Einde inhoudsopgave
De ex-werknemer (MSR nr. 83) 2023/5.7.3
5.7.3 Rol van ex-werknemers
Vincent Gerlach, datum 10-11-2022
- Datum
10-11-2022
- Auteur
Vincent Gerlach
- JCDI
JCDI:ADS687277:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Ik verwijs hier naar EHRM 2 februari 2010, RSV 2011/124 (Aizpurua Ortiz e.a./Spanje), HvJ EU 24 september 2020, PJ 2020/158, m.nt. E. Lutjens (YS/NK) en naar de uiteenzettingen van onder meer E. Lutjens, ‘Het pensioencontract’, TPV 2019/33; E. Lutjens, ‘Invaren pensioen: de betekenis van eigendomsrecht – invaren is niet juridisch onhoudbaar’, TPV 2020/20; E. Lutjens, ‘Invaren pensioen: de relevantie van recht op eigendom’, TAC 2021/1; A.G. van Marwijk Kooy, ‘Invaren na de Hoofdlijnennotitie: juridisch aanvaardbaar, maar alle hens aan dek’, PM 2020/106; M.J.C.M. van der Poel, ‘Het eigendomsrecht op aanvullend pensioen’, TPV 2018/29. Bijvoorbeeld H. van Meerten, A. Wouters en J. van Zanden, ‘Ontwikkelingen in pensioenland: Europa roert zijn staart’, PM 2021/3, menen dat invaren de wezenlijke inhoud van de pensioenrechten aantast en daarom niet mag.
Kamerstukken II 2021/22, 36067, nr. 7, p. 4 en p. 94. Aan de Kamerstukken is in dit kader een aparte notitie gevoegd van M. Heemskerk en T. Huijg over de wijziging van de arbeidsvoorwaarden van postactieven: Kamerstukken II 2021/22, 36067, nr. 5 (bijlage).
Kamerstukken II 2021/22, 36067, nr. 3, p. 97 en p. 401; Kamerstukken II 2021/22, 36067, nr. 7, p. 77. Wat substantieel is zal bij algemene maatregel van bestuur kunnen worden uitgewerkt. Het concept Besluit toekomst pensioenen legt dit bij duizend gewezen deelnemers of pensioengerechtigden, dan wel 10% van alle gewezen deelnemers of pensioengerechtigden bij het fonds.
Kamerstukken II 2021/22, 36067, nr. 3, p. 116 en p. 283.
Kamerstukken II 2021/22, 36067, nr. 3, p. 277; Kamerstukken II 2021/22, 36067, nr. 7, p. 100 en p. 116; Kamerstukken II 2021/22, 36067, nr. 11, p. 61.
Kamerstukken II 2021/22, 36067, nr. 3, p. 276; Kamerstukken II 2021/22, 36067, nr. 11, p. 71-72 en p. 97.
De regering lijkt enkel te hebben gedacht aan artikel 4 Wet Bpf 2000, kijkend naar Kamerstukken II 2021/22, 36067, nr. 3, p. 348-349 en p. 442. Eveneens kritisch hierover J. Meijer en R. d’Adelhart Toorop, ‘De toekomst van gesloten pensioenfondsen: case closed of toch niet?’, PM 2022/87, A.G. van Marwijk Kooy, ‘Wet toekomst pensioenen: rollen en regels wijziging pensioenregeling duidelijk?’, TPV 2022/20.
R.H. Maatman, ‘Hervorming pensioenstelsel nadert wetsvoorstel’, Ondernemingsrecht 2021/27.
M. Heemskerk, ‘Op weg naar het nieuwe pensioen: maar niet zonder medezeggenschap’, in: F.G. Laagland (red.), Verburg. Geciteerd en besproken. Liber Amicorum prof. mr. L.G. Verburg, Deventer: Kluwer 2021, p. 319.
Zie uitgebreid paragraaf 6.7. De regering erkent ook geen idee te hebben hoeveel gepensioneerden en gewezen deelnemers lid zijn van dergelijke verenigingen: Kamerstukken II 2021/22, 36067, nr. 7, p. 95.
Zie paragraaf 5.3.3.
Zie paragraaf 6.3 over het medezeggenschapstekort van de ex-werknemer bij de OR en paragraaf 6.9.2 over mijn suggesties voor oplossingen.
Zie paragraaf 5.3.
Zie paragraaf 6.6.
Artikel 150l Pw (nieuw). R.H. Maatman en M. Heemskerk, Bevoegdheidsverdeling sociale partners en pensioenfonds bij stelseltransitie, Netspar Design Paper 201, januari 2022, p. 14 en p. 30; E. Schols en M. Schuit, ‘Vergroot draagvlak WTP door versterken rol Verantwoordingsorgaan’, PM 2022/120. Onduidelijk is mij hoe dit zich verhoudt tot artikel 46b lid 1 van het concept Besluit toekomst pensioenen, dat lijkt te zeggen dat het fonds zich wel moet houden aan het criterium van evenwichtige belangenafweging; p. 64 van de toelichting wijst hier ook op de beleidsvrijheid van het pensioenfonds.
Kamerstukken II 2021/22, 36067, nr. 3, p. 407. Zo ook R. van Dongen en R. Veugelers, ‘Medezeggenschap bij het pensioenakkoord: een moeilijke puzzel!’, PM 2021/79 en M.W. Minnaard, ‘Het beroepsrecht van medezeggenschapsorganen: een update’, TPV 2022/16.
S.H. Kuiper en M.M. Koomen, ‘Wet toekomst pensioenen – invaren!’, ArbeidsRecht 2021/15, wijzen erop dat de wetgever ook andere oplossingen voor verzekeraars had kunnen bedenken om invaren voor hen te faciliteren.
Zie ook Kamerstukken I 2021/22, 35897, H, p. 2.
E. Lutjens, R.H. Maatman en M. Heemskerk, ‘Invaren pensioenen: alternatieven voor afschaffing individueel bezwaarrecht’, TPV 2021/19; E. Lutjens, ‘Invaren pensioen: de relevantie van recht op eigendom’, TAC 2021/1; R.H. Maatman, ‘Hervorming pensioenstelsel nadert wetsvoorstel’, Ondernemingsrecht 2021/27.
Zie de annotatie bij HvJ EU 24 september 2020, PJ 2020/158, m.nt. E. Lutjens (YS/NK).
E. Lutjens, ‘Evenwichtig invaren en het alternatief van de pensioenbewaarder’, TPV 2021/1; R.M.J.M. de Greef, ‘Een carve-out van de gelijke behandeling tussen slapers en gepensioneerden?’, TPV 2021/8.
H. van Meerten, ‘Invaren: de pensioenbewaarder’, P&P 2021/2.
Onder meer: Kamerstukken II 2021/22, 36067, nr. 3, p. 299; Kamerstukken II 2021/22, 36067, nr. 11, p. 74.
Het gaat hier te ver om de Europeesrechtelijke houdbaarheid van de Wtp en het invaren in het bijzonder te bespreken.1 Ik volsta er hier mee dat het voor de Europeesrechtelijke houdbaarheid van belang is dat de sociale partners geen ongeoorloofde inbreuk maken op het eigendomsrecht en er een rechtvaardig evenwicht moet zijn tussen het algemeen belang en de mate waarin de inbreuk wordt gemaakt. Inmenging mag geen onevenredige en excessieve last op een individueel betrokkene leggen.2
Als zodanig heeft de wetgever (mede in dit kader) onder ogen gezien dat invaren problematisch kan zijn waar het ex-werknemers betreft. Als gezegd kan pas na een rechtsgeldige wijziging van de pensioenovereenkomst met zowel werknemers als ex-werknemers, conform de elders in dit hoofdstuk behandelde spelregels, een verzoek tot collectieve waardeoverdracht worden gedaan en dat verzoek worden beoordeeld door het pensioenfonds.3 Invaren werkt volgens de memorie van toelichting door in de rechtsverhouding van gewezen deelnemers en pensioengerechtigden, terwijl zij doorgaans niet betrokken zullen zijn bij onderhandelingen daarover. Zij zitten bijvoorbeeld niet aan tafel bij het arbeidsvoorwaardenoverleg met vakbonden. Los van hun (mede)zeggenschap via de band van het pensioenfonds, moet de werkgever die zijn pensioenregeling heeft ondergebracht bij een pensioenfonds daarom een vereniging van gewezen deelnemers en een vereniging van pensioengerechtigden, die aantonen een substantieel gedeelte van alle gewezen deelnemers of pensioengerechtigden te vertegenwoordigen, in de gelegenheid gaan stellen een oordeel te geven over het transitieplan.4 Dat transitieplan moet hen inzicht geven in de gemaakte keuzes, de overwegingen die daaraan ten grondslag liggen en waarom de transitie evenwichtig is.5 Een eventueel oordeel is niet bindend, maar geeft de sociale partners de mogelijkheid om dit mee te wegen bij het finaliseren van het transitieplan.6 Voor pensioenregelingen bij verzekeraars blijft het bestaande hoorrecht voor verenigingen van pensioengerechtigden van artikel 22 Pw gehandhaafd.7 Verder overweegt de wetgever tussen neus en lippen door dat voor zover de pensioenregeling bij cao is afgesproken, gewezen deelnemers en pensioengerechtigden vertegenwoordigd worden door werknemersorganisaties en deze in het transitieplan moeten verantwoorden waarom de gemaakte afspraken evenwichtig zijn.8 Op sociale partners rust de verantwoordelijkheid om rekening te houden met de belangen van slapers en gepensioneerden, welke belangen uiteen kunnen lopen.9 Sterker nog, de afspraken in het ‘arbeidsvoorwaardelijk overleg’ zouden juridisch bindend zijn voor slapers en gepensioneerden;10 of dat dan zou zijn op grond van de Wet CAO of artikel 4 Wet Bpf 2000 staat er dan weer helaas niet bij.11
Al met al is er een klein leger aan partijen betrokken bij het transitieproces via meebeslissen of meepraten, waardoor de verantwoordelijkheid soms diffuus is.12 Hoewel het standpunt begrijpelijk is dat bij voorkeur bestaande pensioenaanspraken en -rechten en de nieuwe pensioenopbouw bijeen worden gehouden in één pensioenfonds en dat dit moeilijk te realiseren is wanneer het bezwaarrecht in stand blijft, valt niet te ontkennen dat de positie van ex-werknemers met het afschaffen van het bezwaarrecht voor invaren enorm verzwakt.13 De effectiviteit van de in ruil daarvoor te introduceren waarborgen, zoals hierboven beschreven, is twijfelachtig. Het oordeelsrecht voor een vereniging van gewezen deelnemers en een vereniging van pensioengerechtigden is in feite niet veel meer dan het hoorrecht van artikel 22 Pw, dat in de praktijk nooit van de grond is gekomen.14 Ik zie niet in waarom dit voor het oordeelsrecht anders zal zijn. Effectiever zou bijvoorbeeld zijn als deze verenigingen erkend zouden worden als contractspartij voor het transitieplan via de band van de Wet CAO15 en/of de rechten van ex-werknemers via de band van de OR worden versterkt, in welk orgaan ex-werknemers nu geen rol spelen.16 Zeggen dat de vakbonden de belangen van ex-werknemers wel kunnen vertegenwoordigen aan de cao-tafel zonder aanpassing van de Wet CAO en geen aandacht besteden aan de vraag waarom een vereniging van gewezen deelnemers en pensioengerechtigden dat niet zou kunnen, is op zijn minst opmerkelijk.17 Waarom mogen ex-werknemers niet zelf kiezen wie hen vertegenwoordigt? En waarom moeten verenigingen van gewezen deelnemers en pensioengerechtigden aantonen dat zij een substantieel gedeelte van alle gewezen deelnemers of pensioengerechtigden vertegenwoordigen voor een tandeloos oordeelsrecht, en hoeven vakbonden dat niet voor een krachtig middel als een cao?
Wat betreft de pensioenfondsorganen geldt dat hierbij de betrokkenheid van ex-werknemers duidelijker aanwezig is, via bestuur en medezeggenschap,18 maar zij grotendeels mosterd na de maaltijd zijn. Het besluit tot invaren wordt genomen aan de cao-tafel als er sprake is van een cao; de werkgever doet het verzoek tot invaren, het pensioenfonds mag dat niet zelfstandig besluiten.19 Het pensioenfondsbestuur mag dat verzoek alleen op een aantal limitatieve gronden afwijzen, terwijl zij op basis van evenwichtige belangenafweging wellicht tot andere keuzes waren gekomen dan de sociale partners.20 Hun beleidsvrijheid is dus beperkt.21 Verder is opmerkelijk dat in de zogeheten hoofdlijnnotitie was aangekondigd dat er een versterkt collectief bezwaarrecht zou komen ten aanzien van het invaarbesluit,22 wat uiteindelijk het reguliere adviesrecht is geworden voor het verantwoordingsorgaan en een goedkeuringsrecht voor het belanghebbendenorgaan – dat is toch wel echt wat anders. Tot slot is opvallend dat voor verzekeraars en premiepensioeninstellingen het bezwaarrecht simpelweg wordt gehandhaafd; zij hebben uiteraard geen verantwoordingsorgaan of belanghebbendenorgaan, maar het resulteert in een enorm verschil tussen uitvoerders.23
Als zodanig maakt dit alles naar mijn mening niet dat de Wtp resulteert in schending van het eigendomsrecht, doordat er onvoldoende bescherming zou zijn. Op diverse manieren worden de belangen van ex-werknemers meegenomen in besluitvorming.24 Dat wil niet zeggen dat de gekozen oplossing de schoonheidsprijs verdient. Er zijn betere opties denkbaar om de positie van ex-werknemers zorgvuldiger te waarborgen en om in de besluitvorming zorgvuldiger mee te kunnen wegen of invaren onevenredig is. Ik noemde er hiervoor een paar: verduidelijken in de Wet CAO dat vakbonden ook namens ex-werknemers mogen optreden en hun belangen evenwichtig zullen behartigen, het erkennen van verenigingen die enkel de belangen van ex-werknemers behartigen als cao-partij en ex-werknemers betrekken via het instemmingsrecht van de OR. Aangezien afschaffing van het bezwaarrecht het maatschappelijk draagvlak ondermijnt en vermoedelijk tot de nodige juridische procedures zal leiden, zijn er in de literatuur ook andere opties bepleit, zoals handhaving van het individueel bezwaarrecht of een collectief bezwaarrecht voor belanghebbendenverenigingen, met aparte collectiviteitskringen,25 toetsing door een onafhankelijke commissie die niet door de sociale partners wordt bemenst,26 een plaats aan de overlegtafel voor verenigingen van pensioengerechtigden met een stem in de besluitvorming, het invaren van alleen bepaalde groepen,27 of het gebruik van een pensioenbewaarder voor bezwaarmakers.28 Tot nu toe heeft de wetgever aangedragen alternatieven verworpen.29