Afscheiding van bestanddelen
Einde inhoudsopgave
Afscheiding van bestanddelen (O&R nr. 134) 2022/3.6.1:3.6.1 Inleiding
Afscheiding van bestanddelen (O&R nr. 134) 2022/3.6.1
3.6.1 Inleiding
Documentgegevens:
mr. J.C.T.F. Lokin, datum 01-03-2022
- Datum
01-03-2022
- Auteur
mr. J.C.T.F. Lokin
- JCDI
JCDI:ADS644907:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Goederenrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Opzoomer III (1876), p. 252-253; Diephuis VI (1886), p. 37 e.v. en p. 82; Land II (1901), p. 139; Asser/Scholten (1945), p. 152; Hofmann (1944), p. 131. Onder natrekking verstond de wetgever blijkbaar natrekking in brede zin, te weten zowel natrekking in enge zin (verbinding) als zaaksvorming en vermenging.
Land II (1901), p. 136-137; Suijling V (1940), p. 8 en 80; Hofmann (1944), p. 132; Asser/Beekhuis (1957), p. 52.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Art. 639 OBW luidde:
“Eigendom van zaken kan op geene andere wijze worden verkregen, dan door toeëigening, door natrekking, door verjaring, door wettelijke of testamentaire erf-opvolging, en door opdragt of levering, tengevolge van eenen regtstitel van eigendoms-overgang, afkomstig van dengenen die geregtigd was over den eigendom te beschikken.”
De opsomming van art. 639 OBW was onvolledig, hoewel de suggestie werd gewekt dat zij limitatief was.1 Zo ontbraken als wijzen van eigendomsverkrijging door vruchttrekking, verbeurdverklaring, onteigening, abandonnement en boedelmenging bij gemeenschap van goederen. Ook de afscheiding riep vragen op. Wat als een bestanddeel van een zaak wordt afgescheiden? Iemand wordt eigenaar van het afgescheiden bestanddeel dat een zelfstandige zaak was geworden, maar wie en op welke wijze verkrijgt hij dat eigendomsrecht? De passage “kan op geene andere wijze worden verkregen, dan” was dus ongelukkig.
Anders dan het BGB, bevatte het OBW geen algemeen artikel over de zakenrechtelijke gevolgen van het afscheiden van een bestanddeel. Slapende eigendomsrechten zoals het Romeinse recht die kende, waren aan het OBW vreemd. Ook zonder wetsbepaling lag het voor de hand dat de eigenaar van de hoofdzaak eigenaar was van het afgescheiden bestanddeel. Dit was dan ook de hoofdregel, waarop uiteraard uitzonderingen bestonden.2 De eigenaar was immers vóór de afscheiding al eigenaar van dat bestanddeel. Het verschil was alleen dat door de afscheiding een zelfstandige zaak was ontstaan die niet meer viel onder het eigendomsrecht van de hoofdzaak. Maar waaruit ontstond dit nieuwe eigendomsrecht? En wat als de hoofdzaak bezwaard was met een beperkt recht: kwam dit recht ook automatisch op de afgescheiden zaak te rusten? Over deze vragen gaan de volgende paragrafen.