Procestaal: Nederlands.
HvJ EU, 08-12-2022, nr. C-492/22 PPU
ECLI:EU:C:2022:964
- Instantie
Hof van Justitie van de Europese Unie
- Datum
08-12-2022
- Magistraten
A. Arabadjiev, L. Bay Larsen, P. G. Xuereb, A. Kumin, I. Ziemele
- Zaaknummer
C-492/22 PPU
- Conclusie
J. Kokott
- Roepnaam
Openbaar Ministerie
- Vakgebied(en)
EU-recht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:EU:C:2022:964, Uitspraak, Hof van Justitie van de Europese Unie, 08‑12‑2022
ECLI:EU:C:2022:845, Conclusie, Hof van Justitie van de Europese Unie, 27‑10‑2022
Uitspraak 08‑12‑2022
Inhoudsindicatie
Prejudiciële verwijzing — Prejudiciële spoedprocedure — Justitiële samenwerking in strafzaken — Europees aanhoudingsbevel — Kaderbesluit 2002/584/JBZ — Artikel 6, lid 2 — Bepaling van de bevoegde rechterlijke autoriteiten — Beslissing tot uitstel van overlevering door een orgaan dat niet de hoedanigheid van uitvoerende rechterlijke autoriteit heeft — Artikel 23 — Verstrijken van de voor overlevering vastgestelde termijnen — Gevolgen — Artikel 12 en artikel 24, lid 1 — Voortzetting van de hechtenis van de gezochte persoon met het oog op strafvervolging in de uitvoerende lidstaat — Artikelen 6, 47 en 48 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie — Recht van de verdachte om tijdens zijn proces in persoon te verschijnen
A. Arabadjiev, L. Bay Larsen, P. G. Xuereb, A. Kumin, I. Ziemele
Partij(en)
ARREST VAN HET HOF (Eerste kamer)
In zaak C-492/22 PPU*,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de rechtbank Amsterdam (Nederland) bij beslissing van 22 juli 2022, ingekomen bij het Hof op 22 juli 2022, in de procedure betreffende de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel dat is uitgevaardigd tegen
CJ,
wijst
HET HOF (Eerste kamer),
samengesteld als volgt: A. Arabadjiev (rapporteur), kamerpresident, L. Bay Larsen, vicepresident van het Hof, waarnemend rechter van de Eerste kamer, P. G. Xuereb, A. Kumin en I. Ziemele, rechters,
advocaat-generaal: J. Kokott,
griffier: M. Ferreira, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 21 september 2022,
gelet op de opmerkingen van:
- —
CJ, vertegenwoordigd door A. M. V. Bandhoe, A. G. P. de Boon, J. S. Dobosz en P. M. Langereis, advocaten,
- —
het Openbaar Ministerie, vertegenwoordigd door M. Diependaal, C. L. E. McGivern en K. van der Schaft,
- —
de Nederlandse regering, vertegenwoordigd door M. K. Bulterman, M. H. S. Gijzen en J. M. Hoogveld als gemachtigden,
- —
de Europese Commissie, vertegenwoordigd door S. Noë en M. Wasmeier als gemachtigden,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 27 oktober 2022,
het navolgende
Arrest
1
Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 6, lid 2, artikel 12 en artikel 24, lid 1, van kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten (PB 2002, L 190, blz. 1, met rectificatie in PB 2020, L 118, blz. 39), zoals gewijzigd bij kaderbesluit 2009/299/JBZ van de Raad van 26 februari 2009 (PB 2009, L 81, blz. 24) (hierna: ‘kaderbesluit 2002/584’), en van de artikelen 6, 47 en 48 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: ‘Handvest’).
2
Dit verzoek is ingediend in het kader van de tenuitvoerlegging in Nederland van een Europees aanhoudingsbevel dat op 31 augustus 2021 door de Sąd Okręgowy w Krakowie Wydział III Karny (rechter in eerste aanleg Krakau, derde afdeling strafrecht, Polen) is uitgevaardigd met het oog op de uitvoering van een aan CJ opgelegde vrijheidsstraf.
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
3
De overwegingen 8, 9 en 12 van kaderbesluit 2002/584 luiden:
- ‘(8)
Beslissingen over de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel mogen pas worden genomen na een toereikende controle, hetgeen betekent dat een rechterlijke autoriteit van de lidstaat waar de gezochte persoon is aangehouden, dient te beslissen of deze al dan niet wordt overgeleverd.
- (9)
De rol van de centrale autoriteiten bij de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel moet beperkt blijven tot het verlenen van praktische en administratieve bijstand.
[…]
- (12)
Dit kaderbesluit eerbiedigt de grondrechten en voldoet aan de beginselen die worden erkend bij artikel 6 [EU] en zijn weergegeven in het [Handvest], met name in hoofdstuk VI. Niets in dit kaderbesluit staat eraan in de weg dat de overlevering kan worden geweigerd van een persoon tegen wie een Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd, indien er objectieve redenen bestaan om aan te nemen dat het Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd met het oog op vervolging of bestraffing van die persoon op grond van zijn geslacht, ras, godsdienst, etnische afstamming, nationaliteit, taal, politieke overtuiging of seksuele geaardheid of dat de positie van die persoon kan worden aangetast om een van deze redenen.’
4
Artikel 1, leden 1 en 3, van dit kaderbesluit bepaalt:
- ‘1.
Het Europees aanhoudingsbevel is een rechterlijke beslissing die door een lidstaat wordt uitgevaardigd met het oog op de aanhouding en de overlevering door een andere lidstaat van een persoon die gezocht wordt met het oog op strafvervolging of uitvoering van een tot vrijheidsbeneming strekkende straf of maatregel.
[…]
- 3.
Dit kaderbesluit kan niet tot gevolg hebben dat de verplichting tot eerbiediging van de grondrechten en de fundamentele rechtsbeginselen, zoals die zijn neergelegd in artikel 6 [EU], wordt aangetast.’
5
Artikel 2, lid 2, van dat kaderbesluit luidt als volgt:
‘Tot overlevering op grond van een Europees aanhoudingsbevel kunnen leiden, onder de voorwaarden van dit kaderbesluit en zonder toetsing van de dubbele strafbaarheid van het feit, de navolgende strafbare feiten, indien daarop in de uitvaardigende lidstaat een vrijheidsstraf of een tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel staat met een maximum van ten minste drie jaar en zoals omschreven in het recht van de uitvaardigende lidstaat:
[…]
- —
georganiseerde of gewapende diefstal,
[…]’
6
Artikel 5 van voornoemd kaderbesluit bepaalt:
‘De tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel door de uitvoerende rechterlijke autoriteit kan door het recht van de uitvoerende lidstaat afhankelijk worden gesteld van een van de volgende voorwaarden:
[…]
- 3.
indien de persoon tegen wie een Europees aanhoudingsbevel ter fine van een strafvervolging is uitgevaardigd, onderdaan of ingezetene van de uitvoerende lidstaat is, kan overlevering afhankelijk worden gesteld van de garantie dat de persoon, na te zijn gehoord, wordt teruggezonden naar de uitvoerende lidstaat om daar de vrijheidsstraf of de tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel te ondergaan die hem eventueel wordt opgelegd in de uitvaardigende lidstaat.’
7
Artikel 6, lid 2, van kaderbesluit 2002/584 luidt als volgt:
‘De uitvoerende rechterlijke autoriteit is de rechterlijke autoriteit van de uitvoerende lidstaat die bevoegd is het Europees aanhoudingsbevel uit te voeren krachtens het recht van de uitvoerende lidstaat.’
8
Artikel 7, lid 1, van dit kaderbesluit bepaalt:
‘Iedere lidstaat kan één of, indien zijn rechtsorde daarin voorziet, meer centrale autoriteiten aanwijzen om de bevoegde rechterlijke autoriteiten bij te staan.’
9
Artikel 12 van dat kaderbesluit luidt als volgt:
‘Wanneer een persoon wordt aangehouden op grond van een Europees aanhoudingsbevel, beslist de uitvoerende rechterlijke autoriteit of betrokkene in hechtenis blijft overeenkomstig het recht van de uitvoerende lidstaat. Deze persoon kan op elk tijdstip overeenkomstig het interne recht van de uitvoerende lidstaat in voorlopige vrijheid worden gesteld, onverminderd de maatregelen die de bevoegde autoriteit van die lidstaat noodzakelijk acht om de vlucht van de gezochte persoon te voorkomen.’
10
Artikel 23 van voornoemd kaderbesluit is als volgt verwoord:
- ‘1.
De gezochte persoon wordt zo spoedig mogelijk overgeleverd, op een datum die de betrokken autoriteiten in onderlinge overeenstemming vaststellen.
- 2.
De gezochte persoon wordt overgeleverd niet later dan tien dagen na de definitieve beslissing betreffende de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel.
- 3.
Indien de uitvoerende lidstaat de gezochte persoon door omstandigheden buiten de macht van enige lidstaat niet binnen de in lid 2 gestelde termijn kan overleveren, nemen de uitvoerende en de uitvaardigende rechterlijke autoriteit onmiddellijk contact met elkaar op en wordt in onderlinge overeenstemming een nieuwe datum voor de overlevering vastgesteld. In dat geval vindt overlevering plaats binnen tien dagen te rekenen vanaf de aldus vastgestelde nieuwe datum.
- 4.
De overlevering kan bij wijze van uitzondering tijdelijk worden opgeschort om ernstige humanitaire redenen, bijvoorbeeld indien er gegronde redenen bestaan om aan te nemen dat die overlevering het leven of de gezondheid van de gezochte persoon ernstig in gevaar zou brengen. De tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel vindt plaats zodra deze gronden niet langer bestaan. De uitvoerende rechterlijke autoriteit stelt de uitvaardigende rechterlijke autoriteit daarvan onmiddellijk in kennis en in onderlinge overeenstemming wordt een nieuwe datum voor overlevering vastgesteld. In dat geval vindt de overlevering plaats binnen tien dagen te rekenen vanaf de aldus vastgestelde nieuwe datum.
- 5.
Indien de persoon na het verstrijken van de in de leden 2 tot en met 4 bedoelde termijnen nog steeds in hechtenis verkeert, wordt hij in vrijheid gesteld.’
11
In artikel 24, lid 1, van kaderbesluit 2002/584 is bepaald:
‘De uitvoerende rechterlijke autoriteit kan, nadat zij tot tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel heeft besloten, de overlevering van de gezochte persoon uitstellen opdat betrokkene in de uitvoerende staat kan worden vervolgd of, indien hij reeds is veroordeeld, aldaar een straf kan ondergaan wegens een ander feit dan het in het Europees aanhoudingsbevel bedoelde feit.’
12
Artikel 26, lid 1, van dit kaderbesluit luidt als volgt:
‘De uitvaardigende lidstaat brengt elke periode van vrijheidsbeneming ten gevolge van de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel in mindering op de totale duur van de vrijheidsbeneming die in de uitvaardigende lidstaat moet worden ondergaan in geval van veroordeling tot een tot vrijheidsstraf of tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel.’
Nederlands recht
13
Kaderbesluit 2002/584 is in Nederlands recht omgezet bij de Wet van 29 april 2004 tot implementatie van het kaderbesluit van de Raad van de Europese Unie betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten van de Europese Unie (Overleveringswet) (Stb. 2004, 195), in de op het hoofdgeding toepasselijke versie (hierna: ‘Overleveringswet’).
14
Artikel 1 van de Overleveringswet luidt:
‘In deze wet wordt verstaan onder:
[…]
- e.
officier van justitie: voor zover aldus vermeld, elke officier van justitie, en overigens de officier van justitie bij het arrondissementsparket Amsterdam;
[…]’
15
Artikel 27, lid 2, van deze wet luidt als volgt:
‘Voordat het onderzoek ter zitting wordt gesloten, beslist de rechtbank ambtshalve omtrent de gevangenhouding van de opgeëiste persoon, zo deze in bewaring of in verzekering is gesteld.’
16
Artikel 33 van die wet bepaalt:
‘Een krachtens artikel 27 bevolen vrijheidsbeneming wordt — behoudens de mogelijkheid van verdere vrijheidsbeneming uit anderen hoofde — beëindigd zodra:
- a.
zulks door de rechtbank of door de officier van justitie, ambtshalve of op verzoek van de opgeëiste persoon of diens raadsman, wordt gelast;
- b.
zij sedert de dag van de uitspraak tien dagen heeft geduurd, tenzij de rechtbank, op vordering van de officier van justitie, de vrijheidsbeneming inmiddels heeft verlengd.’
17
Artikel 34 van voornoemde wet is als volgt verwoord:
- ‘1.
Verlenging van de vrijheidsbeneming als bedoeld in artikel 33, onderdeel b, kan voor ten hoogste tien dagen geschieden.
- 2.
In afwijking van het eerste lid kan de vrijheidsbeneming telkens worden verlengd met ten hoogste dertig dagen indien:
[…]
- b.
de overlevering wel is toegestaan, maar de feitelijke overlevering niet binnen de gestelde termijn heeft kunnen plaatshebben.
[…]’
18
Artikel 35 van de Overleveringswet luidt als volgt:
- ‘1.
Zo spoedig mogelijk na de uitspraak waarbij de overlevering geheel of gedeeltelijk is toegestaan, maar niet later dan tien dagen na de datum van deze uitspraak, wordt de opgeëiste persoon feitelijk overgeleverd. De officier van justitie bepaalt, na overleg met de uitvaardigende justitiële autoriteit, de tijd en plaats.
- 2.
Indien door bijzondere omstandigheden de feitelijke overlevering niet binnen de in het eerste lid gestelde termijn kan plaatsvinden, wordt in onderling overleg een nieuwe datum bepaald. De feitelijke overlevering vindt alsdan uiterlijk tien dagen na de vastgestelde datum plaats.
- 3.
Feitelijke overlevering kan bij wijze van uitzondering achterwege blijven zolang er ernstige humanitaire redenen bestaan die aan de feitelijke overlevering in de weg staan, in het bijzonder zolang het gelet op de gezondheidstoestand van de opgeëiste persoon niet verantwoord is om te reizen. De uitvaardigende justitiële autoriteit wordt onverwijld hiervan in kennis gesteld. De officier van justitie bepaalt, na overleg met de uitvaardigende justitiële autoriteit, de tijd en plaats waarop de feitelijke overlevering alsnog kan plaatsvinden. De feitelijke overlevering vindt alsdan uiterlijk tien dagen na de vastgestelde datum plaats.
- 4.
De vrijheidsbeneming van de opgeëiste persoon wordt beëindigd na het verstrijken van de in het eerste tot en met derde lid genoemde termijnen.’
19
Artikel 36 van deze wet luidt:
- ‘1.
De beslissing omtrent de tijd en de plaats van de feitelijke overlevering kan worden aangehouden, indien en zolang tegen de opgeëiste persoon een strafrechtelijke vervolging in Nederland gaande is, of een door een Nederlandse rechter tegen hem gewezen strafvonnis nog geheel of ten dele voor tenuitvoerlegging vatbaar is.
- 2.
In gevallen als voorzien in het eerste lid kan Onze Minister [van Justitie], na advies van het openbaar ministerie, bepalen dat en onder welke voorwaarden de opgeëiste persoon ten behoeve van diens berechting of de tenuitvoerlegging van een hem bij onherroepelijk vonnis opgelegde vrijheidsstraf reeds aanstonds voorlopig ter beschikking van de uitvaardigende justitiële autoriteit kan worden gesteld.
- 3.
Tot de door Onze Minister [van Justitie] te stellen voorwaarden behoort in geval van:
- a.
een lopende strafvervolging als bedoeld in het eerste lid in elk geval dat het recht op aanwezigheid van de opgeëiste persoon bij de voortzetting van de strafvervolging in Nederland zal worden gerespecteerd en dat hij de hem in Nederland opgelegde straf in Nederland zal ondergaan.
[…]’
Hoofdgeding en prejudiciële vragen
20
Op 31 augustus 2021 heeft de Sąd Okręgowy w Krakowie Wydział III Karny een Europees aanhoudingsbevel uitgevaardigd tegen CJ, Pools staatsburger, met het oog op de uitvoering in Polen van een vrijheidsstraf van twee jaar die hem is opgelegd voor dertien strafbare feiten van de categorie georganiseerde of gewapende diefstal in de zin van artikel 2, lid 2, van kaderbesluit 2002/584. Uit de aanwijzingen van de verwijzende rechter, de rechtbank Amsterdam (Nederland), blijkt dat CJ de voor die feiten opgelegde straf nog bijna helemaal moet uitzitten.
21
In het kader van de tenuitvoerlegging van dit Europees aanhoudingsbevel heeft de verwijzende rechter CJ bij beslissing van 2 juni 2022 in hechtenis geplaatst. Bij definitief geworden beslissing van 16 juni 2022 heeft deze rechter de overlevering van de betrokkene voor de in dat Europees aanhoudingsbevel vermelde strafbare feiten toegestaan.
22
Gelijktijdig met deze procedure liep er in Nederland een strafvervolging tegen CJ wegens een ander feit dan de feiten die ten grondslag liggen aan het Europees aanhoudingsbevel. Op 15 december 2021 heeft de kantonrechter in de rechtbank Den Haag (Nederland) CJ namelijk veroordeeld tot een geldboete van 360 EUR, subsidiair zeven dagen hechtenis, wegens het besturen van een motorvoertuig zonder houder te zijn van een geldig rijbewijs. Deze veroordeling is echter niet definitief, aangezien de betrokkene hoger beroep heeft ingesteld tegen het vonnis. De hoorzitting voor de rechter in hoger beroep is gepland voor november 2022 en tegen de uitspraak in hoger beroep kan nog cassatieberoep worden ingesteld. De verwijzende rechter preciseert tevens dat CJ niet heeft afgezien van zijn recht om in persoon te verschijnen op de terechtzittingen die in het kader van die strafprocedure zullen plaatsvinden.
23
Derhalve heeft de officier van justitie bij het arrondissementsparket Amsterdam (hierna: ‘officier van justitie van het parket Amsterdam’) op 17 juni 2022 de verwijzende rechter verzocht om de hechtenis van CJ met dertig dagen te verlengen, omdat hij wegens ‘bijzondere omstandigheden’ niet binnen de termijn van tien dagen zou kunnen worden overgeleverd.
24
In dit verband merkt de verwijzende rechter ten eerste op dat de beslissing om de overlevering uit te stellen toekomt aan de officier van justitie, op grond van artikel 36, lid 1, juncto artikel 35, lid 1, van de Overleveringswet. De verwijzende rechter is niet bevoegd om de rechtmatigheid van een dergelijke beslissing te beoordelen.
25
Ten tweede stelt deze rechter vast dat in de bij hem aanhangige zaak, naar Nederlands recht, uitstel van de overlevering de enige rechtvaardigingsgrond voor verlenging van de hechtenis kan zijn. Het verzoek om verlenging van de hechtenis van CJ houdt dus noodzakelijkerwijs verband met het feit dat de officier van justitie van het parket Amsterdam had besloten om de overlevering uit te stellen vanwege de in Nederland lopende strafprocedure.
26
De rechtbank Amsterdam kan immers op verzoek van de officier van justitie van het parket Amsterdam beslissen om de hechtenis van de opgeëiste persoon telkens met ten hoogste dertig dagen te verlengen zolang de strafprocedure in Nederland loopt, op voorwaarde dat de overleveringsprocedure op voldoende voortvarende wijze is gevoerd en de hechtenis bijgevolg niet buitensporig lang duurt.
27
Op 22 juni 2022 heeft de verwijzende rechter het verzoek van de officier van justitie van het parket Amsterdam toegewezen en de hechtenis van CJ met dertig dagen verlengd.
28
Op 6 juli 2022 heeft de officier van justitie van het parket Amsterdam nogmaals verzocht om verlenging van de hechtenis van CJ met dertig dagen, omdat ‘de feitelijke overlevering door bijzondere omstandigheden niet binnen de termijn van 10 dagen [kon] plaatshebben’. Deze officier van justitie heeft in wezen te kennen gegeven dat die ‘bijzondere omstandigheden’ erin bestonden dat CJ geen afstand had gedaan van zijn recht om in het kader van de procedure in hoger beroep ter terechtzitting te verschijnen.
29
Voorts heeft de officier van justitie van het parket Amsterdam aangegeven uitstel van de overlevering te zullen gelasten en periodiek om verlenging van de hechtenis van CJ te zullen verzoeken zolang de tegen hem in Nederland ingeleide strafprocedure loopt. Op 6 juli 2022 heeft de verwijzende rechter het verzoek van de officier van justitie van het parket Amsterdam ingewilligd en de hechtenis van CJ opnieuw met dertig dagen verlengd.
30
In deze context vraagt de verwijzende rechter zich in de eerste plaats af of CJ in hechtenis kan blijven wanneer zijn overlevering aan de uitvaardigende lidstaat is uitgesteld op grond dat er tegen hem een strafprocedure loopt in de uitvoerende lidstaat.
31
Dienaangaande merkt de verwijzende rechter op dat de artikelen 12 en 24 van kaderbesluit 2002/584 zich er niet tegen verzetten dat een persoon in de situatie van CJ in hechtenis wordt gehouden totdat de hem betreffende strafrechtelijke procedures in Nederland zijn afgerond. Deze bepalingen vormen dus, gelezen in samenhang met de artikelen 33 tot en met 36 van de Overleveringswet, een duidelijke en toegankelijke rechtsgrondslag die de nationale autoriteiten de bevoegdheid verleent om een persoon tegen wie een Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd in hechtenis te houden wanneer zijn overlevering is uitgesteld.
32
Volgens de verwijzende rechter resteert alleen de vraag of de hechtenis van deze persoon daardoor niet buitensporig lang zou duren, hetgeen in strijd zou zijn met de vereisten van artikel 6 van het Handvest.
33
In de tweede plaats brengt de verwijzende rechter in herinnering dat het krachtens artikel 24, lid 1, van kaderbesluit 2002/584 aan de ‘uitvoerende rechterlijke autoriteit’ staat om te besluiten tot uitstel van de overlevering teneinde strafvervolging in de uitvoerende lidstaat mogelijk te maken. Zoals blijkt uit punt 24 van het onderhavige arrest, is in casu de officier van justitie van het parket Amsterdam bevoegd om te beslissen over het eventuele uitstel van de overlevering.
34
De verwijzende rechter herinnert er in dit verband ten eerste aan dat het Hof in punt 67 van het arrest van 24 november 2020, Openbaar Ministerie (Valsheid in geschrifte) (C-510/19, EU:C:2020:953), reeds heeft geoordeeld dat een dergelijke officier van justitie niet kan worden aangemerkt als ‘uitvoerende rechterlijke autoriteit’ vanwege de invloed die de uitvoerende macht op dat orgaan kan uitoefenen. Ten tweede benadrukt de verwijzende rechter met betrekking tot de toepassing van artikel 23, lid 2, van kaderbesluit 2002/584 dat het Hof in het arrest van 28 april 2022, C en CD (Juridische belemmeringen voor de tenuitvoerlegging van een beslissing tot overlevering) (C-804/21 PPU, EU:C:2022:307), heeft geoordeeld dat de beoordeling of er sprake is van overmacht in de zin van die bepaling, en in voorkomend geval het vaststellen van een nieuwe datum voor de overlevering, beslissingen over de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel vormen, die derhalve krachtens artikel 6, lid 2, van dat kaderbesluit, gelezen in het licht van overweging 8 ervan, onder de exclusieve bevoegdheid van de uitvoerende rechterlijke autoriteit vallen.
35
Tegen deze achtergrond rijst de vraag of de in artikel 24, lid 1, van kaderbesluit 2002/584 bedoelde beslissing om uitstel van de overlevering te gelasten een beslissing over de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel is, die krachtens artikel 6, lid 2, van dit kaderbesluit moet worden genomen door de uitvoerende rechterlijke autoriteit.
36
Voorts stelt de verwijzende rechter vast dat, buiten de in artikel 23, leden 3 en 4, van kaderbesluit 2002/584 bedoelde gevallen van uitstel van overlevering, de overlevering op grond van artikel 23, leden 2 en 5, binnen tien dagen moet plaatsvinden. Aangezien deze termijnen in casu niet in acht zijn genomen, vraagt die rechter zich af of CJ in hechtenis kan worden gehouden, gelet op het feit dat de verlenging van zijn hechtenis in wezen wordt gerechtvaardigd door de beslissing om de overlevering uit te stellen.
37
Mocht het Hof oordelen dat de officier van justitie van het parket Amsterdam niet kan worden aangemerkt als ‘uitvoerende rechterlijke autoriteit’ en dus geen beslissing tot uitstel van de overlevering in de zin van artikel 24, lid 1, van kaderbesluit 2002/584 kan nemen, vraagt de verwijzende rechter zich af welke gevolgen deze omstandigheden zouden hebben voor de situatie van CJ.
38
In de derde plaats merkt de verwijzende rechter ten eerste op dat de feitelijke overlevering van CJ met meerdere maanden zou kunnen worden uitgesteld, gelet op, allereerst, het voornemen van de officier van justitie van het parket Amsterdam om te vragen om uitstel tot aan de afloop van de in Nederland lopende strafprocedure en, voorts, het feit dat tegen de beslissing van de rechter in hoger beroep nog cassatieberoep kan worden ingesteld.
39
Ten tweede merkt deze rechter op dat CJ in de uitvaardigende lidstaat een vrijheidsstraf moet ondergaan, terwijl hij in de uitvoerende lidstaat slechts wordt vervolgd voor een veel minder ernstig strafbaar feit dat waarschijnlijk tot een minder zware straf zal leiden. Gelet op, ten eerste, de eventuele verlenging van zijn hechtenis in Nederland en, ten tweede, de uit artikel 26, lid 1, van kaderbesluit 2002/584 voortvloeiende verplichting om elke periode van vrijheidsbeneming in de uitvoerende lidstaat ten gevolge van de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel in mindering te brengen op de straf die in de uitvaardigende lidstaat moet worden ondergaan, zou CJ de facto in de uitvoerende lidstaat, dat wil zeggen in Nederland, een aanzienlijk deel uitzitten van de vrijheidsstraf waartoe hij in Polen is veroordeeld. Een dergelijk gevolg draagt niet bij tot het verhogen van de kansen van de betrokkene op sociale re-integratie in de uitvaardigende lidstaat.
40
Tegen deze achtergrond vraagt de verwijzende rechter zich af of hij, wanneer hij uitspraak moet doen op een verzoek tot verlenging van de hechtenis van de persoon tegen wie een Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd, de betrokken belangen tegen elkaar moet afwegen. In het bijzonder vraagt deze rechter zich af of hij een afweging moet maken die vergelijkbaar is met die welke krachtens artikel 5, punt 3, van kaderbesluit 2002/584 van de uitvaardigende rechterlijke autoriteit wordt verlangd wanneer zij beslist over de datum waarop de overgeleverde persoon zal worden teruggezonden naar de uitvoerende lidstaat om daar zijn vrijheidsstraf uit te zitten. De verwijzende rechter brengt namelijk in herinnering dat het Hof in het arrest van 11 maart 2020, SF (Europees aanhoudingsbevel — Garantie tot terugzending naar de tenuitvoerleggingsstaat) (C-314/18, EU:C:2020:191), die bepaling aldus heeft uitgelegd dat het de uitvaardigende rechterlijke autoriteit niet vrijstaat om de terugzending van de betrokkene naar de uitvoerende lidstaat stelselmatig en automatisch uit te stellen totdat de andere procedurele stappen in het kader van de strafprocedure met betrekking tot het strafbare feit dat aan het Europees aanhoudingsbevel ten grondslag ligt, definitief zijn afgerond.
41
Volgens de verwijzende rechter zou een overeenkomstige toepassing van deze rechtspraak op de bij hem aanhangige zaak betekenen dat de uitvoerende autoriteit de overlevering niet kan uitstellen op de enkele grond dat de opgeëiste persoon geen afstand heeft gedaan van zijn recht om in persoon te verschijnen voor de rechterlijke instanties waarbij de strafprocedure die in de uitvoerende lidstaat tegen hem is ingeleid, aanhangig is.
42
Tegen deze achtergrond heeft de rechtbank Amsterdam de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:
- ‘1)
Verzetten de artikelen 12 en 24, eerste lid, van [kaderbesluit 2002/584], gelezen in samenhang met artikel 6 van [het Handvest], zich ertegen dat een opgeëiste persoon, van wie de overlevering ter fine van tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf definitief is toegestaan maar is uitgesteld ‘opdat betrokkene in de uitvoerende staat kan worden vervolgd […] wegens een ander feit dan het in het Europees aanhoudingsbevel bedoelde feit’, gedurende die strafvervolging in hechtenis wordt gehouden ter uitvoering van dat Europees aanhoudingsbevel?
- 2)
- a)
Is de beslissing om de in artikel 24, eerste lid, van [kaderbesluit 2002/584] bedoelde bevoegdheid tot uitstel van de overlevering toe te passen een beslissing over de tenuitvoerlegging van het [Europees aanhoudingsbevel], die op grond van artikel 6, tweede lid, van [kaderbesluit 2002/584], gelezen in samenhang met overweging 8 van dit kaderbesluit, moet worden genomen door de uitvoerende rechterlijke autoriteit?
- b)
Zo ja, heeft de omstandigheid dat die beslissing is genomen zonder tussenkomst door een uitvoerende rechterlijke autoriteit in de zin van artikel 6, tweede lid, van [kaderbesluit 2002/584] tot gevolg dat een opgeëiste persoon niet meer in hechtenis mag worden gehouden ter uitvoering van het tegen hem uitgevaardigde Europees aanhoudingsbevel?
- 3)
- a)
Verzet artikel 24, eerste lid, van [kaderbesluit 2002/584], gelezen in samenhang met de artikelen 47 en 48 van [het Handvest], zich ertegen dat de overlevering van een opgeëiste persoon wordt uitgesteld met het oog op strafvervolging in de uitvoerende lidstaat om de enkele reden dat de opgeëiste persoon desgevraagd geen afstand wenst te doen van zijn aanwezigheidsrecht in die strafvervolging?
- b)
Zo ja, welke factoren moet de uitvoerende rechterlijke autoriteit dan betrekken bij haar beslissing over uitstel van de daadwerkelijke overlevering?’
Verzoek om toepassing van de prejudiciële spoedprocedure
43
De verwijzende rechter heeft het Hof verzocht om deze prejudiciële verwijzing te behandelen volgens de prejudiciële spoedprocedure als bedoeld in artikel 23 bis, eerste alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie en artikel 107 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof.
44
Ter ondersteuning van dit verzoek geeft die rechter ten eerste aan dat CJ zich sinds 2 juni 2022 in overleveringsdetentie bevindt. Ten tweede zal het antwoord van het Hof op de prejudiciële vragen een rechtstreekse en doorslaggevende invloed hebben op de duur van de detentie van de betrokkene.
45
In dit verband moet in de eerste plaats in herinnering worden gebracht dat de onderhavige prejudiciële verwijzing de uitlegging betreft van kaderbesluit 2002/584, dat valt onder titel V van het derde deel van het VWEU, betreffende de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht. Deze verwijzing kan derhalve volgens de prejudiciële spoedprocedure worden behandeld.
46
Wat in de tweede plaats de voorwaarde van spoedeisendheid betreft, moet worden benadrukt dat aan deze voorwaarde met name is voldaan wanneer de betrokkene in het hoofdgeding thans zijn vrijheid is ontnomen en het van de beslechting van dat geding afhangt of zijn hechtenis wordt voortgezet, met dien verstande dat de situatie van de betrokkene moet worden beoordeeld zoals die zich voordoet op het tijdstip van het onderzoek van het verzoek om de prejudiciële verwijzing volgens de spoedprocedure te behandelen (zie in die zin arrest van 30 juni 2022, Valstybės sienos apsaugos tarnyba e.a., C-72/22 PPU, EU:C:2022:505, punt 37).
47
In casu blijkt uit de door de verwijzende rechter gegeven beschrijving van de feiten dat CJ, de betrokkene in het hoofdgeding, ten tijde van het onderzoek van het verzoek om de prejudiciële verwijzing volgens de spoedprocedure te behandelen, feitelijk zijn vrijheid is ontnomen.
48
Voorts strekken de vragen van de verwijzende rechter ertoe dat wordt bepaald onder welke voorwaarden een persoon in de situatie van CJ, wiens overlevering aan de autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ter tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel is uitgesteld met het oog op een strafprocedure die in de uitvoerende lidstaat tegen hem is ingeleid, in hechtenis kan worden gehouden.
49
In die omstandigheden heeft de Eerste kamer van het Hof op 3 augustus 2022, op voorstel van de rechter-rapporteur, de advocaat-generaal gehoord, besloten het verzoek van de verwijzende rechter om de onderhavige prejudiciële verwijzing volgens de spoedprocedure te behandelen, in te willigen.
Beantwoording van de prejudiciële vragen
Tweede vraag
50
Met zijn tweede vraag, die als eerste dient te worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 24, lid 1, van kaderbesluit 2002/584 aldus moet worden uitgelegd dat de in die bepaling bedoelde beslissing om de overlevering uit te stellen een beslissing over de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel vormt die krachtens artikel 6, lid 2, van dat kaderbesluit door de uitvoerende rechterlijke autoriteit moet worden genomen. Zo ja, dan wenst de verwijzende rechter te vernemen of, wanneer een dergelijk besluit is genomen door een andere entiteit dan de uitvoerende rechterlijke autoriteit, de persoon tegen wie het Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd in hechtenis kan worden gehouden met het oog op de tenuitvoerlegging van dat aanhoudingsbevel.
51
Wat het eerste onderdeel van deze vraag betreft, moet in de eerste plaats worden vastgesteld dat uit de bewoordingen van artikel 24, lid 1, van kaderbesluit 2002/584 duidelijk blijkt dat het aan de uitvoerende rechterlijke autoriteit staat om de overlevering van de gezochte persoon uit te stellen. Wanneer de betekenis van een bepaling van Unierecht ondubbelzinnig uit de bewoordingen ervan blijkt, mag het Hof niet van deze uitlegging afwijken (arrest van 25 januari 2022, VYSOČINA WIND, C-181/20, EU:C:2022:51, punt 39).
52
Het klopt dat uit artikel 7 van kaderbesluit 2002/584, gelezen in samenhang met overweging 9 ervan, blijkt dat de rol van een andere autoriteit dan de uitvoerende rechterlijke autoriteit — zoals de in dat artikel bedoelde ‘centrale autoriteit’ — beperkt moet blijven tot het verlenen van praktische en administratieve bijstand aan de bevoegde rechterlijke autoriteiten [zie in die zin arrest van 28 april 2022, C en CD (Juridische belemmeringen voor de tenuitvoerlegging van een beslissing tot overlevering), C-804/21 PPU, EU:C:2022:307, punt 65].
53
De uitoefening van de in artikel 24, lid 1, van kaderbesluit 2002/584 geboden mogelijkheid gaat echter verder dan louter ‘praktische en administratieve bijstand’ waarmee centrale autoriteiten kunnen worden belast. De beslissing tot uitstel van de overlevering, die een schorsing van de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel met zich meebrengt voor minstens dezelfde duur als die van dat uitstel, raakt immers de kern zelf van de bij kaderbesluit 2002/584 ingevoerde mechanismen van samenwerking tussen de rechterlijke autoriteiten van de lidstaten.
54
Bijgevolg valt een beslissing tot uitstel van de overlevering, aangezien zij een beslissing over de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel vormt, krachtens artikel 6, lid 2, van kaderbesluit 2002/584 onder de exclusieve bevoegdheid van de uitvoerende rechterlijke autoriteit.
55
Wat in casu de mogelijkheid betreft om de officier van justitie van het parket Amsterdam aan te merken als ‘uitvoerende rechterlijke autoriteit’ in de zin van artikel 6, lid 2, van kaderbesluit 2002/584, dient in herinnering te worden gebracht dat het Hof in punt 67 van het arrest van 24 november 2020, Openbaar Ministerie (Valsheid in geschrifte) (C-510/19, EU:C:2020:953), reeds heeft geoordeeld dat deze autoriteit niet onder dat begrip valt aangezien zij individuele instructies kan ontvangen van de Nederlandse minister van Justitie. Aldus lijkt de beslissing om de in het hoofdgeding aan de orde zijnde overlevering uit te stellen, aangezien deze is genomen door de officier van justitie van het parket Amsterdam, niet te zijn genomen door een dergelijke ‘uitvoerende rechterlijke autoriteit’, hetgeen de verwijzende rechter dient te bepalen.
56
Betreffende in de tweede plaats de gevolgen die met betrekking tot de voortzetting van de hechtenis van de gezochte persoon moeten worden verbonden aan de eventuele vaststelling dat een beslissing tot uitstel van de overlevering onrechtmatig is, waarop het tweede onderdeel van de tweede vraag betrekking heeft, bevat artikel 24, lid 1, van kaderbesluit 2002/584 geen verduidelijking.
57
Opgemerkt moet worden dat indien bij de vaststelling van een beslissing om de overlevering van de gezochte persoon uit te stellen geen ‘uitvoerende rechterlijke autoriteit’ in de zin van artikel 6, lid 2, van kaderbesluit 2002/584 betrokken is, die beslissing niet voldoet aan de formele vereisten van artikel 24, lid 1, van dat kaderbesluit [zie naar analogie arrest van 28 april 2022, C en CD (Juridische belemmeringen voor de tenuitvoerlegging van een beslissing tot overlevering), C-804/21 PPU, EU:C:2022:307, punten 67–69].
58
Voor zover de beslissing tot tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel is vastgesteld overeenkomstig artikel 15 van kaderbesluit 2002/584, dat met name de tussenkomst van de uitvoerende rechterlijke autoriteit verlangt, moet dus worden vastgesteld dat een dergelijke situatie valt onder artikel 23 van dit kaderbesluit, dat de termijnen voor de overlevering vaststelt.
59
In dit verband bepaalt artikel 23, lid 1, van kaderbesluit 2002/584 dat, zodra de definitieve beslissing over de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel is genomen, de uitvoerende rechterlijke autoriteit de gezochte of veroordeelde persoon zo spoedig mogelijk moet overleveren op een datum die de betrokken autoriteiten in onderlinge overeenstemming vaststellen. Hoewel lid 2 van dit artikel bepaalt dat de betrokkene niet later dan tien dagen na de definitieve beslissing over de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel wordt overgeleverd, worden in de leden 3 en 4 van dat artikel de termijnen voor overlevering vastgesteld voor gevallen waarin de overlevering wegens overmacht of om ernstige humanitaire redenen niet mogelijk is. Indien de gezochte persoon na het verstrijken van de in de leden 2 tot en met 4 van dat artikel bedoelde termijnen nog steeds in hechtenis verkeert, wordt hij overeenkomstig artikel 23, lid 5, van dat kaderbesluit in vrijheid gesteld.
60
In die omstandigheden moet, wanneer de beslissing tot uitstel van overlevering niet is genomen door een ‘uitvoerende rechterlijke autoriteit’ in de zin van artikel 6, lid 2, van kaderbesluit 2002/584, ervan worden uitgegaan dat — zodra op geldige wijze een definitieve beslissing over de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel is genomen — de bevoegde autoriteit van de uitvoerende lidstaat op grond van artikel 23, lid 5, van dat kaderbesluit verplicht is om de gezochte persoon in vrijheid te stellen, onverminderd de toepassing van eventuele maatregelen die de bevoegde autoriteit van die lidstaat overeenkomstig artikel 12 van dat kaderbesluit noodzakelijk acht om de vlucht van de gezochte persoon te voorkomen.
61
Zoals de advocaat-generaal heeft aangegeven in de punten 40 en 41 van haar conclusie, kan in casu niet worden uitgesloten dat de verwijzende rechter de Overleveringswet in overeenstemming met de vereisten van artikel 24, lid 1, van kaderbesluit 2002/584 kan uitleggen en zijn eigen beslissing tot uitstel in de plaats kan stellen van die van de officier van justitie van het parket Amsterdam na deze onrechtmatig te verklaren, en daarbij in voorkomend geval de hechtenis van CJ kan voortzetten.
62
In dit verband volgt uit de rechtspraak van het Hof dat kaderbesluit 2002/584 weliswaar geen rechtstreekse werking heeft, aangezien het is vastgesteld op basis van de voormalige derde pijler van de Unie, meer in het bijzonder met toepassing van artikel 34, lid 2, onder b), EU (zie in die zin arrest van 24 juni 2019, Popławski, C-573/17, EU:C:2019:530, punt 69), maar dat het dwingende karakter ervan de nationale autoriteiten, en in het bijzonder de nationale rechterlijke instanties, niettemin tot conforme uitlegging van hun nationale recht verplicht (zie in die zin arrest van 8 november 2016, Ognyanov, C-554/14, EU:C:2016:835, punt 58 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
63
De nationale rechter die bij de toepassing van zijn nationale recht tot uitlegging daarvan moet overgaan, moet dit zo veel mogelijk doen in het licht van de bewoordingen en het doel van voornoemd kaderbesluit, teneinde het daarmee beoogde resultaat te bereiken. Deze verplichting tot conforme uitlegging van het nationale recht is inherent aan het systeem van het VWEU, aangezien het de nationale rechter in staat stelt binnen het kader van zijn bevoegdheden de volle werking van het Unierecht te verzekeren bij de beslechting van de bij hem aanhangige gedingen (arrest van 8 november 2016, Ognyanov, C-554/14, EU:C:2016:835, punt 59 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
64
Indien de verwijzende rechter de Overleveringswet niet kan uitleggen op een wijze die voldoet aan de vereisten van kaderbesluit 2002/584, volgt uit artikel 23, lid 5, van dat kaderbesluit dat hij verplicht is om een persoon in de situatie van CJ in vrijheid te stellen wanneer hij vaststelt dat de in de leden 2 tot en met 4 van dat artikel 23 gestelde termijnen zijn overschreden.
65
Gelet op al deze overwegingen moet op de tweede vraag worden geantwoord dat artikel 24, lid 1, van kaderbesluit 2002/584 aldus moet worden uitgelegd dat de in die bepaling bedoelde beslissing om de overlevering uit te stellen een beslissing over de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel vormt die krachtens artikel 6, lid 2, van dit kaderbesluit moet worden genomen door de uitvoerende rechterlijke autoriteit. Wanneer een dergelijke beslissing niet door die autoriteit is genomen en de in artikel 23, leden 2 tot en met 4, van dat kaderbesluit bedoelde termijnen zijn verstreken, moet de persoon waartegen het Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd op grond van artikel 23, lid 5, van dat kaderbesluit in vrijheid worden gesteld.
Eerste vraag
66
Met zijn eerste vraag, die als tweede dient te worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 12 en artikel 24, lid 1, van kaderbesluit 2002/584, gelezen in samenhang met artikel 6 van het Handvest, aldus moeten worden uitgelegd dat zij eraan in de weg staan dat een persoon tegen wie een Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd en wiens overlevering aan de autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat is uitgesteld met het oog op een strafprocedure die in de uitvoerende lidstaat tegen hem is ingeleid, op basis van dat Europees aanhoudingsbevel aldaar in hechtenis wordt gehouden gedurende de behandeling van de betrokken strafzaak.
67
Volgens vaste rechtspraak moet bij de uitlegging van een Unierechtelijke bepaling niet alleen rekening worden gehouden met de bewoordingen ervan, maar ook met de context en met de doelstellingen van de regeling waarvan zij deel uitmaakt (arrest van 18 november 2020, Kaplan International colleges UK, C-77/19, EU:C:2020:934, punt 39 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
68
In de eerste plaats moet worden opgemerkt dat artikel 12 van kaderbesluit 2002/584 bepaalt dat wanneer een persoon wordt aangehouden op grond van een Europees aanhoudingsbevel, de uitvoerende rechterlijke autoriteit beslist of de betrokkene in hechtenis blijft overeenkomstig het nationale recht van de uitvoerende lidstaat. Deze persoon kan op elk tijdstip overeenkomstig het nationale recht in voorlopige vrijheid worden gesteld, mits de bevoegde autoriteit van die lidstaat alle maatregelen neemt die zij noodzakelijk acht om zijn vlucht te voorkomen.
69
Voorts kan de uitvoerende rechterlijke autoriteit volgens artikel 24, lid 1, van dat kaderbesluit, nadat zij tot tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel heeft besloten, de overlevering van de gezochte persoon uitstellen opdat de betrokkene in de uitvoerende staat kan worden vervolgd of, indien hij reeds is veroordeeld, aldaar een straf kan ondergaan wegens een ander feit dan het in het Europees aanhoudingsbevel bedoelde feit.
70
Uit de bewoordingen van deze bepalingen blijkt niet dat zij zich ertegen verzetten dat de hechtenis van de persoon tegen wie een Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd, overeenkomstig het nationale recht van de uitvoerende lidstaat wordt voortgezet wanneer hij in die lidstaat strafrechtelijk wordt vervolgd voor een ander feit dan dat waarop dat bevel betrekking heeft.
71
Wat in de tweede plaats de context van deze bepalingen betreft, klopt het dat uit artikel 23 van kaderbesluit 2002/584 volgt dat bij het verstrijken van de in de leden 2 en 4 van dat artikel gestelde termijnen, de gezochte persoon op grond van lid 5 ervan in vrijheid moet worden gesteld, te weten niet later dan tien dagen na de definitieve beslissing over de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel of de vastgestelde nieuwe datum, naargelang het geval.
72
Zoals de advocaat-generaal in punt 66 van haar conclusie heeft opgemerkt, vormt de mogelijkheid om de overlevering op basis van de in artikel 24, lid 1, van kaderbesluit 2002/584 genoemde gronden uit te stellen echter een bijzondere regel, die zich onderscheidt van de in artikel 23 van dit besluit vervatte regels voor de uitvoering van de overlevering.
73
Bijgevolg zijn de termijnen van artikel 23, lid 5, van kaderbesluit 2002/584 niet van toepassing in geval van uitstel van de overlevering op grond van artikel 24 van dit kaderbesluit, zodat de uitvoerende rechterlijke autoriteit op grondslag van artikel 12 van dat kaderbesluit kan beslissen om de persoon tegen wie een Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd in hechtenis te houden.
74
In de derde plaats draagt de in punt 70 van het onderhavige arrest gegeven uitlegging van de artikelen 12 en 24 van kaderbesluit 2002/584 bij tot de verwezenlijking van de doelstellingen van dit kaderbesluit, met name de doelstelling om straffeloosheid te bestrijden [zie in die zin arrest van 22 februari 2022, Openbaar Ministerie (Bij wet ingesteld gerecht in de uitvaardigende lidstaat), C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, EU:C:2022:100, punt 62].
75
Indien het niet mogelijk zou zijn om een dergelijke persoon in hechtenis te houden tot de datum van het einde van het uitstel van zijn overlevering op grond van artikel 24, lid 1, van kaderbesluit 2002/584, zou het risico dat diegene vlucht, en dus het risico dat afbreuk wordt gedaan aan de goede uitvoering van het tegen hem uitgevaardigde Europees aanhoudingsbevel, immers ontegenzeglijk toenemen.
76
In de vierde plaats staat aan een dergelijke uitlegging van de artikelen 12 en 24 van kaderbesluit 2002/584 evenmin in de weg dat deze bepalingen moeten worden uitgelegd in overeenstemming met artikel 6 van het Handvest, dat bepaalt dat eenieder recht heeft op vrijheid en veiligheid van zijn persoon.
77
In dit verband is in artikel 1, lid 3, van kaderbesluit 2002/584 uitdrukkelijk bepaald dat dit kaderbesluit geen afbreuk kan doen aan de verplichting tot eerbiediging van de grondrechten en de fundamentele rechtsbeginselen, zoals die zijn neergelegd in artikel 6 EU en zijn weergegeven in het Handvest. Bovendien geldt die verplichting voor alle lidstaten, met name voor zowel de uitvaardigende als de uitvoerende lidstaat (arrest van 12 februari 2019, TC, C-492/18 PPU, EU:C:2019:108, punt 54 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
78
Ook moet in herinnering worden gebracht dat in artikel 52, lid 1, van het Handvest wordt erkend dat de uitoefening van rechten zoals die welke in artikel 6 daarvan zijn verankerd, aan beperkingen kan worden onderworpen, voor zover die beperkingen bij wet worden gesteld, de wezenlijke inhoud van die rechten en vrijheden eerbiedigen, het evenredigheidsbeginsel in acht nemen, noodzakelijk zijn en daadwerkelijk beantwoorden aan door de Unie erkende doelstellingen van algemeen belang of aan de eisen van de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen (arrest van 12 februari 2019, TC, C-492/18 PPU, EU:C:2019:108, punt 56 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
79
Bovendien volgt uit artikel 52, lid 3, van het Handvest dat voor zover daarin rechten zijn opgenomen die overeenstemmen met rechten die worden gewaarborgd door het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend te Rome op 4 november 1950 (EVRM), de inhoud en de reikwijdte ervan dezelfde zijn als die welke er door dat verdrag aan worden toegekend. Met het oog daarop voegt artikel 53 van het Handvest hieraan toe dat geen van de bepalingen ervan mag worden uitgelegd als zou zij een beperking vormen van of afbreuk doen aan de rechten die met name door het EVRM worden erkend (arrest van 16 juli 2015, Lanigan, C-237/15 PPU, EU:C:2015:474, punt 56 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
80
Dienaangaande dient eraan te worden herinnerd dat het door kaderbesluit 2002/584 ingevoerde mechanisme van het Europees aanhoudingsbevel overeenkomt met de in artikel 5, lid 1, onder f), EVRM bedoelde situatie [arrest van 30 juni 2022, Spetsializirana prokuratura (Informatie over de nationale aanhoundingsbeslissing), C-105/21, EU:C:2022:511, punt 56 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
81
Wat artikel 12 van dit kaderbesluit betreft, moet worden opgemerkt dat uit deze bepaling volgt dat het aan de uitvoerende rechterlijke autoriteit staat om te beslissen of de gezochte of veroordeelde persoon in hechtenis blijft overeenkomstig het recht van de uitvoerende lidstaat, en dat deze persoon op elk tijdstip overeenkomstig dat recht in voorlopige vrijheid kan worden gesteld, op voorwaarde dat de bevoegde autoriteit van die lidstaat alle maatregelen neemt die zij noodzakelijk acht om zijn vlucht te voorkomen.
82
Wanneer de uitvoerende rechterlijke autoriteit besluit de overlevering uit te stellen op grond van artikel 24, lid 1, van dat kaderbesluit, kan deze autoriteit bovendien, in overeenstemming met artikel 6 van het Handvest, alleen besluiten de hechtenis van de gezochte of veroordeelde persoon te handhaven als de overleveringsprocedure op voldoende voortvarende wijze is gevoerd en de hechtenis bijgevolg niet buitensporig lang duurt. Om zich ervan te vergewissen dat dit het geval is, moet die autoriteit de betrokken situatie concreet toetsen, waarbij zij rekening dient te houden met alle relevante factoren (zie in die zin arrest van 25 januari 2017, Vilkas, C-640/15, EU:C:2017:39, punt 43).
83
Gelet op deze overwegingen moet op de eerste vraag worden geantwoord dat artikel 12 en artikel 24, lid 1, van kaderbesluit 2002/584, gelezen in samenhang met artikel 6 van het Handvest, aldus moeten worden uitgelegd dat zij er niet aan in de weg staan dat een persoon tegen wie een Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd en wiens overlevering aan de autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat is uitgesteld met het oog op een strafprocedure die in de uitvoerende lidstaat tegen hem is ingeleid, op basis van het Europees aanhoudingsbevel aldaar in hechtenis wordt gehouden gedurende de behandeling van de betrokken strafzaak.
Derde vraag
84
Met zijn derde vraag wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 24, lid 1, van kaderbesluit 2002/584, gelezen in samenhang met artikel 47 en artikel 48, lid 2, van het Handvest, aldus moet worden uitgelegd dat het zich ertegen verzet dat de overlevering van een persoon tegen wie een Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd, met het oog op een in de uitvoerende lidstaat tegen hem ingeleide strafprocedure wordt uitgesteld op de enkele grond dat die persoon geen afstand heeft gedaan van zijn recht om in persoon te verschijnen voor de rechterlijke instanties waarbij die procedure aanhangig is. Zo ja, dan wenst de verwijzende rechter te vernemen welke factoren de uitvoerende rechterlijke autoriteit in aanmerking moet nemen bij haar beslissing over het uitstel van de overlevering.
85
Artikel 24, lid 1, van kaderbesluit 2002/584 bepaalt dat de uitvoerende rechterlijke autoriteit, nadat zij tot tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel heeft besloten, de overlevering van de gezochte persoon kan uitstellen opdat betrokkene in de uitvoerende staat kan worden vervolgd of, indien hij reeds is veroordeeld, aldaar een straf kan ondergaan wegens een ander feit dan het in het Europees aanhoudingsbevel bedoelde feit.
86
Uit de bewoordingen van deze bepaling blijkt duidelijk dat zij de uitvoerende rechterlijke autoriteit een discretionaire bevoegdheid toekent bij de vaststelling van een beslissing tot uitstel van de overlevering, waarvan de uitoefening uitsluitend afhankelijk is van de voorwaarde dat de beslissing wordt genomen met het oog op strafvervolging in de uitvoerende lidstaat of de tenuitvoerlegging van een straf die is opgelegd wegens een ander feit dan dat waarop het Europees aanhoudingsbevel betrekking heeft.
87
In dit verband moet worden opgemerkt dat volgens de bewoordingen van deze bepaling weliswaar geen aanvullende voorwaarde wordt verbonden aan de uitoefening van de daarin geboden mogelijkheid, doch dat kaderbesluit 2002/584 blijkens artikel 1, lid 3, ervan, gelezen in het licht van overweging 12, moet worden uitgelegd in overeenstemming met de vereisten in verband met de eerbiediging van de grondrechten.
88
Het recht van een verdachte om in persoon te verschijnen tijdens een strafprocedure, dat een wezenlijk onderdeel vormt van het in artikel 47, tweede en derde alinea, en artikel 48, lid 2, van het Handvest verankerde recht op een eerlijk proces, verplicht de lidstaten te waarborgen dat de verdachte het recht heeft om gedurende zijn proces in de rechtszaal aanwezig te zijn [zie in die zin arrest van 15 september 2022, HN (Proces van een verdachte die van het grondgebied is verwijderd), C-420/20, EU:C:2022:679, punten 54–56].
89
Indien de uitvoerende rechterlijke autoriteit van een lidstaat zou besluiten om de overlevering van een gezochte persoon die in die lidstaat strafrechtelijk wordt vervolgd, niet uit te stellen, zou deze lidstaat dus verplicht zijn om alle consequenties te trekken die voortvloeien uit de eerbiediging van dat recht in het kader van de organisatie van het proces tegen die persoon, teneinde hem een reële mogelijkheid te bieden om daaraan deel te nemen [zie in die zin arrest van 15 september 2022, HN (Proces van een verdachte die van het grondgebied is verwijderd), C-420/20, EU:C:2022:679, punt 61].
90
De vaststelling door de uitvoerende rechterlijke autoriteit van een beslissing om de overlevering uit te stellen, heeft daarentegen niet tot gevolg dat het proces tegen de gezochte persoon in de uitvoerende lidstaat in zijn afwezigheid zal plaatsvinden, zodat zij op zich geen afbreuk kan doen aan het recht van deze persoon om te verschijnen tijdens zijn proces.
91
Tegen deze achtergrond moet worden vastgesteld dat de uitvoerende rechterlijke autoriteit weliswaar geenszins verplicht is om te beslissen de overlevering uit te stellen op basis van het recht van de verdachte om in persoon te verschijnen tijdens zijn proces, maar dat niets haar belet om, gelet op de discretionaire bevoegdheid waarover zij in dit verband beschikt, de overlevering uit te stellen om te verzekeren dat dit recht wordt geëerbiedigd in de in de uitvoerende lidstaat lopende strafprocedure.
92
Tot de overwegingen die in deze context van belang kunnen zijn voor de beslissing om de overlevering van de gezochte persoon uit te stellen, behoren met name het belang van de uitvoerende lidstaat om de strafprocedure tegen deze persoon tot een goed einde te brengen, het belang van de uitvaardigende lidstaat om onverwijld de overlevering van deze persoon te verkrijgen met het oog op strafvervolging of tenuitvoerlegging van een straf voor het strafbare feit waarop het Europees aanhoudingsbevel betrekking heeft, en de ernst van de in die lidstaten gepleegde strafbare feiten.
93
Ten slotte dient in herinnering te worden gebracht dat volgens artikel 24, lid 2, van kaderbesluit 2002/584 de uitvoerende rechterlijke autoriteit de mogelijkheid heeft om, in plaats van de overlevering uit te stellen, de gezochte persoon tijdelijk aan de uitvaardigende staat over te leveren onder door de uitvoerende en de uitvaardigende rechterlijke autoriteit onderling overeengekomen voorwaarden. In dit verband zou onder meer kunnen worden overeengekomen dat de gezochte persoon wordt teruggezonden naar de uitvoerende lidstaat om daar strafrechtelijk te worden vervolgd.
94
Gelet op al deze overwegingen moet op de derde vraag worden geantwoord dat artikel 24, lid 1, van kaderbesluit 2002/584, gelezen in samenhang met artikel 47, tweede en derde alinea, en artikel 48, lid 2, van het Handvest, aldus moet worden uitgelegd dat het zich er niet tegen verzet dat de overlevering van een persoon tegen wie een Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd, met het oog op een in de uitvoerende lidstaat tegen hem ingeleide strafprocedure wordt uitgesteld op de enkele grond dat die persoon geen afstand heeft gedaan van zijn recht om in persoon te verschijnen voor de rechterlijke instanties waarbij die procedure aanhangig is.
Kosten
95
Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Eerste kamer) verklaart voor recht:
- 1)
Artikel 24, lid 1, van kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten, zoals gewijzigd bij kaderbesluit 2009/299/JBZ van de Raad van 26 februari 2009,
moet aldus worden uitgelegd dat:
de beslissing om de overlevering uit te stellen een beslissing over de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel vormt die krachtens artikel 6, lid 2, van dit kaderbesluit moet worden genomen door de uitvoerende rechterlijke autoriteit. Wanneer een dergelijke beslissing niet door die autoriteit is genomen en de in artikel 23, leden 2 tot en met 4, van dat kaderbesluit bedoelde termijnen zijn verstreken, moet de persoon waartegen het Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd op grond van artikel 23, lid 5, van dat kaderbesluit in vrijheid worden gesteld.
- 2)
Artikel 12 en artikel 24, lid 1, van kaderbesluit 2002/584, zoals gewijzigd bij kaderbesluit 2009/299, gelezen in samenhang met artikel 6 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,
moeten aldus worden uitgelegd dat:
zij er niet aan in de weg staan dat een persoon tegen wie een Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd en wiens overlevering aan de autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat is uitgesteld met het oog op een strafprocedure die in de uitvoerende lidstaat tegen hem is ingeleid, op basis van het Europees aanhoudingsbevel aldaar in hechtenis wordt gehouden gedurende de behandeling van de betrokken strafzaak.
- 3)
Artikel 24, lid 1, van kaderbesluit 2002/584, zoals gewijzigd bij kaderbesluit 2009/299, gelezen in samenhang met artikel 47, tweede en derde alinea, en artikel 48, lid 2, van het Handvest van de grondrechten,
moet aldus worden uitgelegd dat:
het zich er niet tegen verzet dat de overlevering van een persoon tegen wie een Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd, met het oog op een in de uitvoerende lidstaat tegen hem ingeleide strafprocedure wordt uitgesteld op de enkele grond dat die persoon geen afstand heeft gedaan van zijn recht om in persoon te verschijnen voor de rechterlijke instanties waarbij die procedure aanhangig is.
Arabadjiev | Bay Larsen | Xuereb |
Kumin | Ziemele |
Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 8 december 2022.
De griffier | De kamerpresident | |
A. Calot Escobar | A. Arabadjiev |
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 08‑12‑2022
Conclusie 27‑10‑2022
Inhoudsindicatie
Prejudiciële verwijzing — Prejudiciële spoedprocedure — Justitiële samenwerking in strafzaken — Europees aanhoudingsbevel — Kaderbesluit 2002/584/JBZ — Artikel 6, lid 2 — Artikel 12 — Artikel 24, lid 1 — Uitstel van de overlevering van de gezochte persoon — Voortzetting van de hechtenis — Vereiste van tussenkomst van de uitvoerende rechterlijke autoriteit — Officier van justitie — Vervolging in de uitvoerende lidstaat — Geen afstand van het recht van de verdachte om bij de terechtzitting aanwezig te zijn — Recht op een eerlijk proces
J. Kokott
Partij(en)
Zaak C-492/22 (PPU)1.
CJ
in aanwezigheid van:
Openbaar Ministerie
[verzoek van de rechtbank Amsterdam (Nederland) om een prejudiciële beslissing]
I. Inleiding
1.
Het onderhavige verzoek om een prejudiciële beslissing, dat is ingediend door de rechtbank Amsterdam (Nederland), betreft de uitlegging van artikel 6, lid 2, artikel 12 en artikel 24, lid 1, van kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten (PB 2002, L 190, blz. 1, met rectificaties in PB 2020, L 118, blz. 39, en PB 2022, L 35, blz. 25), zoals gewijzigd bij kaderbesluit 2009/299/JBZ van de Raad van 26 februari 2009 (PB 2009, L 81, blz. 24) (hierna: ‘kaderbesluit 2002/584’), en van de artikelen 6, 47 en 48 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: ‘Handvest’).
2.
Dit verzoek is ingediend in het kader van de tenuitvoerlegging in Nederland van een Europees aanhoudingsbevel dat op 31 augustus 2021 door de Sąd Okręgowy w Krakowie Wydział III Karny (regionale rechtbank Krakau, afdeling III strafrecht, Polen) is uitgevaardigd ter fine van de uitvoering van een aan de Pools staatsburger CJ opgelegde vrijheidsstraf.
3.
De prejudiciële vragen hebben in wezen betrekking op de voorwaarden waaronder de overlevering van een persoon overeenkomstig artikel 24, lid 1, van kaderbesluit 2002/584 kan worden uitgesteld met het oog op een parallelle strafvervolging in de uitvoerende lidstaat, terwijl de hechtenis van die persoon wordt voortgezet. In deze context moet met name de betekenis van het begrip ‘uitvoerende rechterlijke autoriteit’ worden verduidelijkt, en moet worden gepreciseerd wat de gevolgen zijn wanneer een beslissing tot uitstel is genomen door een niet-rechterlijke autoriteit. Daarbij moet onder meer duidelijk worden gemaakt onder welke voorwaarden een effectieve toetsing door een onafhankelijke rechter een dergelijke beslissing kan regulariseren.
II. Toepasselijke bepalingen
A. Unierecht
4.
In overweging 8 van kaderbesluit 2002/584 staat te lezen:
‘Beslissingen over de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel mogen pas worden genomen na een toereikende controle, hetgeen betekent dat een rechterlijke autoriteit van de lidstaat waar de gezochte persoon is aangehouden, dient te beslissen of deze al dan niet wordt overgeleverd.’
5.
In artikel 5 van dat kaderbesluit is bepaald dat de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel door de uitvoerende rechterlijke autoriteit door het recht van de uitvoerende lidstaat afhankelijk kan worden gesteld van een van de volgende voorwaarden:
‘[…]
- 3.
indien de persoon tegen wie een Europees aanhoudingsbevel ter fine van een strafvervolging is uitgevaardigd, onderdaan of ingezetene van de uitvoerende lidstaat is, kan overlevering afhankelijk worden gesteld van de garantie dat de persoon, na te zijn gehoord, wordt teruggezonden naar de uitvoerende lidstaat om daar de vrijheidsstraf of de tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel te ondergaan die hem eventueel wordt opgelegd in de uitvaardigende lidstaat.’
6.
Artikel 6, lid 2, van kaderbesluit 2002/584 bepaalt:
‘De uitvoerende rechterlijke autoriteit is de rechterlijke autoriteit van de uitvoerende lidstaat die bevoegd is het Europees aanhoudingsbevel uit te voeren krachtens het recht van de uitvoerende lidstaat.’
7.
Artikel 12 van dat kaderbesluit (‘Voortgezette hechtenis van de persoon’) luidt:
‘Wanneer een persoon wordt aangehouden op grond van een Europees aanhoudingsbevel, beslist de uitvoerende rechterlijke autoriteit of betrokkene in hechtenis blijft overeenkomstig het recht van de uitvoerende lidstaat. Deze persoon kan op elk tijdstip overeenkomstig het interne recht van de uitvoerende lidstaat in voorlopige vrijheid worden gesteld, onverminderd de maatregelen die de bevoegde autoriteit van die lidstaat noodzakelijk acht om de vlucht van de gezochte persoon te voorkomen.’
8.
In artikel 23 van kaderbesluit 2002/584 (‘Termijn voor overlevering van de persoon’) is bepaald:
- ‘1.
De gezochte persoon wordt zo spoedig mogelijk overgeleverd, op een datum die de betrokken autoriteiten in onderlinge overeenstemming vaststellen.
- 2.
De gezochte persoon wordt overgeleverd niet later dan tien dagen na de definitieve beslissing betreffende de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel.
- 3.
Indien de uitvoerende lidstaat de gezochte persoon door omstandigheden buiten de macht van enige lidstaat niet binnen de in lid 2 gestelde termijn kan overleveren, nemen de uitvoerende en de uitvaardigende rechterlijke autoriteit onmiddellijk contact met elkaar op en wordt in onderlinge overeenstemming een nieuwe datum voor de overlevering vastgesteld. In dat geval vindt overlevering plaats binnen tien dagen te rekenen vanaf de aldus vastgestelde nieuwe datum.
- 4.
De overlevering kan bij wijze van uitzondering tijdelijk worden opgeschort om ernstige humanitaire redenen, bijvoorbeeld indien er gegronde redenen bestaan om aan te nemen dat die overlevering het leven of de gezondheid van de gezochte persoon ernstig in gevaar zou brengen. De tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel vindt plaats zodra deze gronden niet langer bestaan. De uitvoerende rechterlijke autoriteit stelt de uitvaardigende rechterlijke autoriteit daarvan onmiddellijk in kennis en in onderlinge overeenstemming wordt een nieuwe datum voor overlevering vastgesteld. In dat geval vindt de overlevering plaats binnen tien dagen te rekenen vanaf de aldus vastgestelde nieuwe datum.
- 5.
Indien de persoon na het verstrijken van de in de leden 2 tot en met 4 bedoelde termijnen nog steeds in hechtenis verkeert, wordt hij in vrijheid gesteld.’
9.
Artikel 24 van dat kaderbesluit (‘Uitgestelde of voorwaardelijke overlevering’) bepaalt:
- ‘1.
De uitvoerende rechterlijke autoriteit kan, nadat zij tot tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel heeft besloten, de overlevering van de gezochte persoon uitstellen opdat betrokkene in de uitvoerende staat kan worden vervolgd of, indien hij reeds is veroordeeld, aldaar een straf kan ondergaan wegens een ander feit dan het in het Europees aanhoudingsbevel bedoelde feit.
- 2.
In plaats van de overlevering uit te stellen kan de uitvoerende rechterlijke autoriteit de gezochte persoon tijdelijk aan de uitvaardigende staat overleveren onder de door de uitvoerende en de uitvaardigende rechterlijke autoriteit onderling overeengekomen voorwaarden. De overeenstemming wordt schriftelijk vastgelegd en de voorwaarden zijn bindend voor alle autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat.’
10.
Artikel 26, lid 1, van hetzelfde kaderbesluit luidt:
‘De uitvaardigende lidstaat brengt elke periode van vrijheidsbeneming ten gevolge van de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel in mindering op de totale duur van de vrijheidsbeneming die in de uitvaardigende lidstaat moet worden ondergaan in geval van veroordeling tot een tot vrijheidsstraf of tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel.’
B. Nederlands recht
11.
De Wet van 29 april 2004 tot implementatie van het kaderbesluit van de Raad van de Europese Unie betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten van de Europese Unie (Stb. 2004, 195), zoals nadien gewijzigd (hierna: ‘Overleveringswet’), geeft uitvoering aan kaderbesluit 2002/584.
12.
Volgens artikel 1, onder e), van de Overleveringswet wordt onder ‘officier van justitie’ verstaan ‘elke officier van justitie, en overigens de officier van justitie bij het arrondissementsparket Amsterdam’.
13.
In artikel 27, lid 2, van de Overleveringswet is bepaald:
‘Voordat het onderzoek ter zitting wordt gesloten, beslist de rechtbank ambtshalve omtrent de gevangenhouding van de opgeëiste persoon, zo deze in bewaring of in verzekering is gesteld.’
14.
De artikelen 33 tot en met 36 van de Overleveringswet luiden:
‘Artikel 33
Een krachtens artikel 27 bevolen vrijheidsbeneming wordt — behoudens de mogelijkheid van verdere vrijheidsbeneming uit anderen hoofde — beëindigd zodra:
- a.
zulks door de rechtbank of door de officier van justitie, ambtshalve of op verzoek van de opgeëiste persoon of diens raadsman, wordt gelast;
- b.
zij sedert de dag van de uitspraak tien dagen heeft geduurd, tenzij de rechtbank, op vordering van de officier van justitie, de vrijheidsbeneming inmiddels heeft verlengd.
Artikel 34
- 1.
Verlenging van de vrijheidsbeneming als bedoeld in artikel 33, onderdeel b, kan voor ten hoogste tien dagen geschieden.
- 2.
In afwijking van het eerste lid kan de vrijheidsbeneming telkens worden verlengd met ten hoogste dertig dagen indien:
[…]
- b.
de overlevering wel is toegestaan, maar de feitelijke overlevering niet binnen de gestelde termijn heeft kunnen plaatshebben.
[…]
Artikel 35
- 1.
Zo spoedig mogelijk na de uitspraak waarbij de overlevering geheel of gedeeltelijk is toegestaan, maar niet later dan tien dagen na de datum van deze uitspraak, wordt de opgeëiste persoon feitelijk overgeleverd. De officier van justitie bepaalt, na overleg met de uitvaardigende justitiële autoriteit, de tijd en plaats.
- 2.
Indien door bijzondere omstandigheden de feitelijke overlevering niet binnen de in het eerste lid gestelde termijn kan plaatsvinden, wordt in onderling overleg een nieuwe datum bepaald. De feitelijke overlevering vindt alsdan uiterlijk tien dagen na de vastgestelde datum plaats.
- 3.
Feitelijke overlevering kan bij wijze van uitzondering achterwege blijven zolang er ernstige humanitaire redenen bestaan die aan de feitelijke overlevering in de weg staan, in het bijzonder zolang het gelet op de gezondheidstoestand van de opgeëiste persoon niet verantwoord is om te reizen. De uitvaardigende justitiële autoriteit wordt onverwijld hiervan in kennis gesteld. De officier van justitie bepaalt, na overleg met de uitvaardigende justitiële autoriteit, de tijd en plaats waarop de feitelijke overlevering alsnog kan plaatsvinden. De feitelijke overlevering vindt alsdan uiterlijk tien dagen na de vastgestelde datum plaats.
- 4.
De vrijheidsbeneming van de opgeëiste persoon wordt beëindigd na het verstrijken van de in het eerste tot en met derde lid genoemde termijnen.
Artikel 36
- 1.
De beslissing omtrent de tijd en de plaats van de feitelijke overlevering kan worden aangehouden, indien en zolang tegen de opgeëiste persoon een strafrechtelijke vervolging in Nederland gaande is, of een door een Nederlandse rechter tegen hem gewezen strafvonnis nog geheel of ten dele voor tenuitvoerlegging vatbaar is.
- 2.
In gevallen als voorzien in het eerste lid kan Onze Minister, na advies van het openbaar ministerie, bepalen dat en onder welke voorwaarden de opgeëiste persoon ten behoeve van diens berechting of de tenuitvoerlegging van een hem bij onherroepelijk vonnis opgelegde vrijheidsstraf reeds aanstonds voorlopig ter beschikking van de uitvaardigende justitiële autoriteit kan worden gesteld.
- 3.
Tot de door Onze Minister te stellen voorwaarden behoort in geval van:
- a.
een lopende strafvervolging als bedoeld in het eerste lid in elk geval dat het recht op aanwezigheid van de opgeëiste persoon bij de voortzetting van de strafvervolging in Nederland zal worden gerespecteerd en dat hij de hem in Nederland opgelegde straf in Nederland zal ondergaan.
[…]’
III. Hoofdgeding, prejudiciële vragen en procedure bij het Hof
15.
Op 31 augustus 2021 heeft de Sąd Okręgowy w Krakowie Wydział III Karny een Europees aanhoudingsbevel uitgevaardigd tegen CJ, Pools staatsburger, met het oog op diens aanhouding en overlevering ter fine van de uitvoering van een vrijheidsstraf van twee jaar die hem in Polen is opgelegd voor dertien strafbare feiten die vallen in de categorie ‘georganiseerde of gewapende diefstal’ in de zin van artikel 2, lid 2, van kaderbesluit 2002/584. Volgens de verwijzingsbeslissing moet CJ de voor die feiten opgelegde straf nog bijna helemaal uitzitten.
16.
Bij beslissing van 2 juni 2022 heeft de verwijzende rechter CJ ter tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel in hechtenis geplaatst. Bij — inmiddels definitief geworden — beslissing van 16 juni 2022 heeft hij de overlevering van CJ aan de Poolse autoriteiten voor de in dat aanhoudingsbevel vermelde feiten toegestaan.
17.
Volgens de verwijzingsbeslissing loopt er in Nederland een strafvervolging tegen CJ wegens een ander feit dan de feiten die ten grondslag liggen aan het Europees aanhoudingsbevel. Op 15 december 2021 heeft de kantonrechter in de rechtbank Den Haag (Nederland) CJ namelijk veroordeeld tot een geldboete van 360 EUR, subsidiair zeven dagen hechtenis, wegens rijden zonder geldig rijbewijs. CJ heeft tegen die veroordeling hoger beroep ingesteld, waarvan de behandeling zou plaatsvinden op 4 oktober 2022, zonder afstand te doen van zijn recht om bij die behandeling aanwezig te zijn. Tegen het in hoger beroep te wijzen arrest kan cassatieberoep worden ingesteld.
18.
In deze omstandigheden heeft de officier van justitie bij het arrondissementsparket Amsterdam (hierna: ‘officier van justitie’) op 17 juni 2022 besloten de overlevering van CJ overeenkomstig artikel 36, lid 1, van de Overleveringswet uit te stellen, en gevorderd dat de verwijzende rechter de hechtenis van CJ op grond van artikel 34, lid 2, onder b), juncto artikel 35, lid 2, van die wet zou verlengen voor de duur van 30 dagen wegens ‘bijzondere omstandigheden’.
19.
Op 22 juni 2022 heeft de verwijzende rechter de vordering van de officier van justitie toegewezen en de hechtenis voor de duur van 30 dagen verlengd.
20.
Op 6 juli 2022 heeft de officier van justitie gevorderd dat de hechtenis van CJ nogmaals voor de duur van 30 dagen zou worden verlengd, omdat ‘de feitelijke overlevering door bijzondere omstandigheden niet binnen de termijn van 10 dagen [kon] plaatshebben’. Ter rechtvaardiging van die vordering heeft de officier van justitie in wezen aangevoerd dat CJ geen afstand wenst te doen van zijn recht om aanwezig te zijn bij de behandeling ter zitting van de lopende strafzaak. Hij heeft ook aangegeven voornemens te zijn uitstel van de overlevering te gelasten en periodiek verlenging van de hechtenis te vorderen, zolang die strafvervolging loopt. De verwijzende rechter heeft nog diezelfde dag de vordering van de officier van justitie toegewezen en de hechtenis wederom met 30 dagen verlengd, met dien verstande dat hij de beslissing of er ambtshalve gronden zijn om de hechtenis op te heffen of te schorsen, heeft aangehouden.
21.
In deze omstandigheden heeft de rechtbank Amsterdam bij beslissing van 22 juli 2022, ingekomen bij het Hof op diezelfde dag, de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld:
- ‘1)
Verzetten de artikelen 12 en 24, eerste lid, van [kaderbesluit 2002/584], gelezen in samenhang met artikel 6 van [het Handvest], zich ertegen dat een opgeëiste persoon, van wie de overlevering ter fine van tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf definitief is toegestaan maar is uitgesteld ‘opdat betrokkene in de uitvoerende staat kan worden vervolgd […] wegens een ander feit dan het in het Europees aanhoudingsbevel bedoelde feit’, gedurende die strafvervolging in hechtenis wordt gehouden ter uitvoering van dat Europees aanhoudingsbevel?
- 2) a)
Is de beslissing om de in artikel 24, eerste lid, van [kaderbesluit 2002/584] bedoelde bevoegdheid tot uitstel van de overlevering toe te passen een beslissing over de tenuitvoerlegging van het [Europees aanhoudingsbevel], die op grond van artikel 6, tweede lid, van [kaderbesluit 2002/584], gelezen in samenhang met overweging 8 van dit kaderbesluit, moet worden genomen door de uitvoerende rechterlijke autoriteit?
- b)
Zo ja, heeft de omstandigheid dat die beslissing is genomen zonder tussenkomst door een uitvoerende rechterlijke autoriteit in de zin van artikel 6, tweede lid, van [kaderbesluit 2002/584] tot gevolg dat een opgeëiste persoon niet meer in hechtenis mag worden gehouden ter uitvoering van het tegen hem uitgevaardigde Europees aanhoudingsbevel?
- 3) a)
Verzet artikel 24, eerste lid, van [kaderbesluit 2002/584], gelezen in samenhang met de artikelen 47 en 48 van [het Handvest], zich ertegen dat de overlevering van een opgeëiste persoon wordt uitgesteld met het oog op strafvervolging in de uitvoerende lidstaat om de enkele reden dat de opgeëiste persoon desgevraagd geen afstand wenst te doen van zijn aanwezigheidsrecht in die strafvervolging?
- b)
Zo ja, welke factoren moet de uitvoerende rechterlijke autoriteit dan betrekken bij haar beslissing over uitstel van de daadwerkelijke overlevering?’
22.
De verwijzende rechter heeft verzocht om toepassing van de prejudiciële spoedprocedure krachtens artikel 107 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof. Dit verzoek is toegewezen op 3 augustus 2022. De Nederlandse regering, het Openbaar Ministerie (Nederland), CJ en de Europese Commissie hebben een memorie ingediend in het kader van de schriftelijke behandeling voor het Hof. Op 21 september 2022 heeft er een terechtzitting plaatsgevonden, waaraan CJ, het Openbaar Ministerie, de Nederlandse, de Franse en de Poolse regering alsmede de Commissie hebben deelgenomen.
IV. Beoordeling
A. Opmerkingen vooraf
23.
In de verwijzingsbeslissing worden in wezen twee rechtsvragen opgeworpen, waarvan de eerste een organisatorisch en procedureel karakter heeft, terwijl de tweede gaat over de materiële voorwaarden voor de toepassing van artikel 24, lid 1, van kaderbesluit 2002/584.
24.
De verwijzende rechter vraagt zich in de eerste plaats af of de beslissing om de overlevering van een gezochte persoon uit te stellen, krachtens artikel 24, lid 1, van kaderbesluit 2002/584, gelezen in samenhang met artikel 6, lid 2, ervan, moet worden genomen door de ‘uitvoerende rechterlijke autoriteit’, dat wil zeggen door een onafhankelijk rechterlijk orgaan, en zo ja, wat de gevolgen zijn indien niet aan deze voorwaarde wordt voldaan. De verwijzende rechter wenst met name te vernemen of de betrokkene in dat geval in vrijheid moet worden gesteld (tweede prejudiciële vraag). Deze vraag is terug te voeren op het feit dat de beslissing tot uitstel van de overlevering van de betrokkene in het onderhavige geval enkel en alleen door de officier van justitie is genomen, wiens status van onafhankelijk rechterlijk orgaan door de verwijzende rechter in twijfel is getrokken. Het is op basis van die beslissing dat de officier van justitie de verwijzende rechter heeft verzocht de hechtenis van de betrokkene te verlengen zolang de overlevering wordt uitgesteld.
25.
De verwijzende rechter verlangt in de tweede plaats in wezen verduidelijking van zowel de voorwaarden waaronder de overlevering van de betrokkene overeenkomstig artikel 24, lid 1, van kaderbesluit 2002/584 kan worden uitgesteld (derde prejudiciële vraag), als de gevolgen van een dergelijke beslissing, waarbij hij met name wenst te vernemen of een dergelijk uitstel betekent dat die persoon in vrijheid moet worden gesteld (eerste prejudiciële vraag). De verwijzende rechter gaat er daarbij van uit dat die beslissing tot uitstel van de overlevering rechtmatig is, wat in het onderhavige geval echter niet per se het geval is, maar afhangt van het antwoord op de tweede prejudiciële vraag.
26.
Uit een oogpunt van proceseconomie lijkt het dus passend om, zoals ook de Commissie voorstelt, eerst antwoord te geven op de tweede prejudiciële vraag, om daarna de eerste en de derde prejudiciële vraag samen te beantwoorden.
B. Tweede prejudiciële vraag
27.
Met het eerste onderdeel van zijn tweede prejudiciële vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 24, lid 1, juncto artikel 6, lid 2, van kaderbesluit 2002/584 zich verzet tegen een praktijk die is gebaseerd op de in de Overleveringswet opgenomen bepalingen die de bevoegdheid om te beslissen over het uitstel van de overlevering van een gezochte persoon, bij de officier van justitie leggen.
1. Bevoegdheid van de uitvoerende rechterlijke autoriteit in de zin van artikel 24, lid 1, van kaderbesluit 2002/584 (eerste onderdeel)
28.
Volgens de duidelijke bewoordingen van artikel 24, lid 1, van kaderbesluit 2002/584 moet de beslissing om de overlevering van de gezochte persoon uit te stellen met het oog op een parallelle strafvervolging in de uitvoerende lidstaat, worden genomen door ‘de uitvoerende rechterlijke autoriteit’. Dit wordt bevestigd door overweging 8 van het kaderbesluit en wordt door geen der partijen betwist.
29.
Hoewel de verwijzende rechter twijfels heeft op dit punt, blijkt — zoals de Commissie opmerkt — bovendien uit het feit dat artikel 24, lid 1, van kaderbesluit 2002/584 de ‘uitvoerende rechterlijke autoriteit’ noemt als de instantie die bevoegd is om de overlevering uit te stellen, dat het nemen van een dergelijke beslissing integrerend deel uitmaakt van de ‘tenuitvoerlegging’ van het Europees aanhoudingsbevel in de zin van artikel 6, lid 2, van dat kaderbesluit, zoals uitgelegd — zij het in verband met artikel 23, lid 3, van hetzelfde kaderbesluit — in het arrest van 28 april 2022, C en CD (Juridische belemmeringen voor de tenuitvoerlegging van een beslissing tot overlevering)2.. Het Hof heeft in dat arrest geoordeeld dat de beoordeling of er sprake is van overmacht in de zin van artikel 23, lid 3, van kaderbesluit 2002/584, en in voorkomend geval het vaststellen van een nieuwe datum voor de overlevering, beslissingen over de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel vormen, die moeten worden genomen door de ‘uitvoerende rechterlijke autoriteit’ en verder gaan dan enkel de ‘praktische en administratieve bijstand’ in de zin van artikel 7 van dat kaderbesluit, gelezen in samenhang met overweging 9 ervan.3.
30.
Aangezien zowel de in artikel 23, lid 3, als de in artikel 24, lid 1, van kaderbesluit 2002/584 bedoelde situatie leidt tot uitstel van de overlevering van de gezochte persoon in het kader van de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel, is er, zoals de Commissie stelt, geen enkele overtuigende reden die rechtvaardigt dat aan het autonome begrip ‘uitvoerende rechterlijke autoriteit’4. een andere uitlegging wordt gegeven bij de toepassing van artikel 24, lid 1, juncto artikel 6, lid 2, van dat kaderbesluit.
31.
Volgens artikel 6, lid 2, van kaderbesluit 2002/584 is het aan het recht van de uitvoerende lidstaat om de uitvoerende rechterlijke autoriteit aan te wijzen die bevoegd is om de overlevering van een gezochte persoon overeenkomstig artikel 24, lid 1, van dat kaderbesluit uit te stellen. Die aanwijzing moet verenigbaar zijn met de algemene Unierechtelijke beginselen, in het bijzonder met het beginsel dat de betrokken autoriteit onafhankelijk moet zijn. De uitvoerende rechterlijke autoriteit hoeft niet per se een rechter of rechterlijke instantie te zijn: het staat de lidstaten in beginsel vrij om alle autoriteiten aan te wijzen die deelnemen aan hun strafrechtsbedeling, met inbegrip van parketten. Wel geldt als eis dat er statutaire en organisatorische voorschriften bestaan die waarborgen dat de aangewezen autoriteit geen enkel risico loopt om, met name, individuele instructies te ontvangen van de uitvoerende macht. Bovendien moeten de betrokken staten in een dergelijk geval ervoor zorgen dat tegen de beslissingen van die autoriteit een beroep in rechte kan worden ingesteld dat voldoet aan de vereisten van effectieve rechterlijke bescherming. 5.
32.
In casu staat vast dat de officier van justitie zelfstandig en zonder tussenkomst van een rechterlijke instantie heeft beslist over het uitstel van de overlevering. Het Hof heeft in dit verband reeds geoordeeld dat, gelet op de in Nederland geldende interne organisatorische en procedurele voorschriften, de officier van justitie bij het arrondissementsparket Amsterdam niet kan worden aangemerkt als ‘uitvoerende rechterlijke autoriteit’ in de zin van de vereisten van artikel 6, lid 2, van kaderbesluit 2002/584, wegens de invloed die de uitvoerende macht op die officier van justitie kan uitoefenen, met name door hem individuele instructies te geven, en dus wegens zijn gebrek aan onafhankelijkheid.6.
33.
De Nederlandse regering en het Openbaar Ministerie hebben met name ter terechtzitting duidelijk gemaakt dat er juist om rekening te houden met die rechtspraak en met de noodzaak om de bevoegdheid tot het nemen van een beslissing over uitstel van de overlevering op te dragen aan een ‘uitvoerende rechterlijke autoriteit’, een wijziging van de Overleveringswet in voorbereiding is die ertoe strekt de rechtbank aan te wijzen als het ter zake bevoegde orgaan.
34.
Ik stel dan ook voor om op het eerste onderdeel van de tweede prejudiciële vraag te antwoorden dat de beslissing om de overlevering van een gezochte persoon uit te stellen krachtens artikel 24, lid 1, van kaderbesluit 2002/584, gelezen in samenhang met artikel 6, lid 2, en met overweging 8 van dat kaderbesluit, een maatregel betreffende de ‘tenuitvoerlegging’ van het Europees aanhoudingsbevel is en dus moet worden genomen door de ‘uitvoerende rechterlijke autoriteit’.
2. Gevolgen van schending van artikel 24, lid 1, van kaderbesluit 2002/584 (tweede onderdeel)
35.
Partijen nemen zeer uiteenlopende standpunten in ten aanzien van de vraag wat de gevolgen zijn van het feit dat de beslissing tot uitstel van de overlevering in strijd met artikel 24, lid 1, van kaderbesluit 2002/584 is genomen door een niet-rechterlijke autoriteit, namelijk in dit geval door de officier van justitie. Zowel de Commissie als CJ is van mening dat schending van een dergelijk formeel vereiste, net zoals het geval is bij schending van de formele vereisten van artikel 23, leden 2 tot en met 4, van dat kaderbesluit, betekent dat de betrokkene in vrijheid moet worden gesteld. Hoewel de Nederlandse regering en het Openbaar Ministerie erkennen dat artikel 24, lid 1, van kaderbesluit 2002/584 is geschonden, menen zij daarentegen dat die schending niet van invloed is op de beslissing van de rechtbank om de hechtenis van de betrokkene overeenkomstig artikel 12 van dat kaderbesluit te verlengen, die volgens hen moet worden onderscheiden van de beslissing tot uitstel van de overlevering. De Franse en de Poolse regering hebben ter terechtzitting — zij het uitsluitend in antwoord op de eerste prejudiciële vraag — gepreciseerd dat, ongeacht of in het onderhavige geval aan de voorwaarden van artikel 24, lid 1, van kaderbesluit 2002/584 was voldaan, artikel 12 van dat kaderbesluit een toereikende rechtsgrondslag vormde om de betrokkene gedurende het uitstel van zijn overlevering in hechtenis te houden.
36.
Zoals CJ en de Commissie opmerken, vormt het vereiste dat de in artikel 24, lid 1, van kaderbesluit 2002/584 bedoelde beslissingsbevoegdheid wordt toegekend aan een ‘uitvoerende rechterlijke autoriteit’ die onafhankelijk is of onder effectief rechterlijk toezicht staat7., een regel inzake rechterlijke bevoegdheid waarvan de lidstaten in beginsel niet mogen afwijken. Dit wordt benadrukt in de rechtspraak waarin wordt gewezen op het belang van die onafhankelijkheid en van het bestaan van de mogelijkheid om een beroep in rechte in te stellen dat volledig voldoet aan de vereisten van effectieve rechterlijke bescherming, wanneer die rechterlijke autoriteit zelf geen rechterlijke instantie is en het uitstel van de overlevering ertoe leidt dat de gezochte persoon wordt aangehouden of in hechtenis wordt gehouden.8.
37.
In casu moet echter worden vastgesteld dat de betrokken officier van justitie niet een dergelijke onafhankelijke rechterlijke autoriteit is. Met name gelet op de uiteenlopende en dubbelzinnige standpunten die de Nederlandse regering en het Openbaar Ministerie ter terechtzitting hebben vertolkt, blijkt bovendien dat tegen de beslissing van die officier van justitie om de overlevering van de gezochte persoon uit te stellen, geen effectief beroep in rechte kan worden ingesteld.
38.
Zoals de verwijzende rechter zelf opmerkt, is het namelijk vaste praktijk dat de door de officier van justitie genomen beslissing tot uitstel van de overlevering als zodanig niet door de rechtbank wordt getoetst wanneer deze beslist op de vordering van de officier van justitie om overeenkomstig artikel 27, lid 2, juncto artikel 34, lid 2, onder b), van de Overleveringswet de hechtenis van de gezochte persoon te verlengen. Dit wordt bevestigd door de schriftelijke opmerkingen van de Nederlandse regering en van het Openbaar Ministerie, die benadrukken dat de beslissing tot uitstel van de overlevering, die wordt genomen door de officier van justitie, moet worden onderscheiden van de beslissing tot voortzetting van de hechtenis, die door de rechtbank wordt genomen op vordering van de officier van justitie.
39.
Hieruit volgt dat volgens die praktijk de rechtbank uitsluitend bevoegd is om overeenkomstig artikel 27, lid 2, juncto artikel 34, lid 2, onder b), van de Overleveringswet te beslissen over de voortzetting van de hechtenis van de gezochte persoon gedurende maximaal 30 dagen. De door de officier van justitie op grond van artikel 36, lid 1, van die wet genomen beslissing om de overlevering uit te stellen, die de rechtsgrondslag vormt van diens vordering tot verlenging van de vrijheidsbeneming van de betrokkene, lijkt daarentegen ipso facto uitvoerbaar, zonder dat zij als zodanig — vooraf dan wel achteraf — effectief door de rechtbank wordt getoetst.
40.
Feit is evenwel dat noch artikel 36, lid 1, van de Overleveringswet, waarop de officier van justitie zijn beslissing tot uitstel van de overlevering in casu heeft gebaseerd, noch artikel 1, onder e), van deze wet expliciet bepaalt welk orgaan bevoegd is om een beslissing tot uitstel van de overlevering van de gezochte persoon in de zin van artikel 24, lid 1, van kaderbesluit 2002/584 te nemen, laat staan onder welke voorwaarden of op welke wijze die beslissing het voorwerp zou kunnen zijn van effectieve rechterlijke toetsing. In die bepalingen is evenmin vastgelegd of, en zo ja, in hoeverre de rechtbank die moet beslissen op een vordering tot verlenging van de hechtenis, bevoegd is om een door de officier van justitie genomen beslissing tot uitstel van de overlevering op rechtmatigheid te toetsen.
41.
De Nederlandse regering heeft in dit verband ter terechtzitting verklaard dat artikel 36, lid 1, van de Overleveringswet kon worden uitgelegd in overeenstemming met artikel 24, lid 1, van kaderbesluit 2002/584, zodat de rechtbank in de plaats van de officier van justitie kon treden en de in punt 37 hierboven genoemde onregelmatigheid kon herstellen. Het valt dus niet uit te sluiten dat de rechtbank, althans in deze situatie, op grond van artikel 27, lid 2, juncto artikel 33, onder a), van de Overleveringswet in staat is om de door de officier van justitie genomen beslissing tot uitstel van de overlevering op rechtmatigheid te toetsen, teneinde ofwel die beslissing ongeldig te verklaren en vervolgens de invrijheidstelling van de gezochte persoon te gelasten, ofwel in de plaats van de officier van justitie te treden om het uitstel van de overlevering en de hechtenis van die persoon te handhaven.
42.
Het vereiste dat de beslissing tot uitstel van de overlevering van de gezochte persoon wordt genomen door een ‘uitvoerende rechterlijke autoriteit’ die onafhankelijk is of onder effectief rechterlijk toezicht staat, impliceert immers dat de bevoegde rechtbank uiterlijk op het moment waarop wordt beoordeeld of is voldaan aan de voorwaarden waaronder de hechtenis van die persoon kan worden voortgezet, moet kunnen toetsen of die beslissing rechtmatig is.9. Die rechtbank zou daarbij in voorkomend geval kunnen besluiten die beslissing ongeldig te verklaren omdat niet is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 24, lid 1, van kaderbesluit 2002/584, en de invrijheidstelling van de gezochte persoon kunnen gelasten, onverminderd andere maatregelen die de bevoegde rechterlijke autoriteit overeenkomstig artikel 12 van dat kaderbesluit kan nemen om de vlucht van die persoon te voorkomen.
43.
Het staat aan de verwijzende rechter om te beoordelen of in casu een dergelijke met de vereisten van artikel 24, lid 1, van kaderbesluit 2002/584 strokende aanpak mogelijk is, zoals de Nederlandse regering en het Openbaar Ministerie ter terechtzitting hebben betoogd. Daartoe dient hij zich echter ervan te vergewissen dat een eventuele door hem achteraf verrichte toetsing, zoals beschreven in het voorgaande punt, voldoende doeltreffend is en ertoe leidt dat de schending van de regel inzake rechterlijke bevoegdheid, die erin bestaat dat de beslissing tot uitstel van de overlevering enkel en alleen door de officier van justitie is genomen, volledig wordt rechtgezet.
44.
Aangezien de door de officier van justitie genomen beslissing tot uitstel van de overlevering in casu ertoe heeft geleid dat de betrokkene in Nederland in hechtenis is gehouden, moet de verwijzende rechter derhalve erop toezien dat die beslissing niet, zoals de Nederlandse regering en het Openbaar Ministerie ter terechtzitting hebben opgemerkt, voorlopig van kracht blijft totdat hij een nieuwe beslissing heeft genomen. Ook moet de verwijzende rechter nagaan of hij met terugwerkende kracht in de plaats van de officier van justitie kan treden en een nieuwe beslissing tot uitstel van de overlevering van de gezochte persoon kan nemen en, in voorkomend geval, de voortzetting van diens hechtenis kan toestaan.
45.
Aan de hand van deze criteria moet door de verwijzende rechter worden nagegaan of het mogelijk is om aan artikel 27, lid 2, junctis de artikelen 33 en 34 van de Overleveringswet een uitlegging te geven die strookt met de vereisten die zijn vastgelegd in artikel 24, lid 1, juncto artikel 6, lid 2, van kaderbesluit 2002/584. Wanneer dat niet het geval is, zou de betrokkene in vrijheid moeten worden gesteld, tenzij het nationale recht een rechtsgrondslag biedt om hem overeenkomstig artikel 12 van dat kaderbesluit op andere gronden in hechtenis te houden.
46.
Ik stel daarom voor om op het tweede onderdeel van de tweede prejudiciële vraag te antwoorden dat schending van artikel 24, lid 1, gelezen in samenhang met artikel 6, lid 2, van kaderbesluit 2002/584, op grond waarvan de beslissing tot uitstel van de overlevering van de gezochte persoon moet worden genomen door een uitvoerende rechterlijke autoriteit, tot gevolg heeft dat die persoon in vrijheid moet worden gesteld. Dit is alleen anders wanneer een dergelijke autoriteit de mogelijkheid heeft om die schending recht te zetten, met name door middel van een kaderbesluitconforme uitlegging van de relevante nationaalrechtelijke bepalingen, of wanneer het nationale recht een rechtsgrondslag biedt om de betrokkene op andere gronden in hechtenis te houden.
C. Eerste en derde prejudiciële vraag
1. Opmerkingen vooraf
47.
De eerste en de derde prejudiciële vraag berusten op de door de verwijzende rechter geuite veronderstelling dat de beslissing tot uitstel van de overlevering is genomen door een ‘uitvoerende rechterlijke autoriteit’ en is onderworpen aan effectieve rechterlijke toetsing.
48.
Gelet op de derde prejudiciële vraag, moeten de criteria voor toepassing van artikel 24, lid 1, van kaderbesluit 2002/584 worden uitgelegd in het licht van de artikelen 47 en 48 van het Handvest, dat wil zeggen in het licht van het recht op een eerlijk proces en van de rechten van de verdediging, waarop CJ zich beroept in het kader van de in Nederland lopende strafzaak.
2. Criteria voor toepassing van artikel 24, lid 1, van kaderbesluit 2002/584, gelezen in het licht van de artikelen 47 en 48 van het Handvest (derde prejudiciële vraag)
49.
Met het eerste onderdeel van de derde prejudiciële vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 24, lid 1, van kaderbesluit 2002/584 zich ertegen verzet dat de overlevering van een gezochte persoon wordt uitgesteld om de enkele reden dat die persoon erop staat zijn door de artikelen 47 en 48 van het Handvest beschermde rechten uit te oefenen.
50.
Zoals de Commissie opmerkt, volgt uit artikel 24, lid 1, van kaderbesluit 2002/584 dat de uitvoerende rechterlijke autoriteit, nadat zij heeft besloten tot tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel, beschikt over een beoordelingsbevoegdheid (‘kan’) aangaande het nemen van een beslissing tot uitstel van de overlevering van de gezochte persoon met het oog op diens vervolging (‘opdat betrokkene kan worden vervolgd’) in de uitvoerende lidstaat. Ook al zijn er geen bijkomende of preciezere criteria voor de uitoefening van haar beoordelingsbevoegdheid, de uitvoerende rechterlijke autoriteit moet zich bij de uitoefening van deze bevoegdheid met name laten leiden door de in het Handvest verankerde grondrechten, die de nationale autoriteiten in het kader van de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel dienen te eerbiedigen (zie artikel 1, lid 3, van kaderbesluit 2002/584).10.
51.
Het is immers vaste rechtspraak dat de uitvoerende rechterlijke autoriteit verplicht is om rekening te houden met de fundamentele procedurele waarborgen die de betrokkene krachtens de artikelen 47 en 48 van het Handvest geniet, waaronder het recht op een eerlijk proces en de rechten van de verdediging, zoals uitgelegd door het Hof.11. Dit geldt niet alleen voor de procedure voor de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel als zodanig, maar — mutatis mutandis — ook voor elke parallelle strafprocedure die wordt aangevoerd als reden voor uitstel van de overlevering in de zin van artikel 24, lid 1, van kaderbesluit 2002/584, en die dus onlosmakelijk daarmee verbonden is. Dit wordt bevestigd door artikel 8 van richtlijn (EU) 2016/343 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016 betreffende de versterking van bepaalde aspecten van het vermoeden van onschuld en van het recht om in strafprocedures bij de terechtzitting aanwezig te zijn12., dat een nadere regeling bevat van het recht van verdachten en beklaagden om bij de behandeling van hun strafzaak in een lidstaat aanwezig te zijn.
52.
Het recht van de verdachte om in persoon tijdens het proces te verschijnen, dat in casu aan de orde is, vormt een essentieel onderdeel van het recht op een eerlijk proces in de zin van artikel 47 van het Handvest, en van de door artikel 48, lid 2, van het Handvest gewaarborgde rechten van de verdediging.13. Zo verplicht ook artikel 8 van richtlijn 2016/343 de lidstaten om onder meer beklaagden toe te staan hun proces bij te wonen.14. Volgens artikel 8, lid 2, van die richtlijn, gelezen in samenhang met overweging 35 ervan, mogen de lidstaten weliswaar onder bepaalde voorwaarden voorzien in de mogelijkheid dat een proces plaatsvindt in afwezigheid van de beklaagde, met name wanneer deze afstand heeft gedaan van zijn aanwezigheidsrecht15., maar dit ligt anders wanneer de betrokkene, zoals in het onderhavige geval, erop staat dat recht uit te oefenen.
53.
Gelet op het onvervreemdbare karakter van het fundamentele recht van de verdachte om in persoon tijdens het proces te verschijnen16., volstaat de strafvervolging die in Nederland is ingesteld tegen CJ wegens rijden zonder geldig rijbewijs, waarop een geldboete van 360 EUR, subsidiair zeven dagen hechtenis, staat, in beginsel om CJ de mogelijkheid te geven zich te beroepen op zijn recht op een eerlijk proces en op zijn rechten van verdediging, niettegenstaande de ernstigere aard van het strafbare feit waarvoor hij in Polen is veroordeeld en dat ten grondslag ligt aan het Europees aanhoudingsbevel.
54.
De beoordelingsbevoegdheid die artikel 24, lid 1, van kaderbesluit 2002/584 de uitvoerende rechterlijke autoriteit laat met betrekking tot het nemen van een beslissing over het uitstel van de overlevering van de gezochte persoon, kan echter niet veranderen in een gebonden bevoegdheid wegens de enkele omstandigheid dat die persoon zich tijdens een in de uitvoerende lidstaat gevoerde strafprocedure beroept op zijn fundamentele procedurele waarborgen. In het onderhavige geval kan het dus niet zo zijn dat de betrokkene, zoals de verwijzende rechter en de Commissie opmerken, eenzijdig bepaalt dat de overlevering wordt uitgesteld, door erop te staan dat hij in het kader van de in Nederland lopende strafprocedure zijn recht op een eerlijk proces en zijn rechten van verdediging kan uitoefenen, en dat die rechten onmiddellijk worden geëerbiedigd.
55.
In dit verband moet worden nagegaan of de met artikel 24 van kaderbesluit 2002/584 nagestreefde doeleinden van algemeen belang rechtvaardigen dat de uitoefening door de betrokkene van zijn recht op een eerlijk proces en van zijn rechten van verdediging wordt beperkt in de zin van artikel 52, lid 1, van het Handvest. Het is immers vaste rechtspraak dat die rechten geen absolute gelding hebben, maar beperkingen kunnen bevatten, mits deze werkelijk beantwoorden aan de doeleinden van algemeen belang die met de betrokken maatregel worden nagestreefd, en, het nagestreefde doel in aanmerking genomen, niet zijn te beschouwen als een onevenredige en onduldbare ingreep waardoor de gewaarborgde rechten in hun kern worden aangetast.17.
56.
Bij de uitoefening van haar beoordelingsbevoegdheid met betrekking tot de gebruikmaking van de door artikel 24 van kaderbesluit 2002/584 geboden mogelijkheden, moet de uitvoerende rechterlijke autoriteit dus zowel rekening houden met het belang van de uitvoerende lidstaat om een tegen de gezochte persoon lopende strafprocedure af te ronden, als met het belang van de uitvaardigende lidstaat dat die persoon zo snel mogelijk daaraan wordt overgeleverd, en moet zij deze belangen tegen elkaar afwegen om te bepalen of, en zo ja, in hoeverre de uitoefening van het recht op een eerlijk proces en van de rechten van de verdediging kan worden beperkt. Deze verplichting volgt ook uit de in artikel 4, lid 3, eerste alinea, VEU vervatte verplichting tot loyale samenwerking, waardoor de uitvoerende en de uitvaardigende rechterlijke autoriteiten zich bij hun dialoog moeten laten leiden teneinde de effectieve werking te waarborgen van het stelsel van rechterlijke samenwerking tussen de lidstaten, waarvan het Europees aanhoudingsbevel een van de wezenlijke elementen vormt.18.
57.
De uitvoerende rechterlijke autoriteit moet ten eerste rekening houden met het door artikel 24, lid 1, van kaderbesluit 2002/584 beschermde legitieme belang van de uitvoerende lidstaat om de lopende strafprocedure af te ronden alvorens de gezochte persoon over te leveren aan de uitvaardigende lidstaat. Dit belang weegt minder zwaar wanneer, zoals in het onderhavige geval, het vervolgde strafbare feit veel minder ernstig is en de straf die daarop staat veel minder zwaar is dan het strafbare feit en de straf die ten grondslag liggen aan het Europees aanhoudingsbevel. Op grond van haar verplichting tot loyale samenwerking moet de uitvoerende rechterlijke autoriteit dus eventueel de lopende strafprocedure schorsen en overgaan tot een tijdelijke ‘voorwaardelijke’ overlevering van de gezochte persoon, in de zin van artikel 24, lid 2, van dat kaderbesluit, met dien verstande dat zij daarbij met de uitvaardigende rechterlijke autoriteit moet overeenkomen dat die persoon, na zijn straf in de uitvaardigende lidstaat te hebben uitgezeten, zal terugkeren met het oog op de voortzetting van de strafprocedure in de uitvoerende lidstaat. Als gevolg daarvan zouden het recht op een eerlijk proces en de rechten van verdediging van de gezochte persoon in die zin worden beperkt dat de uitoefening ervan wordt uitgesteld.
58.
Het staat in casu aan de verwijzende rechter om te beoordelen of een dergelijke aanpak werkbaar is, wat partijen ter terechtzitting in twijfel hebben getrokken, en of na de hervatting van de procedure na de eventuele terugkeer van de betrokkene naar Nederland, diens procedurele rechten, waaronder het recht op berechting binnen een redelijke termijn19., ten volle zouden kunnen worden geëerbiedigd. Hoe dan ook kan het feit dat in het geval van een dergelijke tijdelijke overlevering van de betrokkene de uitoefening van die rechten wordt uitgesteld, als zodanig niet worden geacht een ‘onevenredige en onduldbare ingreep’ op te leveren waardoor die rechten in hun kern worden aangetast.
59.
De uitvoerende rechterlijke autoriteit moet ten tweede rekening houden met het legitieme belang van de uitvaardigende lidstaat dat de gezochte persoon zo snel mogelijk aan die lidstaat wordt overgeleverd en op diens grondgebied wordt gedetineerd. Dit belang wordt echter gerelativeerd door de in artikel 12 van kaderbesluit 2002/584 geboden mogelijkheid om die persoon in hechtenis te plaatsen met het oog op de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel. De gelijkwaardigheid van die hechtenis wordt impliciet erkend in artikel 26, lid 1, van dat kaderbesluit, op grond waarvan de uitvaardigende lidstaat verplicht is om elke periode van vrijheidsbeneming in mindering te brengen op de totale duur van de vrijheidsbeneming die de gezochte persoon in de uitvaardigende lidstaat moet ondergaan. Ook kan in een geval als het onderhavige het doel van sociale re-integratie na het uitzitten van de straffen pleiten tegen hechtenis in de uitvaardigende lidstaat, wanneer de gezochte persoon reeds enige tijd in de uitvoerende lidstaat verblijft of er zelfs goed is geïntegreerd.20. Het staat aan de uitvoerende rechterlijke autoriteit om te bepalen welke van die twee opties in de gegeven omstandigheden het meest in overeenstemming is met dat doel, en om na te gaan of het legitieme belang van de uitvaardigende lidstaat, waarvan de inaanmerkingneming zou kunnen leiden tot een tijdelijke inperking van de procedurele waarborgen van de betrokkene, kan voorgaan op het belang van de uitvoerende lidstaat zoals dit is beschreven in punt 57 hierboven.
60.
Ik stel derhalve voor om op het eerste onderdeel van de derde prejudiciële vraag te antwoorden dat artikel 24, lid 1, van kaderbesluit 2002/584, gelezen in samenhang met de artikelen 47 en 48 van het Handvest, zich in beginsel niet ertegen verzet dat de overlevering van de gezochte persoon wordt uitgesteld met het oog op strafvervolging in de uitvoerende lidstaat op grond dat die persoon geen afstand wenst te doen van zijn aanwezigheidsrecht met betrekking tot die strafvervolging. De uitvoerende rechterlijke autoriteit dient in de uitoefening van haar beoordelingsbevoegdheid krachtens artikel 24 van dat kaderbesluit echter na te gaan of een inperking van de fundamentele procedurele waarborgen van de betrokkene valt te rechtvaardigen in het licht van de mogelijk uiteenlopende legitieme belangen van de uitvaardigende lidstaat en de uitvoerende lidstaat.
61.
Nu het eerste onderdeel van de derde prejudiciële vraag in wezen ontkennend is beantwoord, hoeft geen antwoord meer te worden gegeven op het tweede onderdeel van deze vraag, dat alleen is gesteld voor het geval dat het eerste onderdeel bevestigend zou worden beantwoord.
3. Voortzetting van de hechtenis van de gezochte persoon na een rechtmatig uitstel van diens overlevering (eerste prejudiciële vraag)
62.
Met zijn eerste prejudiciële vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen of de gezochte persoon, indien zijn overlevering rechtmatig wordt uitgesteld in de zin van artikel 24, lid 1, van kaderbesluit 2002/584, gedurende de gehele periode van dat uitstel en tot het tijdstip van de feitelijke overlevering in hechtenis mag worden gehouden.
63.
Artikel 24 van kaderbesluit 2002/584 geeft geen antwoord op deze vraag. Volgens de algemene regel van artikel 12 van dat kaderbesluit moet echter overeenkomstig het nationale recht worden beslist of de gezochte persoon in hechtenis kan worden geplaatst of gehouden. Op grond van artikel 34, lid 2, van de Overleveringswet kan de hechtenis met maximaal 30 dagen worden verlengd, hetgeen de verwijzende rechter in het onderhavige geval tweemaal heeft gedaan.21. In beginsel vormt dus noch artikel 12 noch artikel 24 van kaderbesluit 2002/584 op zich een belemmering voor een dergelijke verlenging van de hechtenis met het oog op de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel, aangezien het uitstel van de overlevering integrerend deel uitmaakt van die tenuitvoerlegging22., ook wanneer die verlenging een bepaalde duur kan overschrijden.
64.
Anders dan de Commissie stelt, wordt aan deze beoordeling niet afgedaan door de algemene opzet van het systeem van rechterlijke samenwerking dat is ingevoerd met het oog op de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel, noch door de in artikel 23, leden 2 tot en met 4, van kaderbesluit 2002/584 vastgestelde strikte termijnen voor de overlevering van de gezochte persoon, noch door de vereisten die voortvloeien uit artikel 6 van het Handvest.
65.
Het is juist dat het Hof reeds heeft geoordeeld dat de mogelijkheid om die termijnen te verlengen wegens een geval van overmacht in de zin van artikel 23, lid 3, van kaderbesluit 2002/584, als afwijking van de in artikel 23, lid 2, van dat kaderbesluit vastgestelde regel strikt moet worden uitgelegd.23. Het Hof heeft in dit verband gepreciseerd dat juridische belemmeringen die voortvloeien uit door de gezochte persoon gezette procedurele stappen, voorzienbaar zijn en geen overmacht in de zin van eerstgenoemde bepaling vormen.24.
66.
Artikel 24, lid 1, van kaderbesluit 2002/584 vormt echter een bijzondere regel ten opzichte van de in artikel 23, leden 1 en 2, van dat kaderbesluit opgenomen algemene regels betreffende de strikte termijnen waarbinnen de overlevering moet plaatsvinden. Die bijzondere regel ziet namelijk op een specifiek geval waarin de overlevering van de gezochte persoon kan worden uitgesteld, en is met name bedoeld ter bescherming van het legitieme belang van de uitvoerende lidstaat om een lopende strafprocedure af te ronden.25. Dit specifieke geval van uitstel moet dus duidelijk worden onderscheiden van de in artikel 23, leden 3 en 4, van dat kaderbesluit bedoelde gevallen waarin de overlevering in afwijking van de algemene regels van artikel 23, leden 1 en 2, van hetzelfde kaderbesluit bij wijze van uitzondering kan worden uitgesteld.
67.
Deze beoordeling wordt bevestigd door het feit dat de Uniewetgever in artikel 24, lid 1, van kaderbesluit 2002/584 geen precieze termijnen of op zijn minst een verwijzing naar de in artikel 23 van dat kaderbesluit gestelde termijnen heeft opgenomen. Daaruit volgt a contrario dat dat kaderbesluit de lidstaten overeenkomstig het in artikel 12, eerste zin, geformuleerde beginsel een beoordelingsbevoegdheid laat om te bepalen hoelang de gezochte persoon tijdens een rechtmatig uitstel van zijn overlevering krachtens artikel 24, lid 1, in hechtenis kan worden gehouden.
68.
Voorts staat de betrokkene er in het onderhavige geval op dat hij de fundamentele procedurele rechten die hij in de Nederlandse strafprocedure heeft, onmiddellijk kan uitoefenen, hetgeen de belangrijkste reden is geweest voor de officier van justitie om de overlevering overeenkomstig artikel 36, lid 1, van de Overleveringswet uit te stellen. Deze omstandigheid vormt echter geen ‘juridische belemmering’ in de zin van de in punt 65 hierboven in herinnering gebrachte rechtspraak, die namelijk slechts betrekking heeft op de toepassing van artikel 23 van kaderbesluit 2002/584, en niet op de toepassing van artikel 24, lid 1, van dat kaderbesluit, zoals in de onderhavige zaak het geval is.
69.
Tot slot is het juist dat de op artikel 24, lid 1, van kaderbesluit 2002/584 gebaseerde beslissing om de gezochte persoon in hechtenis te houden in de uitvoerende lidstaat in plaats van hem ter tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel over te leveren aan de uitvaardigende lidstaat, net zoals de door de uitvaardigende lidstaat opgelegde straf een maatregel is die binnen de werkingssfeer valt van artikel 6 van het Handvest, en dus in de tijd beperkt moet zijn.26. De eventuele uit die beslissing voortvloeiende beperking van de vrijheid van de gezochte persoon wordt echter volledig gecompenseerd door de op de uitvaardigende lidstaat rustende verplichting om elke periode van vrijheidsbeneming in de uitvoerende lidstaat in mindering te brengen op de totale duur van de vrijheidsbeneming die in de uitvaardigende lidstaat moet worden ondergaan. In deze omstandigheden kan de voortzetting van de hechtenis van die persoon niet worden aangemerkt als een extra beperking van het recht op vrijheid, welke hechtenis de betrokkene hoe dan ook moet ondergaan in de uitvaardigende lidstaat, noch als een onevenredige maatregel in de zin van artikel 52, lid 1, tweede zin, van het Handvest, mits de vrijheidsbeneming niet langer duurt dan de vrijheidsbeneming die in de uitvaardigende lidstaat moet worden ondergaan.
70.
Ik stel dan ook voor om op de eerste prejudiciële vraag te antwoorden dat artikel 12 en artikel 24, lid 1, van kaderbesluit 2002/584, gelezen in samenhang met artikel 6 van het Handvest, zich er niet tegen verzetten dat een gezochte persoon van wie de overlevering ter fine van de uitvoering van een vrijheidsstraf definitief is toegestaan, maar is uitgesteld ‘opdat de betrokkene in de uitvoerende staat kan worden vervolgd […] wegens een ander feit dan het in het Europees aanhoudingsbevel bedoelde feit’, gedurende die gehele strafprocedure in hechtenis wordt gehouden ter tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel, mits de vrijheidsbeneming niet langer duurt dan de vrijheidsbeneming die in de uitvaardigende lidstaat moet worden ondergaan.
V. Conclusie
71.
Gelet op een en ander geef ik het Hof in overweging om de prejudiciële vragen van de rechtbank Amsterdam als volgt te beantwoorden:
- ‘1)
Artikel 12 en artikel 24, lid 1, van kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten, zoals gewijzigd bij kaderbesluit 2009/299/JBZ van de Raad van 26 februari 2009, gelezen in samenhang met artikel 6 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, verzetten zich er niet tegen dat een gezochte persoon van wie de overlevering ter fine van de uitvoering van een vrijheidsstraf definitief is toegestaan, maar is uitgesteld ‘opdat de betrokkene in de uitvoerende staat kan worden vervolgd […] wegens een ander feit dan het in het Europees aanhoudingsbevel bedoelde feit’, gedurende die gehele strafprocedure in hechtenis wordt gehouden ter tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel, mits de vrijheidsbeneming niet langer duurt dan de vrijheidsbeneming die in de uitvaardigende lidstaat moet worden ondergaan.
- 2)
De beslissing om de overlevering van een gezochte persoon uit te stellen, krachtens artikel 24, lid 1, van kaderbesluit 2002/584, zoals gewijzigd bij kaderbesluit 2009/299, gelezen in samenhang met artikel 6, lid 2, en met overweging 8 van dat kaderbesluit, is een maatregel betreffende de ‘tenuitvoerlegging’ van het Europees aanhoudingsbevel en moet dus worden genomen door de ‘uitvoerende rechterlijke autoriteit’.
Schending van artikel 24, lid 1, van dat kaderbesluit, gelezen in samenhang met artikel 6, lid 2, ervan, op grond waarvan de beslissing tot uitstel van de overlevering van de gezochte persoon moet worden genomen door de uitvoerende rechterlijke autoriteit, heeft tot gevolg dat die persoon in vrijheid moet worden gesteld. Dit is alleen anders wanneer een dergelijke autoriteit de mogelijkheid heeft om die schending recht te zetten, met name door middel van een kaderbesluitconforme uitlegging van de relevante nationaalrechtelijke bepalingen, of wanneer het nationale recht een rechtsgrondslag biedt om de betrokkene op andere gronden in hechtenis te houden.
- 3)
Artikel 24, lid 1, van kaderbesluit 2002/584, zoals gewijzigd bij kaderbesluit 2009/299, gelezen in samenhang met de artikelen 47 en 48 van het Handvest van de grondrechten, verzet zich er in beginsel niet tegen dat de overlevering van de gezochte persoon wordt uitgesteld met het oog op strafvervolging in de uitvoerende lidstaat op grond dat die persoon geen afstand wenst te doen van zijn aanwezigheidsrecht met betrekking tot die strafvervolging. De uitvoerende rechterlijke autoriteit dient in de uitoefening van haar beoordelingsbevoegdheid krachtens artikel 24 van dat kaderbesluit echter na te gaan of een inperking van de fundamentele procedurele waarborgen van de betrokkene valt te rechtvaardigen in het licht van de mogelijk uiteenlopende legitieme belangen van de uitvaardigende lidstaat en de uitvoerende lidstaat.’
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 27‑10‑2022
Oorspronkelijke taal: Frans.
C-804/21 PPU, EU:C:2022:307, punt 66.
Zie ook mijn conclusie in de zaak C en CD (Juridische belemmeringen voor de tenuitvoerlegging van een beslissing tot overlevering) (C-804/21 PPU, EU:C:2022:182, punten 73–76).
Arrest van 24 november 2020, Openbaar Ministerie (Valsheid in geschrifte) (C-510/19, EU:C:2020:953, punt 56).
Zie in die zin en naar analogie arrest van 24 november 2020, Openbaar Ministerie (Valsheid in geschrifte) (C-510/19, EU:C:2020:953, punten 44–49 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Zie in die zin arresten van 24 november 2020, Openbaar Ministerie (Valsheid in geschrifte) (C-510/19, EU:C:2020:953, punten 54, 67 en 72), en 28 april 2022, C en CD (Juridische belemmeringen voor de tenuitvoerlegging van een beslissing tot overlevering) (C-804/21 PPU, EU:C:2022:307, punt 61). Zie ook met betrekking tot de politiediensten mijn conclusie in de zaak C en CD (Juridische belemmeringen voor de tenuitvoerlegging van een beslissing tot overlevering) (C-804/21 PPU, EU:C:2022:182, punten 72 en 73).
Zie in die zin arrest van 24 november 2020, Openbaar Ministerie (Valsheid in geschrifte) (C-510/19, EU:C:2020:953, punten 44–47 en 54 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Zie in die zin arrest van 24 november 2020, Openbaar Ministerie (Valsheid in geschrifte) (C-510/19, EU:C:2020:953, punten 49–51 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Zie de in de punten 31 en 32 van deze conclusie aangehaalde rechtspraak.
Arrest van 24 november 2020, Openbaar Ministerie (Valsheid in geschrifte) (C-510/19, EU:C:2020:953, punten 52 en 53).
Arresten van 26 februari 2013, Melloni (C-399/11, EU:C:2013:107, punten 49–51); 10 augustus 2017, Tupikas (C-270/17 PPU, EU:C:2017:628, punten 58–60), en 22 december 2017, Ardic (C-571/17 PPU, EU:C:2017:1026, punt 73).
PB 2016, L 65, blz. 1.
Zie in die zin arresten van 26 februari 2013, Melloni (C-399/11, EU:C:2013:107, punt 49 en aldaar aangehaalde rechtspraak), en 15 september 2022, HN (Proces van een verdachte die van het grondgebied is verwijderd) (C-420/20, EU:C:2022:679, punt 54 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Arrest van 15 september 2022, HN (Proces van een verdachte die van het grondgebied is verwijderd) (C-420/20, EU:C:2022:679, punt 32).
Arrest van 15 september 2022, HN (Proces van een verdachte die van het grondgebied is verwijderd) (C-420/20, EU:C:2022:679, punten 35–37). Met betrekking tot de voorwaarden die gelden voor het afstand doen, namelijk dat dit vrijwillig is en ondubbelzinnig vaststaat, zie arrest van 26 februari 2013, Melloni (C-399/11, EU:C:2013:107, punt 49).
Arresten van 26 februari 2013, Melloni (C-399/11, EU:C:2013:107, punt 49), en 15 september 2022, HN (Proces van een verdachte die van het grondgebied is verwijderd) (C-420/20, EU:C:2022:679, punt 54).
Zie in die zin arresten van 20 december 2017, Prequ' Italia (C-276/16, EU:C:2017:1010, punt 50); 13 september 2018, UBS Europe e.a. (C-358/16, EU:C:2018:715, punt 62), en 16 oktober 2019, Glencore Agriculture Hungary (C-189/18, EU:C:2019:861, punt 43).
Zie in die zin arresten van 26 oktober 2021, Openbaar Ministerie (Recht om te worden gehoord door de uitvoerende rechterlijke autoriteit) (C-428/21 PPU en C-429/21 PPU, EU:C:2021:876, punten 43 en 44 en aldaar aangehaalde rechtspraak), en 22 februari 2022, Openbaar Ministerie (Bij wet ingesteld gerecht in de uitvaardigende lidstaat) (C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, EU:C:2022:100, punten 48 en 49 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Zie beschikking van 12 februari 2019, RH (C-8/19 PPU, EU:C:2019:110, punten 31 e.v.), en arrest van 29 juli 2019, Gambino en Hyka (C-38/18, EU:C:2019:628, punten 38 e.v.).
Zie in die zin arrest van 13 november 2018, Raugevicius (C-247/17, EU:C:2018:898, punten 36 e.v.).
Zie de punten 19 en 20 van deze conclusie.
Zie punt 29 van deze conclusie.
Zie arrest van 28 april 2022, C en CD (Juridische belemmeringen voor de tenuitvoerlegging van een beslissing tot overlevering) (C-804/21 PPU, EU:C:2022:307, punt 45 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Zie arrest van 28 april 2022, C en CD (Juridische belemmeringen voor de tenuitvoerlegging van een beslissing tot overlevering) (C-804/21 PPU, EU:C:2022:307, punt 48 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Zie de punten 55–57 van deze conclusie.
Zie in die zin arresten van 16 juli 2015, Lanigan (C-237/15 PPU, EU:C:2015:474, punten 58 en 59), en 25 januari 2017, Vilkas (C-640/15, EU:C:2017:39, punt 43).