Zie HR 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3474, NJ 2015/390 m.nt. P.A.M. Mevis; HR 24 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:718, NJ 2015/395 m.nt. P.A.M. Mevis, en HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1316, NJ 2016/411 m.nt. N. Rozemond. Zie verder J. de Hullu, Materieel Strafrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2021, p. 439 e.v.
HR, 04-06-2024, nr. 22/00558
ECLI:NL:HR:2024:795
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
04-06-2024
- Zaaknummer
22/00558
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Materieel strafrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2024:795, Uitspraak, Hoge Raad, 04‑06‑2024; (Artikel 81 RO-zaken, Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2024:301
ECLI:NL:PHR:2024:301, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 26‑03‑2024
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2024:795
- Vindplaatsen
Uitspraak 04‑06‑2024
Inhoudsindicatie
Medeplegen diefstal van vrachtauto met kraan (311.1.4 Sr). Bewijsklacht medeplegen. HR: art. 81.1 RO. Samenhang met 22/00678 en 22/00658 P (niet gepubliceerd; geen middelen ingediend, betrokkene n-o).
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 22/00558
Datum 4 juni 2024
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 16 februari 2022, nummer 23-000430-18, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1965,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft S.T. van Berge Henegouwen, advocaat in Maastricht, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde taakstraf, tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
2. Beoordeling van het cassatiemiddel
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3. Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde taakstraf van 150 uren, subsidiair 75 dagen hechtenis.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft het aantal uren te verrichten taakstraf en de duur van de vervangende hechtenis;
- vermindert het aantal uren taakstraf en de duur van de vervangende hechtenis in die zin dat de taakstraf 143 uren beloopt, subsidiair 71 dagen hechtenis;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren M. Kuijer en T.B. Trotman, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 4 juni 2024.
Conclusie 26‑03‑2024
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Falende motiveringsklacht over het bewijs van het medeplegen van diefstal. Ambtshalve opmerking over redelijke termijn in cassatie. Conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde taakstraf, tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige. Samenhang met 22/00578 en 22/00658 (Peek).
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer22/00558
Zitting 26 maart 2024
CONCLUSIE
D.J.C. Aben
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1965,
hierna: de verdachte
Inleiding
1. Het gerechtshof Amsterdam heeft bij arrest van 16 februari 2022 het vonnis van de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem, van 6 februari 2018 bevestigd, behalve ten aanzien van de opgelegde taakstraf, het vonnis in zoverre vernietigd en de verdachte veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 150 uren, subsidiair 75 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest.
2. De rechtbank had de verdachte bij het genoemde vonnis wegens “diefstal door twee of meer verenigde personen” veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 200 uren, subsidiair 100 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest. Verder had de rechtbank beslist op de ingediende vordering van de benadeelde partij, de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk toegewezen en de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaard. Voorts had de rechtbank daarbij aan de verdachte een schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 36f Sr opgelegd, een en ander zoals in het vonnis bepaald.
3. Er bestaat samenhang met de zaken 22/00658 (Peek) en 22/00678. In beide zaken zal ik vandaag ook concluderen.
4. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. S.T. van Berge Henegouwen, advocaat te Maastricht, heeft één middel van cassatie voorgesteld.
Het middel
5. Het voorgestelde middel bevat een motiveringsklacht over het bewijs van het medeplegen van de bewezen verklaarde diefstal. Om die reden geef ik eerst de bewezenverklaring, (voor zover relevant) de bewijsvoering en het betreffende bewijsverweer weer.
De bewezenverklaring en de bewijsvoering
6. Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard dat:
“hij in de periode van 20 augustus 2015 tot en met 24 augustus 2015 te Velsen-Noord, gemeente Velsen, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een op/aan de [a-straat] staande vrachtauto (Mol 6070.126-3st L, kenteken [kenteken] ), toebehorende aan een ander of anderen dan aan verdachte en zijn mededaders.”
7. Voor zover relevant houden de door het hof bevestigde promis-bewijsoverwegingen van de rechtbank het volgende in (met weglating van voetnoten en met onderstrepingen mijnerzijds):
“3.4. Bewijsoverweging medeplegen diefstal
De rechtbank stelt voorop dat de betrokkenheid aan een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezen verklaard indien is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking.
Uit de (…) bewijsmiddelen leidt de rechtbank met betrekking tot de betrokkenheid van verdachte bij het tenlastegelegde het volgende af.
Verdachte en zijn medeverdachten hielden zich in en omstreeks augustus 2015 allemaal bezig met de handel in oud ijzer. Ten behoeve hiervan had verdachte [A] opgericht. De voor de handel aangeschafte Opel Omega en het mobiele nummer eindigend op - [telefoonnummer 1] stonden op naam van verdachte, maar zijn (…) in ieder geval in augustus 2015 in gebruik bij medeverdachte [medeverdachte 1] . Uit de verschillende telecomonderzoeken naar de historie van de telefoonnummers in gebruik van verdachte en zijn medeverdachten volgt dat zij veelvuldig contact met elkaar hebben in de periode 15 tot 29 augustus 2015.
[betrokkene 1] . eigenaar van [B] B.V. te [plaats] . is omstreeks 15 augustus 2015 gebeld door medeverdachte [medeverdachte 1] met de vraag of hij een oude Priestman draadkraan wilde kopen.
Uit de diverse telecomonderzoeken van de vier telefoonnummers in gebruik bij verdachte en zijn medeverdachten volgt dat op 17 augustus 2015 zowel het telefoonnummer in gebruik bij medeverdachte [medeverdachte 1] als het telefoonnummer in gebruik bij medeverdachte [medeverdachte 2] tijdens bel/sms c.q. internetcontacten gebruik maken van de KPN zendmast staande [b-straat 1] te [plaats] (Friesland). Ook blijkt uit deze gegevens dat medeverdachte [medeverdachte 1] een aantal maal uitbelt naar het mobiele nummer [telefoonnummer 2] van [B] BV te [plaats] .
Uit deze onderzoeken volgt voorts dat die dag het telefoonnummer in gebruik bij medeverdachte [medeverdachte 3] tijdens meerdere bel/sms c.q. internetcontacten gebruik maakt van de zendmasten te Twijzel en te Harkema en het telefoonnummer in gebruik bij verdachte tijdens een belcontact ook gebruik maakt van diezelfde zendmast te Twijzel. Als feit van algemene bekendheid stelt de rechtbank vast dat Twijzel. Harkema en [plaats] dicht naast elkaar liggen en dorpen zijn in de gemeente Achtkarspelen in de provincie Friesland.
Uit de beelden bij Tata Steel volgt dat in de vroege ochtend van 22 augustus 2015 de vrachtauto met Priestman kraan is weggenomen te Velsen-Noord. Vaststaat dat de vrachtauto die ochtend heeft gereden in de richting van de Pontweg te Velsen Noord. Uit de diverse telecomonderzoeken van de vier telefoonnummers in gebruik bij verdachte en zijn medeverdachten volgt verder dat die nacht tussen 00.35 uur en 3.43 uur meerdere belcontacten plaatsvinden tussen verdachte, medeverdachte [medeverdachte 2] en medeverdachte [medeverdachte 3] . Hierbij valt op dat alle drie de nummers rond 1.43 uur stil staan, terwijl ze een zendmast op dan wel in de buurt van het terrein van Tata Steel aanstralen en die telefoons op diverse tijdstippen tussen 00.43 uur en 04.50 uur nagenoeg dezelfde zendmasten aanstralen liggend op de route Velsen-Noord (00.34 uur) tot Wieringerwerf (omstreeks 4.00 uur). Een collega van aangever heeft hem verteld dat de truck op 22 augustus 2015 bij het Van der Valk hotel in Wieringerwerf stond en daar twee dagen heeft gestaan.
Op 24 augustus 2015 stralen de telefoonnummers in gebruik bij medeverdachten [medeverdachte 1] . [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] – blijkens de telecomonderzoeken – nagenoeg dezelfde zendmasten aan op de route Wieringerwerf (omstreeks 04:00 uur) tot Harkema (omstreeks 07:00 uur). Het telefoonnummer in gebruik bij verdachte straalt een zendmast te Twijzel (Friesland) aan om 06:27 uur als hij belt met medeverdachte [medeverdachte 2] . Verder zijn er in die nacht meerdere belcontacten tussen verdachte, medeverdachte [medeverdachte 1] , medeverdachte [medeverdachte 2] en medeverdachte [medeverdachte 3] . Om 5:33 uur belt medeverdachte [medeverdachte 1] naar een telefoonnummer van [B] . Deze onderzoeksbevindingen passen in de verklaring van [betrokkene 2] .
De signalementen die [betrokkene 2] geeft van de vier mannen die op 24 augustus 2015 de vrachtauto met kraan kwamen brengen, passen – in onderling verband en samenhang bezien – mede gelet op de specifieke (uiterlijke) kenmerken en onderlinge verschillen op de groep van verdachte en zijn medeverdachten.
Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat medeverdachte [medeverdachte 2] in bezit is van een rijbewijs om een dergelijk voertuig te besturen. Uit de telecomgegevens volgt bovendien dat medeverdachte [medeverdachte 2] rond 6.30 uur, als de Opel Omega bij [B] op het terrein is aangekomen, wordt gebeld door verdachte, terwijl op dat moment de vrachtauto met kraan nog niet is aangekomen bij [B] .
Uit de verklaring van [B] volgt dat op woensdag 26 augustus 2015 het afgesproken bedrag van € 2.500 zou klaarliggen en dat de banden en velgen door hen zouden worden meegenomen. In de mobiele telefoon van medeverdachte [medeverdachte 2] wordt een WhatsApp gesprek aangetroffen van maandag 24 augustus 2015 waarbij een foto is gestuurd naar het nummer dat in gebruik is bij medeverdachte [medeverdachte 1] . De foto is van een stapel banden met eenzelfde maat als die van de banden van de gestolen kraan.
Uit de verklaring van [B] volgt verder dat de bestuurder van de kraan en [medeverdachte 1] daadwerkelijk op woensdag 26 augustus 2015 zijn verschenen, waarop hij hen € 2500 euro heeft betaald en de banden, velgen en jerrycans diesel afkomstig van de kraan zijn ingeladen. Dat medeverdachte [medeverdachte 2] en medeverdachte [medeverdachte 1] daar die dag aanwezig zijn geweest volgt naar het oordeel van de rechtbank uit de telecom onderzoeken. Hieruit blijkt dat het telefoonnummer in gebruik bij medeverdachte [medeverdachte 1] om 10:44 uur en 10.45 uur belt naar twee telefoonnummers die op naam staan van [B] te [plaats] , waarbij door deze telefoon de KPN zendmast staande [b-straat 1] te [plaats] wordt aangestraald. Ook het telefoonnummer in gebruik bij medeverdachte [medeverdachte 2] straalt die ochtend genoemde zendmast te [plaats] aan.
De rechtbank komt op grond van de hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, tot de conclusie dat sprake is geweest van een bewuste en nauwe samenwerking tussen verdachte en zijn medeverdachten, die gericht was op het stelen van de vrachtauto met kraan. Alles duidt op een plan waarbij de vrachtauto met kraan voorafgaand aan de diefstal is aangeboden aan een ijzerhandel in [plaats] , waarna deze is weggenomen met het doel de vrachtauto als oud ijzer te verkopen, hetgeen op 24 augustus 2015 ook is gebeurd. Verdachte heeft daarnaast geen aannemelijke verklaring gegeven voor zijn aanwezigheid in de nacht van 22 augustus 2015 op de route van Velsen Noord-Wieringerverf. noch voor de talrijke telefonische contacten met elkaar in de specifieke nacht van de diefstal, en de aanwezigheid en belcontacten rondom [plaats] op 17 augustus 2015 en in de ochtend van 24 augustus 2015.
(…)
Gezien het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het primair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend kan worden bewezen.”
Het verweer van de verdediging
8. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 2 februari 2022 heeft de raadsman aldaar overeenkomstig zijn pleitaantekeningen het woord gevoerd. Die aantekeningen houden, voor zover thans relevant, in (met weglating van voetnoten):
“Medeplegen
Edelgrootachtbaar college, mocht u onverhoopt cliënt niet aanstonds vrijspreken en mocht u hem aldus wel in de buurt van de plaats delict plaatsen, dan ben ik van mening dat er nog steeds onvoldoende wettig bewijs is voor het bestanddeel 'medeplegen'.
En bij gebrek van bewijs voor medeplegen dient cliënt eveneens te worden vrijgesproken. Hij wordt immers verdacht van medeplegen van diefstal. Indien zijn beweerdelijke rol niet meer dan medeplichtigheid oplevert, dient eveneens vrijspraak voor medeplegen te volgen. Dat geldt ook voor de situatie indien de bewijsmiddelen niet exclusief voor medeplegen zijn, maar ook medeplichtigheid omvatten en er geen redengevende keuze tussen medeplegen en medeplichtigheid gemaakt kan worden.
Voorzitter, edelgrootachtbaar college, ik kijk naar dit dossier. Cliënt had destijds geen rijbewijs en kan aldus geen voertuig hebben bestuurd, althans dat is beslist niet aannemelijk. De koper van de gestolen kraan geeft aan dat hij contact had met [medeverdachte 1] , laatstgenoemde zou de kraan aan de koper hebben aangeboden. [B] zegt dat hij op 15 augustus 2015 al door [medeverdachte 1] benaderd is over een kraan. De getuige zegt dat hij de kraan van [medeverdachte 1] heeft gekocht.
Er zouden vier mannen bij zijn geweest toen de kraan op 24 augustus 2015 werd aangeboden. Twee van de 4 mannen hebben op 26 augustus 2015 de assen en banden van de kraan opgehaald bij [B] . Beide keren heeft [B] geld betaald. Op 25 augustus 2015 heeft [medeverdachte 1] nog met [B] gebeld om een afspraak te maken voor het ophalen van de banden en assen. [B] geeft een beschrijving van de personen, waarbij één van de signalementen overeen zou kunnen komen met cliënt. [B] geeft aan dat de persoon die dan beweerdelijk cliënt zou kunnen zijn op 26 augustus 2015 juist niet aanwezig was bij het ophalen van de banden en assen.
Bij de diefstal zou een Opel Omega gebruikt zijn. Cliënt heeft destijds verklaard dat hij geen rijbewijs heeft en niet kan rijden. Cliënt verklaart dat hij een telefoon op zijn naam heeft gezet voor [medeverdachte 1] . Cliënt had destijds ook de Opel op zijn naam, maar het was [medeverdachte 1] die er altijd in reed. Uit politieregistraties blijkt dat zowel [medeverdachte 1] als [medeverdachte 3] wel eens door de politie gecontroleerd zijn in de betreffende Opel. Ook [medeverdachte 3] verklaart dat de Opel van [medeverdachte 1] is. Edelgrootachtbaar college, uit het voorgaande kan aldus geconcludeerd worden dat de Opel ondanks tenaamstelling helemaal niet aan cliënt gelinkt kan worden. Op de momenten dat de politie de Opel controleert zit cliënt in zijn geheel niet in die auto.
Cliënt zou dan – in theorie – enkel als bijzitter in de Opel hebben gezeten op de dag van het aanbod van de gestolen kraan. Uit niets blijkt dat cliënt zelf enig contact heeft gehad met de afnemer van de kraan. Verder blijkt ook nergens uit dat hij betrokken zou zijn geweest bij het plan om de kraan te stelen. Cliënt kan daarnaast niet gereden hebben. Gelet op het voorgaande is de rol van cliënt, als u hem al een rol toedicht, zeer klein. Voor de kwalificatie medeplegen dient de intellectuele en/of materiële bijdrage aan het delict van de verdachte van voldoende gewicht te zijn. Gelet op het voorgaande kan niet geconcludeerd worden dat de bijdrage van cliënt van voldoende gewicht was om tot medeplegen te concluderen. Ik ga u dan ook verzoeken cliënt vrij te spreken van het tenlastegelegde.”
De toelichting op het middel
9. Het middel bevat de klacht dat de bewezenverklaring onbegrijpelijk is, althans onvoldoende met redenen is omkleed, nu uit de bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat de verdachte als ‘medepleger’ heeft deelgenomen aan het feit.
10. Door de steller van het middel wordt, in de eerste plaats, geklaagd dat uit de door het hof overgenomen bewijsvoering van de rechtbank niet kan worden afgeleid dat de verdachte de diefstal heeft medegepleegd, nu de rechtbank met betrekking tot de rolverdeling van de verdachten op het tijdstip van de diefstal in feite niets meer heeft vastgesteld dan dat de verschillende verdachten rondom het tijdstip van de diefstal veelvuldig contact met elkaar hebben gehad en zij zich in de nabijheid van de plaats delict bevonden. Het voorgaande zegt echter niets over de vraag of er sprake was van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking die als medeplegen valt aan te merken.
11. Bovendien wordt geklaagd dat, voor zover de bewezenverklaring “al door de beugel zou kunnen”, het hof op z’n minst had moeten ingaan op het ter terechtzitting in hoger beroep gevoerde verweer van de verdediging dat de rol van de verdachte geen ‘medeplegen’ kan opleveren.
Het beoordelingskader inzake ‘medeplegen’
12. De Hoge Raad heeft vanaf 2014 in verschillende arresten algemene beschouwingen gewijd aan de deelnemingsvorm van het medeplegen.1.Vóór 2014 had hij al uitgemaakt dat voor de kwalificatie ‘medeplegen’ is vereist dat bij het strafbare feit ‘nauw en bewust is samengewerkt’ en dat het accent hierbij meer ligt op de samenwerking dan op de vraag wie welke handelingen heeft verricht.2.De vraag of aan dit vereiste is voldaan, laat zich niet in algemene zin beantwoorden en wordt in cassatie sterk gekleurd door de precieze bewijsvoering van de feitenrechter, zoals bijvoorbeeld een op het medeplegen toegesneden nadere motivering.3.
13. De Hoge Raad heeft benadrukt dat de kwalificatie ‘medeplegen’ slechts dan gerechtvaardigd is als de bewezen verklaarde – intellectuele en/of materiële – bijdrage van de verdachte aan het delict van voldoende gewicht is. Bij de vorming van zijn oordeel of de voor medeplegen vereiste ‘nauwe en bewuste samenwerking’ zich heeft voorgedaan, kan de rechter rekening houden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip.4.
14. Voor een bewezenverklaring van medeplegen is niet vereist dat het gewicht van de bijdrage van de verdachte gelijkwaardig is aan dat van zijn mededader(s). Alhoewel de bijdrage van de medepleger in de regel zal worden geleverd tijdens het begaan van het strafbare feit, kan zijn bijdrage ook bestaan uit verscheidene gedragingen voor, tijdens en/of na het delict.5.
15. Een en ander brengt mee dat wanneer het ten laste gelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering, maar uit gedragingen die met medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht, op de rechter de taak rust om ingeval hij toch tot een bewezenverklaring van het medeplegen komt, in de bewijsvoering – dus in de bewijsmiddelen en zo nodig in een afzonderlijke bewijsoverweging – dat medeplegen nauwkeurig te motiveren.
16. Bovendien kan de procesopstelling van de verdachte een rol spelen. De feitenrechter mag bij zijn bewijsoordeel in aanmerking nemen dat de verdachte voor een omstandigheid die op zichzelf of in samenhang met de verdere inhoud van de bewijsmiddelen beschouwd redengevend kan worden geacht voor het bewijs van het aan hem ten laste gelegde feit, geen aannemelijke, die redengevendheid ontzenuwende verklaring heeft gegeven.
De bespreking van het middel
17. In de onderhavige zaak heeft het hof het vonnis van de rechtbank bevestigd en haar bewijsconstructie tot de zijne gemaakt. Uit deze bewijsconstructie volgt dat de rechtbank van oordeel is dat – op basis van de opgesomde vaststellingen, in onderling verband en samenhang beschouwd – sprake is geweest van medeplegen tussen de verdachte en medeverdachten gericht op het stelen van de vrachtauto met kraan. Volgens de rechtbank duidt ‘alles’ op een plan waarbij de vrachtauto met kraan is weggenomen met het doel deze als oud ijzer te verkopen, hetgeen op 24 augustus 2015 ook is gebeurd.
18. De rechtbank heeft daartoe onder meer vastgesteld (i) dat de verdachte en/of medeverdachten zich in en omstreeks augustus 2015 bezighielden met de handel in oud ijzer, (ii) dat de verdachte ten behoeve daarvan een bedrijf, [A] , had opgericht, (iii) dat de voor de handel aangeschafte Opel Omega en het mobiele telefoonnummer eindigend op - [telefoonnummer 1] op zijn naam stonden, (iii) dat uit de verschillende telecomonderzoeken volgt dat de verdachten voorafgaand aan en in de periode rondom de diefstal van de vrachtauto veelvuldig (bel)contact met elkaar hebben gehad, en dat hun telefoonnummers daarbij op verschillende tijdstippen (nagenoeg) dezelfde zendmasten aanstraalden in de omgeving van het terrein waarvan de vrachtauto is weggenomen. Voorts heeft de rechtbank vastgesteld (vi) dat getuige [B] een signalement heeft gegeven van de vier mannen die op 24 augustus 2015 de vrachtauto met kraan kwamen brengen, terwijl dit signalement – in onderling verband en samenhang bezien – mede gelet op de specifieke (uiterlijke) kenmerken en onderlinge verschillen, past bij de groep waartoe de verdachte en medeverdachten behoorden. Bovendien heeft de rechtbank in haar oordeel betrokken (vii) dat de verdachte voor zijn aanwezigheid in de nacht van 22 augustus 2015 op de route van Velsen Noord-Wieringerverf geen aannemelijke verklaring heeft gegeven, noch voor de talrijke telefonische contacten met de medeverdachten in de specifieke nacht van de diefstal, en de aanwezigheid en belcontacten rondom [plaats] op 17 augustus 2015 en in de ochtend van 24 augustus 2015.
19. Op basis van deze vaststellingen heeft het hof, in het voetspoor van de rechtbank, kunnen oordelen dat de bijdrage van de verdachte van wezenlijke aard is geweest voor het welslagen van de diefstal en dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en zijn medeverdachten. Ik acht ’s hofs oordeel dat de verdachte kan worden veroordeeld voor het medeplegen van de diefstal van de vrachtauto met kraan dan ook niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. In zoverre faalt het middel.
20. Het middel faalt eveneens voor zover wordt geklaagd dat het hof had moeten responderen op het ter terechtzitting in hoger beroep gevoerde bewijsverweer van de verdediging dat de rol van de verdachte geen ‘medeplegen’ kan opleveren. De gronden voor de verwerping van dat bewijsverweer liggen immers reeds besloten in de hiervoor weergegeven bewijsvoering.6.
21. Het middel is tevergeefs voorgesteld.
Slotsom
22. Het middel faalt en kan worden afgedaan met een aan artikel 81 lid 1 RO ontleende overweging.
23. Ambtshalve merk ik op dat de Hoge Raad uitspraak zal doen nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep, waarmee de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM wordt overschreden, hetgeen tot vermindering van de door het hof opgelegde taakstraf zal moeten leiden.
24. Andere ambtshalve gronden die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven, heb ik niet aangetroffen.
25. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde taakstraf, tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 26‑03‑2024
Zie HR 24 mei 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP6581, NJ 2011/481, en HR 6 juli 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO9905, NJ 2004/443.
Zie HR 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3474, NJ 2015/390 m.nt. P.A.M. Mevis; HR 24 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:718, NJ 2015/395 m.nt. P.A.M. Mevis.
Vgl. HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1316, NJ 2016/411 m.nt. N. Rozemond. Zie daarnaast bijvoorbeeld HR 14 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:394, en HR 9 januari 2024, ECLI:NL:HR:2024:3.
Zie bijv. HR 30 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1162.
Vgl. HR 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9130, NJ 2006/393 m.nt. Buruma, rov. 3.8.2.