Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 13 maart 2020 (19/1178) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade
Rb. Noord-Holland, 22-08-2022, nr. HAA 22/344 V
ECLI:NL:RBNHO:2022:7410
- Instantie
Rechtbank Noord-Holland
- Datum
22-08-2022
- Zaaknummer
HAA 22/344 V
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:RBNHO:2022:7410, Uitspraak, Rechtbank Noord-Holland, 22‑08‑2022; (Eerste aanleg - enkelvoudig)
Uitspraak 22‑08‑2022
Inhoudsindicatie
Verzet ongegrond, beroep niet tijdig beslissen onredelijk laat ingediend. Naar het oordeel van de verzetrechter is het aan opposante, ook al is zij in verschillende procedures verwikkeld, om bij te houden of er al op een bezwaarschrift een beslissing is genomen. Met de rechtbank acht de verzetrechter een termijn van 6 jaar voor het indienen van een beroep niet tijdig dan ook onredelijk laat ingediend. Om deze reden had opposante ook niet door de rechtbank ter zitting te hoeven worden gehoord.
Partij(en)
ECHTBANK NOORD-HOLLAND
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 22/344 V
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 augustus 2022 op het verzet van
[opposante], te [woonplaats], opposante
(gemachtigde: mr. V.Y. Jokhan).
Procesverloop
Opposante heeft bij de rechtbank beroep ingesteld omdat het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Dijk en Waard (hierna: het college) niet op tijd heeft beslist op haar bezwaarschrift van 1 oktober 2015.
Bij uitspraak van 1 april 2022 heeft de rechtbank dat beroep niet-ontvankelijk verklaard.
Opposante heeft tegen deze uitspraak verzet ingesteld.
Opposante heeft verzocht om op een zitting te worden gehoord. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 mei 2022. Opposante is, met afmeldbericht, niet verschenen en heeft verzocht uitspraak te doen op basis van het verzetschrift. Het college is, zonder bericht van verhindering, niet verschenen.
Overwegingen
1. In deze verzetprocedure moet de rechtbank de vraag beantwoorden of zij bij de uitspraak van 1 april 2022 het beroep van opposante terecht met toepassing van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vereenvoudigd heeft behandeld, omdat zij tot het oordeel kwam dat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk was. Dit betekent dat de beoordeling van de rechtbank in deze verzetprocedure beperkt is tot de vraag of terecht uitspraak is gedaan zonder opposante op zitting te horen. Als in verzet argumenten naar voren worden gebracht, die in geval van een normale behandeling ook nog hadden kunnen worden aangevoerd, moet worden beoordeeld of hierdoor twijfel ontstaat over de uitkomst. Zo ja, dan is het verzet gegrond en moet nader onderzoek plaatsvinden.
2. In de uitspraak waartegen verzet is gedaan is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat het beroepschrift onredelijk laat is ingediend. Het beroep is niet-ontvankelijk verklaard.
3. Opposante voert tegen de uitspraak van de rechtbank aan dat wat onredelijk laat is, niet in zijn algemeenheid kan worden bepaald. Niet zonder meer is doorslaggevend wanneer de oorspronkelijke aanvraag of het bezwaar is ingediend. De rechtbank had opposante in de gelegenheid moeten stellen om toe te lichten waarom eerst nu is overgegaan tot het indienen van een beroepschrift. Door dit na te laten is zij in haar belangen geschaad. Opposante en het college zijn al jarenlang in procedures verwikkeld en eind vorig jaar heeft wederom een zitting bij de CRvB plaatsgevonden. Hieruit is gebleken dat nog niet is beslist op het bezwaarschrift van 1 oktober 2015. Hierom kan de CRvB dit onderdeel niet meenemen in haar besluitvorming zodat opposante er belang bij heeft om alsnog een beslissing op dit bezwaarschrift te verkrijgen. Partijen zijn de afgelopen jaren onafgebroken bezig geweest om deze kwestie beslecht te krijgen. Dit zijn bijzondere omstandigheden die maken dat het beroep niet onredelijk laat is ingesteld.
4. De rechtbank overweegt als volgt. Opposante stelt dat zij in vele procedures met verweerder is verwikkeld en dat eerst tijdens een zitting bij de CRvB van vorig jaar is gebleken dat nog niet is beslist op haar bezwaarschrift van 1 oktober 2015. Daarna heeft zij nog even gewacht en verweerder in de gelegenheid gesteld om alsnog een beslissing op bezwaar te nemen. Vervolgens heeft zij verweerder op 30 maart 2021 in gebreke gesteld en daarna het beroep niet tijdig ingediend. Opposante stelt enkel dat zij toen pas op de hoogte is geraakt van het gestelde feit dat nog op dat bezwaar moest worden beslist. Weliswaar heeft zij zonder nadere toelichting een uitspraak van de CRvB toegestuurd van 12 april 20221.echter daaruit is de rechtbank niet gebleken dat de stelling van opposante hiermee wordt onderbouwd. Naar het oordeel van de verzetrechter is het aan opposante, ook al is zij in verschillende procedures verwikkeld, om bij te houden of er al op een bezwaarschrift een beslissing is genomen. Gelet op het voorgaande moet er van worden uit gegaan dat opposante inderdaad pas 6 jaar na het indienen van het bezwaarschrift verweerder in gebreke heeft gesteld en vervolgens een beroep niet tijdig heeft ingediend. Om deze reden had opposante ook niet door de rechtbank ter zitting te hoeven worden gehoord. Met de rechtbank acht de verzetrechter een termijn van 6 jaar voor het indienen van een beroep niet tijdig dan ook onredelijk laat ingediend.
5. In wat opposante heeft aangevoerd, ziet de verzetrechter dus geen aanleiding anders te oordelen dan in de uitspraak van 1 april 2022. Het verzet is ongegrond. Dat betekent dat de buiten-zittinguitspraak in stand blijft.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W.B. Klaus, rechter, in aanwezigheid vanM. van der Elst, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 22‑08‑2022