Einde inhoudsopgave
Faillissementspauliana, Insolvenzanfechtung & Transaction Avoidance in Insolvencies (R&P nr. InsR1) 2010/2.2.2.2
2.2.2.2 Objectieve vereisten artikel 131 InsO
mr. R.J. de Weijs, datum 15-03-2010
- Datum
15-03-2010
- Auteur
mr. R.J. de Weijs
- JCDI
JCDI:ADS405733:1
- Vakgebied(en)
Rechtswetenschap / Algemeen
Insolventierecht / Faillissement
Voetnoten
Voetnoten
Een voorbeeld waarbij een schuldeiser wordt voldaan waarbij hij geen aanspraak op voldoening kon maken, wordt gevormd door het nakomen van niet afdwingbare verplichtingen uit spel en weddenschap of het nakomen van reeds verjaarde aanspraken. Mogelijk zijn dergelijke rechtshandelingen ook aantastbaar op grond van artikel 134 Ins0. Zie De Bra, Insolvenzoldnung Kommentar, p. 852, Dauernheim, Das Anfechtungsrecht in der Insolvenz, p. 66 en Kreft, Aktuelle Probleme der Insolvenzanfechtung, p. 123.
Dauernheim, Das Anfechtungsrecht in der Insolvenz, p. 66.
Zie Kirchhof ten aanzien van de toepasselijkheid van artikel 133 InsO op incongruente voldoeningen (Münchener Kommentar zur Insolvenzordnung, p. 569): `Keinesfalls hindert diere Neuregelung jedoch daran, das — schwächere — bloße Beweisanzeichen der Inkongruenz für Zeiträume anzuwenden, die leinger als drei Monate vor einem Erblfizungsantrag liegen.'
Zie over de werking hiervan en het belang van deze bepaling voor de faillissementspauliana, hoofdstuk 4 § 4.2.3.2.1.
Gelijke bepalingen zijn te vinden in artikel 22 AGB-Sparkassen.
Zie De Bra, Insolvenzordnung Kommentar, p. 842 met verwijzing naar BGH, ZIP 1995, S. 1078 ff., 1082. Zie ook Dauernheim, Das Anfechtungsrecht in der Insolvenz, p. 68 en Henckel, Anfechtung im Insolvenzrecht, p. 254.
Zie in deze zin De Bra (Insolvenzordnung Kommentar, p. 854): `Umfang und Art der Sicherheit und die Auswahd der Sicherungsgegensteinde dikén niet offen geelassen werden.' Zie ook Dauernheim, Das Anfechtungsrecht in der Insolvenz, p. 59.
De Bra, Insolvenzordnung Kommentar, p. 854 met verwijzing naar BGH, ZIP 1999, S. 76.
OLG Karlsruhe, 8 april 2005 ZIP 2005, 1248: 'Die Konkretisierung in kritischer Zeit führt jedoch nicht zur Kongruenz; der Erwerb der Forderung ist daher als inkongruente Deckung anfechtbar'
Zie hierover o.a. Kayser, G. Kayser, Höchstrichterliche Rechtsprechung zur Insolvenzanfechtung und zur UnternehmensInsolvenz, Carl Heymanns Verlag 2006, p. 132 en 133: Hiermit ist das Probdem jedoch noch nicht zu Ende gedacht. Es stellt sich die Anschdussfrage, wedche anfechtungsrechtliche Behandlung das Sicherungseigentum in den Fällen von Raumsicherungsverträgen zu erfahren hat. Bei 'Schnelldrehern' wäre auch diere Sicherheit zumindest stark entwertet. Der BGH ist aufgerufen, den von Kirchhof (aaO) in diesem Zusammenhang herausgestellten Gläubigergleichbehandlungsgrundsatz gegen das berechtigte Sicherungsbedürfnis des Geldkreditgeber abzuwägen und die Fälle der Globalsicherheiten einer befriedigenden anfechtungsrechtlichen Gesamtdlösung zuzufuhren.'
BGH 29 november 2007, IX ZR 30/07: Globalzessionsverträge sind auch hinsichtdich der zukünftig entstehenden Forderungen grundsätzlich nur als kongruente Deckung anfechtbar' Zie hierover o.a. V. Kammel en C. Staps, 'Die Deckungsanfechtung von Globalzessionen', NZ/ 2008/3, p. 143-146. BGH 26 juni 2008 herhaalt dit oordeel en bepaalt dat deze regel ook geldt ten aanzien van een vordering die de schuldenaar verkrijgt doordat een werknemer van de schuldenaar een prestatie verricht. Dit oordeel is principieel van aard omdat de vraag naar de benadeling problematisch is. Er gaat immers niet meteen een vermogensrecht van de schuldenaar verloren. De arbeidskracht van de werknemer vertegenwoordigt echter ook waarde en indien deze wordt omgezet in een vordering en deze vordering slechts toekomt aan een individuele schuldeiser, is hiermee sprake van benadeling. Zie Dahl en Schmitz, `BGH: Anfechtung bei Werthaltigmachung einer global abgetretenen Forderung durch Arbeitnehmerleistungen, mit Anmerkung Dahl/Schmitz', NZ/2008/9, p. 541: `Auch die Arbeitskraft stellt einen Vermögenswert dar, deren Entzug zu einer Gläubigerbenachteiligung führt. Im Ergebnis stekt damit als gefestigte Rechtsprechung fest: Auf welche Weise auch immer der Insolvenzschuldner eine global zedierte Forderung werthadtig macht — insbesondere, indem er etwa Waren liefert oder Werk — oder Dienstleistungen erbringt und seinem Drittschuldner die Einrede des nicht erfüllten Vertrags (§ 320 BGB) nimmt —, es besteht soweit dies im von § 130 InsO erfassten Zeitraum erfolgt, een Anfechtungsrisiko für den Zessionar.' Zie voor een nadere bespreking van de problematiek, Kayser, Höchstrichterliche Rechtsprechung zum Insolvenzrecht, p. 215-220.
BGH 29 november 2007, IX ZR 30/07: 'Die Insolvenzanfechtung von global abgetretenen, zukünftig entstehenden Forderungen scheitert grundsätzlich nicht am Vorliegen eines Bargeschäfts.' Zie op onderdelen kritisch ten aanzien van de motivering en systematische inpassing van dit oordeel R. Leithaus, `Rehabilitation der revolvierenden Sicherheit' oder Pas Wanen hat ein Ende', NZ/ 2008/2, NZI Aktuell p. vi.
BGH ZIP 1993, 276. Zie hierover uitgebreider hieronder de bespreking van artikel 133 InsO in § 2.2.4. Onder omstandigheden kan echter ook artikel 132 InsO van toepassing zijn, namelijk wanneer er weliswaar prestaties worden geleverd, maar er geen vooruitzicht op verbetering bestaat. Zie daarover de bespreking van artikel 132 InsO in § 2.2.3 hieronder.
Smid verwoordt zijn kritiek als volgt (Smid, Grundzüge des Insolvenzrechts, p. 323, 324): So hat der BGH mit Urt. v. 12. November 1992 im Falle einer fehlgeschlagenen Sanierung entschieden, die Inkongruenz der Deckung sei ein Beweiszeichen für das Vorliegen der Benachteiligungsabsicht, das aber bei Geringfügigkeit der Inkongruenz 'herabgesetzt' werde und gar entkräftet werde, wenn die angefochtene Rechtshandlung in unmittelbarem Zusammenhang mit der Durchführung eines Sanierungskonzepts stekt. Dieser Entscheidung muß nachdrücklich widersprochen werden, da sie nicht nur die ökonomischen Interessen bei Sanierungsversuchen verkennt, sondern, gravierenden daran vorbeigeht, daß der vorkonkursliche Sanierungsversuch eine schwerwiegende Einflußnahme auf das Verhältnis zwischen späterem Gemeinschuldner und den übrigen Gläubigern darstellt, deren Rechtsdurchsetzungsaussichten beim Fehlschlagen der Sanierung ofimals nachdrücklich geschmälert werden, in aller Regel ohne daß sie Möglichkeiten haben, auf den Gang des Sanierungsversuches einzuwirken. Der Sanierungsversuch widerlegt daher nicht die Gläubigergefährdung.'
BGH 18 december 2003, IX ZR 199/02. Zie hierover Kreft, Aktuelle Probleme der Insolvenzanfechtung, p. 135. Zie ook Kayser (Höchstrichterliche Rechtsprechung zum Insolvenzrecht, p. 207) die een ruime werking van het arrest voorstaat: 'Die Rechtsprechung des Bundesgerichtshofs versteht den Begriff der Inkongruenz in einem weiten Sinne, weil nur so ein objektiver Gläubigerschutz in der gesetzlichen Krise erreicht werden kann. Daher ist in diesem Zeitraum jede Leistung des Schuldners, die im Wege der Zwangvollstreckung, durch einen Insolvenzantrag oder durch Drohung mit dieren Maβnahmen erlangt wird, inkongruent (vgl. BGHZ 155, 75, 80; 157, 242 , 24510.'
Zie BGH 15 mei 2003, IX ZR 194/02: 'Die Leistung zur Abwendung der Zwangsvollstreckung ist eine inkongruente Deckung, wenn der Schuldner zur Zeit seiner Leistung damit rechnen muß, daß ohne sie der Gläubiger nach dem kurz bevorstehenden Ablaut einer letzten Zahlungsfrist mit der ohne weiteres zullässigen Zwangsvollstreckung beginnt.' Zie hierover ook Kayser, 1ffichstrichterliche Rechtsprechung zum Insolvenzrecht, p. 226 en 227.
Zie Dauernheim (Das Anfechtungsrecht in der Insolvenz, p. 66): 'Ob eine Inkongruenz gegeben ist, ist objektiv zu beurteilen unabhängig von den Vorstellungen der Parteien.'
De Regeringstoelichting op het wetsvoorstel spreekt over meerdere honderden miljoenen euro's per jaar. Zie Regeringstoelichting in S. Smid, Gro, e Insolvenzrechtsreform 2006, Berlijn: De Gruyter Recht 2006, p. 60: `Diesem wirtschafts- und sozialpolitisch notwendigen Bestreben läuft es zuwider, wenn den Sozialkassen jährlich mehrere 100 Mio. Euro an Beitragsaufkommen im Wege der Insolvenzanfechtung durch Insolvenzverwalter entzogen werden und dies, wie die Praxis zeigt, mit zunehmender Tendenz.'
De voorgestelde aanpassing zag op een uitbreiding van artikel 131 lid 1 InsO, dat volgens het ontwerp als volgt zou moeten komen te luiden: 'Eine Rechtshandlung wird nicht allein dadurch zu einer solchen nach Satz 1, dass der Gläubiger die Sicherung oder Befriedigung durch Zwangvollstreckung erlangt.' De tekst zelf dekt niet geheel de lading. Zie hierover in kritische zin Huber, Insolvenzrechts-Handbuch, p. 826. De Regeringstoelichting maakt echter duidelijk dat beoogd werd alle hier genoemde nuanceringen op congruente voldoeningen af te schaffen. Zie Regeringstoelichting (Smid, Grofie Insolvenzrechtsreform 2006, p. 68): 'Eine zwangsweise Befriedigung durch Zwangsvollstreckung oder die Leistung unter dem Druck einer drohenden Zwangvollstreckung soll künftig nicht mehr allein wegen der Art ihrer Erlangung als inkongruente Deckung gewertet werden können. Die Zwangvollstreckung stellt nicht lediglich ein Elfüllungssurrogat dan sondern ist echte Elfüllung.'
Een samenvatting van de commentaren op het wetsvoorstel is te vinden in M. Zeuner, 'Reform der Zustellung insolvenzgerichtlicher Entscheidungen und des Rechts der Insolvenzanfechtung', in: S. Smid (red.), Grote Insolvenzrechtsreform 2006, Berlijn: De Gruyter Recht 2006, p. 253 tot en met 257. De commentaren zijn overwegend zeer kritisch. Zie bijvoorbeeld de kritiek in de literatuur als samengevat door Zeuner: `Auch die insolvenzrechtliche Fachliteratur stört sich erheblich an dem Entwürf der Bundesregierung. Die Kritik bezieht sich hier vor allem auf die Gesetzbegründung. Es wird dem Gesetzgeber vorgeworfen, er beabsichtige mit scheinheiligen Argumenten eine Aufhebung des zentralen Grundsatzes der Gläubigergleichbehandlung.' (Zeuner, p. 256). Zie verder ook kritisch Huber (Insolvenzrechts-Handbuch, p. 826): 'Die Konsequenzen aus der vorgeschlagenen Änderung wären für die Praxis der Insolvenzverwaltung verheerend. Die stärksten und schnellsten Gläubigen also vornehümlich Finanzämter und Sozialversicherungsträger, die ihre Forderungen selbst titulieren können, und darüber hinaus alle Titel-Gläubiger würden sich mit gesetzgeberischer Billigung sogar durch 'rüde' Methoden anfechtungsfest befriedigen und das so Erlangte trotz der Insolvenz ihres Schuldners behalten dürfen.'
Zie R. Leithaus en M.C. Frege, `Erneuter Angriff auf die par conditio creditorum', NZI 2007/10, NZI Aktuell, p. v: 'Dank elfolgreicher Interventionen aus Fachkreisen hat der Gesetzgeber jedoch von der Umsetzung dieses Vorhabens (zunächst?) abgesehen.' Het stranden van het project heeft wel tot nieuwe wetgeving geleid waarbij betalingen van sociale zekerheidsbijdragen de facto uitgezonderd worden. Zie hierover Chr. Sterzinger, `Auswirkungen des § 28 eI2 SGB W bei der Insolvenzanfechtung von Sozialversicherungsbeiträgen', NZI 2008/4, p. 221-224. Zie hierover nader § 2.2.4 hieronder.
Zie hierboven § 2.1.1.
Artikel 132, 133 en 134 InsO veronderstellen wel expliciet een handeling van de schuldenaar.
De Bra, Insolvenzordnung Kommentar, p. 855: 'Läßt sich ein Gläubiger mit nicht voll ausgeschöpftem Sicherungsumfang innerhalb der von § 131 abgedeckten Fristen ungesicherte Forderungen anderer Gläubiger abtreten, so ist diesel Unterstellen unter die Sicherungen als inkongruente Deckung anfèchtbar.'
Smid, Grundzüge des Insolvenzrechts, p. 318.
Onder het Nederlandse recht worden zowel de figuur van het overnemen van vorderingen om deze te verrekenen als het overnemen van vorderingen om deze onder bestaande zekerheden te brengen onder artikel 54 Fw gebracht. Zie hierover hoofdstuk 4 (§ 4.2.4.3.4), met name de bespreking van het arrest BR 30 januari 1953, NJ 1953, 578 (Doyer/Kalff).
Veel auteurs verwezen slechts naar de mogelijk toepasselijke bepalingen van artikel 130 en 131 InsO zonder aan te geven welke bepaling volgens hen dan van toepassing zou zijn. Kirchhof, Münchener Kommentar zur Insolvenzordnung, p. 533 schreef echter reeds eerder dat het overnemen van een vordering om deze met een schuld te verrekenen onder artikel 131 InsO viel. `(...) dann ist die Deckung inkongruent. Ebenso verhält es sich, wenn sich ein Schuldner des späteren Insolvenzschuldners in der Zeit seiner wirtschaftliche Krise eine gegen dieren gerichtete Insolvenzforderung von deren Inhaber abireten leisst, um mit ihr gegen die eigene Verbindlichkeit aufzurechnen.'
BGH 9.2.2006 — IX ZR 121/03 onder 14.
Zie voor een nadere uitwerking hiervan, De Bra, Insolvenzordnung Kommentar, p. 844. 'Im Falle von Kontokorrentverhältnissen sind Gutschriften dann kongruent, wenn die Bank einen fälligen Zahlungsanspruch gegen ihren Kunden hat. Dies ist dann der Fall, wenn das Konto einseitig überzogen bzw. ein eingeräumter Kontokorrentkredit (Dispositionskredit) überschritten wurde, soweit darin nicht eine konkludente vertragliche Vereinbarung zu sehen ist. Eine Vereinbarung, wonach der Kontokorrentkredit 'täglich fällig' sein soll, reicht i.d.R. ebenfalls nicht zur Begründung von Kongruenz aus, sondern ist i.d.R. als jederzeitige Kündigungsmöglichkeit zu verstehen. Bis zur Höhe der Rückführung des Kontostandes auf den vertraglich zullässigen Rahmen ist die Verrechnung von Gutschnften daher nur nach § 130 anfechtbar' Zie over het onderscheid tussen gevallen waarin de bank wel en niet tot terugbetaling van het debetsaldo gerechtigd is Dauernheim (Das Anfechtungsrecht in der Insolvenz, p. 66): `Inkongruenz liegt deshalb bei Rückführung eines Annuitätendarlehens und sonstigen Ratenkrediten vol; nicht aber bei Überziehung eines Girokontos, da nach Nr. 14 Abs. 3 der allgemeinen Geschäftsbedingungen der Banken bzw. Kreditgenossenschaften; Nr. 9 Abs. 4 der AGB der Sparkassen diere jederzeitige Rückführungdes Saldos bei dem Girokonto verlangen können.' Zie verder Hirte (Insolvenzordnung Kommentar, p. 2015): 'Die Rückführung eines jederzeit fälligen Überziehungskredits ist keine inkongruente Deckung (...). Hatte die Bank dagegen mit ihrem Kunden die Vereinbarung getroffen, dans der Oberziehungskredit für eine bestimmte Zeit zur Velfigung gestellt wird, stern- sich eine vorzeitige Rückführung als inkongruente Deckung dar'
Indien de bank de kredietfaciliteit heeft beëindigd, wordt een creditering van de rekening door een storting door een debiteur van de schuldenaar — latere failliet — in beginsel ook als een congruente voldoening gezien Indien de bank de schuldenaar — latere failliet — toestaat om betalingen ten laste van de rekening-courant te blijven verrichten nadat 'de crisis' is ingetreden, worden de crediteringen gevolgd door verrekening behandeld als `Bargeschäft' in de zin van artikel 142 InsO. Voorwaarde is wel dat er temporeel een nauw verband bestaat tussen de betalingen ten laste van de rekening en de ontvangsten op deze rekening. Zie verder over deze problematiek, met verwijzingen naar jurisprudentie en literatuur De Bra, Insolvenzordnung Kommentar, p. 844-845. Zie ook Dauernheim, Das Anfechtungsrecht in der Insolvenz, p. 58, over de mogelijkheid om onder omstandigheden op te komen tegen het beëindigen van de kredietfaciliteit door de bank waarmee een verrekeningsmogelijkheid wordt gecreëerd.
Artikel 131 InsO stelt als vereiste dat sprake is van een incongruente voldoening. Het artikel is dus niet van toepassing als sprake is van een congruente voldoening. Zoals uit de bewoordingen van artikel 131 InsO volgt, zal sprake zijn van een incongruente voldoening indien de wederpartij voldaan wordt of een zekerheidsrecht krijgt op een wijze of op een tijdstip waarop hij hier geen,1 of niet op die wijze of niet op dat tijdstip, aanspraak kon maken. Eveneens onder artikel 131 Ins0 vallen handelingen die niet direct tot een incongruente voldoening leiden, maar deze wel mogelijk maken.
Naast het vereiste dat sprake is van een incongruente voldoening, zijn twee verschillende perioden te onderscheiden binnen het temporele werkingsgebied van artikel 131 Ins0. De te onderscheiden perioden worden in de eerste plaats gevormd door de periode van een maand voorafgaand aan de aanvraag doorlopend tot aan de insolventverklaring, waarbij weer een nader onderscheid gemaakt kan worden in de periode voor en na de aanvraag. De tweede periode is die van twee en drie maanden voorafgaand aan de aanvraag. Afhankelijk van de vraag in welke periode de incongruente voldoening plaatsvond, worden voor de aantastbaarheid van de voldoening nog nadere vereisten gesteld.
Alle incongruente voldoeningen in de maand voorafgaand aan en na de aanvraag, zijn zonder meer aantastbaar. Hier worden geen nadere vereisten gesteld, met name geen subjectieve. Hiermee heeft het Duitse recht dus een helder systeem dat in ruime mate de paritas creditorum beschermt, voor zover een schuldeiser nog op een ietwat afwijkende wijze (incongruente wijze) voldaan wordt voor de andere schuldeisers of althans voor de rang die hij heeft in formele insolventie.
Incongruente voldoeningen in de periode van twee tot en met drie maanden voor de aanvraag zijn aantastbaar indien de schuldenaar toen reeds in betalingsonmacht verkeerde. Het betreft een zuiver objectief vereiste en bekendheid van de wederpartij of de schuldenaar met de betalingsonmacht is hier dus niet vereist.
Alleen de derde grond onder artikel 131 Ins0 ten aanzien van incongruente voldoeningen stelt een subjectief vereiste. Indien in de periode van twee tot drie maanden voor de aanvraag de wederpartij op incongruente wijze voldaan werd, is deze ook aantastbaar als de wederpartij toen wist dat de schuldeisers benadeeld zouden worden. De derde grond opgenomen in artikel 131 InsO voorziet daarmee in de aantastbaarheid van incongruente voldoeningen indien de wederpartij wetenschap van benadeling had waarbij niet vereist is dat de schuldenaar in betalingsonmacht verkeerde of dat de schuldenaar zelf voldeed aan bepaalde subjectieve vereisten.2
Van belang is te onderkennen dat de mogelijkheden van het aantasten van incongruente voldoeningen niet beperkt zijn tot artikel 131 InsO. Indien dit wel het geval zou zijn, zou dit tot gevolg hebben dat incongruente voldoeningen slechts aantastbaar zouden zijn in een relatief korte periode van 3 maanden voorafgaand aan de aanvraag. Indien de incongruente voldoening voor de periode van 3 maanden voor de aanvraag heeft plaatsgevonden, dan is deze mogelijk nog aantastbaar op grond van artikel 133 InsO, mits een handeling van de schuldenaar voorligt.3 De bedoeling van artikel 131 InsO is dan ook veeleer aan te geven wanneer incongruente voldoeningen in elk geval aantastbaar zijn.
Alvorens in § 2.2.2.3 nader in te gaan op de subjectieve vereisten en de redenen van het ten dele ontbreken daarvan, wordt hier het toepassingsgebied van artikel 131 InsO uitgewerkt. Besproken worden de gevallen waarin vragen kunnen rijzen of een handeling als een congruente of een incongruente voldoening kwalificeert en gevallen waarin de vraag opkomt of het handelen i berhaupt wel als een voldoening (Deckung) valt te kwalificeren. De volgende zeven gevallen verdienen in dit verband de aandacht: i) het verstrekken van zekerheden op basis van eerder overeengekomen algemene voorwaarden (de problematiek van algemene bankvoorwaarden), ii) cessie van toekomstige vorderingen die ontstaan in de drie maanden voorafgaand aan de aanvraag, iii) herstructureringen, iv) betalingen verricht onder druk van een aanhangige aanvraag tot insolventverklaring of dreiging daarmee, v) het overnemen van vorderingen teneinde deze onder bestaande zekerheden te brengen, vi) het overnemen van vorderingen op de schuldenaar teneinde deze met een schuld aan de schuldenaar te verrekenen en vii) betalingen van debiteuren van de schuldenaar op een rekening-courant met een debetstand gevolgd door verrekening door de bank.
i) Een belangrijk geval dat onder artikel 131 InsO valt, betreft het geval waarbij de schuldenaar als kredietnemer aan zijn bank op verzoek van de bank extra zekerheden verstrekt. Duitsland kent een op het Nederlandse artikel 26 (oud artikel 20) Algemene Bankvoorwaarden4 gelijkende bepaling in artikel 13 van de AGBvoorwaarden.5 Indien de schuldenaar gehoor geeft aan het verzoek van de bank extra zekerheden te verstrekken, kwalificeert deze zekerheidsverstrekking in de regel als een incongruente voldoening.6 Wil een latere zekerheidverschaffing als een congruente voldoening aangemerkt worden, dan dient zowel het object waarop het zekerheidsrecht gevestigd wordt als het bedrag waarvoor zekerheid verschaft zal worden, van tevoren overeengekomen te zijn. Bij gebreke hiervan wordt de zekerheidsverschaffing als incongruente voldoening beschouwd.7 Opvallend genoeg is deze regel ook van toepassing indien de schuldenaar (nog) maar over één vermogensbestanddeel beschikt dat zich voor zekerheidverstrekking leent.8
ii) Een enigszins met de problematiek van de algemene bankvoorwaarden vergelijkbaar probleem wordt gevormd door de inpassing van Globalzession künftiger Forderungen, waarbij toekomstige vorderingen bij voorbaat worden gecedeerd. De vraag die zich aandient is of, indien deze vorderingen pas ontstaan in de periode van drie maanden voor de aanvraag en daarmee de overdracht pas in deze kritieke periode voltooid is, een dergelijk geval onder artikel 130 of 131 InsO valt. Het OLG Karlsruhe oordeelde in 2005 dat de verkrijging door de bank als een incongruente voldoening kwalificeert en daarmee onder artikel 131 InsO valt.9 De waarde van een debiteurenportefeuille als zekerheidsobject, vooral ingeval het vorderingen met een hoge omloopsnelheid betreft, zou sterk teruglopen indien de beslissing van het OLG Karlsruhe gevolgd zou worden. 10 Inmiddels heeft het Bundesgerichtshof een einde gemaakt aan de onzekerheid die ontstond na de beslissing van het OLG Karlsruhe. Het Bundesgerichtshof heeft eind 2007 geoordeeld dat de verpanding bij voorbaat van vorderingen die pas ontstaan in de drie maanden voor de aanvraag als een congruente voldoening hebben te gelden.11
Hoewel hier nog een zeker quid pro quo element te onderkennen is (financiering tegen zekerheid) heeft het Bundesgerichtshof nog toegevoegd dat de bank geen bescherming geniet onder de Bargeschrift-regeling.12
iii) Indien een incongruente voldoening onderdeel uitmaakt van een samenstel van handelingen die samen een herstructurering beogen, dan is het Bundesgerichtshof bereid gebleken om artikel 133 InsO toe te passen en artikel 131 InsO buiten toepassing te laten.13 Ook een zekerheidverschaffing die anders als een incongruente voldoening aangemerkt zou worden, wordt dan niet als zodanig aangemerkt. Zie kritisch ten aanzien van deze benadering Smid.14
iv) Een vierde geval dat vragen oproept ten aanzien van de kwalificatie als congruent of incongruent wordt gevormd door betalingen verricht onder druk van een aanhangige aanvraag tot insolventverklaring in de drie maanden voorafgaand aan de aanvraag. Het Bundesgerichtshof heeft bepaald dat dergelijke 'druk-betalingen' incongruente voldoeningen vormen:
`Leistet der Schuldner zur Abwendung eines angekündigten Insolvenzantrags, den der Gläubiger zur Durchsetzung seiner Forderung angedroht hat, bewirkt dies eine inkongruente Deckung.'15
Een vergelijkbare regel geldt wanneer de schuldenaar presteert ter afwending van individuele executiemaatregelen.16 Deze benadering lijkt echter op gespannen voet te staan met het uitgangspunt dat de vraag of een handeling congruent of incongruent is, objectief vastgesteld moet worden en los van de voorstelling van partijen.17 Vooral 'Finanzämter' en 'Socialversicherungsträger' liepen tegen de ruimhartige interpretatie van het begrip incongruent aan, waardoor deze aanzienlijke bedragen moesten afstaan aan bewindvoerders.18 Dit heeft aanvankelijk geleid tot een zeer omstreden wetsvoorstel dat in algemene zin een einde aan deze ruime benadering beoogde te maken, te weten het Gesetz zum Pfändungsschutz der Altervorsorge und zur Anpassung des Rechts der Insolvenzanfechtung (hierna te noemen 'Wetsvoorstel aanpassing Insolvenzanfechtung'). Onder het wetsvoorstel zou slechts relevant zijn of de schuldeiser krijgt waar hij recht op heeft op een tijdstip waarop hij er recht op had. Niet meer relevant zou dan zijn de manier waarop de schuldenaar tot betaling bewogen is.19 Dit voorstel is op veel kritiek gestuit20 en lijkt van de baan te zijn.21
v) Als gezegd22 is de werking van de artikelen 129 InsO en verder niet principieel beperkt tot handelingen van de schuldenaar.23 Artikel 129 InsO, de grondbepaling van de Insolvenzanfechtung, spreekt niet van een handeling van de schuldenaar, maar meer algemeen van een handeling. Een geval dat rechtstreeks onder artikel 131 InsO valt, waarbij geen handeling van de schuldenaar is te identificeren, is het overnemen van vorderingen teneinde deze onder bestaande zekerheden te brengen. Onder het Duitse recht wordt dit geacht een incongruente voldoening op te leveren.24 Een bewindvoerder hoeft dus niet toe te zien hoe zekerheden worden uitgewonnen indien de overname van de vordering voldoet aan de eisen in artikel 131 Ins0.25
vi) Een vergelijkbaar geval als hiervoor onder v) omschreven, wordt gevormd door het overnemen van vorderingen teneinde deze met een schuld aan de schuldenaar te verrekenen.26 Deze overname en verrekening valt niet rechtstreeks onder artikel 129 InsO e.v., maar wel indirect. Artikel 96 InsO bepaalt namelijk dat verrekening niet is toegestaan indien de verrekeningsmogelijkheid is gecreëerd met een handeling die strijdig is met de bepalingen van de Insolvenzanfechtung. Deze regel is echter aanzienlijk minder duidelijk dan zij op het eerste gezicht lijkt. De vraag naar welke bepaling artikel 96 lid 1 sub 3 InsO verwijst wordt noch in de wet, noch in de parlementaire geschiedenis beantwoord. Het antwoord op de vraag welk artikel van toepassing is, is dan ook geruime tijd onduidelijk geweest.27 Twee artikelen leken in aanmerking te komen: artikel 130 InsO en artikel 131 InsO. Uiteindelijk heeft het Bundesgerichtshof in 2006 duidelijkheid gegeven. In beginsel is artikel 131 InsO van toepassing. Dit is slechts anders wanneer de schuldenaar zich reeds eerder had verbonden om mee te werken aan het creëren van de verrekeningsmogelijkheid. Het Bundesgerichtshof oordeelde als volgt:
`Ob die Begründung der Aufrechnungslage zu einer kongruenten oder einer inkongruenten Deckung führt, richtet sich nach gefestigter Rechtssprechung des BGH danach, ob der Aufrechnende einen Anspruch auf Abschluss der Vereinbarung hatte, welche die Aufrechnungslage entstehen liess, oder ob dies nicht der Fall war (..) Die Vorschrift des §131 InsO bezeichnet jede Rechtshandlung als inkongruent, die dem Insolvenzgläubiger eine Befriedigung gewährt, auf die er keinen Anspruch hatte. Deshalb ist die Herstellung einer Aufrechnungslage inkongruent, soweit die Aufrechnungsbefugnis sich nicht aus dem zwischen dem Schuldner und dem Gläubiger zuerst entstandenen Rechtsverhältnis ergibt.'28
vii) Een zevende geval dat vragen oproept in verband met de kwalificatie als congruent of incongruent, betreft de betaling door de debiteuren van de schuldenaar in een rekening-courant met een debetstand waarna de bank verrekent. De storting door een debiteur van de schuldenaar stelt de bank in staat om de vordering die zij heeft op de schuldenaar te verminderen. Het Duitse recht maakt een onderscheid tussen het geval waarbij de bank wel en niet bevoegd was om de terugbetaling van het openstaande debetsaldo te vorderen. Indien de bank gerechtigd is om bij een debetstand terugbetaling te vorderen, vormt de verrekening door de bank na een storting een congruente voldoening. Voor zover de bank niet bevoegd is het saldo terug te vorderen,29 heeft de verrekening als incongruent te gelden.30