Hof Den Haag, 31-05-2017, nr. 200.180.425/01
ECLI:NL:GHDHA:2017:1698
- Instantie
Hof Den Haag
- Datum
31-05-2017
- Zaaknummer
200.180.425/01
- Vakgebied(en)
Personen- en familierecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:GHDHA:2017:1698, Uitspraak, Hof Den Haag, 31‑05‑2017; (Hoger beroep, Rekestprocedure)
Cassatie: ECLI:NL:HR:2018:920, Bekrachtiging/bevestiging
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHDHA:2016:2752
ECLI:NL:GHDHA:2016:2752, Uitspraak, Hof Den Haag, 14‑09‑2016; (Hoger beroep, Tussenbeschikking)
Einduitspraak: ECLI:NL:GHDHA:2017:1698
- Wetingang
- Vindplaatsen
JPF 2016/138 met annotatie van prof. mr. P. Vlaardingerbroek
PFR-Updates.nl 2016-0252
Uitspraak 31‑05‑2017
Inhoudsindicatie
Partneralimentatie. Geen samenwoning in de zin van artikel 1:160 BW. Bewijsrecht niet geslaagd.
Partij(en)
GERECHTSHOF DEN HAAG
Afdeling civiel recht
zaaknummer : 200.180.425/01
zaaknummer rechtbank : C/09/481937
beschikking van de meervoudige kamer van 31 mei 2017
inzake
[appellant] ,
wonende te [woonplaats] ,
verzoeker, tevens incidenteel verweerder, in hoger beroep,
hierna te noemen: de man,
advocaat mr. M.A. Ossentjuk te Leiden,
tegen
[geïntimeerde] ,
wonende te [woonplaats] ,
verweerster, tevens incidenteel verzoekster, in hoger beroep,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat mr. M.Y.M. Renken te Leiden.
1. Het verdere geding in hoger beroep
1.1
Het hof verwijst voor het verloop van het geding naar zijn tussenbeschikking van 14 september 2016, waarvan de inhoud hier als herhaald en ingelast moet worden beschouwd.
1.2
Bij voormelde tussenbeschikking heeft het hof, alvorens nader te beslissen, de man toegelaten het bewijs te leveren van zijn stelling dat de vrouw vanaf enig moment na 19 juli 2012 samenwoont met [naam 1] als waren zij gehuwd zoals bedoeld in artikel 1:160 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Iedere verdere beslissing is aangehouden.
1.3
Na de zitting zijn bij het hof de volgende stukken ingekomen:
- een V-formulier van de zijde van de man van 15 december 2016 met bijlage, ingekomen op diezelfde datum;
- een brief van de zijde van de man van 27 december 2016, ingekomen op diezelfde datum;
- een faxbericht van de zijde van de man van 2 januari 2017 met bijlagen, ingekomen op diezelfde datum;
- een faxbericht van de zijde van de vrouw van 2 januari 2017 met bijlagen, ingekomen op dezelfde datum.
1.4
Op 4 januari 2017 heeft het getuigenverhoor plaatsgevonden, waarvan proces-verbaal is opgemaakt. De inhoud van dit proces-verbaal dient als hier herhaald en ingelast te worden beschouwd.
1.5
Op 28 februari 2017 is de conclusie na enquête (tevens houdende aanvullende onderbouwing ingenomen stellingen) van de man bij het hof ingekomen.
1.6
De conclusie na enquête van de vrouw is eveneens op 28 februari 2017 bij het hof ingekomen.
2. Verdere beoordeling van het hoger beroep
2.1
In geschil is de door de man aan de vrouw te betalen uitkering tot levensonderhoud voor de vrouw, hierna ook partneralimentatie.
Aanvullende onderbouwing ingenomen stellingen
2.2
Een goede procesorde brengt met zich mede dat in de conclusie na getuigenverhoor in beginsel alleen wordt ingegaan op de getuigenverklaringen. Het is in strijd met de beginselen van een goede procesorde indien een of beide partijen in de conclusie na getuigenverhoor alsnog de procedure willen gaan overdoen. De kern van de zaak is of de vrouw heeft samengewoond in de zin van artikel 1:160 BW. Dat de man en de vrouw wederom een groot aantal producties in het geding brengen geeft geen blijk dat partijen een einde aan de rechtsstrijd wensen te maken. Een aantal producties hadden ook in een eerder stadium in het geding kunnen worden gebracht. Gezien de wijze waarop partijen procederen en het hof overladen met producties voor een relatief eenvoudige zaak, zal het hof niet nader meer ingaan op alle producties en opnieuw aangevoerde stellingen mede bezien de stand waarin de procedure zich bevindt.
Samenwoning in de zin van artikel 1:160 BW?
2.3
Het hof heeft in zijn tussenbeschikking van 14 september 2016 de man in de gelegenheid gesteld om bewijs te leveren van zijn stelling dat de vrouw vanaf enig moment na 19 juli 2012 is gaan samenwonen met [naam 1] als waren zij gehuwd zoals bedoeld in artikel 1:160 BW.
2.4
Het hof zal allereerst beoordelen of de man is geslaagd in het bewijs van zijn stelling dat de vrouw is gaan samenwonen met [naam 1] als waren zij gehuwd zoals bedoeld in artikel 1:160 BW, nu dit de meest verstrekkende gevolgen in zich draagt. Volgens vaste rechtspraak is voor een geslaagd beroep op artikel 1:160 BW in ieder geval vereist dat sprake is van (1) de aanwezigheid van een affectieve relatie van duurzame aard, (2) een samenwoning, (3) een wederzijdse verzorging en (4) een gemeenschappelijke huishouding. Daar het een cumulatieve opsomming betreft, dienen voornoemde criteria zich allen – min of meer – gelijktijdig te hebben voorgedaan.
2.5
Teneinde bewijs te kunnen leveren van voornoemde stelling heeft op 4 januari 2017 een getuigenverhoor plaatsgevonden, waarbij aan de zijde van de man vier getuigen zijn gehoord. De als vijfde getuige verschenen dochter ( [naam 2] ) van de vrouw heeft zich ten overstaan van de raadsheer-commissaris beroepen op het haar ingevolge het bepaalde in artikel 165, lid 2 van het Wetboek van Burgerlijk Rechtsvordering toekomende verschoningsrecht. Daarnaast zijn partijen door het hof nog in de gelegenheid gesteld om aan de conclusie na enquête de transcriptie van de opname van de dvd (gesprek tussen de man en [naam 2] ) en de visie van partijen daarop over te leggen.
2.6
Het hof gaat ervan uit dat de vrouw en [naam 1] in ieder geval vanaf eind 2015 een duurzame affectieve relatie met elkaar hebben, hetgeen de vrouw ook heeft bevestigd in haar conclusie na enquête. Dat [naam 1] tijdens het getuigenverhoor heeft verklaard geen affectieve relatie met de vrouw te hebben vloeit naar het oordeel van het hof voort uit een andere interpretatie van het begrip “affectieve relatie”.
2.7
Het hof is van oordeel dat op basis van de getuigenverhoren, de reeds eerder in het geding gebrachte detectiverapporten en de overgelegde transcripties van de opname van de dvd niet kan worden vastgesteld dat de vrouw sinds 19 juli 2012 met [naam 1] samenleeft als ware zij gehuwd. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat uit de getuigenverklaringen van [naam 3] en [naam 4] de juistheid van deze stelling niet althans onvoldoende overtuigend kan worden afgeleid. Integendeel, uit die verklaringen blijkt juist dat de vrouw en haar dochter [naam 2] regelmatig op de [adres] zijn gezien, hetgeen een sterke aanwijzing is dat zij daar ook daadwerkelijk woonden. Dit geldt temeer nu de vrouw deze woning tot medio december 2016 is blijven huren. Dat [naam 3] en [naam 4] de vrouw niet zo vaak op voornoemd adres hebben gezien, maakt dat – nu sprake is van een galerijflat en de slaapkamers aan de voorzijde zitten, waardoor het in- en uitgaande verkeer minder snel worden opgemerkt – niet anders. Ook de getuigenverklaringen van de vrouw en [naam 1] leiden niet tot de conclusie dat zij vanaf enig moment na 19 juli 2012 met elkaar samenleven of hebben geleefd als ware zij gehuwd. [naam 1] heeft aan de vrouw een lening verstrekt en voor het aangaan voor die lening diende zij haar auto aan [naam 1] te verpanden. Het hof begrijpt uit de verklaring van [naam 1] dat hij de vrouw niet uit liberaliteit heeft geholpen in financiële zin. De overige door de man aangevoerde feiten en omstandigheden – zoals het gegeven dat de vrouw en [naam 1] samen aten, [naam 1] de bestelde maaltijden betaalde, de vrouw bij hem bleef overnachten – zijn daartoe eveneens onvoldoende. Ten aanzien van de transcriptie van de opname van de dvd (gesprek tussen de man en [naam 2] ) overweegt het hof als volgt. [naam 2] heeft de man als haar vader beschouwd gezien het feit dat zij van jongs af aan mede door hem is opgevoed. [naam 2] heeft ook een goede band met haar moeder en wil die ook zo houden. In het begin van het getuigenverhoor van [naam 2] raakte zij zeer geëmotioneerd en was het voor het hof duidelijk dat zij in een loyaliteitsconflict zit tussen de vrouw en man die zij als haar vader beschouwde. Gezien de loyaliteit die zij heeft naar de man en de vrouw hecht het hof geen waarde aan de inhoud van het gesprek wat gevoerd is tussen de [naam 2] en de man. Bij de waardering van het bewijs houdt het hof rekening met de context waarbinnen iemand iets heeft verklaard. Gezien de emotionele betrokkenheid van deze getuige naar beide partijen is zeker niet uit te sluiten dat zij datgene verklaart wat de ander graag hoort. Ook de (schriftelijke) verklaringen van [naam 6] (ex-partner van [naam 1] ) en haar dochter [naam 5] , maken de zaak niet anders. Daaruit blijkt niet dat de vrouw en [naam 1] vanaf 19 juli 2012 samenwonen zoals bedoeld in artikel 1:160 BW, nu het betreffende interview reeds plaatsvond op 15 december 2010 en derhalve over de periode vanaf 19 juli 2012 niets is verklaard.
2.8
Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat de man er niet in is geslaagd bewijs te leveren van zijn stelling dat de vrouw vanaf enig moment na 19 juli 2012 samenwoont met [naam 1] als waren zij gehuwd zoals bedoeld in artikel 1:160 BW. Het hof zal het de bestreden beschikking op dit punt dan ook bekrachtigen.
Sprake van verbreking lotsverbondenheid en verbleking van de behoefte?
2.9
De man stelt in zijn derde grief dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de lotsverbondenheid niet is verbroken of door het gedrag van de vrouw de behoefte is verbleekt. De man stelt – onder verwijzing naar hetgeen hij in eerste aanleg heeft gesteld – dat de lotsverbondenheid tussen de man en de vrouw is verbleekt. Hij is van mening dat voor de verbleking slechts gekeken dient te worden naar de duur welke sinds de echtscheiding is verstreken. Ook wijst de man erop dat de door de rechtbank gestelde feiten onjuist zijn in de zin dat er geen “drie kinderen” van de vrouw waren die hij als de zijne beschouwde.
2.10
De vrouw heeft de stellingen van de man gemotiveerd weersproken.
2.11
Het hof overweegt als volgt. Een goede procesorde brengt met zich mede dat de man op een deugdelijke wijze dient aan te geven met welke overweging of welk onderdeel van de rechtbank hij het niet eens is. Van hem kan worden verlangd dat hij in zijn toelichting op de grief een goed onderbouwde toelichting geeft en niet alleen verwijst naar hetgeen hij in eerste aanleg heeft gesteld. Naar het oordeel van het hof geeft de man geen deugdelijke onderbouwing waarom in deze zaak de behoefte van de vrouw inmiddels is verbleekt. Tijdsverloop is een van de omstandigheden waarmee rekening kan worden gehouden bij de beoordeling of de behoefte van de onderhoudsgerechtigde is verbleekt of niet. Daarnaast kunnen ook andere factoren een rol spelen: a) duur van het huwelijk, b) hoe partijen invulling hebben gegeven aan hun huwelijkse samenleving, c) of er kinderen zijn, d) en het gedrag van de onderhoudsgerechtigde.
2.12
Het hof is op basis van de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting van oordeel dat de rechtbank op goede gronden heeft geoordeeld en beslist zoals deze heeft gedaan. In hoger beroep zijn geen feiten of omstandigheden aangedragen die tot een andersluidend oordeel kunnen leiden. Het hof neemt daarbij nog in aanmerking dat het enkele tijdsverloop na scheiding daarvoor onvoldoende is. Dit is een niet zodanige omstandigheid dat aan de lotsverbondenheid tussen partijen een eind is gekomen.
2.13
Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat de onderhoudsverplichting van de man jegens de vrouw onverminderd voortduurt, zodat het hof de bestreden beschikking op dit punt dan ook zal bekrachtigen.
2.14
Het hof acht het gedrag van de man overigens zorgelijk. Als gevolg van het conflict blijft de man de vrouw achtervolgen met procedures, detectivebureaus en recentelijk heeft de man ook weer een aangifte gedaan tegen de vrouw wegens het plegen van meineed. De man is in zijn conflict verstrikt geraakt en kan geen afstand meer nemen. Het gedrag van de man resulteert in een reactie van de vrouw. Van belang is dat de eindeloze strijd tussen partijen wordt beëindigd.
Behoefte en behoeftigheid
2.15
Partijen zijn voorts verdeeld over de behoefte en de behoeftigheid van de vrouw.
2.16
Bij beschikking van 19 april 2011 van de rechtbank Den Haag heeft de rechtbank de totale huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw vastgesteld € 2.794,- netto per maand. Deze beschikking is op 18 juli 2012 door dit hof bekrachtigd. Het hof is van oordeel dat niet is gebleken van feiten of omstandigheden die leiden tot het oordeel dat thans moet worden afgeweken van de door de rechtbank – aan de welstand van partijen tijdens het huwelijk gekoppelde – vastgestelde behoefte van de vrouw. Dat de vrouw haar woonlasten wellicht met [naam 2] heeft kunnen delen of haar brandstofkosten voor de auto minder zouden zijn geworden, leidt – nu de huwelijksgerelateerde behoefte relevant is – niet tot een ander oordeel.
Behoeftigheid
2.17
Het hof komt daarmee aan de vraag in hoeverre de vrouw behoeftig is. Uit de door de vrouw overgelegde jaaropgaven van [bedrijf 1] over de jaren 2011 tot en met 2015 (productie 12 bij het verweerschrift) is gebleken dat zij in 2011 een bruto jaarinkomen van € 20.105,- heeft gegenereerd, in 2012 een bruto jaarinkomen van € 13.503,-, in 2013 een bruto jaarinkomen van € 30.512,-, in 2014 een bruto jaarinkomen van € 32.071,- en in 2015 een bruto jaarinkomen van € 31.750,-. Daarnaast is – zo blijkt uit de door de vrouw overgelegde jaaropgave van het [bedrijf 2] over 2014 – gebleken dat zij een pensioenuitkering van bruto € 3.366,- in 2014 heeft ontvangen. Dit bedrag heeft de vrouw ook in haar draagkrachtberekening over 2016 opgenomen (productie bij het V-formulier van 29 juni 2016). Nu de vrouw niet heeft weersproken dat zij jaarlijks een pensioenuitkering ontvangt en hieromtrent – behoudens over de jaren 2014 en 2016 – geen nader inzicht heeft gegeven, gaat het hof ervan uit dat zij ook in de overige jaren een bedrag van € 3.366,- per jaar van het [bedrijf 2] heeft ontvangen.
2.18
Uitgaande van de hiervoor genoemde gegevens heeft het hof het netto besteedbaar inkomen van de vrouw over de jaren vanaf 2011 tot en met 2015 opnieuw berekend. Uit de berekening volgt dat de vrouw in 2011 een netto besteedbaar inkomen van € 1.563,- had, in 2012 een netto besteedbaar inkomen van € 1.166,-, in 2013 een netto besteedbaar inkomen van
€ 2.030,-, in 2014 een netto besteedbaar inkomen van € 2.131,- en in 2015 een netto besteedbaar inkomen van € 2.127,-. Vanaf 2013 heeft de vrouw derhalve een hoger inkomen gegenereerd, dan waar de rechtbank bij de bepaling van de partneralimentatie in 2011 rekening mee heeft gehouden. Dat de vrouw een hogere verdiencapaciteit heeft dan dat zij thans benut, zoals de man stelt, is niet aannemelijk geworden. De man heeft daartoe, in het licht van de gemotiveerde betwisting door de vrouw, onvoldoende gesteld.
2.19
Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat de vrouw vanaf dat de vrouw vanaf 1 januari 2013 behoefte heeft aan een aanvullende onderhoudsbijdrage van (€ 2.794,- minus€ 2.030,-) € 764,- per maand (bruto € 1.306,- per maand) en vanaf 1 januari 2014(€ 2.794,- minus € 2.131,-) € 663,- (bruto € 1.091,- per maand). Niet gesteld of gebleken is dat het inkomen van de vrouw na 2014 substantieel is gewijzigd. Het hof zal voor de periode na 2014 dan ook van dezelfde aanvullende behoefte als in 2014 uitgaan.
2.20
Nu niet gesteld of gebleken is dat de draagkracht van de man niet toereikend is om de voornoemde partneralimentatie te voldoen, zal het hof bepalen dat de man vanaf 1 januari 2013 aan de vrouw dient te voldoen een uitkering tot levensonderhoud van € 1.306,- bruto per maand en vanaf 1 januari 2014 € 1.091,- bruto per maand. De bestreden beschikking dient in zoverre te worden vernietigd.
2.21
Het hof overweegt voorts dat de advocaat van de vrouw in haar brief van 20 juni 2016 te kennen geeft dat de vrouw na 2017 geen aanspraak op partneralimentatie meer wenst te maken. Uit de brief van de vrouw van14 juni 2016 (productie 19 bij het V-formulier van 20 juni 2016) blijkt echter dat zij daaraan een aantal voorwaarden heeft gesteld. Ter zitting heeft de advocaat van de vrouw ook bevestigd dat deze voorwaarden nog steeds gelden. Nu niet is gebleken dat de man aan alle door de vrouw gestelde voorwaarden heeft voldaan en naar het oordeel van het hof tussen partijen geen overeenstemming is bereikt over de vanaf 1 januari 2017 te betalen partneralimentatie, zal het hof de alimentatieverplichting van de man niet beperken tot 1 januari 2017. Het staat partijen uiteraard vrij om daar alsnog overeenstemming over te bereiken.
Anticiperen op toekomstige wetgeving?
2.22
De man is van mening dat de rechtbank ten onrechte niet heeft willen anticiperen op de aanstaande wetgeving daar waar het de duur van de partneralimentatie betreft.
2.23
Het hof ziet evenals de rechtbank geen aanleiding te anticiperen op een mogelijke wetswijziging, nu het thans nog onduidelijk is of de duur van de alimentatieplicht gewijzigd zal worden en hoe dat onder meer ten aanzien van het overgangsrecht vorm gegeven zal worden. Het hof zal derhalve uitgaan van de bestaande wetgeving.
Verminderen van de uitkering tot levensonderhoud van de vrouw met 25% per jaar
2.24
Voorts stelt de man dat de rechtbank zijn verzoek om afbouw van de partneralimentatie ten onrecht heeft afgewezen.
2.25
Het hof ziet – onder verwijzing naar hetgeen hiervoor is opgenomen – evenmin aanleiding om de door de man aan de vrouw te betalen uitkering tot levensonderhoud af te bouwen in vier jaar tijd.et hof
Uitsluiting van de wettelijke indexering.
2.26
De man acht het – gelet op het door hem geschetste feitencomplex – redelijk om de wettelijke indexering uit te sluiten.
2.27
Naar het oordeel van het hof zijn geen rechtens relevante feiten en omstandigheden gesteld op grond waarvan de wettelijke indexering moet worden uitgesloten. Het verzoek van de man dienaangaande zal derhalve worden afgewezen.
Terugbetalingsverplichting
2.28
De man is van mening dat de vrouw de ten onrechte verkregen partneralimentatie aan hem moet terugbetalen, omdat deze bedragen zonder recht of titel heeft verkregen.
2.29
Het hof heeft begrepen dat de man de partneralimentatie nog niet integraal heeft betaald. Voor zover de vrouw meer partneralimentatie heeft ontvangen dan haar op grond van deze beschikking toekomt, zal het hof, gelet op het consumptief karakter ervan, bepalen dat zij het tot op heden eventueel per saldo teveel ontvangene niet behoeft terug te betalen.
Overleggen nadere stukken
2.30
De man verzoekt het hof de vrouw te verplichten om haar aangiften en aanslagen over de jaren 2011 tot en met 2014 over te leggen.
2.31
Het hof is van oordeel dat de vrouw voldoende stukken (waaronder haar jaaropgaven en over 2011 tot en met 2015, alsmede de aangifte Inkomstenbelasting 2014 en de aanslag Inkomstenbelasting 2014) heeft overgelegd om een beslissing te kunnen nemen. Het hof zal het verzoek van de man om de vrouw te verplichten nadere stukken over te leggen dan ook afwijzen.
2.32
De overige stellingen van partijen behoeven geen bespreking meer, omdat zij niet tot een ander oordeel kunnen leiden.
3. De slotsom
in het principale en incidentele hoger beroep
3.1
Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, zal het hof de bestreden beschikking vernietigen en beslissen als volgt.
3.2
Gelet op de uitkomst van de procedure in hoger beroep en het feit dat partijen gewezen echtelieden zijn, ziet het hof aanleiding om de proceskosten in beide instanties te compenseren.
3.3
Het hof heeft berekeningen van het netto besteedbaar inkomen van de vrouw gemaakt. Een gewaarmerkt exemplaar van deze berekeningen is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
4. De beslissing op het principale en het incidentele hoger beroep
Het hof:
vernietigt de beschikking van 25 augustus 2015 van de rechtbank Den Haag voor zover deze betrekking heeft op de door de man aan de vrouw te betalen uitkering tot onderhoud met ingang van 1 januari 2013 en, in zoverre opnieuw beschikkende:
bepaalt - met dienovereenkomstige wijziging van de beschikking van 19 april 2011 van de rechtbank Den Haag - de alimentatie voor de vrouw ten laste van de man, met ingang van 1 januari 2013 op € 1.306,- per maand en met ingang van 1 januari 2014 op € 1.091,- per maand, wat de na heden te verschijnen termijnen betreft bij vooruitbetaling te voldoen;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
bepaalt dat de vrouw de eventueel te veel ontvangen partneralimentatie niet behoeft terug te betalen;
bepaalt dat de man de taxe voor de getuigen [naam 3] en [naam 4] ten bedrage van € 7,- per getuige dient te voldoen;
compenseert de kosten van het geding in beide instanties in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt;
wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. A.N. Labohm, J.A. van Kempen en B. Breederveld, bijgestaan door mr. G. Evertsen als griffier, en is op 31 mei 2017 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.
Uitspraak 14‑09‑2016
Inhoudsindicatie
bewijslevering in familiezaken. Directe confrontatie van getuige met geluidsopname na 14 september 2016.
GERECHTSHOF DEN HAAG
Afdeling Civiel recht
Uitspraak : 14 september 2016
Zaaknummer : 200.180.425/01
Rekestnummer rechtbank : FA RK 15-688
Zaaknummer rechtbank : C/09/481937
[verzoeker] ,
wonende te [woonplaats]
verzoeker, tevens incidenteel verweerder, in hoger beroep,
hierna te noemen: de man,
advocaat mr. M.A. Ossentjuk te Leiden,
tegen
[geïntimeerde] ,
wonende te [woonplaats] ,
verweerster, tevens incidenteel verzoekster, in hoger beroep,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat mr. M.Y.M. Renken te Leiden.
PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP
De man is op 18 november 2015 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 25 augustus 2015 van de rechtbank Den Haag.
De vrouw heeft op 26 januari 2016 een verweerschrift tevens houdende incidenteel appel ingediend.
De man heeft op 11 maart 2016 een verweerschrift op het incidenteel appel ingediend.
Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:
van de zijde van de vrouw:
- -
op 20 juni 2016 een V-formulier van diezelfde datum met bijlagen;
- -
op 29 juni 2016 een V-formulier van diezelfde datum met bijlage.
De zaak is op 1 juli 2016 mondeling behandeld.
Ter zitting waren aanwezig:
- de man, bijgestaan door zijn advocaat;
- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat.
PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN
Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.
Bij die beschikking heeft de rechtbank de verzoeken van de man – in de kern strekkende tot de beëindiging van de door de man aan de vrouw te betalen uitkering tot levensonderhoud voor de vrouw, alsmede een aantal aanvullende verzoeken – afgewezen.
Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen.
BEOORDELING VAN HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTELE HOGER BEROEP
1. In geschil is de door de man aan de vrouw te betalen uitkering tot levensonderhoud voor de vrouw, hierna ook partneralimentatie.
2. De man verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en, voor zover noodzakelijk met wijziging/aanvulling van de beschikking van de rechtbank Den Haag van 19 april 2011 en de beschikking van het hof van 18 juli 2012 ten aanzien van de in deze beschikkingen opgenomen alimentatiebeslissingen, opnieuw rechtdoende:
primair:
1.te verklaren voor recht, althans vast te stellen, dat de verplichting van de man om een bijdrage in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw te verschaffen op grond van artikel 1:160 van het Burgerlijk Wetboek (BW) is geëindigd op 1 september 2011, dan wel op een zodanige datum als het hof juist acht;
subsidiair:
2.te verklaren voor recht, althans vast te stellen, dat de vrouw jegens de man, vanwege de verbroken lotsverbondenheid, geen recht (meer) heeft op enige bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud, dit per 1 september 2011, althans per een zodanige datum als het hof juist acht;
meer subsidiair;
3.te verklaren voor recht, althans vast te stellen, dat de vrouw jegens de man, vanwege schending van de op de vrouw rustende verplichting ex artikel 21 Rv om aan de rechter de waarheid te vertellen, geen recht (meer) heeft op enige bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud, dit per 1 september 2011, althans een zodanig beperkt recht per een zodanige datum als het hof juist acht;
alsmede, in het geval het hof het recht op (enige) partneralimentatie aan de zijde van de vrouw in stand laat:
primair:
4.de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud vanwege het ontbreken van behoeftigheid aan de zijde van de vrouw, per 1 september 2011 op nihil te stellen, althans per een zodanige datum op een zodanig bedrag als het hof juist acht;
5.de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud, vanwege het ontbreken van behoefte aan de zijde van de vrouw, per 1 september 2011 op nihil te stellen, althans per een zodanige datum op een zodanig bedrag als het hof juist acht;
subsidiair (ten aanzien van de behoefte):
6.te bepalen dat de netto behoefte van de vrouw verbleekt en op grond van de jaarlijkse lineaire afbouw, zal zijn als volgt:
- -
per 1 september 2011 € 2.794,- per maand;
- -
per 1 september 2012 € 2.675,- per maand;
- -
per 1 september 2013 € 2.556,- per maand;
- -
per 1 september 2014 € 2.437,- per maand;
- -
per 1 september 2015 € 2.318,- per maand;
- -
per 1 september 2016 € 2.199,- per maand;
- -
per 1 september 2017 € 2.080,- per maand;
- -
per 1 september 2018 € 1.961,- per maand;
- -
per 1 september 2019 € 1.842,- per maand;
- -
per 1 september 2020 € 1.723,- per maand;
- -
per 1 september 2021 € 1.604,- per maand;
- -
per 1 september 2022 € 1.485,- per maand;
- -
per 1 september 2023 € 1.366,- per maand;
althans te bepalen dat de behoefte van de vrouw op een zodanige wijze lineair wordt afgebouwd met een zodanige ingangsdatum als het hof juist acht;
7.de vrouw te verplichten om ter bepaling van haar behoefte in het geding te brengen een kopie van haar aangifte Inkomstenbelasting over de jaren 2011 tot en met 2014. Dit met de daarbij behorende aanslagen. Dit onder de opmerking dat indien de vrouw, om welke reden dan ook, van de Belastingdienst uitstel heeft verkregen voor haar aangifte 2014, de vrouw wordt verplicht daartoe alsnog binnen een door het hof redelijk geachte termijn over te gaan onder in het alsdan in het geding brengen van een kopie van de aangifte Inkomstenbelasting 2014.
meer subsidiair, voor het geval het hof van oordeel is dat de vrouw een resterende behoefte heeft:
8.te verklaren voor recht, althans vast te stellen, dat de vrouw jegens de man, vanwege de verbleekte lotsverbondenheid:
( a) nog slechts recht heeft op een door de man aan de vrouw te betalen niet te indexeren bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud van € 50,- per maand, dit per 1 september 2011 tot en met 1 januari 2015, althans op een zodanig bedrag per een zodanige aanvangs- en einddatum als het hof juist acht, dan wel en/of;
( b) de hoogte van de aan de vrouw toekomende alimentatie, per 1 september 2011, jaarlijks te verminderen met 25% van het door (het hof begrijpt:) het hof vast te stellen alimentatiebedrag, zodat deze wordt beëindigd op 1 september 2015, althans de aan de vrouw toekomende alimentatie te verminderen met een zodanige ingangsdatum en percentage per jaar als het hof juist acht;
9.de duur van de aan de vrouw toekomende alimentatierechten te bepalen op in totaal vijf jaar, althans een zodanige alimentatieduur te bepalen als het hof juist acht, zulks onder de bepaling dat deze termijn niet verlengbaar is;
alsmede in aanvulling op alle bovenstaande verzoeken:
10.indien de man jegens de vrouw enige partneralimentatieplicht heeft, de wettelijke indexering uit te sluiten;
11.te bepalen dat de door de vrouw van de man, al dan niet door middel van beslag, verkregen alimentatiebedragen, zijnde een bedrag van € 15.000,- plus PM, door de vrouw aan de man dienen te worden terugbetaald binnen één maand na de te geven beschikking. Dit met de (cumulatieve) wettelijke rente hierover vanaf de dag dat de vrouw met terugbetaling in verzuim is;
en ten aanzien van de proceskosten:
primair:
12.de vrouw te veroordelen in de feitelijke kosten welke de man noodgedwongen heeft moeten maken in het kader van de onderhavige procedure in eerste aanleg en in hoger beroep, waaronder:
de kosten van [a-bureau] , ten bedrage van € 27.180,40;
de kosten van [b-bureau] voor werkzaamheden tot en met 9 november 2015 ten bedrage van € 9.662,66;
de kosten van [b-bureau] voor werkzaamheden na 9 november 2015, nader op te maken bij staat, PM;
de kosten van mr. [naam] voor werkzaamheden tot en met 31 oktober 2015 ten bedrage van € 27.386,36;
de kosten van mr. [naam] voor werkzaamheden na 31 oktober 2015, nader op te maken bij staat, PM;
de kosten van de eventueel te houden getuigenverhoren;
de door de man in eerste aanleg en in hoger beroep betaalde griffierechten;
althans de vrouw te veroordelen in die feitelijke kosten welke de man noodgedwongen heeft moeten maken in het kader van de onderhavige procedure in eerste aanleg en in hoger beroep die het hof juist acht;
subsidiair:
13.de vrouw te veroordelen in de kosten van deze procedure;
14.de te geven beschikking zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3. De vrouw verweert zich daartegen en verzoekt het hof de man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn in hoger beroep ingestelde verzoeken dan wel te bepalen dat deze verzoeken van de man worden afgewezen.
4. In incidenteel hoger beroep verzoekt de vrouw het hof de man te veroordelen in de proceskosten in eerste aanleg en in hoger beroep, inclusief de advocaatkosten van de vrouw in beide instanties. Voorts verzoekt de vrouw – als de man in zijn bewijsaanbod middels het horen van getuigen wordt toegelaten – ook haar toe te laten tot het leveren van aanvullend bewijs door middel van het horen van getuigen.
5. Bij V-formulier van 20 juni 2016 heeft de vrouw haar verzoek gewijzigd in die zin dat zij vanaf 1 januari 2017 geen aanspraak meer op partneralimentatie wenst te maken.
6. De man heeft ter zitting van het hof verzocht te bepalen dat de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud in ieder geval eindigt per 1 januari 2017.
Partneralimentatie
7. Het hof zal allereerst de meest verstrekkende grief van de man, inhoudende dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de man er niet in is geslaagd aan te tonen dat de vrouw heeft samengeleefd met een ander als waren zij gehuwd waardoor zijn onderhoudsverplichting is komen te vervallen, beoordelen.
Gezag van gewijsde
8. De man is van mening dat – ondanks dat het hof bij beschikking van het hof van 18 juli 2012 reeds heeft geoordeeld dat de man niet heeft aangetoond dat de vrouw in de periode van 1 september 2011 (de datum van de inschrijving van de echtscheiding van partijen) tot 18 juli 2012 met de heer [naam 2] samenleefde als ware zij gehuwd – het gezag van gewijsde van deze eerdere uitspraak er niet aan in de weg staat om opnieuw een wijzigingsverzoek in te dienen.
9. Het hof overweegt als volgt. Rechterlijke uitspraken aangaande alimentatie zijn op grond van de in artikel 1:401 BW genoemde gronden in beginsel vatbaar voor wijziging, zelfs met terugwerkende kracht. Beide partijen hebben er bij een dergelijk geschil immers belang bij dat de vaststelling van de alimentatie berust op een juiste en volledige waardering van de van belang zijnde omstandigheden ten tijde van de uitspraak. De aard van dit geschil rechtvaardigt daarom dat de appelrechter bij de vaststelling van de alimentatie rekening houdt met nieuwe grieven, feiten, stellingen en verweren waarop door de partijen eerst na het formuleren van de grieven, onderscheidenlijk na het verweerschrift in hoger beroep, beroep is gedaan, zodat wordt voorkomen dat op grond van artikel 1:401 BW wijziging van de rechterlijke uitspraak moet worden verzocht op die nieuwe gronden. Het voornoemde gaat echter niet op voor het oordeel dat de alimentatiegerechtigde samenleeft of heeft samengeleefd met een ander als waren zij gehuwd, in de zin van artikel 1:160 BW. Een beslissing over die vraag gaat immers vooraf aan de eventuele vaststelling van de alimentatie, en is zelf niet vatbaar voor wijziging op de voet van artikel 1:401 BW (zie Hoge Raad 20 mei 2016, ECLI:NL:HR:2016:921). Dergelijke feiten en omstandigheden hebben immers niet betrekking op de wettelijke maatstaven (draagkracht en behoefte) als bedoeld in artikel 1:401 BW.
10. Het voorgaande brengt met zich mee dat het hof thans gebonden is aan het eerdere (in kracht van gewijsde gegane) oordeel van het hof van 18 juli 2012, inhoudende dat in de periode van 1 september 2011 tot en met 18 juli 2012 niet bewezen is dat de vrouw met de heer [naam 2] samenleefde als waren zij gehuwd. Het hof zal in deze procedure derhalve beoordelen of de vrouw in de periode nadien samenleeft of heeft samengeleefd met een ander als waren zij gehuwd, derhalve vanaf 19 juli 2012.
Inhoudelijk
11. De man stelt zich – mede onder verwijzing naar de onderzoeksrapportages van [a-bureau] over de jaren 2009, 2010 en 2011, een dvd met een door hem opgenomen gesprek met [voornaam] (dochter van de vrouw) en rechercheonderzoek van [b-bureau] – op het standpunt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat hij er niet in is geslaagd om aan te tonen dat sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 1:160 BW.
12. De vrouw heeft daartegen gemotiveerd verweer gevoerd.
13. Het hof overweegt als volgt. Voor een bevestigend antwoord op de vraag of de vrouw in de zin van artikel 1:160 BW is gaan samenleven met haar nieuwe partner als waren zij gehuwd is volgens vaste rechtspraak in ieder geval vereist dat sprake is van (1) de aanwezigheid van een affectieve relatie van duurzame aard, (2) een samenwoning, (3) een wederzijdse verzorging en (4) een gemeenschappelijke huishouding. De wederzijdse verzorging kan bestaan uit hetzij bijdragen in de kosten van de gezamenlijke huishouding, hetzij op andere wijze in elkaars verzorging voorzien. Het uitzonderlijke en onherroepelijke karakter van de in art. 1:160 BW besloten liggende sanctie vergt dat deze bepaling restrictief wordt uitgelegd, hetgeen meebrengt dat niet snel mag worden aangenomen dat is voldaan aan de door deze bepaling gestelde eisen voor de beëindiging van de verplichting levensonderhoud te verschaffen. Hieruit vloeit onder meer voort dat de omstandigheid dat aan sommige voorwaarden voor de toepassing van art. 1:160 BW is voldaan, geen invloed heeft op de stelplicht en bewijslast ter zake van de andere voorwaarden van die bepaling.
14. Het hof is van oordeel dat, in het licht van de bovenstaande criteria en tegenover de betwisting van de vrouw, de stelling van de man dat de vrouw samenleeft met een ander als waren zij gehuwd (nog) niet is komen vast te staan. De man heeft naar het oordeel van het hof echter wel in zodanige mate voldaan aan zijn stelplicht, dat kan worden ingegaan op zijn bewijsaanbod. De man zal, gelet op zijn uitdrukkelijke en voldoende gespecificeerde bewijsaanbod, in de gelegenheid worden gesteld om (nader) bewijs te leveren dat voldaan is aan (alle) cumulatieve vereisten voor het aannemen van een situatie van samenwonen als waren zij gehuwd ex artikel 1:160 BW (hierbij ook begrepen vanaf welk moment). Het hof zal in deze zaak derhalve een datum voor getuigenverhoor bepalen, waarbij de door de man nog op te geven getuigen meervoudig zullen worden gehoord. Voorts stelt het hof de man in de gelegenheid om de dvd met de opname van het gesprek tussen hem en [voornaam] – in het bijzijn van [voornaam] – tijdens het getuigenverhoor te doen beluisteren. De man wordt daarbij geacht voor de benodigde afspeelmogelijkheden zorg te dragen. Het hof wijst erop dat de man ook dient te aan te tonen wanneer de dvd met het gesprek is opgenomen. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
15. Dit alles leidt tot de volgende beslissing.
BESLISSING OP HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTELE HOGER BEROEP
Het hof:
alvorens verder te beslissen:
laat de man toe het bewijs te leveren van zijn stelling dat de vrouw vanaf enig moment na 19 juli 2012 samenwoont met de heer [naam 2] als waren zij gehuwd zoals bedoeld in artikel 1:160 BW;
bepaalt dat dit getuigenverhoor zal plaatsvinden in één der zalen van het Paleis van Justitie aan de Prins Clauslaan 60 te ’s-Gravenhage, op een na opgave van verhinderdata nader te bepalen datum en tijdstip;
gelast elk van partijen aan het hof binnen twee weken na dagtekening van deze beschikking een overzicht te doen toekomen van haar verhinderdata en de man tevens van de verhinderdata van de te horen getuigen in de maanden oktober, november en december 2016, alsmede januari, februari en maart 2017;
bepaalt dat de man tenminste veertien dagen voor het verhoor de namen en woonplaatsen van de getuigen aan de advocaat van de vrouw en aan de griffier dient op te geven en voor oproeping van de getuigen dient zorg te dragen;
indien de vrouw eventueel tegenbewijs door middel van het horen van getuigen wenst te leveren, kan dit bij voorkeur in aansluiting op het verhoor van de voor het bewijs gehoorde getuigen plaatsvinden. In dat geval dient de vrouw tenminste zeven dagen voor het verhoor de namen en woonplaatsen van de getuigen aan de advocaat van de man en aan de griffier op te geven en voor oproeping van de getuigen zorg te dragen.
houdt de verdere behandeling van de zaak aan tot zaterdag 29 oktober 2016 pro forma;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze beschikking is gegeven door mrs. A.N. Labohm, J.A. van Kempen en B. Breederveld, bijgestaan door mr. G. Evertsen als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van14 september 2016.