Einde inhoudsopgave
Uitkoop van minderheidsaandeelhouders (VDHI nr. 125) 2014/9.4.2
9.4.2 Het uitgangspunt: de waarde per de datum van de overdracht
mr. T. Salemink, datum 01-07-2014
- Datum
01-07-2014
- Auteur
mr. T. Salemink
- JCDI
JCDI:ADS594223:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
HR 11 september 1996, NJ 1997/176; JOR 1996/113 (Nationale Nederlanden).
§ 327b(1) AktG.
O.a. Den Boer (2002), p. 341; Norbruis (2005), p. 56; Olden (2009a), p. 72 en (2008b), p. 363; Asser/ Maeijer/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II* 2009/688; Salemink (2011), p. 186. Zie OK 13 april 2000, JOR 2000/168 (FGH Bank) en OK 29 juni 2000, JOR 2000/170 (Pirelli), waarin de OK dit uitgangspunt vaste rechtspraak noemt. Opmerkelijk is dat de OK in drie opvolgende procedures zonder motivering de prijs vaststelt op een eerdere, door de uitkoper gevorderde, peildatum, zie OK 21 september 2000, rolnr. 624/2000, n.g. (Alpinvest Holding); OK 28 september 2000, rolnr. 327/2000, n.g. (Visserijmaatschappij Kennemerland); OK 10 augustus 2000, rolnr. 476/2000, n.g. (Koninklijke Hoogovens). Voor recente rechtspraak met betrekking tot dit uitgangspunt, zie o.m. OK 27 juli 2010 (ro. 3.9), JOR 2010/342 (Jetix); OK 13 oktober 2009 (ro. 3.17), JOR 2009/322 (Univar); OK 24 februari 2009 (ro. 3.17), JOR 2009/130 (Hagemeyer); OK 15 mei 2008, JOR 2008/197 (Euronext).
OK 24 februari 2009 (ro. 3.17), JOR 2009/130 (Hagemeyer).
OK 7 december 2010 (ro. 3.17), JOR 2011/45 (Corporate Express); OK 9 maart 2010 (ro. 3.16), JOR 2010/154 (Rodamco Europe); OK 29 juni 2000 (ro. 2.4), JOR 2000/170 (Pirelli). Zie ook OK 1 februari 2011 (ro. 3.15), ARO 2011/45 (Rodamco Europe), waarin de gedaagde stelt dat een eerdere peildatum gekozen moet worden, omdat het niet gerechtvaardigd is dat door ‘vertragingstactieken’ van de uitkoper de waardeveranderingen voor rekening van de gedaagde komen. De OK verwerpt het verweer en overweegt dat na een openbaar bod de voor- en nadelen voor rekening blijven van degene die indertijd ervoor het gekozen om zijn aandelen niet onder het openbaar bod aan te bieden en ze is blijven houden.
Slagter (2002), p. 190. Uit praktische overwegingen kan de OK volgens hem hiervan afwijken en aansluiten bij een eerder datum, bijvoorbeeld ter besparing van de kosten van een deskundigenonderzoek, mits zij voor de tussenliggende periode correcties hierop aanbrengt. Slagter is voorts kritisch op de rechtspraak van voor 2000 ten aanzien van de gekozen peildata, o.a. Slagter (1995), p. 136 en (1996b), p. 319.
OK 24 februari 2009 (ro. 3.17), JOR 2009/130 (Hagemeyer); OK 15 mei 2008 (ro. 3.16), JOR 2008/ 197 (Euronext). Evenzo Olden (2008b), p. 363. Opmerkelijk is dat de OK in twee uitspraken uit 2010 zonder motivering voorbij gaat aan de door haar zelf geformuleerde uitzondering, zie OK 27 juli 2010 (ro. 3.9), JOR 2010/342 (Jetix) en OK 7 december 2010 (ro. 3.17 en 3.20), JOR 2011/45 (Corporate Express). Het is onduidelijk of dit een bewuste afwijking betreft, aldus ook Kuijpers onder JOR 2010/343.
Den Boer (2002), p. 341; Leijten (2003), p. 66.
OK 27 oktober 1994, rolnr. 277/94, n.g. (Internationale Nederlanden Bank); OK 19 december 1991, NJ 1991/618 (Nierstrasz); OK 6 april 1989, NJ 1990/173 (Van Beek).
OK 10 december 1992, rolnr. 814/92, n.g. (Grasso’s); OK 13 juni 1991, rolnr. 878/90, n.g. (Baronie de Heer).
OK 15 juli 1999, rolnr. 1083/96, n.g. (Affymax); OK 16 januari 1997, rolnr. 1146/96, n.g. (Pie Medical); OK 7 september 1989, rolnr. 717/89, n.g. (Gelatine Delft).
OK 16 september 1999, rolnr. 1481/97, n.g. (Mogen International); OK 2 april 1992, NV 1992, p. 179 (Center Parcs); OK 29 juni 1989, rolnr. 261/89, n.g. (VNU Dagbladengroep).
OK 27 januari 2000, rolnr. 1256/99, n.g. (Otra); OK 25 januari 1990, TVVS 1990, p. 261 (Amsterdamsche Rijtuigmaatschappij); OK 21 december 1989, TVVS 1990, p. 260 (Proost & Brandt); OK 28 september 1989, TVVS 1990, p. 233 (Tonnema).
OK 22 oktober 1998, rolnr. 524/98, n.g. (HEM Holding); OK 4 januari 1990, NV 1989, p. 244 (NEFO); OK 1 februari 1990, rolnr. 1349/88, n.g. (Deli-Atjeh).
OK 22 augustus 1991, NV 1991, p. 269 (VBE-De Maas).
OK 8 oktober 1992, rolnr. 873/91, n.g. (Thomassen); OK 4 juni 1992, rolnr. 137/91, n.g. (Hooge Huys Verzekeringen); OK 17 december 1992, NV 1993, p. 108 (FRET).
OK 1 mei 1997, rolnr. 535/95, n.g. (Milic).
OK 11 april 1996, rolnr. 88/95, n.g. (Kluft Distrifood).
Aldus ook De Jong (2012), p. 229.
Evenzo De Jong (2012), p. 229; Den Boer (2002), p. 343. Van der Heijden en Van der Grinten (Handboek (1992), nr. 356), hanteerden voor de waardering in de geschillenregeling van voor de invoering van de wet vereenvoudiging en flexibilisering BV-recht eind 2012 hetzelfde moment. Een verschil was dat het uitstotingsvonnis eerst onherroepelijk moest zijn.
Slagter (2002), p. 190, wijst naar mijn mening overigens ten onrechte op art. 7:26 lid 2 BW waarvan de eerste zin luidt: ‘De betaling moet geschieden ten tijde en ter plaatse van de aflevering’. Deze bepaling ziet op het moment waarop de prijs betaald moet worden, niet op het moment waarop het economisch risico op de aandelen overgaat.
OK 23 maart 2000 (ro. 2.3), JOR 2000/101 (Euromast).
De OK is, zoals gezegd, vrij in de manier waarop zij de prijs vaststelt en welke waarderingsmethode zij hieraan ten grondslag legt (§ 9.2.1). De wet bevat evenmin regels omtrent de keuze van de peildatum. De OK is daarom ook ‘vrij om in redelijkheid het tijdstip te bepalen waarop zij de prijs vaststelt’.1 Dit is bijvoorbeeld anders voor de uitkoopregeling in Duitsland, waar de wet expliciet bepaalt dat als peildatum heeft te gelden het moment waarop de algemene vergadering het ‘uitkoopbesluit’ neemt.2
De OK bepaalt dus het moment waarop de aandelen worden gewaardeerd. Sinds 2000 geldt als uitgangspunt het moment van de overdracht van de aandelen, althans een datum die daar zo dicht mogelijk bij ligt.3 Dat is in de regel de dag van het toewijzend arrest. Dit uitgangspunt geldt voor zowel de algemene uitkoopregeling van art. 2:92a/201a BW als voor de bijzondere uitkoopregeling van art. 2:359c BW.4
De gedachte is dat het risico voor de waardeverandering van de aandelen voor rekening moet komen van degene die de aandelen houdt.5 Slagter noemt dit uitgangspunt in overeenstemming met het door hem bepleite principe van ‘do ut des’, wat betekent: ‘ik geef opdat jij geeft’. De peildatum moet volgens hem zoveel mogelijk synchroon lopen met de daadwerkelijke overdracht van de aandelen.6
Er geldt één uitzondering op dit uitgangspunt. De OK stelt de waarde van de aandelen per een eerdere datum vast, indien de ‘toepassing van die eerdere datum door de verschenen gedaagde(n) niet wordt betwist onderscheidenlijk ook voor de niet verschenen gedaagde(n) per saldo niet tot een ongunstiger resultaat leidt’.7Ik zie echter niet in waarom een uitkoper onder deze voorwaarden de waardering tegen een eerdere peildatum zou vorderen.
In de uitkoopprocedures voor 2000 knoopt de OK voor de peildatum in de regel aan bij een tijdstip van het voorafgaand openbaar bod.8 In de gevallen anders dan na een openbaar bod, stelt zij veelal de prijs vast per de door de uitkoper gevorderde datum. De OK hanteert in die zaken onder meer de volgende tijdstippen als peildatum: de datum van de dagvaarding,9 de datum van uitbrengen van het openbaar bod,10 de datum van de sluiting van de (na-) aanmeldingstermijn,11 de datum van de gestanddoening,12 de datum van de betaalbaarstelling,13 de datum van het einde van het boekjaar,14 de peildatum van het overgelegde accountantsrapport,15 de datum van een voorafgaande aandelenoverdracht,16 de datum van statutenwijziging.17 In de zaak Kluft Distrifood komen partijen ter zitting tot overeenstemming over de prijs. De OK stelt vervolgens de prijs vast per de datum van deze zitting.18
Het door de OK gehanteerde uitgangspunt acht ik dogmatisch niet juist. De keuze voor een peildatum komt in essentie neer op de vraag op welk moment het economisch risico van de waardeverandering van de over te dragen aandelen verspringt van de gedaagde naar de uitkoper.19
Bij de vrijwillige koop en verkoop van aandelen gaat dit risico over op het moment dat de overeenkomst tot stand komt. Op dat tijdstip ontstaat de verplichting voor de verkoper om de aandelen over te dragen en voor de koper de overeengekomen prijs te betalen. Het risico van de waardeverandering van de aandelen ligt vanaf dat moment dus bij laatstgenoemde en niet pas nadat de aandelen daadwerkelijk zijn overgedragen.
Ik zie geen reden waarom dit bij de ‘gedwongen’ verkoop van de aandelen in een uitkoopprocedure anders moet zijn. Het economische risico verspringt op het moment dat voor de minderheid de verplichting ontstaat om zijn aandelen over te dragen. Dit is de datum waarop de OK de gedwongen overdracht toewijst: de dag van het eindarrest.20 In het door Slagter aangevoerde principe van ‘do ut des’ kan ik mij dan ook niet vinden. Het economisch risico op de aandelen gaat namelijk al eerder over dan het moment waarop de gedaagde zijn aandelen overdraagt.21
De door mij voorgestane gedachte lijkt ook het uitgangspunt te zijn in de (in de literatuur veelal als standaardarrest genoemde) procedure inzake Euromast. De OK overweegt in deze zaak namelijk dat ‘de over te dragen aandelen dienen te worden overgedragen tegen de waarde die de aandelen hebben op de dag van het toewijzende eindarrest althans op een tijdstip dat daar zo dichtbij mogelijk ligt’.22 Dit is een klein, maar niet onbelangrijk, verschil met de thans geldende peildatum, de datum van de overdracht. Deze overweging van de OK lijkt in latere rechtspraak verlaten, althans geherformuleerd, te zijn.
In het huidige systeem van de uitkoopregeling bestaat er geen verschil tussen het door mij bepleite en het thans geldende uitgangspunt. De OK kan de peildatum namelijk simpelweg niet later vaststellen dan op de dag van het eindarrest.
Toch is het onderscheid belangrijk. Ik pleit namelijk voor het ‘opknippen’ van de uitkoopregeling (§ 10.2.3). De OK beslist dan eerst over de toewijzing van de gedwongen overdracht. Dit is het moment waarop de verplichting tot overdracht ontstaat en geldt naar mijn mening als de peildatum voor de waarde van de aandelen. Nadat de verplichting tot overdracht vaststaat, kan (indien nodig) een discussie over de prijs plaatsvinden. Deze verschuiving van de peildatum heeft verschillende voordelen (§ 9.4.3 sub c).
In dit systeem is het moment van de overdracht van de aandelen, althans van het eindarrest, dus niet zonder meer gelijk aan het moment waarop het economisch risico op de aandelen tussen de partijen overgaat. Zie over het door mij voorgestelde systeem § 10.2.3.