Vastgoedtransacties in de Europese btw
Einde inhoudsopgave
Vastgoedtransacties in de Europese btw (FM nr. 169) 2021/8.5.4.6.1:8.5.4.6.1 Richtlijn(historie)
Vastgoedtransacties in de Europese btw (FM nr. 169) 2021/8.5.4.6.1
8.5.4.6.1 Richtlijn(historie)
Documentgegevens:
mr. dr. M.D.J. van der Wulp, datum 01-07-2021
- Datum
01-07-2021
- Auteur
mr. dr. M.D.J. van der Wulp
- JCDI
JCDI:ADS291372:1
- Vakgebied(en)
Toeslagen (V)
Omzetbelasting / Aftrek en teruggaaf
Omzetbelasting / Belastingplichtige en -schuldige
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Omzetbelasting / Levering van goederen en diensten
Omzetbelasting / Vrijstelling
Europees belastingrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Werkdocumenten van de Groep financiële vraagstukken van 26 maart 1975, nr. T/226/75 (FIN) en 26 februari 1976, nr. T/170/76 (FIN), p. 8.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De tweede alinea van art. 187 lid 2 Btw-richtlijn schrijft voor wanneer herzien moet worden: wijzigingen in het recht op aftrek die zich in de loop van de volgende (herzienings)jaren ten opzichte van het jaar van verkrijging of vervaardiging of – indien een lidstaat heeft gekozen voor een herzieningsperiode die aanvangt op het moment van ingebruikneming – het eerste gebruik hebben voorgedaan (hierna: het referentiejaar). Op grond van art. 11 lid 3, derde alinea Tweede Richtlijn diende de aftrek van de btw op onroerende investeringsgoederen alleen te worden herzien bij wijzigingen van het ‘verhoudingsgetal’ (lees: het pro rata). Dat de Europese Commissie in art. 20 lid 2 Voorstel voor een zesde richtlijn die herzieningsregeling wilde handhaven lijkt wat ondoordacht. In de eerste plaats was in het Voorstel voor een zesde richtlijn de pro ratamethode namelijk niet langer de enige splitsingsmethode, maar werden ook de gebruikmethode en de sectormethode als alternatieve splitsingsmethode voorgesteld. In het licht van de strekking van de herzieningsregeling is er naar mijn mening geen goede reden om bij een gemengd gebruikt onroerend investeringsgoed de aftrek wel te herzien bij een wijziging van het verhoudingsgetal: (lees het (deel-)pro rata), maar niet bij een wijziging in het werkelijke gebruik van het onroerend investeringsgoed. In de tweede plaats dient bedacht te worden dat een wijziging van het (deel-)pro rata een gemengd gebruikt onroerend investeringsgoed veronderstelt. Die beperking van de bijzondere herzieningsregeling voor investeringsgoederen betekent dat een wijziging van het (deel-)pro rata wel, maar een (bestemmings)wijziging van volledig aftrekgerechtigd gebruik naar in het geheel geen aftrekgerechtigd gebruik of vice versa geen aanleiding zou kunnen geven tot herziening van de aftrek. In dat geval is van een gemengd gebruikt onroerend investeringsgoed immers geen sprake. Kennelijk heeft de Europese Commissie dat ook ingezien, aangezien zij na het indienen van het Voorstel voor een zesde richtlijn – overigens zonder nadere motivering – het standpunt heeft ingenomen dat het wenselijk is om niet alleen bij wijzigingen van het pro rata, maar steeds tot herziening over te gaan wanneer zich een wijziging van het recht op aftrek voordoet als bedoeld in (thans) art. 185 Btw-richtlijn.1 Dat verklaart waarom art. 187 lid 2, tweede alinea Btw-richtlijn en haar voorloper, art. 20 lid 2, eerste alinea, derde zin Zesde Richtlijn, in afwijking van art. 20 lid 2 Voorstel voor een zesde richtlijn van toepassing is op alle wijzigingen in het recht op aftrek die zich in de loop van de volgende herzieningsjaren hebben voorgedaan ten opzichte van het referentiejaar.