BR 2021/7
Obscuur libel.
RvA Bouw 24-08-2020, 36.367 (Uitspraak), m.nt. M.R. Lim
- Instantie
Raad van Arbitrage voor de Bouw
- Datum
24 augustus 2020
- Magistraten
Mr. A.M.P.T. Blokhuis, ing. J.F.P. van Keulen en A. Voogt
- Zaaknummer
36.367
- Noot
M.R. Lim
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- JCDI
JCDI:ADS248684:1
- Vakgebied(en)
Bouwrecht (V)
Burgerlijk procesrecht / Algemeen
Burgerlijk procesrecht / Arbitrage
- Brondocumenten
Uitspraak, Raad van Arbitrage voor de Bouw, 24‑08‑2020
- Wetingang
(Art. 6:136 BW; art. 111 lid 2 sub d, 120 lid 1 Rv)
Essentie
Obscuur libel.
Samenvatting
Op grond van de stelplicht moet een eiser (aanneemster) duidelijk aangeven op welke feiten, rechten en consequenties (rechtsgevolgen) hij zich beroept, opdat de wederpartij (opdrachtgeefster) weet waartegen zij zich moet verweren en arbiters weten waarover zij moeten beslissen
Het gevorderde moet logisch uit de (in de memories) aangevoerde gronden, feiten en/of omstandigheden voortvloeien. Een aan een vordering ten grondslag liggende vage, innerlijke tegenstrijdige en/of onnavolgbare memorie is een ‘obscuur libel’ en kan leiden tot het niet ontvankelijk verklaren van een partij in haar vordering.
Partij(en)
SCHEIDSRECHTERLIJK VONNIS
in een geschil tussen
A.,
hierna te noemen ‘aanneemster’, ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.