Het voorlopig getuigenverhoor
Einde inhoudsopgave
Het voorlopig getuigenverhoor (BPP nr. XVII) 2015/262:262 Overzicht
Het voorlopig getuigenverhoor (BPP nr. XVII) 2015/262
262 Overzicht
Documentgegevens:
Mr. E.F. Groot, datum 01-01-2015
- Datum
01-01-2015
- Auteur
Mr. E.F. Groot
- JCDI
JCDI:ADS459526:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht / Bewijs
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De getuigenverklaringen moeten gebruikt kunnen worden ten behoeve van een – bepaalde – vordering in de hoofdzaak. Een onderzoek naar bepaalde feiten in een voorlopig getuigenverhoor is zinloos als er geen vordering in de hoofdzaak (meer) bestaat of als de vordering in de hoofdzaak kansloos is. Zelfs als het voorlopig getuigenverhoor wordt toegewezen en alle getuigen worden gehoord, levert het voorlopig getuigenverhoor de verzoeker niets op, omdat op de vordering in de hoofdzaak niet dan wel afwijzend zal worden beslist.
In deze paragraaf worden de hierboven genoemde drie gevallen behandeld:
de vordering bestaat niet. Hiermee wordt niet het ‘bestaan’ van de vordering in existentiële zin bedoeld; de vordering blijkt enkel niet uit het verzoekschrift, dus bestaat niet in het verzoekschrift (par. 7.5.2.2),
de vordering is kansloos (par. 7.5.2.3),
de vordering dan wel een bepaald geschilpunt bestaat niet meer. Hiervan is sprake als de vordering of een bepaald geschilpunt al is afgedaan, bijvoorbeeld in een vonnis of in een vaststellingsovereenkomst (par. 7.5.2.4).
De beslissing dat onvoldoende belang bestaat bij een voorlopig getuigenverhoor op grond van een van deze drie redenen, betekent niet dat ook onvoldoende belang bestaat bij het instellen van een vordering in de hoofdzaak. Vanwege de oppervlakkige beoordeling van de vordering in de hoofdzaak door de rechter die over het voorlopig getuigenverhoor moet oordelen en de terughoudendheid die de rechter in de hoofdzaak – meer dan de rechter die moet oordelen over het voorlopig getuigenverhoor (zie nr. 259) – bij de toepassing van art. 3:303 BW dient te betrachten, is goed denkbaar dat de eiser in de hoofdzaak voldoende belang heeft bij zijn vordering.