Einde inhoudsopgave
Een rechtsvergelijking tussen de Nederlandse en Duitse winstbelasting van lichamen (FM nr. 153) 2018/6.1
6.1 Inleiding
dr. F.J. Elsweier, datum 01-04-2018
- Datum
01-04-2018
- Auteur
dr. F.J. Elsweier
- JCDI
JCDI:ADS400623:1
- Vakgebied(en)
Internationaal belastingrecht / Algemeen
Vennootschapsbelasting / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
HvJ EG 13 december 2005, nr. C-446/03, V-N 2005/60.15.
Zie bijvoorbeeld E.C.C.M. Kemmeren, Marks & Spencer: balanceren op grenzeloze verliesverrekening, WFR 2006/211 en G.T.K. Meussen, Fiscale eenheid en grensoverschrijdende verliesverrekening na Marks & Spencer, WFR 2005/752.
De Duitse wetgever is van mening dat bijvoorbeeld nog niet duidelijk is wat precies onder definitief geleden verliezen moet worden verstaan. Zie bijv. Bundesministerium der Finanzen, Prüfbericht ‘Verlustverrechnung und Gruppenbesteuerung”, 10-11-2011, blz. 68. Het feit dat Duitsland geen rekening houdt met in het buitenland definitief geleden verliezen wordt in de Duitse literatuur veelvuldig bekritiseerd, bijvoorbeeld, N. Herzig, Aktuelle Entwicklungen bei §8b KStG und §3c EStG, DB 2003, blz. 1459-1467. Aan de andere kant kan naar aanleiding van het Timac-Agro arrest (HvJ 17 december 2015, zaak C-388/14, (Timac Agro)) afgevraagd worden in hoeverre het EU-recht definitieve verliezen in aftrek moet toestaan. Zie hieromtrent ook S. Wolvers, Timac Agro: einde van de stakingsverliesregeling? NTFR 2016/1355. Het Bundesfinanzhof besliste op 22 februari 2017 in ieder geval dat Duitsland de finale verliezen uit een Italiaanse vaste inrichting van een Duitse belastingplichtige niet in aftrek hoeft te laten (BFH 22.02.2017, I R 2/15, DStR 17,1145).
In dit hoofdstuk zal ik onderzoek doen naar de binnenlandse verliesverrekeningsregels in Nederland en Duitsland. In hoofdstuk 6.2 zal ik ingaan op de Nederlandse wettelijke bepalingen, wetshistorie en systematiek in de vennootschapsbelasting wat betreft verliesverrekening bij lichamen. Daarbij behandel ik achtereenvolgens de verliesverrekeningstermijnen (hoofdstuk 6.2.2), de beperking van houdster- en financieringsverliezen (6.2.3) en de regeling om handel in verlieslichamen te voorkomen (hoofdstuk 6.2.3). Naar aanleiding van deze uiteenzetting behandel ik in hoofdstuk 6.2.4 de discussiepunten in Nederland ten aanzien van de verliesverrekeningsregels, zijnde de inbreuk van de verliesverrekeningstermijnen op de totaalwinstgedachte; de houdbaarheid van de houdster- en financieringsverliesregeling in het algemeen; en de inbreuk van de regeling ter voorkoming van de handel in verlieslichamen op het wettelijke systeem van de Wet VPB 1969, waarbij het niet past om rekening te houden met de achterliggende aandeelhouders van een verlieslichaam. Deze discussiepunten analyseer ik in het licht van mijn in hoofdstuk 1.3.2.4 opgestelde toetsingskader.
Vervolgens zal ik in hoofdstuk 6.3 ingaan op de huidige wettelijke bepalingen, wetshistorie en systematiek in de Körperschaftsteuer wat betreft de verliesverrekening bij lichamen. Daar waar relevant, zal ik ook ingaan op de verliesregels in de Gewerbesteuer. Bij de behandeling van de Duitse verliesverrekeningsregels zal eenzelfde hoofdstukindeling worden gehanteerd als bij de Nederlandse uiteenzetting. Het onderzoek naar de systematiek en invulling van de verliesverrekeningsregels in Duitsland heeft als doel om een analyse te kunnen maken hoe Duitsland met de in hoofdstuk 6.2.4 benoemde (Nederlandse) discussiepunten omgaat en of aldaar rechtsregels of ontwikkelingen ten aanzien van deze discussiepunten aanbevelenswaardig voor Nederland zouden kunnen zijn. Dit toets ik wederom aan de hand van mijn in hoofdstuk 1.3.2.4 opgestelde toetsingskader.
In dit hoofdstuk zal ik in principe niet of nauwelijks ingaan op de problematiek omtrent grensoverschrijdende verliesverrekening, de liquidatieverliesregeling (zie hoofdstuk 8.2.4.3), verrekening van fiscale eenheid verliezen (zie hoofdstuk 9), verliesverrekening bij fusie en splitsing (zie hoofdstuk 10) en verliezen geleden door een vaste inrichting. Ook zullen de formele aspecten rondom het vaststellen van een verlies niet nader worden besproken. In dit hoofdstuk zal verder ook niet worden ingegaan op de vraag of beide landen voldoen aan de Marks & Spencer1 uitkomst, inhoudende dat de definitief geleden verliezen van een dochtermaatschappij altijd ergens verrekend moeten kunnen worden. De Nederlandse staatssecretaris denkt aan de uitkomst te voldoen, vanwege de liquidatieverliesregeling (art. 13d Wet VPB 1969). Het is echter de vraag of deze regeling afdoende is; de discussie hierover in de literatuur is omvangrijk.2 Duitsland heeft nog helemaal niet gereageerd op de uitkomst van Marks & Spencer en heeft aangegeven eerst te willen afwachten totdat er meer duidelijkheid is over hoe deze uitspraak moet worden uitgelegd.3 In hoofdstuk 8, bij de bespreking van de Nederlandse liquidatieverliesregeling, zal ik nog nader op dit aspect ingaan. Tot slot merk ik op dat er in beide landen een sterke samenhang is tussen de verliesverrekeningsregels in de vennootschapsbelasting en inkomstenbelasting, respectievelijk Körperschaftsteuer en Einkommensteuer. Deze samenhang zal ik niet expliciet uitwerken, doch slechts daar waar relevant toelichten. Ik heb er voor gekozen niet op de genoemde problematiek in te gaan, omdat anders mijn onderzoek te omvangrijk zou worden.