 2 BW als de Richtlijn van toepassing is. De Richtlijn is een procedurele regeling voor collectieve acties van belangenorganisaties die gaan over mogelijke inbreuken van specifieke bepalingen van het Europese consumentenrecht. Het doel van de Richtlijn is om collectieve belangen van consumenten te beschermen op verschillende gebieden, waaronder gegevensbescherming.
4.28.
Deze procedure valt binnen het toepassingsbereik van de Richtlijn. In de bijlage bij de Richtlijn worden schendingen van de AVG namelijk expliciet genoemd. Er is sprake van representatieve vorderingen die worden ingesteld vanwege gestelde onrechtmatige inbreuken door handelaren tegenover consumenten. Onder ‘consument’ wordt namelijk een natuurlijke persoon verstaan die niet handelt in het kader van handels-, bedrijfs-, ambachts- of beroepsactiviteiten. De cliënten kwalificeren daardoor als consument, de behandelaren niet. De Richtlijn legt het begrip ‘handelaar’ uit als iedere natuurlijke persoon of rechtspersoon die wel handelt voor doeleinden die verband houden met de handels-, bedrijfs-, ambachts- of beroepsactiviteiten. De NZa kwalificeert daarom als handelaar.
4.29.
De belangenorganisaties hebben zich evenwel op het standpunt gesteld dat de Richtlijn niet van toepassing is, omdat in artikel 3 onderdeel 5 van de Richtlijn staat dat een representatieve vordering door een ‘bevoegde instantie’ als eisende partij wordt ingesteld namens consumenten. Zij stellen dat zij geen bevoegde instantie zijn, omdat zij niet door de Nederlandse overheid als bevoegde instantie zijn aangewezen om deze representatieve vordering in te stellen, zoals is gedefinieerd in artikel 3 onderdeel 4 van de Richtlijn.
4.30.
De rechtbank volgt de uitleg van deze definitie door de belangenorganisaties niet. Het is juist dat de Richtlijn bepaalt dat een representatieve vordering, die als doel heeft collectieve belangen van consumenten te beschermen, door een bevoegde instantie moet worden ingesteld. Maar het is van belang dat de Richtlijn hierbij onderscheid maakt tussen binnenlandse en buitenlandse (grensoverschrijdende) collectieve acties. Hier is sprake van een binnenlandse collectieve actie. De belangenorganisaties zijn stichtingen naar Nederlands recht die voor de Nederlandse rechter opkomen voor de belangen van consumenten die in Nederland wonen en (groten)deels de Nederlandse nationaliteit hebben. De vermeende schending van hoger recht vindt in Nederland plaats.
4.31.
In tegenstelling tot een grensoverschrijdende collectieve actie hoeft een bevoegde instantie bij een binnenlandse collectieve actie niet vooraf te zijn aangewezen door de lidstaat. Uit overweging 28 van de Richtlijn volgt dat ook de rechter in de procedure over de collectieve actie een eisende organisatie als bevoegde instantie kan aanwijzen. Op grond van de WAMCA wijst de rechter de bevoegde instantie aan, doordat hij de eisende belangenorganisatie als exclusieve belangenbehartiger benoemt. Naar het oordeel van de rechtbank is de Richtlijn daarom wel van toepassing op de vorderingen van de belangenorganisaties in deze procedure, voor zover deze zien op de belangen van de cliënten.
4.32.
Doordat de Richtlijn van toepassing is, moeten de belangenorganisaties aanvullend voldoen aan onderdeel c, onderdeel d onder 7 en 8 en onderdeel f van artikel 3:305a lid 2 BW. De hierin genoemde vereisten gelden alsnog, ondanks dat sprake is van een algemeen belangactie met ideële vorderingen waarop het lichte ontvankelijkheidsregime van lid 6 van artikel 3:305a BW van toepassing is. De rechtbank stelt vast dat de belangenorganisaties voldoen aan deze extra eisen en legt dat hierna uit.
4.33.
Onderdeel c bepaalt dat de belangenorganisatie voldoende financiële middelen moet hebben om de collectieve procedure te bekostigen. Daarbij moet de zeggenschap over de vordering en de procedure in voldoende mate bij die rechtspersoon liggen. Dat is hier het geval. De belangenorganisaties hebben onbetwist gesteld dat zij volledig door crowdfunding worden gefinancierd en voldoende geld hebben opgehaald om de kosten van deze procedure te kunnen dragen. De zeggenschap over deze procedure ligt volledig bij de belangenorganisaties. Niet gebleken is dat de donateurs inspraak hebben in deze procedure. Er is geen sprake van financiering door andere derden. Daardoor staat vast dat er ook is voldaan aan onderdeel f van artikel 3:305a lid 2 BW. Daaruit volgt namelijk dat de financiering niet afkomstig mag zijn van een financier die een concurrent is van de NZa of van haar afhankelijk is.
4.34.
Onderdeel d vereist dat er een algemeen toegankelijke internetpagina is waarop bepaalde informatie te vinden is. Op grond van sub 7 moet daarop een overzicht staan van de stand van zaken in de procedure(s) en de resultaten daarvan. Ook dit is het geval. De belangenorganisaties hebben screenshots overgelegd van de website waaruit blijkt dat daarop verschillende nieuwsberichten worden gedeeld over de lopende procedures en de stand van zaken daarvan. Op grond van sub 8 moet er inzage in de berekening worden verstrekt op basis waarvan de bijdrage wordt vastgesteld die wordt gevraagd van de achterban. Dit vereiste is in dit geval niet van toepassing. De belangenorganisaties vragen geen vaste bijdrage van de donateurs. Iedereen kan een vrijwillige bijdrage doen van een bedrag naar keuze.
De vereisten van artikel 3:305a lid 3 BW
4.35.
Tussen partijen is niet in geschil dat de belangenorganisaties voldoen aan de vereisten van artikel 3:305a lid 3 BW. De belangenorganisaties hebben gesteld dat hun bestuurders geen winstoogmerk hebben dat via de stichtingen wordt gerealiseerd (artikel 3:305a lid 3 onder a BW). Ook hebben de vorderingen een voldoende nauwe band met de Nederlandse rechtssfeer (artikel 3:305a lid 3 sub b BW). De Regeling is Nederlandse wetgeving die door de NZa, een Nederlands zelfstandig bestuursorgaan, is opgesteld en wordt toegepast. De gestelde inbreuk op hoger recht vindt in Nederland plaats. Dat heeft invloed op Nederlandse zorgaanbieders die in Nederland hun cliënten in de GGZ behandelen. Dit is niet betwist door de NZa. Tot slot hebben de belangenorganisaties gesteld dat zij de NZa op 17 november 2022 schriftelijk op de hoogte hebben gesteld van hun bezwaren tegen de verplichte gegevensverstrekking voor de zorgvraagtypering. Er heeft op 11 januari 2023 een overleg tussen de belangenorganisaties en de NZa plaatsgevonden, maar dat heeft niet tot een schikking geleid. De NZa heeft niet betwist dat de belangenorganisaties voldoende hebben geprobeerd om het gevorderde in overleg met de NZa te bereiken. Daarmee staat vast dat ook aan het overlegvereiste uit artikel 3:305a lid 3 onder c BW is voldaan.
Tussenconclusie: de belangenorganisaties zijn ontvankelijk en worden samen aangewezen als exclusieve belangenbehartigers
4.36.
Uit het bovenstaande volgt dat de belangenorganisaties aan alle ontvankelijkheidseisen voldoen.
4.37.
Het uitgangspunt van de WAMCA is dat er één exclusieve belangenbehartiger wordt aangewezen die de collectieve procedure verder leidt. Dit staat in artikel 1018e lid 1 Rv. Op grond van het vierde lid van dat artikel kan de rechter hierop een uitzondering maken door meerdere exclusieve belangenbehartigers aan te wijzen als de aard van de collectieve vordering, de aard van de eisers of de aard van de belangen van de personen, voor wie de belangenbehartigers opkomen, daartoe aanleiding geeft.
4.38. De drie belangenorganisaties hebben de rechtbank gevraagd om hen samen als exclusieve belangenbehartigers aan te wijzen. De NZa heeft hiertegen geen bezwaren geuit. De rechtbank wijst dit verzoek dan ook toe op grond van artikel 1018e lid 4 Rv. De belangenorganisaties hebben al geruime tijd intensief samengewerkt binnen de coalitie. Zij treden gezamenlijk naar buiten via hun website, hebben samen één dagvaarding uitgebracht tegen de NZa en hebben gezamenlijk de vorderingen in deze procedure ingesteld. Het is niet gebleken dat de ene belangenorganisatie meer geschikt is om als exclusieve belangenbehartiger op te treden dan de andere. De belangenorganisaties vertegenwoordigen ieder specifieke deelbelangen. Stichting LOC Waardevolle zorg komt met name op voor de belangen van de cliënten in de GGZ. Stichting Koepel van DBC-vrije Praktijken van Psychotherapeuten en Psychiaters behartigt de belangen van de behandelaren. Stichting Platform Bescherming Burgerrechten heeft een bredere doelstelling en behartigt de belangen van de hele achterban in brede zin en heeft daarnaast de organisatorische en financiële taken binnen de coalitie op zich genomen. De rechtbank vindt het daarom het meest passend dat de belangenorganisaties samen als exclusieve belangenbehartigers optreden.
De individuele eisende cliënten en behandelaren zijn ook ontvankelijk in hun vorderingen
4.39.
Naast de belangenorganisaties hebben individuele eisende cliënten en behandelaren vorderingen ingesteld in deze procedure, die gelijkluidend zijn aan de vorderingen van de belangenorganisaties. Zij stellen dat zij daarmee opkomen voor hun eigen, individuele belangen. Dit betreft een subjectieve cumulatie van vorderingen.
4.40.
De NZa meent dat al deze individuele eisers niet-ontvankelijk moeten worden verklaard. Zij doet een beroep op de wetsgeschiedenis bij de WAMCA en stelt dat daaruit volgt dat het niet is toegestaan dat naast de belangenorganisatie(s) ook individuele benadeelden optreden als partij in de WAMCA-procedure. Zij wijst hiervoor op het volgende citaat uit paragraaf 4.5 van de Memorie van Toelichting: "Het wetsvoorstel gaat uit van een procedure tussen een belangenbehartigende organisatie enerzijds en een aangesproken partij anderzijds. Individuele gedupeerden zijn daarin geen partij."
4.41.
De rechtbank verklaart de individuele eisende cliënten en behandelaren ontvankelijk. Daarbij geldt dat de behandeling van de vorderingen die zij in deze procedure hebben ingesteld, wordt opgeschort totdat eerst op de collectieve vorderingen van de belangenorganisaties is beslist. De rechtbank legt de beslissing over de ontvankelijkheid hierna uit en de uitleg over de beslissing tot opschorten volgt vanaf randnummer 4.45.
4.42.
Uit de wetsgeschiedenis van de WAMCA blijkt dat de wetgever subjectieve cumulatie van vorderingen niet heeft willen uitsluiten in WAMCA-procedures.8.Dat blijkt expliciet uit paragraaf 4.4. van de Memorie van Toelichting (getiteld: "Hoe is de samenloop met individuele procedures en de collectieve actie van lid 1 van artikel 3:305a BW"?), waarin de wetgever schrijft dat er ook individuele procedures over dezelfde feiten of rechtsvragen kunnen worden gevoerd. Deze individuele procedures kunnen zo nodig worden opgeschort voor de duur van de collectieve procedure als dat aangewezen is. Hierbij geldt er volgens de wetsgeschiedenis één restrictie: individuele eisers kunnen niet opkomen voor de groep gedupeerden. Daardoor is het niet toegestaan dat individuele eisers zich voegen aan de kant van de belangenorganisaties. In deze procedure is echter geen sprake van voeging van de individuele eisende cliënten en behandelaren aan de kant van de belangenorganisaties. Er zijn drie belangenorganisaties en daarnaast negen individuele eisende cliënten en behandelaren, die ieder hun eigen vorderingen hebben ingesteld tegen de NZa in één dagvaarding. Dat die vorderingen gelijkluidend zijn en overlappen, is onvoldoende om de individuele eisende cliënten en behandelaren niet-ontvankelijk te verklaren, omdat zij deze voor zichzelf hebben ingesteld en subjectieve cumulatie ook in een WAMCA-procedure als uitgangspunt is toegestaan. Dat betekent in dit geval dat meerdere eisers in dezelfde dagvaarding vorderingen kunnen instellen tegen de gedaagde, naast de belangenorganisaties.
4.43.
Het citaat waar de NZa op wijst in paragraaf 4.5 van de Memorie van Toelichting (getiteld: "Gebondenheid van gedupeerden (opt out)") ziet op een opmerking van de wetgever die is gemaakt in een andere context over een ander onderwerp. Dit citaat staat in een paragraaf waarin het opt-out systeem van de WAMCA wordt uitgelegd. Uit deze paragraaf blijkt de wens dat er na het voeren van een collectieve procedure sprake is van finaliteit. Daarom is het uitgangspunt van de WAMCA dat een belangenorganisatie de belangen van alle benadeelden behartigt, waardoor de uitkomst van de procedure ook voor alle benadeelden geldt. Hiermee wordt voorkomen dat een aangesproken partij wordt geconfronteerd met een hoeveelheid aan individuele procedures. Het moet voor een individuele benadeelde wel mogelijk blijven om zich aan de collectieve procedure te onttrekken. Daarom is het opt-out systeem in de WAMCA ingevoerd. Het uitgangspunt van de WAMCA is dus dat er een collectieve procedure wordt gevoerd tussen de belangenorganisatie en de gedaagde partij. Alle benadeelden zijn gebonden aan de uitkomst, tenzij een benadeelde expliciet heeft laten weten daaraan niet gebonden te willen zijn (opt out). Het citaat moet in deze context worden gelezen. Uit dit citaat blijkt naar het oordeel van de rechtbank dus niet dat subjectieve cumulatie van vorderingen is uitgesloten. Als de wetgever dat had gewild, dan had het voor de hand gelegen dat zij dit had opgenomen in de paragraaf direct boven paragraaf 4.5 die juist uitdrukkelijk gaat over de verhouding van individuele procedures tot de WAMCA-procedure.
4.44.
De individuele eisende cliënten en behandelaren die in deze procedure naast de belangenorganisaties de vorderingen hebben ingesteld tegen de NZa, zijn dus ontvankelijk. Dat de belangenorganisaties deze procedure zijn gestart op grond van de WAMCA-wetgeving, doorkruist dat niet.9.Een dergelijke doorkruising past ook niet bij het zelfstandig beroep van de individuele eisende cliënten en behandelaren op, onder andere, schending van artikel 8 van het EVRM wegens een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer. Zij hebben naast de belangenorganisaties een zelfstandig belang bij beoordeling van die vorderingen op grond van artikel 3:303 BW, ook al zijn hun vorderingen gelijkluidend aan die van de belangenorganisaties. Zij behouden daardoor zelf invloed op de procesvoering en zijn hierin niet afhankelijk van de belangenorganisaties.
De behandeling van de vorderingen van de individuele eisende cliënten en behandelaren wordt opgeschort
4.45. Uit het primaire verzet van de NZa tegen de ontvankelijkheid van de individuele eisende cliënten en behandelaren maakt de rechtbank op dat zij subsidiair ook een verzoek doet tot opschorting van de individuele procedures. De rechtbank wijst dit verzoek toe. De individuele procedures worden daardoor opgeschort totdat op de vorderingen van de belangenorganisaties is beslist. Dit is in lijn met de bedoeling van de wetgever waaruit volgt dat het uitgangspunt is dat een collectieve procedure op grond van de WAMCA met voorrang boven individuele procedures moet worden behandeld. Dat kan anders zijn als de individuele eisende cliënten en behandelaren unieke, eigen vorderingen instellen of specifieke belangen hebben waarover zij zichzelf op dit moment al, naast de belangenorganisaties, moeten kunnen uitlaten. Dat is in dit geval niet gesteld of gebleken, omdat alle vorderingen van de individuele eisende cliënten en behandelaren belangen identiek luidend zijn aan die van de belangenorganisaties.
4.46.
Dit betekent dat de procedure ten aanzien van de individuele eisende cliënten en behandelaren wordt opgeschort in afwachting van de inhoudelijke procedure van de belangenorganisaties als exclusieve belangenbehartigers. De NZa mag na dit vonnis een inhoudelijke conclusie van antwoord nemen om te reageren op de vorderingen van de belangenorganisaties. De mondelinge behandeling in de inhoudelijke fase zal alleen betrekking hebben op de vorderingen van de belangenorganisaties en het verweer van de NZa daartegen. Als deze inhoudelijke collectieve procedure is afgerond, zullen de individuele procedures worden hervat in de stand waarin deze zich nu bevinden, voor zover partijen daar op dat moment nog behoefte aan hebben.
Vervolgstappen
4.47.
Op grond van de artikelen 1018e, 1018f en 1018g Rv moet de rechtbank nog een aantal beslissingen nemen, voordat de zaak verder kan worden beoordeeld.
4.48.
Op grond van artikel 1018e lid 2 Rv moet worden vastgesteld wat de collectieve vordering precies inhoudt en voor welke nauw omschreven groep personen de exclusieve belangenbehartigers de belangen in deze collectieve procedure behartigen. De rechtbank zal dit niet vaststellen. In rechtsoverweging 4.19. is geoordeeld dat de belangenorganisaties opkomen voor een grote en diffuse groep cliënten en behandelaren in de GGZ. Daardoor kan niet worden vastgesteld om welke nauw omschreven groep het gaat. Dit voorschrift is in de wet opgenomen zodat kan worden vastgesteld wie wel en niet aan de inhoudelijke uitspraak is gebonden. Zoals hierna blijkt, is bij een toe- of afwijzend vonnis iedereen gebonden aan de Regeling (en toekomstige wijzigingen daarvan).
4.49.
Artikel 1018f Rv schrijft voor dat er een termijn moet worden vastgesteld voor de benadeelden om gebruik te maken van de opt-out of opt-in mogelijkheid. Ook moet worden bepaald hoe de belangenorganisaties informatie daarover delen in nieuwsbladen. De rechtbank ziet in deze procedure aanleiding om benadeelden geen opt-out of opt-in mogelijkheid te bieden. Het is immers niet mogelijk dat individuen zich onttrekken aan een uitspraak over ideële vorderingen die een algemeen belang dienen.10.Het gaat in deze procedure om de fundamentele vraag of de Regeling in strijd is met hoger recht. Het is niet mogelijk dat een benadeelde zich onttrekt aan het oordeel hierover. De rechtbank geeft daarom geen toepassing aan de voorschriften uit artikel 1018f Rv.
4.50. Om onnodige vertraging van deze procedure te voorkomen, zal de rechtbank partijen geen termijn stellen voor het beproeven van een schikking zoals wordt voorgeschreven in artikel 1018g Rv. Partijen hebben niet laten weten dat zij hieraan behoefte hebben. Bovendien hebben partijen al eerder geprobeerd tot een schikking te komen, zonder succes. Gelet op het principiële karakter van deze procedure ziet de rechtbank ook geen directe aanleiding voor het (opnieuw) beproeven van een schikking in deze stand van de procedure.
4.51.
De zaak zal worden verwezen naar de rol van 11 september 2024 voor het indienen van een inhoudelijke conclusie van antwoord door de NZa tegen de vorderingen van de belangenorganisaties. Op diezelfde datum moeten beide partijen (de belangenorganisaties en de NZa) hun verhinderdata in de maanden november 2024 tot en met februari 2025 verstrekken voor het inplannen van de mondelinge behandeling in de inhoudelijke fase.
4.52.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
5. De beslissing
De rechtbank:
5.1.
beslist dat de belangenorganisaties ontvankelijk zijn in hun collectieve vorderingen onder II tot en met IX en wijst hen gezamenlijk aan als exclusieve belangenbehartigers,
5.2.
beslist dat de individuele eisende cliënten ontvankelijk zijn in hun vorderingen onder II tot en met IV en de behandelaren in de vorderingen onder II tot en met VIII en schort de behandeling daarvan op totdat de collectieve procedure in eerste aanleg is geëindigd,
5.3.
bepaalt dat de zaak op de rol van 11 september 2024 zal komen voor het nemen van een inhoudelijke conclusie van antwoord door de NZa en voor het indienen van de verhinderdata over de maanden november 2024 tot en met februari 2025 door de belangenorganisaties en de NZa,
5.4.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.R. Hurenkamp, mr. H.J. ter Meulen en mr. M. Eversteijn, bijgestaan door mr. N.L. Lintel-Kuipers, en is in het openbaar uitgesproken op 17 juli 2024.11.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 17‑07‑2024
Zie Rechtbank Midden-Nederland 1 november 2023, ECLI:NL:RBMNE:2023:5728.
Zie o.a. Gerechtshof Den Haag 19 april 2022, ECLI:NL:GHDHA:2022:643, r.o. 6.5, Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 8 december 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:10177, r.o. 4.26 en Rechtbank Midden-Nederland 28 december 2022, ECLI:NL:RBMNE:2022:5565, r.o. 3.13, waarin uitleg wordt gegeven over de totstandkomingsgeschiedenis van artikel 3:305a BW.
Kamerstukken II 2016/17, 34608, nr. 3, p. 18-19.
Zie bijvoorbeeld rechtbank Den Haag 15 november 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:17145, r.o. 5.17, rechtbank Amsterdam 7 juni 2023, ECLI:NL:RBAMS:2023:3499, r.o. 4.17 en rechtbank Den Haag 17 januari 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:355, r.o. 5.14.
Rechtbank Amsterdam 7 juni 2023, ECLI:NL:RBAMS:2023:3499, r.o. 4.17, rechtbank Den Haag 15 november 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:17145, r.o. 5.17, rechtbank Den Haag 17 januari 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:355, r.o. 5.14 en 5.15 en rechtbank Den Haag 6 maart 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:3007, r.o. 5.16 en 5.17.
Rechtbank Den Haag 15 november 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:17145, r.o. 5.18 en Rechtbank Amsterdam 7 juni 2023, ECLI:NL:RBAMS:2023:3499, r.o. 4.17
Vergelijk Gerechtshof Den Haag 5 april 2022, ECLI:NL:GHDHA:2022:1316, r.o. 3.4.3. en Rechtbank Den Haag 6 april 2022, ECLI:NL:RBDHA:2022:3182.
Rechtbank Den Haag 17 januari 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:355, r.o. 5.21, Rechtbank Den Haag 15 november 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:17145, r.o. 5.26 en Rechtbank Den Haag 6 maart 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:3007, r.o. 5.24.
type: 5427 (NK)coll:
Uitspraak 01‑11‑2023
Inhoudsindicatie
Incidentele vordering om de NZa te verbieden gegevens te verwerken totdat het eindvonnis is gewezen. De vordering wordt afgewezen omdat Eisers onvoldoende aannemelijk hebben gemaakt dat de verplichting tot gegevenslevering en de verwerking daarvan evident in strijd is met hoger recht en daardoor gestaakt moet worden.
Partij(en)
vonnis
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
handelskamer
locatie Utrecht
zaaknummer / rolnummer: C/16/560325 / HA ZA 23-472
Vonnis in incident van 1 november 2023
in de zaak van
1. [eiseres sub 1] ,
wonende te [woonplaats 1] ,
2. [eiseres sub 2],
wonende te [woonplaats 2] ,
3. [eiseres sub 3],
wonende te [woonplaats 3] ,
4. [eiseres sub 4],
wonende te [woonplaats 4] ,
5. [eiseres sub 5],
wonende te [woonplaats 5] ,
6. [eiser sub 6],
wonende te [woonplaats 2] ,
7. [eiseres sub 7],
wonende te [woonplaats 2] ,
8. [eiser sub 8],
wonende te [woonplaats 6] ,
9. [eiseres sub 9],
wonende te [woonplaats 7] ,
10. de stichting [eiseres sub 10], gevestigd te [vestigingsplaats] ,
11. de stichting STICHTING LOC WAARDEVOLLE ZORG,
gevestigd te Utrecht,
12. de stichting STICHTING PLATFORM BESCHERMING BURGERRECHTEN,
gevestigd te Amsterdam,
eisers in de hoofdzaak,
eisers in het incident,
advocaat mr. A.H. Ekker te Amsterdam,
tegen
de publiekrechtelijke rechtspersoon NEDERLANDSE ZORGAUTORITEIT,
zetelend te Utrecht,
gedaagde in de hoofdzaak,
verweerster in het incident,
advocaten mrs. M.M.C. van Graafeiland en F.J.H. van Tienen te 's-Gravenhage.
Partijen zullen hierna Eisers en NZa genoemd worden.
1. De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding tevens houdende incidentele vordering tot het treffen van een voorlopige voorziening ex artikel 223 Rv van 18 juli 2023, met 21 producties;
de conclusie van antwoord in het incident met 23 producties;
de ingezonden stukken aan de zijde van Eisers met producties 22 tot en met 27.
1.2.
De mondelinge behandeling van het incident heeft plaatsgevonden op 29 september 2023. Namens Eisers zijn verschenen mevrouw [eiseres sub 2] , mevrouw [eiseres sub 7] , de heer [A] (namens Stichting Platform Bescherming Burgerrechten), de heer [eiser sub 6] , mevrouw [eiseres sub 1] , mevrouw [eiseres sub 4] , mevrouw [eiseres sub 5] , de heer [eiser sub 8] , mevrouw [eiseres sub 9] ; de heer [B] (namens [eiseres sub 10] ) en de heer [C] (namens Stichting LOC Waardevolle zorg) vergezeld door mr. Ekker.
Namens NZa zijn verschenen de heer [D] , de heer [E] en de heer [F] vergezeld door mrs. Van Graafeiland en Van Tienen.
Mr. Ekker en mr. Van Tienen hebben een pleitnota overgelegd en voorgedragen. Van hetgeen verder is besproken heeft de griffier aantekeningen bijgehouden.
1.3.
Vervolgens is bepaald dat er in het incident vonnis zal worden uitgesproken.
2. Waar gaat het om?
2.1.
Om het probleem van lange wachtlijsten – met name voor patiënten met een complexe zorgvraag – in de geestelijke gezondheidszorg en forensische zorg (ggz) aan te pakken, is in 2022 een nieuwe bekostigingsstructuur voor de ggz geïntroduceerd: “Het zorgprestatiemodel”. Onder dit model wordt de bekostiging van de zorg gebaseerd op de feitelijke inzet van zorgverleners.
2.2.
De bedoeling is dat voor de bekostiging onder het zorgprestatiemodel volledig wordt uitgegaan van de zorgvraag van de patiënt. Daarvoor wordt de “zorgvraagtypering” ontwikkeld. De zorgvraagtypering is bedoeld om een verband te leggen tussen de zorgvraag van de patiënt en de inzet van zorg die daarvoor nodig is.
2.3.
Voor de zorgvraagtypering wordt gebruik gemaakt van HoNOS+ vragenlijsten en een algoritme op basis waarvan de zorgaanbieder wordt geadviseerd over het zorgvraagtype voor op de factuur. HoNOS is een onderzoeksinstrument om de psychische gezondheid en het functioneren van mensen met psychische klachten te onderzoeken. Op basis van deze vragen wordt ingeschat welke zorg de patiënt nodig heeft en hoe het met de patiënt gaat tijdens de behandeling.
2.4.
Op grond van artikel 4.2 lid 4 van de Regeling geestelijke gezondheidszorg en forensische zorg1.(hierna: de Regeling) dienen zorgaanbieders uiterlijk 31 augustus 2023 éénmalig aan de NZa gegevens omtrent de zorgvraagtypering over de periode van 1 juli 2022 tot 1 juli 2023 aan te leveren, waaronder de HoNOS+ vragenlijsten. Deze vragenlijsten worden door zorgverleners ingevuld op basis van hun inschatting van een patiënt. De HoNOS+ vragen hebben veelal betrekking op gevoelige gegevens, zoals bijvoorbeeld middelengebruik, zelfmoordgedachten, automutilatie etc. De scores op deze vragen worden naar mate van aanwezigheid/ernst met een oplopend cijfer weergegeven. Patiënten vrezen dat de gegevensuitvraag door NZa tot gevolg heeft dat hun behandelaren in de spreekkamer gedeelde informatie doorgeven aan een derde (NZa), behandelaren dat zij de vertrouwelijkheid tussen behandelaar en patiënt niet langer kunnen garanderen.
2.5.
In de hoofzaak vorderen Eisers – samengevat – dat de NZa wordt verboden voornoemde verplichting tot gegevensaanlevering op te leggen althans deze gegevens te verwerken. Volgens hen is artikel 4.2 lid 4 van de Regeling onverenigbaar dan wel in strijd is met hoger recht. In het bijzonder met artikel 8 EVRM en/of artikel 10 lid 1 Grondwet, en/of artikel 5 en 6 Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) en/of artikel 65 Wet marktordening gezondheidszorg (Wmg).
3. De incidentele vordering
3.1.
In dit incident vorderen Eisers dat het de NZa, totdat in de hoofdzaak vonnis is gewezen, wordt verboden om de in artikel 4.2 lid 4 van de Regeling genoemde Informatie-elementen te verwerken. Daaronder wordt begrepen het in ontvangst nemen van deze Informatie-elementen en/of het verder verwerken hiervan voor analyse-doeleinden.
3.2.
De NZa voert gemotiveerd verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkheid van Eisers in hun incidentele vordering, althans tot afwijzing daarvan.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
4. De beoordeling in het incident
4.1.
Voordat tot een inhoudelijke beoordeling van dit geschil kan worden gekomen, dient eerst een oordeel te worden gegeven over de ontvankelijkheid van Eisers.
Spoedeisend belang
4.2.
De rechtbank overweegt dat de NZa overeenkomstig de Regeling begonnen is met het verzamelen van gegevens en het analyseren daarvan. Het afwachten op de beslissing in de hoofdzaak leidt ertoe dat de zorgaanbieders deze gegevens al, onder dreiging van dwangsommen, moeten aanleveren. Daarmee is het spoedeisend belang van Eisers gegeven.
De stelling van de NZa dat de aanleververplichting reeds is verstreken en dat Eisers daarom geen (spoedeisend)belang hebben, maakt het voorgaande niet anders. Vast staat immers dat niet alle zorgaanbieders de gegevens hebben aangeleverd. Ook miskent de stelling dat voor zover de gegevens wel zijn aangeleverd, deze door de NZa worden verwerkt en de incidentele vordering van Eisers ook erop ziet om deze gegevensverwerking te staken.
De ontvankelijkheid van de individuele eisers
4.3.
De NZa stelt dat Eisers sub 1 tot en met 5 (patiënten in de ggz) en Eisers sub 6 tot en met 9 (zorgaanbieders/behandelaren) onvoldoende belang bij de rechtsvordering.2.Daartoe voert zij aan dat patiënten niet verplicht zijn de zorginhoudelijke informatie aan haar aan te leveren. Zij kunnen namelijk door het ondertekenen van een privacyverklaring meedelen dat zij bezwaren hebben tegen de verstrekking van die informatie, in welk geval deze niet hoefde te worden verstrekt.3.
4.4.
Naar het oordeel van de rechtbank gaat het betoog van NZa niet op. De mogelijkheid voor Eisers om te voorkomen dat de gegevens niet worden gedeeld, neemt niet mee dat zij geen belang hebben bij het laten toetsen van het beleid en het vragen om een principiële uitspraak. Voor zover de NZa aanvoert dat de zorgaanbieders geen belang hebben, omdat het door hen ingenomen standpunt dat zij hun medisch beroepsgeheim schenden niet juist is, gaat de rechtbank daaraan voorbij. De vraag of het medisch beroepsgeheim wordt geschonden door de verstrekking van de informatie ligt immers in deze procedure ter beoordeling voor en daarmee is het belang gegeven. Het niet-ontvankelijkheidsverweer van de NZa slaagt dus niet.
De inhoudelijke beoordeling
4.5.
Aangezien Eisers voldoende (processueel) belang hebben bij de incidentele vordering, komt de rechtbank toe aan de inhoudelijke beoordeling daarvan.
4.6.
In dit verband dient beoordeeld te worden of grond bestaat om de gegevensverstrekking en verwerking te staken. Bij deze beoordeling dienen de belangen van partijen te worden afgewogen tegen de achtergrond van de te verwachten resterende duur van de hoofdzaak en van de proceskansen daarin. Daarbij is geen ruimte aanwezig voor het doen van nader onderzoek met betrekking tot de feiten en omstandigheden die partijen in de procedure naar voren hebben gebracht; evenals in kort geding is aannemelijkheid voldoende.4.Het ligt daarbij op de weg van de Eisers om voldoende concreet te stellen en binnen de grenzen van de voorlopige voorziening aannemelijk te maken dat de verplichting tot gegevenslevering en de verwerking daarvan evident in strijd is met hoger recht en daardoor gestaakt moet worden. Dit leidt tot de volgende beoordeling.
Gaat het om persoonsgegevens?
4.7.
Allereerst moet worden beoordeeld of de aan te leveren gegevens voor de NZa zijn aan te merken als persoonsgegevens. Dit in verband met het op de zitting gevoerde betoog van de NZa dat aangezien de Regeling bepaalt dat zij de gegevens niet mag koppelen aan andere gegevens zij daarmee niet direct of indirect een natuurlijk persoon kan identificeren zodat de over te leggen gegevens niet zijn aan te merken als persoonsgegevens.5.De beantwoording van de vraag of er sprake is van persoonsgegevens is van belang voor de toepasselijkheid van de AVG. De AVG is immers alleen van toepassing bij verwerking van persoonsgegevens.
4.8.
De rechtbank stelt voorop dat het begrip persoonsgegevens in de AVG wordt gedefinieerd als “alle informatie over een geïdentificeerde of identificeerbare persoon”.6.Daaronder vallen niet alleen gegevens die direct herleidbaar zijn tot een natuurlijk persoon, maar ook gegevens die een natuurlijk persoon indirect kunnen identificeren. Bijvoorbeeld indien de gegevens in combinatie met andere gegevens in verband kunnen worden gebracht met een bepaalde persoon.7.Bij indirect identificerende gegevens kan slechts ten aanzien van de verwerker van persoonsgegevens worden gesproken, indien de verwerker over wettige middelen beschikt waarmee hij de betrokken persoon kan identificeren aan de hand van extra informatie die bij haar of een derde van deze persoon aanwezig is.8.Het begrip “wettelijke mogelijkheden” moet ruim wordt opgevat. Uit het Breyer-arrest volgt namelijk dat van wettelijke mogelijkheden geen sprake is indien de identificatie van de betrokkene bij de wet verboden wordt of in de praktijk ondoenlijk is, bijvoorbeeld omdat zij – gelet op de vereiste tijd, kosten en mankracht – een excessieve inspanning vergt, zodat het gevaar voor identificatie in werkelijkheid onbeduidend lijkt.9.
4.9.
De rechtbank overweegt dat direct op de persoon betrekking hebbende gegevens, zoals naam, adres, woonplaats, burgerservicenummer etc geen onderdeel uitmaken van de gegevensaanlevering aan de NZa. Er is dus hoogstens sprake van indirect identificerende gegevens. Dit volgt ook uit de ter zitting afgelegde verklaring van de NZa dat zij een dataset aangeleverd krijgt waarvan een gedeelte van de data herleidbaar kan zijn tot natuurlijke personen indien dit wordt gekoppeld met andere gegevens die zij heeft. De vraag is of het in de Regeling opgenomen koppelverbod meebrengt dat er sprake is van een wettelijke verbod om de gegevens te herleiden tot een natuurlijk persoon. De Regeling is door de NZa zelf opgesteld, zij is bevoegd ook andersluidende regelingen op te stellen. Van een wettelijk verbod tot koppeling van gegevens lijkt zodoende geen sprake te zijn. Bovendien is niet geheel duidelijk in welke vorm en hoe de dataset wordt aangeleverd en hoe het proces van pseudonimisering verloopt, zodat op dit moment niet zonder meer vast staat dat de NZa (technisch) niet in staat zou zijn aangeleverde gegevens te herleiden tot een persoon. Voor nader onderzoek naar de feiten en omstandigheden of voor bewijslevering is in dit incident evenwel geen plaats. De rechtbank gaat er daarom veronderstellende wijze van uit dat de gegevens ten aanzien van de NZa zijn aan te merken als persoonsgegevens.
Maakt de verplichting tot gegevensverstrekking een ongerechtvaardigde inbreuk op medisch beroepsgeheim?
4.10.
Vervolgens dient beoordeeld te worden of aannemelijk is dat artikel 4.2 lid 4 van de Regeling ongerechtvaardigde inbreuk maakt op het medisch beroepsgeheim.10.Het medisch beroepsgeheim houdt kortgezegd in dat het een hulpverlener niet is toegestaan om tegen anderen iets te zeggen over patiënten. Het medisch beroepsgeheim is evenwel niet absoluut. Indien wet- of regelgeving daartoe verplichten móet de hulpverlener gegevens verstrekken en is hij niet gebonden aan zijn beroepsgeheim.
4.11.
De rechtbank overweegt dat uit de Wmg volgt dat de NZa bevoegd is gegevens en inlichtingen te vragen van zorgaanbieders en daaromtrent regels te stellen. Dit met inachtneming van de bij ministeriële regeling onderscheiden categorieën van persoonsgegevens.11.In het kader van deze bevoegdheid heeft de NZa de Regeling vastgesteld. Dat betekent dat er een wettelijke verplichting is die de geheimhoudingsplicht kan doorbreken. Het voorgaande betekent dat Eisers naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende aannemelijk hebben gemaakt dat artikel 4.2 lid 4 van de Regeling evident een ongerechtvaardigde inbreuk maakt op het medisch beroepsgeheim.
Strijd met het doelbindingsbeginsel?
4.12.
Beoordeeld dient verder te worden of aannemelijk is dat artikel 4.2 lid 4 van de Regeling in strijd is met het doelbindingsbeginsel. Dit beginsel, dat is geformuleerd in artikel 5 AVG houdt in dat persoonsgegevens voor welbepaalde, uitdrukkelijk omschreven en gerechtvaardigde doeleinden moeten worden verzameld en dat zij vervolgens niet verder op een met die doeleinden onverenigbare wijze mogen worden verwerkt. Verder volgt het beginsel ook uit artikel 8 lid 2 EVRM dat voorschrijft dat als sprake is van een inmenging in het privéleven (zoals in het geval van Eisers), deze inmenging een wettelijk doel moet dienen.
4.13.
Wat betreft het wettelijk doel heeft de NZa – onbetwist – toegelicht dat zij op grond van artikel 16 van de Wmg is belast met marktoezicht, marktontwikkeling en tarief- en prestatieregulering op het terrein van de gezondheidszorg. De Wmg geeft haar in artikel 62 de bevoegdheid om nadere regels stellen over de aan haar te verstrekken gegevens en inlichtingen door zorgaanbieders en in artikel 65 Wmg welke persoonsgegevens. Deze artikelen vormen de grondslag voor de uitvraag van artikel 4.2 lid 4 van de Regeling. Dit past dus binnen de wettelijke taak van de NZa om informatie op te vragen om zo de bekostiging van de zorg te verbeteren.
4.14.
De rechtbank overweegt dat in artikel 4.2 lid 4 van de Regeling is opgenomen dat de daarin genoemde gegevens alleen worden gebruikt voor het ijken van het algoritme zorgvraagtypering en van de verdeling van zorgvraagtyperingen. Naar het oordeel van de rechtbank is daarmee de doelstelling voldoende bepaald. Bovendien is dit informatie die nodig is voor de verdere ontwikkeling van het bekostigingsstelsel.
Het argument van Eisers dat het geen op zichzelf staande doelen zijn, maar slechts om procedurele stappen die worden doorlopen om mogelijk bepaalde achterliggende doelen, gerelateerd aan het zorgprestatiemodel en het systeem van zorgvraagtypering in bredere zin, te kunnen bereiken, kan niet worden gevolgd in het licht van het advies van de AP. De NZa heeft immers naar aanleiding van het (tussen-)oordeel van de AP dat de doelstellingen van de verplichte aanlevering onvoldoende afgebakend zijn12., bij brief van 17 november 2022 de doelstellingen concreter geformuleerd en de doelstellingen in de Regeling aangescherpt. Nadien heeft de AP in haar advies van 14 december 2022 geoordeeld dat de NZa de geschiktheid van verwerking van de HoNOS+ gegevens van alle ggz-patiënten ten behoeve van het nagestreefde doel aannemelijk heeft gemaakt. Het argument van Eisers dat de bewoordingen 'het ijken van het algoritme zorgvraagtypering' en de 'verdeling van zorgvraagtyperingen' te algemeen en te vaag zijn en dat onduidelijk is hoe dit ijken en verdelen plaatsvindt en welke verwerkingen daarvoor nodig zijn, doet aan het voorgaande niet af. Het doelbindingsbeginsel strekt namelijk niet zo ver dat dit vereist is. Het gaat erom dat de doelen waarvoor de persoonsgegevens worden gebruikt, passen binnen de wettelijke taak van de NZa. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat Eisers onvoldoende aannemelijk hebben gemaakt dat het doelbindingsbeginsel van artikel 5 van de AVG (evident) is geschonden.
Strijd met het noodzakelijkheidsbeginsel; de proportionaliteit en subsidiariteit?
4.15.
Niet in geschil is dat de gegevensuitvraag en verwerking in strijd is met het recht op respect voor het privéleven en het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer. Deze rechten zijn echter niet absoluut. Uit artikel 8 lid 2 EVRM volgt dat inperking mogelijk is indien dit (i) een legitiem doel dient, (ii) bij de wet is voorzien en (iii) noodzakelijk is in een democratische samenleving. In dat laatste criterium ligt besloten dat de inperking van de grondrechten proportioneel moet zijn en dat er geen andere (lichtere) middelen moeten zijn om het beoogde doel te verwezenlijken. De NZa heeft hierbij een beoordelingsvrijheid (‘margin of appreciation’).
4.16.
De rechtbank stelt voorop dat uit hetgeen hiervoor is geoordeeld volgt dat (i) de inperking een legitiem doel dient en (ii) bij de wet is voorzien. Beoordeeld moet worden of voldoende aannemelijk is dat artikel 4.2 lid 4 van de Regeling niet voldoet aan de vereiste noodzakelijkheid, proportionaliteit en subsidiariteit in het licht van de doelen die zij dient.
4.17.
De rechtbank overweegt dat partijen van mening verschillen in hoeverre de verwerking van de HoNOS+ gegevens noodzakelijk is. In dit verband wijzen Eisers naar de analyse van prof.dr. [G] waaruit kortgezegd volgt dat het geen/nauwelijks zin heeft de gegevens te onderzoeken omdat het beloop van psychisch aandoeningen slechts in beperkte mate voorspelbaar is en dat het beoogde doel van de gegevensverwerking (het voorspellen van zorgintensiteit en zorgkosten) wetenschappelijk niet kan worden gerealiseerd. Dit wordt door de NZa gemotiveerd betwist. De rechtbank is van oordeel dat op dit moment moeilijk kan worden beoordeeld of de hoofddoelen van de uitvraag, verbetering van het algoritme en verdeling van de zorgvraagtypering ijken, met deze uitvraag en de verwerking van de daaruit volgende gegevens zullen worden bereikt. Op dit punt verschillens eisers (in navolging van prof.dr. [G] ) en de NZa van inzicht. Voor de doorontwikkeling en ijking van het algoritme is – aldus de NZa – echter nader onderzoek nodig. De uitvraag van gegevens ten behoeve van onderzoek (waarbij onduidelijk is of het beoogde resultaat wordt bereikt) is naar het voorlopig oordeel van de rechtbank voldoende basis voor de uitvraag. Zonder nadere gegevens is verder onderzoek niet (goed) mogelijk, gegevensuitvraag is om die reden vooralsnog noodzakelijk.
4.18.
De rechtbank acht de maatregel vooralsnog ook proportioneel. Door de NZa is aangevoerd dat de gegevensuitvraag en verwerking nodig is om ervoor te zorgen dat er een goede zorgvraagtypering komt, zodat patiënten met een zwaardere zorgvraag eerder in behandeling worden genomen. In verband met de privacybelangen van de patiënten heeft zij daarbij (technische en organisatorische) maatregelen genomen om te voorkomen dat de data gekoppeld worden en het aantal mensen dat toegang heeft tot de informatie beperkt. Ook is naar het oordeel van de rechtbank duidelijk geworden dat minder zware maatregelen niet volstaan. Door de NZa is gemotiveerd naar voren gebracht naar welke minder vergaande (privacy vriendelijkere) methodes zij heeft gekeken om de noodzakelijke verbeteringen in het te hanteren algoritme te bereiken en waarom deze methodes niet geschikt zijn. Ook heeft de NZa gemotiveerd naar voren gebracht waarom alleen met een grote steekproef tot een goed algoritme kan worden gekomen. Het voorgaande betekent dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat niet is voldaan aan de proportionaliteit en de eisen van subsidiariteit.
Is de verwerking onrechtmatig?
4.19.
Verwerking van persoonsgegevens is op grond van artikel 6 AVG alleen rechtmatig in de daar genoemde gevallen. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen hebben Eisers onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de verwerking onrechtmatig is. Gebleken is dat de verwerking van de persoonsgegevens noodzakelijk is om te voldoen aan een wettelijke verplichting die op de NZa rust en de rechtsgrond is vastgesteld bij een lidstatelijk wetgevingsmaatregel die duidelijk, nauwkeurig en voorspelbaar is. De verwerking is daarom rechtmatig gelet op artikel 6 lid 1 aanhef en onder c AVG jo artikel 6 lid 3 AVG.
Is de verwerking onrechtmatig wegens onverenigbaarheid?
4.20.
Vervolgens dient beoordeeld te worden of aannemelijk is dat de gegevensverwerking onrechtmatig is wegens onverenigbaarheid met de oorspronkelijke doeleinden van de oorspronkelijke verwerking. In dit verband bepaalt artikel 6 lid 4 van de AVG dat verwerking van persoonsgegevens die voor andere doeleinden zijn verzameld, alleen is toegestaan indien de verwerking verenigbaar is met de doeleinden waarvoor die gegevens aanvankelijk zijn verzameld. Verdere verwerking voor een ander doel mag echter wel plaatsvinden, ongeacht of deze verenigbaar is met de aanvankelijke doeleinden, als de verdere verwerking is gebaseerd op Unierecht of lidstatelijk recht.
4.21.
De rechtbank overweegt dat Eisers voldoende aannemelijk hebben gemaakt dat de persoonsgegevens met een ander doel zijn verzameld dat het doel waarmee de NZa deze gegevens verwerkt. Evenwel is, zoals hiervoor in 4.13 is overwogen, de verwerking van de NZa gebaseerd op lidstatelijk recht, zodat de verwerking voor een ander (onverenigbaar) doel mag plaatsvinden.13.Dit betekent dat Eisers onvoldoende aannemelijk hebben gemaakt dat de verwerking evident in strijd is met artikel 6 lid 4 AVG.
Verboden verwerking gezondheidsgegeven?
4.22.
Verder dient te worden beoordeeld of aannemelijk is dat de gegevensverwerking in strijd is met het verbod om gezondheidsgegevens te verwerken. Uit artikel 9 lid 1 AVG volgt dat verwerking van medische persoonsgegevens in beginsel verboden is. Op het verwerkingsverbod van gezondheidsgegevens bestaan echter uitzonderingen.
4.23.
De rechtbank stelt voorop dat niet ter discussie staat dat de persoonsgegevens zijn aan te merken als gezondheidsgegevens als bedoeld in artikel 9 lid 1 AVG, zodat de verwerking daarvan in beginsel is verboden. Van het verwerkingsverbod is echter uitgezonderd de verwerking die op grond van Unierecht of lidstatelijk recht noodzakelijk is voor het beheren van gezondheidszorgstelsels en -diensten of sociale stelsels en diensten.14.Een dergelijke lidstatelijke wettelijke grondslag is te vinden in de Wmg en de daarop gebaseerde Regeling. De Regeling heeft – zoals hiervoor is overwogen – immers tot doel om de zorgvraagtypering verder te ontwikkelen om zo de bekostiging van de zorg te verbeteren. Dit doel dient het beheren van het gezondheidszorgstelsel en -diensten. Gelet op het voorgaande hebben Eisers ook op dit punt onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de verplichting tot gegevenslevering en de verwerking evident in strijd is met het verwerkingsverbod van gezondheidsgegevens.
Schending informatieverplichting?
4.24.
Tot slot moet worden beoordeeld of aannemelijk is dat de NZa de informatieverplichting heeft geschonden door de betrokkenen niet persoonlijk te informeren over de gegevensverwerking. Deze verplichting volgt uit artikel 14 van de AVG en houdt in dat, als de persoonsgegevens niet bij de betrokkene zelf zijn verkregen, de betrokkene moet worden geïnformeerd over de verwerking van zijn of haar gegevens. In het vijfde lid van artikel 14 AVG zijn uitzonderingen gemaakt op deze verplichting.
4.25.
De rechtbank stelt vast dat de NZa de betrokkenen niet informeert. De NZa wijst in dit verband op het gegeven 1) dat het voor haar praktisch onmogelijk is om de betrokkenen te informeren omdat zij niet direct herleidbare gegevens krijgt en dus geen weet heeft wie zij moet informeren15.en 2) de gegevensverwerking volgt uit lidstatelijk recht.16.In dit verband hebben Eisers ter zitting naar voren gebracht dat het voor de NZa mogelijk is en op de weg ligt om een gerichte campagne te voeren en zo de betrokkenen te informeren over de gegevensverwerking. Naar het oordeel van de rechtbank is gelet op de betwisting van de NZa onvoldoende aannemelijk geworden dat de informatieverplichting evident is geschonden. Vooralsnog is niet aannemelijk geworden dat de NZa de ggz-patiënten uitdrukkelijker dan zij nu reeds doet zou moeten informeren via een gerichte (reclame)campagne, met name niet omdat goed mogelijk is dat de NZa inderdaad helemaal niet weet op welke specifieke personen de gegevens betrekking hebben.
Slotsom
4.26.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat er onvoldoende reden is om – totdat het vonnis in de hoofdzaak is gewezen – de verwerking van de in artikel 4.2 lid 4 van de Regeling genoemde Informatie-elementen te verbieden. De incidentele vordering wordt daarom afgewezen.
De proceskosten in het incident
4.27.
Eisers zijn in het incident in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van de NZa worden begroot op:
- salaris advocaat € 1.196,00 (2,0 punten x tarief € 598,00)
- nakosten € 173,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 1.359,00
5. De beslissing
De rechtbank:
in het incident
5.1.
wijst het gevorderde af;
5.2.
veroordeelt Eisers in de proceskosten van dit incident, aan de zijde van de NZa tot op heden begroot op € 1.359,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, alsmede als Eisers niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moeten Eisers € 90,00 extra betalen, plus de kosten van betekening;
5.3.
veroordeelt Eisers in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan;
5.4.
verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
in de hoofdzaak
5.5.
verwijst de zaak naar de rol van 13 december 2023 voor het nemen van een conclusie van antwoord door NZa over de ontvankelijkheid en toepasselijk collectief actierecht (WAMCA en/of artikel 3:305 (oud) BW). Vervolgens zal de zaak op de rol worden geplaatst voor beraad rechter over het vervolg van de procedure.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.G. van Ommeren en in het openbaar uitgesproken op 1 november 2023.17.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 01‑11‑2023
Met kenmerk NR/REG-2313a.
Ex artikel 3:303 BW.
Deze “opt-out” mogelijkheid volgt uit artikel 4.3 van de Regeling.
HR 29 november 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE7005, NJ 2003/50.
Artikel 4.2 lid 4 Regeling.
HvJEU 19 oktober 2016, ECLI:EU:C:2016:779 (Breyer), r.o. 45-49 en HvJEU 17 juni 2021, ECLI:EU:C:2021:492 (Mircom).
HvJEU 19 oktober 2016, ECLI:EU:C:2016:779 (Breyer), r.o. 46.
Artikel 61, 62 en 65 Wmg.
Brief AP 7 oktober 2022, productie 14B dagvaarding.
Artikel 62 Wmg jo artikel 4.2 lid 4 van de Regeling.
type:coll:
Uitspraak 09‑08‑2023
Partij(en)
rolbeslissing
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
handelskamer
locatie Utrecht
zaaknummer / rolnummer: C/16/560325 / HA ZA 23-472
Rolbeslissing van 9 augustus 2023
in de zaak van
1. [eiserers sub 1] ,
wonende te [woonplaats 1] ,
2. [eiseres sub 2],
wonende te [woonplaats 2] ,
3. [eiseres sub 3],
wonende te [woonplaats 3] ,
4. [eiseres sub 4],
wonende te [woonplaats 4] ,
5. [eiseres sub 5],
wonende te [woonplaats 5] ,
6. [eiser sub 6],
wonende te [woonplaats 2] ,
7. [eiseres sub 7],
wonende te [woonplaats 2] ,
8. [eiser sub 8],
wonende te [woonplaats 6] ,
9. [eiseres sub 9],
wonende te [woonplaats 7] ,
10. de stichting
[eiseres sub 10] .,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
11. de stichting
STICHTING LOC WAARDEVOLLE ZORG,
gevestigd te Utrecht,
12. de stichting
STICHTING PLATFORM BESCHERMING BURGERRECHTEN,
gevestigd te Amsterdam,
eisers,
advocaat mr. A.H. Ekker te Amsterdam,
tegen
de publiekrechtelijke rechtspersoon
NEDERLANDSE ZORGAUTORITEIT,
zetelend te Utrecht,
gedaagde,
advocaat mr. M.M.C. van Graafeiland te 's-Gravenhage.
Partijen zullen hierna eisers en NZa genoemd worden.
1. De procedure
1.1.
Op 18 juli 2023 hebben eisers een dagvaarding met 18 producties uitgebracht. De vorderingen van eisers sub 10 t/m 12 betreffen vorderingen op grond van de Wet afwikkeling massaschade in collectieve actie (hierna: WAMCA).
1.2.
Eisers hebben op 19 juli 2023 voldaan aan de vereisten uit artikel 1018c lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv), te weten het binnen twee dagen na dagvaarding indienen van de dagvaarding ter griffie van de rechtbank en het doen aantekenen van de vordering in het centraal register voor collectieve acties.
1.3.
Vervolgens dient de zaak overeenkomstig het bepaalde in artikel 1018c lid 3 Rv aangehouden te worden voor de duur van drie maanden.
1.4.
De dagvaarding bevat ook een incidentele vordering tot het treffen van een voorlopige voorziening op grond van artikel 223 Rv. De rechtbank heeft dit verzoek van eisers zo begrepen dat zij verzoeken om de provisionele vordering direct en vooraf te behandelen, dus zonder dat de zaak ingevolge artikel 1018c lid 3 Rv voor drie maanden wordt aangehouden. NZa is op 26 juli 2023 in de gelegenheid gesteld om op dit verzoek van eisers te reageren. Op de rol van 2 augustus 2023 heeft de rechtbank een reactie van NZa ontvangen. Vervolgens is de zaak verwezen naar de rol van vandaag voor het nemen van een rolbeslissing.
2. De vordering van eisers in het incident
2.1.
De inzet van de procedure (in de hoofdzaak) van eisers is een einde te maken aan de verplichte aanlevering door zorgaanbieders van gegevens over ‘zorgvraagtypering’ aan NZa. Het betreft volgens eisers zeer gevoelige gegevens van ongeveer 800.000 Nederlanders die geestelijke gezondheidszorg ontvangen. Volgens eisers is de verplichting om deze gegevens te verstrekken aan NZa in strijd met artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens (EVRM). Daarnaast schendt NZa volgens eisers de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG). Nu de zorgaanbieders de gegevens uiterlijk op 31 augustus 2023 dienen aan te leveren aan NZa, verzoeken eisers de rechtbank om een voorlopige voorziening te treffen die de aanlevering van deze gegevens en de daaropvolgende gegevensverwerking opschort tot uitspraak is gedaan in de hoofdzaak.
3. De beoordeling
3.1.
Eisers sub 10 t/m 12 hebben hun vorderingen ingesteld op grond van de WAMCA. De collectieve actie van deze eisers valt daarom onder het regime van titel 14a van Boek 3 Rv en de hoofdzaak dient daarom, zoals hiervoor onder overweging 1.4 al aan de orde is gekomen, op grond van artikel 1018c lid 3 Rv voor een termijn van drie maanden te worden aangehouden.1.In die drie maanden kunnen andere belangenorganisaties als bedoeld in artikel 3:305a Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) ook een collectieve vordering instellen voor dezelfde gebeurtenis(sen) waarop de onderhavige collectieve actie is gebaseerd en over gelijksoortige feitelijke en rechtsvragen. Na het verstrijken van de termijn van drie maanden wordt de behandeling van de zaak voortgezet in de stand waarin zij zich bevindt, tenzij ingevolge artikel 1018d, tweede lid, Rv deze termijn is verlengd of een andere collectieve vordering voor dezelfde gebeurtenis of gebeurtenissen is ingesteld.2.Inhoudelijke behandeling van de collectieve vordering vindt slechts plaats indien en nadat de rechter heeft beslist:
a. dat eiser voldoet aan de ontvankelijkheidseisen van artikel 3:305a, eerste tot en met derde lid, BW of dat niet aan deze eisen behoeft te worden voldaan op grond van het zesde lid van dit artikel;
b. dat de eiser voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat het voeren van deze collectieve vordering efficiënter en effectiever is dan het instellen van een individuele vordering doordat de te beantwoorden feitelijke en rechtsvragen in voldoende mate gemeenschappelijk zijn, het aantal personen tot bescherming van wier belangen de vordering strekt, voldoende is en, indien de vordering strekt tot schadevergoeding, dat zij alleen dan wel gezamenlijk een voldoende groot financieel belang hebben;
c. dat niet summierlijk van de ondeugdelijkheid van de collectieve vordering blijkt op het moment waarop het geding aanhangig wordt.3.
3.2.
Eisers verzoeken de rechtbank om hun incidentele provisionele vordering meteen te behandelen, dus zonder de in artikel 1018c lid 3 Rv bedoelde aanhouding van drie maanden. Volgens NZa biedt de wet deze mogelijkheid niet en dient daarom eerst de termijn van drie maanden te worden afgewacht.
3.3.
De rechtbank wijst het verzoek van eisers toe. Dit betekent dat zij de incidentele provisionele vordering van eisers meteen zal behandelen zonder de aanhoudingstermijn van drie maanden af te wachten. Waarom dat zo is, wordt hierna uitgelegd.
3.4.
Als titel 14a Rv, specifiek artikel 1018c lid 3 Rv, strikt wordt gelezen, is er geen ruimte om in het onderhavige geval af te wijken van de dwingend voorgeschreven wachttijd van drie maanden. In eerdere uitspraken – waar NZa ook naar verwijst – is wel van deze strikte lezing uitgegaan.4.Deze strikte lezing komt erop neer dat aanhouding van drie maanden na registratie in het collectieve register dwingend voorgeschreven is in een bodemprocedure en de wettelijke regeling geen mogelijkheid of ruimte biedt om daarvan af te wijken.
3.5.
De rechtbank ziet in de gegeven omstandigheden aanleiding om de wettelijke regeling minder strikt te lezen en (daarom) af te wijken van het bepaalde in artikel 1018c lid 3 Rv. Hierna wordt dit nader toegelicht.
3.6.
Binnen titel 14a Rv is er een apart regime voor kortgedingprocedures. Op grond van artikel 1018b lid 1 Rv gelden in een kortgedingprocedure alleen de in artikel 1018c lid 1 Rv neergelegde ontvankelijkheidseisen. De andere voorschriften van titel 14a Rv, zoals onder meer de verplichting tot registratie van de dagvaarding in het register voor collectieve vorderingen en de wachttijd, gelden kortom niet in kortgedingprocedures. In de wetsgeschiedenis van de WAMCA is niet expliciet te lezen dat het regime voor kortgedingprocedures ook geldt voor incidentele provisionele vorderingen. De wetgever heeft dit echter ook niet uitgesloten. Over incidentele provisionele vorderingen wordt in de wetsgeschiedenis van de WAMCA in zijn geheel niets gezegd. De ratio van het uitzonderingsregime voor kortgedingprocedures wordt in de wetsgeschiedenis wel toegelicht. Met inachtneming van die ratio en de overeenkomsten tussen een kort geding en een provisionele vordering, acht de rechtbank het toelaatbaar en wenselijk om in een bodemprocedure een incidentele provisionele vordering te behandelen zonder eerst de voor de hoofdzaak voorgeschreven aanhouding van drie maanden af te wachten.
3.7.
In de wetsgeschiedenis van de WAMCA staat over kortgedingprocedures het volgende vermeld:
“Een collectieve vordering in kort geding leent zich uiteraard niet voor een regime waarbij de zaak gedurende drie maanden wordt aangehouden om andere belangenorganisaties in staat te stellen hun collectieve vordering voor dezelfde gebeurtenis over gelijksoortige feitelijke en rechtsvragen in te dienen. De spoedeisendheid van een vordering in kort geding vereist dat deze ook met spoed kan worden afgewikkeld. Dit geldt ook als het een collectieve vordering betreft. Wel gelden ook in kort geding in beginsel de ontvankelijkheidseisen van artikel 3:305a BW. Ook dient de procesinleiding de aanvullende gegevens van artikel 1018c, eerste lid, te bevatten.”5.
3.8.
Uit het voorgaande volgt dat bij kortgedingprocedures de spoedeisendheid van de vordering zich volgens de wetgever verzet tegen handhaving van de wachttijd van drie maanden en dat om die reden die termijn in kort geding niet hoeft te worden afgewacht. Eisers stellen dat zij een spoedeisend belang hebben bij hun incidentele provisionele vordering, omdat de zorgaanbieders uiterlijk op 31 augustus 2023 de gegevens dienen aan te leveren aan NZa en zij die handeling willen opschorten totdat in de hoofdzaak is beslist. Dat eisers een spoedeisend belang hebben bij hun incidentele provisionele vordering dient daarom voorshands te worden aangenomen. Gelet op de hiervoor genoemde ratio van het uitzonderingsregime van artikel 1018b lid 1 Rv, is de rechtbank van oordeel dat de wettelijke regeling ruimte biedt om in dit geval van artikel 1018c lid 3 Rv af te wijken. Bovendien acht de rechtbank het in de gegeven omstandigheden niet wenselijk en niet in lijn met de eisen van behoorlijke procesvoering als zij het verzoek van eisers tot directe behandeling van hun incidentele provisionele vordering afwijst, waarna eisers vervolgens een kortgedingdagvaarding kunnen uitbrengen om op die manier alsnog een oordeel te kunnen krijgen over hun incidentele vordering.
3.9.
NZa heeft aangevoerd dat een directe behandeling van de incidentele provisionele vordering in essentie ook dwingt tot een oordeel in de hoofdzaak en daarom de wettelijke regeling doorkruist. Voor zover NZa daarmee (ook) doelt op een oordeel over de ontvankelijkheid van eisers, overweegt de rechtbank als volgt. Het is juist dat ingevolge artikel 1018c lid 4 Rv in een bodemprocedure pas (definitief) over de ontvankelijkheid van de collectieve vordering wordt beslist als de termijn van drie maanden is verstreken en nadat gedaagde voor antwoord heeft geconcludeerd. Dat staat er vanzelfsprekend niet aan in de weg dat de rechter zich hierover voorshands een oordeel vormt in kort geding (ook in kort geding gelden de ontvankelijkheidseisen van artikel 3:305a BW onverkort). De rechtbank ziet geen aanleiding om daar anders mee om te gaan bij de beoordeling van de incidentele provisionele vordering. De rechtbank zal daarom in het incident voorshands oordelen of aan de ontvankelijkheidseisen is voldaan. De beoordeling van de ontvankelijkheid in de hoofdzaak staat daarom niet in de weg aan het meteen behandelen van de incidentele provisionele vordering.
3.10.
Verder gaat de rechtbank niet mee in het bezwaar dat afwijking van artikel 1018c lid 3 Rv (potentieel) blijvende nadelige gevolgen kan hebben, omdat de rechter mogelijk andere belangenorganisaties de pas zou afsnijden door de wachttijd van drie maanden niet toe te passen. De hoofdzaak wordt namelijk vanaf het moment dat de zaak is ingeschreven in het centrale register voor collectieve vorderingen (19 juli 2023) voor drie maanden aangehouden. In die periode kunnen andere belangenorganisaties een collectieve vordering instellen voor, kort gezegd, dezelfde gebeurtenis. Door de incidentele provisionele vordering meteen te behandelen, worden zij in die mogelijkheid niet beperkt. Daarnaast is van belang dat de beoordeling van de incidentele provisionele vordering van eisers slechts een voorlopig oordeel zal inhouden. Eventuele andere belangenorganisaties worden daarom niet benadeeld in hun positie als de wachttijd van drie maanden niet wordt afgewacht. In de hoofdzaak ligt het debat over de zaak namelijk weer volledig open en daaraan kunnen ook de eventuele andere belangenorganisaties meedoen.
3.11.
Nu het verzoek van eisers om een voorlopige voorziening te treffen meteen in behandeling wordt genomen, zal NZa in de gelegenheid worden gesteld om op de rol van woensdag 6 september 2023 een conclusie van antwoord in het incident te nemen. Hiervoor wordt geen uitstel verleend. De rechtbank ziet, gelet op de aard en omvang van het geschil, aanleiding om na ontvangst van de conclusie van antwoord in het incident een mondelinge behandeling te bepalen. Gelet op het spoedeisende karakter van de zaak, dient deze mondelinge behandeling plaats te vinden in de periode van 20 september 2023 tot en met 4 oktober 2023. Partijen dienen daarom op de rol van woensdag 16 augustus 2023 hun verhinderdata door te geven over die periode.
3.12.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
4. De beslissing
De rechtbank:
4.1.
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 16 augustus 2023 voor het opgeven van verhinderdata over de periode van 20 september 2023 tot en met 4 oktober 2023;
4.2.
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 6 september 2023 voor het indienen van een conclusie van antwoord in het incident aan de kant van de NZa;
4.3.
draagt de griffier op om deze rolbeslissing te laten aantekenen in het centrale register voor collectieve vorderingen in de map “Collectieve vordering tegen Nederlandse Zorgautoriteit” van 19 juli 2023;
4.4.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze beslissing is gegeven door mr. H.J. ter Meulen en in het openbaar uitgesproken op 9 augustus 2023.6.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 09‑08‑2023
Zie rechtbank Den Haag 14 april 2021, ECLI:NL:RBDHA:2021:3859 en rechtbank Rotterdam 21 juli 2021, ECLI:NL:RBROT:2021:7940.
type: 5348/RvRcoll: