De brief is gedateerd 5 januari 2021. Dat moet kennelijk 5 januari 2022 zijn.
HR, 11-06-2024, nr. 22/02199
ECLI:NL:HR:2024:850
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
11-06-2024
- Zaaknummer
22/02199
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Bijzonder strafrecht (V)
Materieel strafrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2024:850, Uitspraak, Hoge Raad, 11‑06‑2024; (Artikel 81 RO-zaken, Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2024:415
In cassatie op: ECLI:NL:GHAMS:2022:1681
ECLI:NL:PHR:2024:415, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 16‑04‑2024
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2024:850
- Vindplaatsen
Uitspraak 11‑06‑2024
Inhoudsindicatie
Opzettelijk niet voldoen aan ambtelijk bevel (gebiedsverbod), meermalen gepleegd, art. 184.1 Sr. Rechtmatigheid gebiedsverbod. Verweer strekkende tot vrijspraak omdat gebiedsverbod niet rechtmatig is opgelegd. HR: art. 81.1 RO.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 22/02199
Datum 11 juni 2024
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 2 juni 2022, nummer 23-003226-21, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1979,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft M.I. L'Ghdas, advocaat in Amsterdam, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2. Beoordeling van het cassatiemiddel
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren A.E.M. Röttgering en T.B. Trotman, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P.J. Lugtenburg, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 11 juni 2024.
Conclusie 16‑04‑2024
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Art. 184.1 Sr. Falend middel over verwerping verweer onrechtmatigheid gebiedsverbod. Conclusie strekt tot verwerping (art. 81.1 RO).
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 22/02199
Zitting 16 april 2024
CONCLUSIE
D.J.M.W. Paridaens
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1979,
hierna: de verdachte.
Inleiding
De verdachte is bij arrest van 2 juni 2022 door het gerechtshof Amsterdam wegens in zaak A en in zaak B telkens “opzettelijk niet voldoen aan een bevel of een vordering, krachtens wettelijk voorschrift gedaan door een ambtenaar met de uitoefening van enig toezicht belast” veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie weken met een proeftijd van twee jaren.
Namens de verdachte heeft M.I. L’Ghdas, advocaat in Amsterdam, één middel van cassatie voorgesteld.
Het middel
3. Het middel klaagt over de verwerping van het verweer dat de verdachte moet worden vrijgesproken omdat het gebiedsverbod niet rechtmatig is opgelegd.
4. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
“in zaak A:
hij op 27 oktober 2021 omstreeks 17.44 uur te Amsterdam opzettelijk niet heeft voldaan aan een krachtens 2.9 van de Algemene Plaatselijke Verordening 2008, namens de burgemeester van Amsterdam, zijnde een ambtenaar met de uitoefening van enig toezicht belast, gegeven bevel, inhoudende – zakelijk weergegeven – om zich uit het overlastgebied 1 Centrum en ondergrondse metrostations te verwijderen en zich daar gedurende 3 maanden niet meer te bevinden;
in zaak B:
hij op 6 november 2021 te Amsterdam opzettelijk niet heeft voldaan aan een bevel, te weten een gebiedsverbod, kenmerk 21-04719, krachtens een wettelijk voorschrift, te weten artikel 2.9 van de Algemene Plaatselijke Verordening 2008, gedaan namens de burgermeester van gemeente Amsterdam, inhoudende dat hij zich in de periode gelegen tussen 23 oktober 2021 te 00.01 uur en 22 januari 2022 te 23.59 uur niet mocht bevinden in overlastgebied 1 Centrum en ondergrondse metrostations, door zich op voornoemde datum om 23.15 uur aan de Amstel ter hoogte van nummer 60 te bevinden.”
5. Deze bewezenverklaringen steunen op de volgende bewijsmiddelen:
“Bewijsmiddel ten aanzien van het in zaken A en B bewezenverklaarde
1. Een geschrift, te weten een verblijfsverbod met kenmerk 21-04719 van 22 oktober 2021, afgegeven namens de burgemeester van Amsterdam, doorgenummerde pagina’s 13 tot en met 15 in zaak A en doorgenummerde pagina’s 13 tot en met 15 in zaak B.
Dit geschrift houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:
De burgemeester van Amsterdam besluit om aan u, [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1979, een verblijfsverbod op te leggen op grond van artikel 2.9, tweede lid, onder b van de Algemene Plaatselijke Verordening (APV). Het verblijfsverbod geldt voor de duur van drie maanden voor het overlastgebied Centrum 1 [het hof begrijpt uit de bij het besluit gevoegde bijlage:
overlastgebied 1 Centrum en ondergrondse metrostations]. Het verblijfsverbod houdt in dat u zich vanaf 23 oktober 2021,00.01 uur tot en met 22 januari 2022, 23.59 uur niet in het overlastgebied mag begeven en/of ophouden.
Corridor
In het kader van de proportionaliteit van deze maatregel is van belang na te gaan of u in het overlastgebied woont, werkzaam bent, dan wel aangewezen bent op zorg die alleen in het overlastgebied kan worden verleend.
Uit een raadpleging van de Basisregistratie Personen op 11 oktober 2021 blijkt dat u niet als woonachtig staat ingeschreven op een adres in het overlastgebied.
U heeft tijdens het politieverhoor niet verklaard of u werkt in het overlastgebied. Indien u een corridor nodig heeft om zich van en naar uw werk te begeven, kunt u uw werkrooster alsmede uw arbeidsovereenkomst naar het volgende adres e-mailen: bestuurlijkemaatregelen@amsterdam.nl.
U heeft tijdens het politieverhoor niet verklaard of u bezwaar heeft tegen de uitwisseling van gegevens tussen de GGD Amsterdam en de burgemeester van Amsterdam. Het is voor mij daarom niet mogelijk na te gaan of u een zorgbehoefte heeft in het overlastgebied. Indien u vragen heeft over het ontvangen van zorg in het overlastgebied, dan kunt u contact opnemen met de GGD op (het speciaal hiervoor ter beschikking gestelde) telefoonnummer: 020-5555462.
Op grond van het vorenstaande is er geen aanleiding u een corridor te verlenen.
Tot slot deel ik u nog mede dat de overtreding van het onderhavige een misdrijf is, zoals bedoeld in artikel 184 Wetboek van Strafrecht.
Voorts ten aanzien van het in zaak A bewezenverklaarde
2. Een proces-verbaal van aanhouding van 27 oktober 2021, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1] , doorgenummerde pagina 4 en 5.
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van de verbalisant:
Op 27 oktober 2021 omstreeks 17.44 uur heb ik aan de Beurspassage ter hoogte van perceelnummer het Damrak te Amsterdam [het hof begrijpt: in overlastgebied 1 Centrum en ondergrondse metrostations] de verdachte [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1979 te [geboorteplaats] , aangehouden, ter zake het niet nakomen van een noodbevel.
3. Een proces-verbaal van bevindingen van 27 oktober 2021, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1] , doorgenummerde pagina 3.
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van de verbalisant:
De aangehouden verdachte bleek te zijn: [verdachte] , [a-straat 1] , [plaats] .
Ik zag dat de verdachte lag te slapen in de Beurspassage op de grens van het Damrak te Amsterdam. Ik liep naar de verdachte toe. Ik schudde de verdachte wakker. Ik vroeg de verdachte naar zijn ID. Ik zag dat de verdachte een papier uit zijn rechterbroekzak haalde. Ik opende het papier en zag dat daarin een gebiedsverbod stond voor de verdachte. Ik vroeg de verdachte of de gegevens die op het document stonden van hem waren. Ik hoorde de verdachte zeggen dat die van hem waren. Ik heb de verdachte aangehouden.
Voorts ten aanzien van het in zaak B bewezenverklaarde
4. Een proces-verbaal van aanhouding met nummer PL1300-2021228904-2 van 7 november 2021, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 2] en [verbalisant 3] , doorgenummerde pagina's 3 en 4.
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van de verbalisanten (of één van hen):
Op 6 november 2021 om 23.15 uur hebben wij op de Amstel 60 te Amsterdam [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1979 te [geboorteplaats] , aangehouden. De aanhouding werd verricht op grond van overtreding van artikel 184 van het Wetboek van Strafrecht. Wij zagen namelijk de verdachte, voor wie het was verboden zich in het overlastgebied [het hof begrijpt: overlastgebied 1 Centrum en ondergrondse metrostations] te bevinden. Genoemde weg of weggedeelte, waar de verdachte zich bevond, ligt in dat overlastgebied.
Ik, [verbalisant 2] , zag in ons politiesysteem dat de verdachte een verbod heeft zich in het centrum te bevinden vanaf 23 oktober 2021 te 00.01 uur tot en met 22 januari 2022 te 23.59 uur.”
6. De verdediging heeft ter terechtzitting van het hof aangevoerd:
“Ik verzoek primair mijn cliënt vrij te spreken van beide tenlastegelegde feiten, aangezien de burgemeester geen rechtmatig besluit heeft genomen met betrekking tot het gebiedsverbod. De burgemeester had moeten nagaan of aan mijn cliënt een corridor had moeten worden verleend, maar dit is niet gebeurd. De huisarts van mijn cliënt zat toen namelijk in het overlastgebied. Mijn cliënt was bij zijn verhoor over het gebiedsverbod onder invloed van alcohol en kon de situatie met betrekking tot de huisarts, gelet op de toestand waarin hij verkeerde bij zijn verhoor, niet duidelijk maken. De burgemeester had daarom op een ander moment moeten bezien of mijn cliënt een corridor nodig had. Achteraf is die corridor er dus ook gekomen. Daarnaast bestaat ook de verwachting dat het gebiedsverbod in de bezwaarprocedure, die heden nog loopt, wordt vernietigd. Het is mij niet bekend wanneer de beslissing in die procedure wordt verwacht.”
7. Het hof heeft dit verweer als volgt weergegeven en verworpen:
“De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de verdachte integraal dient te worden vrijgesproken omdat – kort gezegd – het gebiedsverbod niet rechtmatig is opgelegd. De burgemeester heeft ten onrechte niet onderzocht of de verdachte een corridor had moeten worden verleend, gelet op het gegeven dat de huisarts van de verdachte zich in het overlastgebied bevindt. Voorts heeft de raadsman aangevoerd dat de verdachte zelf hiertoe geen informatie kon verschaffen, omdat hij op het moment van het verhoor in het kader van het opleggen van een gebiedsverbod zodanig onder invloed van alcohol was, dat hij de vragen van de verbalisanten niet begreep en niet adequaat antwoord kon geven.
Het hof overweegt als volgt.
Aan het de verdachte betreffende ‘verblijfsgebod drie maanden algemene plaatselijke verordening’ van 22 oktober 2021 (hierna: het gebiedsverbod) is een verhoor van de verdachte voorafgegaan. Uit het dossier blijkt dat de verdachte bij dat verhoor onder invloed van alcohol was. Niet is gebleken dat hij zodanig onder invloed was dat hij niet begreep wat aan hem werd gevraagd en/of niet in staat was om antwoord te geven. In zoverre mist de stelling van de verdediging dat de verdachte geen informatie kon verschaffen over de gevolgen van een gebiedsverbod feitelijke grondslag. In de gegeven omstandigheden was de burgemeester naar het oordeel van het hof niet gehouden, anders dan weergegeven in het gebiedsverbod, nader onderzoek te doen naar de noodzaak van een corridor. Daarbij komt dat het de verdachte na de uitreiking van het gebiedsverbod vrij stond om zelf een corridor aan te vragen, hetgeen hij – naar het hof begrijpt – op een later moment ook daadwerkelijk heeft gedaan. Derhalve acht het hof het in de zaken A en B overtreden gebiedsverbod rechtmatig en verwerpt het hof het tot vrijspraak strekkende verweer.”
8. In de schriftuur wordt het volgende aangevoerd. In het kader van de proportionaliteit van de maatregel moet de burgemeester nagaan of de verdachte een werk- of zorgbehoefte heeft in het overlastgebied. De verdachte was al langer bekend bij vrijwel alle betrokken instanties van de gemeente Amsterdam. De gemeente wist dus dat de verdachte in het overlastgebied moet kunnen komen voor zijn huisarts en andere zorgverlenende instanties. Ook wist de gemeente dat de verdachte een zware alcoholist is die niet in staat is concrete vragen te beantwoorden wanneer hij (zwaar) onder invloed is. De burgemeester was dus bekend met de zorgbehoefte van de verdachte in het overlastgebied en heeft daar desondanks geen rekening mee gehouden. Het besluit met het gebiedsverbod voldoet dan ook niet aan de beginselen van behoorlijk bestuur en ligt daarom met een verzoek tot vernietiging bij de bestuursrechter. De verdediging heeft dan ook vrijspraak bepleit, omdat het besluit onrechtmatig is. De burgemeester was gehouden tot het verrichten van meer onderzoek in het kader van de zorgvuldigheid en proportionaliteit van de maatregel. Uiteindelijk is aan de verdachte een corridor verleend, maar ook deze is niet toereikend gebleken.
9. In de schriftuur wordt gewezen op een brief van de gemeente Amsterdam, waarin de verdachte na de bewezenverklaarde feiten een ‘corridor’ is verleend voor het bezoeken van zijn huisarts in het overlastgebied.1.Deze brief houdt in:
“Op 22 oktober 2021 hebt u een verblijfsverbod gekregen voor Centrum. U hebt tijdens het politieverhoor niet aangegeven dat u in het gebied moet zijn voor uw werk of voor zorg. U hebt nu aangegeven dat uw huisarts zich in het overlastgebied bevindt. Daarom hebben wij besloten dat u wel in het gebied mag komen via een vastgestelde route (corridor).
Wat houdt de corridor in?
Omdat u in het gebied noodzakelijke zorg nodig hebt, mag u wel in een deel van het gebied komen. Op de kaart in de bijlage is dit gebied gemarkeerd. U mag hier alleen komen om naar de aangegeven locaties te gaan. Als u daar met een andere reden bent, bijvoorbeeld om er rond te hangen, is dat strafbaar.
Routes
Route naar het adres: Koestraat 5A, Amsterdam
Maandag tot en met vrijdag van 08:00 tot 17:00
Vanaf de Plantage Middenlaan loopt u via de Muiderstraat naar het Mr. Visserplein. Vanaf het Mr. Visserplein slaat u rechtsaf naar de Jodenbreestraat en loopt u naar de Sint Anthoniesluis. Vervolgens slaat u linksaf naar de Nieuwe Hoogstraat en loopt u verder naar de Bushuissluis. Hierna slaat u rechtsaf naar de Kloveniersburgwal waarna u linksaf gaat naar Koestraat.
U kunt deze route in omgekeerde richting gebruiken om het overlastgebied te verlaten.”
10. De bewezenverklaring is toegesneden op art. 184 lid 1 Sr. Dat artikel luidt:
“Hij die opzettelijk niet voldoet aan een bevel [...], krachtens wettelijk voorschrift gedaan door een ambtenaar met de uitoefening van enig toezicht belast [...], wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie.”
11. Van een ‘krachtens een wettelijk voorschrift’ gegeven bevel als bedoeld in art. 184 lid 1 Sr moet het bevel zijn gegeven krachtens een verbindend wettelijk voorschrift en in overeenstemming met een op dat voorschrift berustende bevoegdheid.2.Bij een strafrechtelijke vervolging op grond van art. 184 Sr moet de strafrechter onderzoeken of het in de tenlastelegging genoemde wettelijke voorschrift verbindend is en of het bevel rechtmatig is gegeven alsmede, als daarop verweer is gevoerd, van dat onderzoek doen blijken en gemotiveerd op dat verweer beslissen.3.Dat geldt ook als van een bestuursrechtelijke rechtsgang gebruik is gemaakt maar er nog geen onherroepelijke uitspraak van de (hoogste) bestuursrechter is.4.
12. In deze zaak mist het middel voor een deel feitelijke grondslag. De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep niet méér bepleit dan dat het besluit onrechtmatig is omdat daarbij niet in aanmerking is genomen dat de verdachte zijn huisarts in het overlastgebied moet kunnen bezoeken. Voor zover met het middel wordt betoogd dat ontoereikend gemotiveerd is afgeweken van een verweer dat inhoudt dat het besluit ook op andere gronden onrechtmatig is, is dat niet terug te voeren op wat door de verdediging is aangevoerd.
13. Het middel faalt ook voor zover het klaagt over de verwerping van het verweer over de onrechtmatigheid van het besluit omdat de verdachte zijn huisarts in het overlastgebied moet kunnen bezoeken. Uit de hiervoor geciteerde brief waarin later een ‘corridor’ voor het bezoeken van de huisarts is verleend en waarnaar in de schriftuur wordt verwezen, blijkt dat de route van de verdachte naar zijn huisarts niet door de twee plaatsen loopt waarop de bewezenverklaringen zien. In ‘zaak A’ was dat de Beurspassage op de grens van het Damrak (bewijsmiddel 2 en 3) en in ‘zaak B’ was dat Amstel 60 (bewijsmiddel 4). Ook indien dus in het aanvankelijke besluit met het gebiedsverbod een ‘corridor’ was verleend voor het bezoeken van de huisarts, was het ophouden op die twee plaatsen door de verdachte strafbaar. Daar komt bij dat een ‘corridor’ uitsluitend wordt verleend voor een bepaald doel – hier: het bezoeken van de huisarts – en het dan nog steeds verboden is zich met een ander doel in dat gebied te begeven. In deze zaak heeft de verdediging echter niet gesteld en is ook geenszins aannemelijk geworden dat de verdachte zich op de bewezenverklaarde tijdstippen (17:44 uur en 23:15 uur) in het overlastgebied bevond om zijn huisarts te bezoeken. Het in het middel aangevoerde kan daarom niet afdoen aan de verwerping van het verweer en aan de bewezenverklaring.
Slotsom
14. Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering.
15. Ambtshalve heb ik geen grond voor vernietiging van de uitspraak van het hof aangetroffen.
16. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 16‑04‑2024
HR 1 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:787, r.o. 2.3.2. Daar wordt verwezen naar HR 11 december 1990, ECLI:NL:HR:1990:AC2273, NJ 1991/423, m.nt. Th.W. van Veen.
HR 27 maart 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ6007, r.o. 3.5.
HR 27 maart 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ6007, r.o. 3.5.