Einde inhoudsopgave
Nemo tenetur in belastingzaken (FM nr. 150) 2017/14.6.5.2
14.6.5.2 Uitoefening toezichtsbevoegdheden voor strafvorderlijke doeleinden
Mr. L.C.A. Wijsman, datum 27-11-2016
- Datum
27-11-2016
- Auteur
Mr. L.C.A. Wijsman
- JCDI
JCDI:ADS495786:1
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
HR 26 april 1988,BNB 1988/229; FED 1988/716 (m.aant Wattel). Over deze uitspraak zie men nader Wattel 1989, p. 216 en Frielink 1991, p. 53 e.v. Zie voorts onderdeel 13 van Regeling van 3 mei 1993 (Voorschrift fiscaal-strafrechtelijke bepalingen).
Zie hierover uitgebreid Luchtman 2007.
Zie bijvoorbeeld Van Veen die in pt. 3 zijn noot onder de onderhavige uitspraak in NJ 1989, 390 een andere ratio lijkt voor te staan, wanneer hij opmerkt dat het oordeel van de HR hem juist voorkomt. Controle op de naleving van wetten en opsporing van overtredingen van diezelfde wetten, zijn wel te onderscheiden maar niet te scheiden.
Zie bijvoorbeeld Rb. Rotterdam 27 maart 2012, NJFS 2012/139.
HR 13 mei 1997, NJ 1998, 481 (m.nt. Schalken).
Corstens 1995, p. 262.
Zie § 14.6.5.1 hiervoor.
Wattel, aant. bij HR 26 april 1988, FED 1989/716, pt. 2, meent dat daaruit niet volgt dat de HR het niet in strijd met het recht acht, dat met machtsmiddelen uitgeruste ambtenaren naar hartelust hun bevoegdheden gebruiken voor doeleinden ter zake waarvan die ambtenaren weliswaar ook een taak hebben, maar waarvoor die bevoegdheden niet aan hen toegekend zijn, met als enige grens de waarborgen van een verdachte. Het lijkt hem heel sterk dat de HR dat ook bedoeld zou hebben, want daarmee zou hij détournement de pouvoir in overeenstemming (althans niet in strijd) met het recht achten. In Wattel 1989, p. 323 e.v., legt de schrijver deze uitspraak restrictief uit. Het gebruik van controlebevoegdheden blijft volgens hem niet toegestaan, wanneer dat geschiedt met de uitsluitende of overwegende bedoeling om de resultaten te gebruiken voor strafvorderlijke doeleinden.
HR 22 november 1994, NJ 1995, 240 (m.nt. Schalken), pt. 2.
In het arrest van 26 april 1988, nr. 82 604, staat de strafkamer van de HR toe dat FIOD-ambtenaren hun toezichtsbevoegdheid ex art. 49 (oud) AWR om inzage te nemen in boeken, uitoefenden ten dienste van de inbeslagneming ex art. 81 AWR.1 Het bestaan van een redelijke verdenking dat een bepaalde persoon een strafbaar feit heeft begaan, staat volgens de strafkamer niet in de weg aan de uitoefening van die controlebevoegdheid tegen hem. Voorwaarde is wel dat daarbij de aan de verdachte als zodanig toekomende waarborgen in acht worden genomen (wat vooral betrekking zal hebben op het strafrechtelijk zwijgrecht)2.
In zijn noot onder de uitspraak legt Wattel de beslissing van de HR zo uit, dat de strafvorderlijke inbeslagnemingsbevoegdheid ruimer is dan de bestuurlijke inzagerecht en dat wanneer het meerdere mag, ook het mindere mag.3 Wat hiervan zij – een dergelijke ratio heeft de HR bij mijn weten tot op heden niet uitdrukkelijk in zijn rechtspraak erkend4 –, de beslissing van de strafkamer sluit in zich dat in het kader van nalevingstoezicht ook kan worden nagegaan of er aanknopingspunten zijn voor de verdenking van een overtreding.5
Dat controlebevoegdheden voor opsporingsdoeleinden mogen worden ingezet, bevestigt de strafkamer van de HR in haar uitspraak van 13 mei 1997, nr. 104 021 (betreffende de invoer van cocaïne in Nederland).6 Ook deze uitspraak geeft geen uitsluitsel over de vraag of na het ontstaan van een strafrechtelijke verdenking, opsporing boven toezicht moet gaan, zodat een toezichthouder niet vrijelijk kan kiezen welke handhavingsroute wordt gevolgd. Hetzelfde geldt voor de vraag of controlebevoegdheden enkel met het oog op opsporing mogen worden uitgeoefend, wanneer het om de handhaving van een en dezelfde wet gaat. Dit is in de literatuur wel verdedigd.7
Opsporing door toezichtsambtenaren die niet over opsporingsbevoegdheden beschikken
Ik laat deze vragen hier rusten. Voor deze studie is van groter belang dat de zo-even genoemde uitspraken evenmin uitsluitsel lijken te geven over de vraag of controlebevoegdheden voor opsporingsdoeleinden mogen worden ingezet, wanneer de ambtenaar in kwestie alleen over controlebevoegdheden beschikt. Beide uitspraken betroffen immers ambtenaren die over zowel controle- als opsporingsbevoegdheden beschikten. Buiten FIOD-ambtenaren is hiervan in belastingzaken zoals gezegd nog nauwelijks sprake.8
Gelet op de in het vorige onderdeel genoemde uitspraak van de strafkamer van 23 september 1992, nr. 28 388, moet worden aangenomen dat controleambtenaren die niet met een fiscale opsporingstaak zijn belast, zich schuldig maken aan misbruik of oneigenlijk gebruik van bevoegdheden (détournement de pouvoir), wanneer zij hun controlebevoegdheden uitsluitend voor strafvorderlijke doeleinden inzetten. Het aldus verkregen bewijs zou dan als onrechtmatig verkregen (door de rechter) ter zijde moeten worden geschoven. Dit zou niet spelen wanneer controlebevoegdheden mede voor strafvorderlijke doeleinden worden uitgeoefend.9
Niet ambtelijke hoedanigheid is beslissend, maar doel bevoegdheidsuitoefening
Ik wijs nog op Schalken die in zijn noot onder de uitspraak van de strafkamer van de HR van 22 november 1994, nr. 97 777, opmerkt dat uit de Straatsburgse rechtspraak volgt dat voor de vaststelling of een gedraging (in casu een inlichtingenverzoek ex art. 47 AWR gericht aan een reeds verdachte belastingplichtige) al dan niet van strafrechtelijke aard is, niet beslissend is de ambtelijke hoedanigheid van een ambtenaar (opsporingsbevoegd of niet), maar enkel de aard en het doel van de door hem uitgeoefende bevoegdheid. Zo bezien kan de bewijsgaring ten behoeve van strafrechtelijke opsporing ook plaatsvinden door iemand die niet als opsporingsambtenaar te boek staat en kan een opsporingsambtenaar optreden zonder van zijn opsporingsbevoegdheid gebruik te maken.10