Einde inhoudsopgave
De huwelijksgemeenschap en verkrijgingen krachtens erfrechtelijke titel en gift (R&P nr. PFR10) 2024/5.6.2
6.2 De opvolgende deelverkrijging in de alternatieve opvatting over de goederenrechtelijke structuur van de breukdelengemeenschap
Mr. T.M. Subelack, datum 02-01-2024
- Datum
02-01-2024
- Auteur
Mr. T.M. Subelack
- JCDI
JCDI:ADS948294:1
- Vakgebied(en)
Personen- en familierecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie paragraaf 3.3.2 van hoofdstuk 2. Zie voorts paragraaf 4.5 hiervóór.
Zie paragraaf 5.4 hiervóór, en dan met name randnummer 259.
Zie paragraaf 3.2.1 van hoofdstuk 2 en paragraaf 6.5.3 van hoofdstuk 3.
Zie paragraaf 6.5.3 van hoofdstuk 3.
Zie paragraaf 6.6.4 van hoofdstuk 3.
Zie paragraaf 6.6.4 van hoofdstuk 3.
Zie Parl. Gesch. Boek 3 BW (MvA II), p. 406.
Zie paragraaf 6.6.4 van hoofdstuk 3, waaronder ook de wijze waarop dit bij verschillende soorten goederen vorm moet worden gegeven (roerende zaken, onroerende zaken en vermogensrechten).
Een dergelijke situaties zal alleen als opvolgende deelverkrijging kwalificeren als er meer dan twee deelgenoten zijn. Zijn er maar twee deelgenoten, dan kwalificeert een dergelijke overdracht op grond van artikel 3:182 BW als een verdeling, en is van een overdracht in de zin van artikel 3:84 lid 1 BW dus geen sprake meer. Vgl. paragraaf 2.2 hiervóór.
Zie paragraaf 2 van hoofdstuk 8.
275. In de vorige paragraaf is beschreven wat het effect van een opvolgende deelverkrijging naar geldend recht is. Net zoals bij de verdeling (zie paragraaf 4.5 hiervóór), is het vervolgens ook bij de opvolgende deelverkrijging de vraag waar de alternatieve visie op de goederenrechtelijke structuur van de breukdelengemeenschap toe leidt. Voor het antwoord op die vraag is het belangrijk om eerst nog een keer terug te gaan naar het effect dat een overdracht in het algemeen heeft, wanneer men eigendom als de aanduiding van het absolute/exclusieve effect van de verkrijging van goederen beschouwt. In dat geval leidt de overdracht van een goed ertoe dat het effect van de verkrijging van dat goed bij de vervreemder wordt verbroken ten gunste van degene die het goed verkrijgt.1 Tussen laatstgenoemde en het betreffende goed ontstaat een nieuwe verbinding die uitdrukt dat voortaan diegene, met uitsluiting van eenieder, bevoegd is om over het door hem verkregen goed te beschikken en alle bevoegdheden uit te oefenen die in de aard/inhoud van dat goed besloten liggen. Vanuit deze uitgangspunten is in paragraaf 4.5 beschreven dat de verdeling van een gemeenschappelijk goed als een herverkrijging van hetzelfde goed (i.e. de zaak of het vermogensrecht) kwalificeert krachtens de zelfstandige titel ‘levering krachtens verdeling’. Dat komt doordat artikel 3:182 en 3:186 lid 1 BW een verdeling onmiskenbaar als een vorm van verkrijging kwalificeren, ook al heeft iedere deelgenoot het goed daarvóór reeds als zodanig verkregen, en behoorde dat goed daarom reeds vóór de verdeling als zodanig (‘als geheel’) tot ieders vermogen.2 In die zin is bij een verdeling dus van een ‘echte’ overdracht sprake; het effect van de eerdere verkrijging wordt bij alle deelgenoten verbroken en er ontstaat een geheel nieuwe verbinding tussen rechtssubject en goed. Bij een opvolgende deelverkrijging ligt dat anders. Bij een opvolgende deelverkrijging wordt bij degene die een extra aandeel in het gemeenschappelijke goed verkrijgt het effect van zijn eerdere verkrijging van het goed juist niet verbroken. Dat effect blijft onverkort in stand. Bepalingen als die van artikel 3:182 en 3:186 lid 1 BW ontbreken. De deelgenoot die een aandeel van een andere deelgenoot in een gemeenschappelijke goed krijgt ‘overgedragen’, (her)verkrijgt dus géén goed in de zin van artikel 3:80 lid 1 BW. Van een werkelijke overdracht is dus géén sprake. Het effect van de eerdere verkrijging blijft bij de verkrijgende deelgenoot onverminderd in stand.
276. Maar wat is dan wél het effect van een opvolgende deelverkrijging? Het belangrijkste effect is dat de gerechtigdheid tot de waarde van het gemeenschappelijke goed met absoluut effect verandert. In hoofdstuk 2 en 3 is reeds uiteengezet dat in de alternatieve opvatting de gerechtigdheid tot de waarde van een goed onderdeel is van het absolute effect van de verkrijging van dat goed.3 Daarmee is de gerechtigheid tot de waarde van een goed onderdeel van ‘de eigendom’. In beginsel is een eigenaar van een goed – als (absoluut) effect van zijn verkrijging – met uitsluiting van eenieder gerechtigd tot de waarde van het door hem verkregen goed. De gemeenschappelijke verkrijging van een goed brengt echter met zich mee dat (ook) ten aanzien van de (gerechtigdheid tot de) waarde van een goed een absolute inbreuk wordt gemaakt op het absolute effect dat de verkrijging van goederen normaal gesproken heeft. In plaats van één rechtssubject, zijn er nu meerdere rechtssubjecten die als effect van hun verkrijging gerechtigd zijn tot de waarde van het goed. In hoofdstuk 3 is reeds gebleken dat artikel 3:166 lid 2 BW deze inbreuk op het absolute effect van de verkrijging zo regelt, dat ieder van de deelgenoten in beginsel een gelijk aandeel in de waarde van het gemeenschappelijke goed heeft, tenzij uit hun rechtsverhouding anders voortvloeit.4 Die laatste zinsnede – i.e. ‘tenzij uit hun rechtsverhouding anders voortvloeit’ – betekent dat de wetgever het aan de deelgenoten heeft toegestaan om met absolute werking af te wijken van de invulling die de wet aan ieders uitoefening van de gerechtigdheid tot de waarde van het gemeenschappelijke goed heeft gegeven.5 Anders dan bij het gebruik, genot en de beheers- en beschikkingsbevoegdheid kunnen de deelgenoten dat evenwel niet bij overeenkomst met absolute werking regelen. Artikel 3:166 lid 2 BW bevat immers geen verwijzing naar artikel 3:168 BW, welke verwijzing wel in artikel 3:175 lid 2 BW en artikel 3:191 lid 2 BW is opgenomen. Dat betekent dat de deelgenoten ieders gerechtigdheid tot de waarde van het goed wel kunnen wijzigen, maar dat zij dit middels een goederenrechtelijke rechtshandeling dienen te regelen. In hoofdstuk 3 is uiteengezet dat daartoe een vergelijking kan worden gemaakt met hetgeen voor beperkte rechten geldt.6 Voor beperkte rechten bepaalt artikel 3:98 BW dat de bepalingen omtrent overdracht van een goed, behoudens wettelijke uitzonderingen, van overeenkomstige toepassing zijn op de vestiging, de overdracht en de afstand van een beperkt recht op een zodanig goed. Uit de parlementaire toelichting volgt dat in dit stelsel óók besloten ligt dat de inhoudvan een beperkt recht kan worden gewijzigd, mits met inachtneming van de ingevolge artikel 3:98 BW ook voor afstand en vestiging van het betreffende beperkte recht geldende vormvoorschriften.7 De inhoud van een beperkt recht kan dus worden gewijzigd op dezelfde manier, en met inachtneming van dezelfde formaliteiten, als waarop dat beperkte recht kan worden gevestigd. Hetzelfde moet worden aangenomen voor de wijziging van de gerechtigdheid tot de waarde van een gemeenschappelijk goed. Die wijziging zal plaats kunnen vinden op dezelfde wijze, en met inachtneming van dezelfde formaliteiten, als voor de overdracht van het goed gelden. Een wijziging van de gerechtigdheid tot de waarde van een gemeenschappelijk goed zal dus moeten plaatsvinden volgens de vereisten van artikel 3:84 BW – i,e, titel, beschikkingsbevoegdheid, levering – waarbij op grond van artikel 3:96 BW ‘de levering/wijziging’ dient te geschieden op overeenkomstige wijze als is bepaald met betrekking tot de levering van dat goed.8
277. In geval van een opvolgende deelverkrijging zijn er dan twee mogelijkheden. De eerste mogelijkheid is dat de ene deelgenoot zijn ‘aandeel’ volledig aan een andere deelgenoot ‘overdraagt’. In dat geval wordt het effect van de verkrijging van het gemeenschappelijk goed bij de eerste beëindigd, en wijzigt het absolute effect van de eerdere verkrijging van het gemeenschappelijke goed bij de verkrijgende deelgenoot in die zin, dat zijn gerechtigdheid tot de waarde wordt vermeerderd met de gerechtigdheid tot de waarde die de uittredende deelgenoot daarvóór had.9 Aan deze eerste mogelijkheid staat gelijk de situatie dat de gemeenschap eindigt zónder dat van een verdeling sprake is. Als een echtgenoot samen met een ander deelgenoot in een gemeenschap is, en hij dat aandeel van die ander krachtens erfrecht verkrijgt, dan eindigt de gemeenschap zonder dat van een handeling in de zin van artikel 3:182 BW sprake is.10 In dat geval eindigt het effect van de verkrijging van het gemeenschappelijke goed bij de overleden deelgenoot en wordt het absolute effect van de eerdere verkrijging bij de gehuwde deelgenoot gewijzigd, in die zin dat hij voortaan enig eigenaar van het betreffende goed is. De tweede mogelijkheid is dat de deelgenoten hun gerechtigdheid tot de waarde van het gemeenschappelijke goed wijzigen zónder dat het effect van de verkrijging van het goed bij een van hen eindigt. In dat geval blijven beide deelgenoten eigenaar van het gemeenschappelijke goed als zodanig en wijzigen zij slechts het absolute effect van hun eerdere verkrijging daarvan, voor zover het ieders gerechtigdheid tot de waarde van het goed betreft. Welke mogelijkheid de deelgenoten echter ook kiezen, in beide gevallen is er géén sprake van een ‘echte’ overdracht. Door de verkrijgende deelgenoot wordt in geen enkel geval een goed (her)verkregen. Het enige dat er gebeurt, is dat het effect van zijn eerdere verkrijging van het gemeenschappelijke goed wijzigt. De conclusie van dit alles is dat bij een opvolgende deelverkrijging in de alternatieve visie op de goederenrechtelijke structuur van de breukdelengemeenschap van de verkrijging van een goed überhaupt geen sprake is. In hoofdstuk 8 zal nader worden ingegaan op de gevolgen die dit heeft voor de huwelijksgemeenschap waarin de verkrijgende deelgenoot is gehuwd.11