Einde inhoudsopgave
Rechtsgevolgen van stille cessie (O&R nr. 65) 2011/11.4.3.7
11.4.3.7 Afgescheiden houden van het geïnde
J.W.A. Biemans, datum 01-07-2011
- Datum
01-07-2011
- Auteur
J.W.A. Biemans
- JCDI
JCDI:ADS587138:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Verbintenissenrecht / Algemeen
Verbintenissenrecht / Overgang en tenietgaan verbintenissen
Voetnoten
Voetnoten
De beslaglegger is gerechtigd tot de geldopbrengst van de vordering, maar is niet bevoegd tot het in on tv angst nemen van betalingen; dat is de deurwaarder ex art. 477 lid 1 Rv. Zie hiervóór nr. 68.
De bepaling geldt ook voor geldsommen. Zie T.M., Pari. Gesch. Boek 3, p. 639 en p. 658.
Vgl. bij minderjarigenbewind, art. 1:344 BW.
Zie M.v.A. II lnv., Parl. Gesch. Boek 3 (lnv. 3, 5 en 6), p. 1340.
Zie hiervoor o.a. nr. 86 en nr. 90 e.v.
Zie Reehuis 1987, p. 253-254.
Zie voor de notaris, art. 25 Wn; voor de deurwaarder, art. 19 GDW; en voor de advocaat, HR 13 juni 2003, NJ 2004, 196 (ProCall/Beatrix Ziekenhuis), m.nt. WMK.
Zie Polak/Wessels IV 2008, nr. 4346 en 4350; Losbladige Faillissementsrecht 2010 (F.M.J. Verstijlen), art. 92, aant. 1.
Vgl. Rb. Rotterdam 14 augustus 1992, NJ 1993,231.
Bijvoorbeeld (bij vruchtgebruik) een afzonderlijke beleggingsrekening. Zie HR 9 januari 1998, NJ 1999, 285, m.nt. WMK.
Zie hiervóór nr. 90-96.
704. De inningsbevoegde derde is in de regel niet gerechtigd of niet alleen gerechtigd tot de opbrengst van de vordering. De deurwaarder,1 de lasthebber, de bewindvoerder, de rekeninghouder van de kwaliteitsrekening, de executeur, de vereffenaar van de nalatenschap en de curator zijn in beginsel niet gerechtigd tot de opbrengst van de vordering. De deelgenoten zijn gezamenlijk gerechtigd tot de opbrengst van de vordering.
Geen der deelgenoten is als enige gerechtigd tot de opbrengst, tenzij anders is overeengekomen (vgl. art. 3:166 lid 2 BW, art. 3:172 BW en art. 6:16 BW). De vruchtgebruiker is gerechtigd tot de opbrengst van de rentevorderingen, maar niet gerechtigd tot de opbrengst van de hoofdvordering. De pandhouder is alleen gerechtigd tot de opbrengst van de verpande vordering als de opbrengst uit geld bestaat (art. 3:255 BW, vgl. art. 3:235 en 3:246 lid 5 BW). Hij kan gerechtigd zijn tot de opbrengst naast andere pandhouders, beperkt gerechtigden en beslagleggende schuldeisers en naast de pandgever, als een overschot bestaat. De pandhouder is dus alleen (exclusief) gerechtigd tot de opbrengst van de verpande vordering als de opbrengst uit geld bestaat en als geen overschot overblijft voor de pandgever en er geen andere belanghebbende zijn in de zin van art. 3:253 lid 1 BW.
705. Als de inningsbevoegde derde niet of niet als enige gerechtigd is tot de opbrengst, rust op hem in beginsel de verplichting om de opbrengst van de vordering afgescheiden te houden van zijn eigen vermogen, teneinde vermenging te voorkomen. Zie voor vruchtgebruik, art. 3:211 lid 2 BW;2 voor girale gelden bij meerderjarigenbewind, art. 1:436 lid 4 BW3 voor 'gereed geld' bij derdenbeslag, art. 445 Rv (gerechtelijke bewaring); voor 'gelden' bij faillissement, art. 92 Fw (gerechtelijke bewaring); en voor girale gelden bij pand, onder omstandigheden, o.a. art. 445 jo 490b Rv jo art. 3:253 lid 1 BW (gerechtelijke bewaring). Blijkens de parlementaire geschiedenis is de pandhouder jegens de pandgever verplicht om het geïnde niet met zijn eigen vermogen te laten vermengen. Vermenging is in strijd met het toe-eigeningsverbod (art. 3:235 BW).4 De verplichting tot vermogensafscheiding geldt niet voor de vruchtgebruiker met betrekking tot de opbrengst van de rentevorderingen, omdat de vruchtgebruiker bij het ontstaan daarvan de schuldeiser is. Zij geldt evenmin voor de pandhouder in het geval dat de opbrengst uit geld bestaat en er geen andere belanghebbenden zijn zoals bedoeld in art. 3:253 lid 1 BW. In dat geval mag de pandhouder zich op grond van art. 3:253 lid 1 jo 3:255 BW rechtstreeks uit het geïnde voldoen (als zijn schuldenaar in verzuim is) en het overschot aan de pandgever uitkeren.5 Voor de andere inningsbevoegde derden geldt de verplichting wel, ook als hieromtrent een wettelijke bepaling ontbreekt. De verplichting vloeit voort uit de zorgverplichting van de derde.
706. Bestaat de opbrengst van de vordering uit rechten op naam, zoals registergoederen en vorderingen op naam, dan wordt aan het vereiste van vermogensafscheiding voldaan door de goederen op naam van de rechthebbende te laten stellen.6 Bestaat de opbrengst uit soortzaken of ongenummerde toonder- of orderpapieren, dan kan vermogensafscheiding alleen worden bewerkstelligd door het afzonderlijk bewaren van de zaken en papieren om oneigenlijke vermenging te voorkomen.7 Bij individueel bepaalde zaken en genummerde papieren kan ook een administratie volstaan.
Bestaat de opbrengst uit girale gelden en is de inningsbevoegde derde een notaris, deurwaarder of advocaat, dan kunnen de girale gelden geadministreerd worden op een kwaliteitsrekening.8 Daardoor wordt aan het vereiste van vermogensafscheiding voldaan. In het ProCall-arrest is bepaald dat alleen personen met vergelijkbare beroepen als notaris en deurwaarder, zoals advocaten en accountants, een kwaliteitsrekening kunnen aanhouden. In andere gevallen dient de inningsbevoegde derde een afzonderlijke rekening te openen op naam van de rechthebbende om aan het vereiste van vermogensafscheiding te kunnen voldoen. Bij meerderjarigenbewind dient de bewindvoerder een rekening te openen bij (kort gezegd) een vergunninghoudende bank, en dient hij uitsluitend voor de betalingen die hij bij de vervulling van zijn taak verricht of ontvangt zoveel mogelijk van deze rekening gebruik te maken (art. 1:436 lid 4 BW).9 De rekening dient in naam van de rechthebbende te worden geopend om aan de genoemde verplichting te voldoen. Een afzonderlijke rekening op naam van de bewindvoerder is naar mijn mening onvoldoende. Ook de curator dient een faillissementsrekening te openen die op naam staat van de faillissementsboedel, derhalve op naam van de gefailleerde (rechts)persoon. De curator dient daarbij zijn naam en het adres van zijn kantoor te vermelden.10 De curator kan eventueel in overleg met de bank een bestaande rekening in een faillissementsrekening omzetten.11 Voor de testamentair bewindvoerder, de executeur en de vereffenaar van een nalatenschap geldt naar mijn mening hetzelfde, namelijk dat zij gehouden zijn tot het openen van een afzonderlijke bankrekening op naam van de gezamenlijke erfgenamen. Het oprichten van een afzonderlijke stichting (een 'stichting derdengelden') als alternatief voor het openen van een rekening is mogelijk, maar omslachtig en brengt onnodige kosten met zich mee, en verdient om die reden niet de voorkeur.
Ook de pandhouder en de vruchtgebruiker zijn in beginsel verplicht om bij de inning van een geldvordering een afzonderlijke rekening te openen waar de betalingen op worden ontvangen.12 De rekening dient op naam van de pandgever dan wei de hoofdgerechtigde te worden gesteld. In de parlementaire geschiedenis, daterend van voor het ProCall-arrest, wordt de kwaliteitsrekening nog genoemd als hulpmiddel voor de pandhouder en de vruchtgebruiker die de door hen ontvangen gelden afgescheiden willen houden.13 De passages zijn gelet op het ProCall-arrest ten dele achterhaald. Bijvoorbeeld, de pandhouder kan niet in eigen naam een kwaliteitsrekening openen. Hij dient de girale betaling wei te ontvangen op een afzonderlijke rekening om vermogensafscheiding te bewerkstelligen of het bedrag daar alsnog naar over te brengen.14
707. Op de pandhouder rust in twee gevallen niet de verplichting om het geïnde op een afzonderlijke rekening op naam van de pandgever te administreren. Ten eerste, heeft niet alleen de pandhouder, maar hebben ook andere personen als bedoeld in art. 3:253 lid 1 BW een belang bij de opbrengst van de verpande vordering, en bestaat tussen hen niet reeds terstond overeenstemming over de verdeling, dan is de pandhouder op grond van art. 445 jo 490b lid 1 Rv jo art. 3:253 lid 1 BW gehouden om de opbrengst bij een bewaarder te storten. De bewaarder zal in de regel een bank zijn die een rekening opent op een wijze die meebrengt dat het betreffende bedrag, dat aan de gezamenlijke belanghebbenden toekomt, niet in zijn vermogen valt.15Op deze wijze is vermogensafscheiding gewaarborgd. Is de pandhouder zelf een bank, dan kan hij ook zichzelf als bewaarder aanwijzen (art. 490b lid 2 Rv). In dit geval behoeft de bank volgens de parlementaire geschiedenis het geïnde niet van zijn eigen vermogen afgescheiden te houden, omdat het feit dat het om een erkende kredietinstelling gaat voor de belanghebbenden voldoende waarborg is.16 Hieruit volgt de tweede uitzondering bij verpanding. Is de pandhouder een bank, dan kan hij volstaan met het openen van een afzonderlijke rekening in eigen naam om aan het vereiste van vermogensscheiding te voldoen.
708. Op de stille cedent rust in beginsel niet de verplichting om het geïnde rechtstreeks in het vermogen van de stille cessionaris te laten vallen. Zo zal bij de inning van een stil gecedeerde vordering tot overdracht van rechten op naam, zoals registergoederen of vorderingen op naam, de stille cedent zijn naam in de akte van levering laten vermelden, en niet die van de stille cessionaris.17 Dit is noodzakelijk gelet om het karakter van de stille cessie te behouden. Ook is denkbaar dat de schuldenaar wordt geïnstrueerd om girale betalingen te verrichten op een rekening die op naam van de stille cedent is gesteld. De goederen en de gelden vallen hierdoor in het vermogen van de stille cedent. Op de stille cedent rust naar mijn mening wel de verplichting om het geïnde zoveel mogelijk feitelijk afgescheiden te houden van zijn vermogen. Bij roerende zaken en toonderstukken kan daardoor oneigenlijke vermenging worden voorkomen. Voor de betaling van girale gelden verdient het de voorkeur een afzonderlijke rekening te openen waarop de voor de stille cessionaris bestemde gelden afzonderlijk worden geadministreerd.