Einde inhoudsopgave
Ontwikkelingen in het civielrechtelijk conservatoir beslag in Nederland (BPP nr. XV) 2013/3.2.2
3.2.2 Codificatie van gewoonterecht
mr. M. Meijsen, datum 27-05-2013
- Datum
27-05-2013
- Auteur
mr. M. Meijsen
- JCDI
JCDI:ADS499511:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
De figuur hield in dat een goed beschouwd werd uit de boedel van de schuldenaar te zijn gehaald ten behoeve van verhaal door de executerende schuldeiser.
Deze kwestie heeft betrekking op de verdeling van de opbrengst na executie in geval van cumulatieve beslagen. Naar huidig recht kunnen ook andere schuldeisers executoriaal of conservatoir beslag leggen op hetzelfde goed, een beperkt recht hebben dat vervalt met de executie van het goed, dan wel beslag leggen op het restant van de executieopbrengst. Op de uitdeling van de netto executieopbrengst (na aftrek van kosten) zijn de artikelen 478 en 480 Rv. e.v. van toepassing: de verdeling vindt plaats op grond van overeenstemming of een door de r-c opgestelde rangregeling.
Daarnaast meent deze auteur dat het doen verdwijnen van deze bepalingen in het kader van de redactie van artikel 437 Rv (de nummering is sedertdien niet gewijzigd) op onjuiste veronderstellingen is geschied, waarmee nodeloos een noodzakelijke anti-misbruik regeling is verdwenen: Van der Kwaak 1990, p. 120-124.
Meer in het bijzonder paragraaf 9.2.6.5.
Bij de codificatie van het beslag- en executierecht in de jaren 1820-1838 is een andere regeling vastgelegd, ten opzichte van de gang van zaken in de praktijk in de daaraan voorafgaande periode. Alhoewel het veranderingen betreft op het gebied van de regels waarlangs de executie van goederen van de schuldenaar plaatsvond, hebben deze, zoals hierna zal blijken, tevens invloed gehad op het conservatoir beslag en met name de bescherming van de positie van de beslagene. In de huidige wettelijke regeling is hetgeen bij codificatie tot stand is gekomen, nog duidelijk herkenbaar. De wijziging was het gevolg van een nieuw gezichtspunt omtrent de preferentie op het beslagen goed1 die (voorheen) aan een executoriaal beslag was verbonden. Door de ontwikkeling van een paritas creditorum gedachte konden na de codificatie ook andere schuldeisers zich verhalen op eenzelfde beslagen goed.2 Als gevolg hiervan werd in de wet geen bepaling opgenomen dat beslag beperkt diende te worden tot de omvang van het bedrag waarvoor vonnis was gewezen, vermeerderd met kosten. Daarmee is het principe van preferentie op het beslagen goed verlaten, en verviel de mogelijkheid voor de schuldenaar om de rechter te verzoeken op de minst bezwarende wijze te executeren door aanwijzing van de volgorde waarin goederen werden geëxecuteerd. Van der Kwaak meent dat de wetgever hiermee een bestaand eenvoudig, evenwichtig en verfijnd systeem heeft verlaten.3
Dat de gevolgen van deze benadering ook heden ten dage een rol spelen bij beslagen waarbij meer conservatoir beslagleggers betrokken zijn, komt aan de orde in hoofdstuk negen over conservatoir beslag als dynamisch recht.4