HR, 21-01-2025, nr. 23/01857
ECLI:NL:HR:2025:3
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
21-01-2025
- Zaaknummer
23/01857
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2025:3, Uitspraak, Hoge Raad, 21‑01‑2025; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2024:1149
In cassatie op: ECLI:NL:GHSHE:2023:1608
ECLI:NL:PHR:2024:1149, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 12‑11‑2024
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2025:3
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2025-0024
NTS 2025/10
Uitspraak 21‑01‑2025
Inhoudsindicatie
Openlijke geweldpleging bij voetbalwedstrijd in 2021 in Waalwijk, art. 140.1 Sr. Vrijspraak in eerste aanleg. Uitdrukkelijk onderbouwd standpunt t.a.v. betrouwbaarheid van herkenning van verdachte door opsporingsambtenaar, art. 359.2 Sv. HR: Om redenen vermeld in CAG faalt middel. CAG: Hof heeft niet in het geheel niet gereageerd op argumenten (van raadsman ter onderbouwing van uos) m.b.t. scherpte van foto en gelijkenis met verdachte. Hof heeft toereikend gemotiveerd gereageerd op argumenten m.b.t. specifieke kenmerken en beïnvloeding. Dat betrokken opsporingsambtenaar verdachte al kende uit hoofde van zijn werk als supportersbegeleider, geeft meer steun aan (betrouwbaarheid van) zijn herkenning. Dat hof in zijn motivering ook hieraan aandacht heeft besteed, maakt weerlegging van gevoerd verweer daarom sterk en aldus geenszins onbegrijpelijk en/of ontoereikend. Volgt verwerping.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 23/01857
Datum 21 januari 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 28 april 2023, nummer 20-001612-22, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1990,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft A. Darrazi, advocaat in Breda, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De plaatsvervangend advocaat-generaal M.E. van Wees heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2. Beoordeling van het cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel klaagt dat het hof in strijd met artikel 359 lid 2, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering niet in het bijzonder de redenen heeft opgegeven waarom het is afgeweken van een door de verdediging naar voren gebracht uitdrukkelijk onderbouwd standpunt over de betrouwbaarheid van de herkenning van de verdachte door de opsporingsambtenaar.
2.2
Het cassatiemiddel faalt. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de plaatsvervangend advocaat-generaal.
3. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren T.B. Trotman en R. Kuiper, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 21 januari 2025.
Conclusie 12‑11‑2024
Inhoudsindicatie
Conclusie plv. AG. Art. 141 Sr. Jaddoe. Falende uos-klacht over de betrouwbaarheid van de herkenning van de verdachte van beeldopnamen. Conclusie strekt tot verwerping.
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer23/01857
Zitting 12 november 2024
CONCLUSIE
M.E. van Wees
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1990,
hierna: de verdachte.
Inleiding
1.1
De verdachte is bij arrest van 28 april 2023 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch wegens "openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen", veroordeeld tot een taakstraf van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis, waarvan 60 uren onderscheidenlijk 30 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar.
1.2
In eerste aanleg is de verdachte vrijgesproken.
1.3
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en A. Darrazi, advocaat in Tilburg, heeft een middel van cassatie voorgesteld.
Het middel
2.1
Het middel bevat de klacht dat het hof ontoereikend gemotiveerd heeft gerespondeerd op een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt. Dit standpunt had betrekking op de betrouwbaarheid van een proces-verbaal waarin de verdachte wordt herkend als een van de bij het openlijk geweld betrokken relschoppers.
Bewezenverklaring en bewijsvoering
2.2
De verdachte is veroordeeld voor - kort gezegd - hooligangeweld, bestaande uit “het gooien van stenen en/of stukken tegel in de richting van een of meer personen/supporters en/of leden van de Mobiele Eenheid”.
2.3
De bewijsconstructie komt kort gezegd op het volgende neer. Tijdens en na afloop van de wedstrijd RKC - Willem II op 21 september 21 zijn rellen ontstaan. Hierbij zijn door de politie foto’s en camerabeelden gemaakt. Hierover is geverbaliseerd en delen daarvan zijn door het hof als bewijsmiddel opgenomen. Een van de bij de rellen betrokken personen is hierop aangeduid als ‘persoon 8’. Centraal staat in cassatie bewijsmiddel 3. Dit betreft het proces-verbaal van een opsporingsambtenaar, tevens supportersbegeleider, waarin deze relateert ‘persoon 8’ op de gemaakte fotopresentatie te herkennen als de verdachte:
“3. Proces-verbaal van bevindingen d.d. 19 december 2021, dossierpagina’s 8-9, voor Zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 1] :
Ik, verbalisant [verbalisant 1] , werkzaam vanuit de politie als supportersbegeleider bij wedstrijden van RKC heb de fotopresentatie bekeken. Deze fotopresentatie is opgemaakt naar aanleiding van de supportersrellen tussen RKC en Willem II op 21 september 2021. Deze supportersrellen vonden tijdens en na de wedstrijd plaats rondom het stadion van RKC. Tijdens het bekijken van de foto's herkende ik enkele supporters ambtshalve. Deze supporters herkende ik vanwege het feit dat ik sinds 2019 supportersbegeleider ben. Vanuit de rol als supportersbegeleider heb je direct contact met supporters. Het doel is om contact te maken met de supporters om ongeregeldheden te voorkomen. De diensten van een supportersbegeleider bestaan uit het onopvallend aanwezig zijn tijdens de wedstrijden. Hierbij staan wij tussen de supporters. Op 21 september was ik zelf ook werkzaam als supportersbegeleider tijdens de wedstrijd. In de fotopresentatie, welke ik toevoeg aan dit proces-verbaal van bevindingen, zijn de te herkennen personen met een nummer aangegeven.
De herkenningen kan ik als volgt omschrijven:
(...)
In de fotopresentatie herkende ik de persoon, welke met nummer 8 is aangegeven. Ik herkende hem niet alleen van de foto's uit de presentatie. Op dezelfde avond werd herkenning gevraagd vanuit de commandoruimte van een persoon wiens foto aan ons door de commandant via Whatsapp werd verstrekt. Daarnaast zag ik deze dag dat [verdachte] in het stadion rondliep met een zwarte capuchon, een zonnebril en een heuptasje. Tegelijkertijd is [verdachte] de enige van onze doelgroep die rondliep met een zwart heuptasje. Ik herkende [verdachte] direct aan zijn kleding en specifiek aan zijn neus. [verdachte] heeft namelijk een kromming op zijn neus. Deze kromming viel mij in de eerdere wedstrijden van dit seizoen direct op: In de week voorafgaand aan de wedstrijd tegen Willem II moest RKC tegen Vitesse voetballen, ook toen waren er ongeregeldheden. Tijdens deze ongeregeldheden zag ik dat [verdachte] onderdeel uitmaakte van de onrust, mede vanwege deze waarnemingen herkende ik direct [verdachte] en weet ik voor 100 procent zeker dat het hem is.”
2.4
Voor de volledige bewezenverklaring en bewijsvoering verwijs ik naar het (ook op rechtspraak.nl (ECLI:NL:GHSHE:2023:1608) gepubliceerde) arrest.
Het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt en de reactie daarop van het hof
2.5
Ter zitting - alwaar de verdachte in persoon aanwezig was - is door de raadsman van de verdachte verweer gevoerd overeenkomstig zijn pleitnota (p. 4, proces-verbaal van de zitting van het hof). Hierin is onder meer de betrouwbaarheid van de hiervoor bedoelde herkenning op de korrel genomen. Kort gezegd wordt aangevoerd dat (i) de foto’s niet scherp genoeg zijn (randnummer 8-9); dat (ii) de verdachte naar zijn eigen oordeel en dat van zijn raadsman niet lijkt op de foto’s (randnummer 9-10); dat (iii) de herkenning onvoldoende “specifieke onderscheidende persoonskenmerken” noemt (randnummer 11-14 en in gelijke zin 24-26); en (iv) gesuggereerd dat een mogelijk “strafrechtelijk verleden” van de verdachte onbewust zou kunnen bijdragen aan een ‘herkenning’, in welk verband een punt wordt gemaakt van het feit dat dezelfde opsporingsambtenaar de verdachte ook al had herkend bij eerdere voetbalgerelateerde rellen, na afloop van de wedstrijd RKC - Vitesse (randnummer 15). Een en ander mondt uit in de conclusie dat het proces-verbaal waarin de herkenning is opgenomen niet voor het bewijs zou kunnen worden gebruikt (randnummer 27).
2.6
Het hof heeft dit verweer als volgt verworpen:
“Het hof stelt voorop dat bij de beoordeling of een herkenning voldoende betrouwbaar is om tot het bewijs te bezigen, verschillende factoren van belang zijn. Zo is onder meer relevant of de herkenning heeft plaatsgevonden op basis van specifieke, onderscheidende persoonskenmerken, maar ook of door de kwaliteit (in de zin van duidelijkheid en scherpte) van de foto of videobeelden voldoende uiterlijke kenmerken van de verdachte kunnen worden weergegeven en of de herkenning op basis daarvan in redelijkheid heeft kunnen plaatsvinden. In het verlengde daarvan kan van belang zijn of (en in welke hoedanigheid) de verbalisant en de persoon die door de verbalisant wordt herkend, elkaar eerder hebben getroffen, met welke frequentie zij elkaar eerder hebben getroffen en wanneer zij elkaar laatstelijk hebben getroffen.
Naar het oordeel van het hof kan worden gesproken van een betrouwbare herkenning door verbalisant [verbalisant 1] die kan worden gebezigd tot het bewijs. Daartoe overweegt het hof dat verbalisant [verbalisant 1] , sinds 2019 werkzaam vanuit de politie als supportersbegeleider bij RKC, in het proces-verbaal van bevindingen heeft gerelateerd dat hij tijdens het bekijken van de foto’s enkele supporters ambtshalve heeft herkend. Daarnaast relateert de verbalisant dat hij op 24 september zelf ook werkzaam was als supportersbegeleider tijdens de wedstrijd. De diensten van een supportersbegeleider bestaan uit het contact maken met supporters, onopvallend aanwezig zijn en tussen de supporters staan.
Hij zag dat de verdachte op deze dag rondliep in het stadion met een zwarte capuchon, een zonnebril en een heuptasje en dat hij de verdachte om die reden direct op de foto herkende aan zijn kleding. Hij relateert dat de verdachte de enige van de doelgroep was die rondliep met een zwart heuptasje. Hij herkende de verdachte ook aan de kromming aan zijn heus, die hem in de eerdere wedstrijden van het seizoen direct opviel. Ook heeft verbalisant [verbalisant 1] gerelateerd dat hij de verdachte een week voorafgaand aan de wedstrijd tegen Willem II heeft gezien bij de ongeregeldheden bij de wedstrijd tegen Vitesse en dat hij vanwege die waarnemingen 100 procent zeker weet dat het de verdachte is.
Het hof overweegt dat verdachte heeft verklaard bij de wedstrijd op 21 september 2021 aanwezig te zijn geweest. Daarnaast heeft hij bevestigd dat hij een week voor deze wedstrijd ook aanwezig is geweest en toen een stadionverbod heeft gekregen. Ook heeft hij bevestigd dat hij een heuptasje heeft. Nu naar het oordeel van het hof op de bewegende camerabeelden geen contra-indicaties zijn waargenomen en ook overigens geen contra-indicaties in het dossier zijn aangetroffen die er op wijzen dat de verdachte niet de persoon met nummer 8 zou kunnen zijn, acht het hof op grond van het hiervoor overwogene bewezen dat de verdachte de persoon 8 is, die zich schuldig heeft gemaakt aan openlijk geweld.”
Cassatieklachten
2.7
In cassatie wordt geklaagd dat het hof in zijn motivering in het geheel niet zou zijn ingegaan op de hiervoor als (i) en (ii) genummerde argumenten (randnummer 10 schriftuur). Daarnaast wordt betoogd dat het hof de onder (iii) en (iv) genoemde argumenten ontoereikend gemotiveerd zou hebben verworpen, waarbij onder meer gewag wordt gemaakt van de in de feitenrechtspraak bekende notie dat “herkenning een mentaal (onbewust) proces is” (randnummer 11 schriftuur).
Het beoordelingskader
2.8
Het beoordelingskader dat bij klachten over de verwerping van uitdrukkelijk onderbouwde standpunten in acht moet worden genomen is bekend. Dit kader houdt onder meer in dat de motiveringsplicht niet zo ver gaat dat op ieder detail van de argumentatie moet worden ingegaan en dat de gemotiveerde weerlegging van zo’n standpunt ook besloten kan liggen in andere gegevens die de uitspraak bevat (HR 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9130, rov. 3.8.4 onder d onderscheidenlijk 3.8.2 onder (ii)).
2.9
Met betrekking tot de notie waar de steller van het middel naar verwijst, geldt inderdaad dat deze in de feitenrechtspraak ontwikkelde opvatting aan terrein wint. Deze opvatting houdt onder meer in dat dat een herkenning - zijnde een mentaal (onbewust) proces - naar zijn aard moeilijk in objectief verifieerbare elementen is op te delen en niet altijd onder woorden is te brengen (vgl. mijn eerdere conclusie van 17 oktober 2023, ECLI:NL:PHR:2023:922, randnummer 3.10, onder verwijzing naar andere bronnen).
De beoordeling van het middel
2.10
Anders dan de steller van het middel, meen ik niet dat het hof in het geheel niet heeft gereageerd op de genoemde argumenten onder (i; scherpte van de foto) en (ii; gelijkenis met de verdachte). De gemotiveerde weerlegging hiervan ligt immers duidelijk besloten in het arrest zoals hiervoor aangehaald. Voor wat betreft de genoemde argumenten onder (iii; specifieke kenmerken) en (iv; beïnvloeding), meen ik dat het hof hierop toereikend gemotiveerd heeft gereageerd. Daarbij merk ik nog op dat juist vanwege de notie waar ook door de steller van het middel naar wordt verwezen, het niet altijd zinvol is om te proberen de herkenning uitputtend in objectieve bewoordingen tot uitdrukking te brengen (al heeft het hof die weg ook bewandeld). Het feit dat de betrokken opsporingsambtenaar de verdachte al kende uit hoofde van zijn werk als supportersbegeleider, geeft gelet op die notie juist meer steun aan (de betrouwbaarheid van) zijn herkenning. Het gegeven dat het hof in zijn motivering ook hieraan aandacht heeft besteed maakt de weerlegging van het gevoerde verweer daarom sterk en aldus geenszins onbegrijpelijk en/of ontoereikend.
2.11
Het middel faalt.
Afronding
3.1
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
3.2
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
plv. AG