De (onmiddellijke) voorzieningen van de enquêteprocedure
Einde inhoudsopgave
De (onmiddellijke) voorzieningen van de enquêteprocedure (IVOR nr. 105) 2017/7.3.2:7.3.2 De vrijheid van ondernemerschap
De (onmiddellijke) voorzieningen van de enquêteprocedure (IVOR nr. 105) 2017/7.3.2
7.3.2 De vrijheid van ondernemerschap
Documentgegevens:
F. Eikelboom, datum 01-06-2017
- Datum
01-06-2017
- Auteur
F. Eikelboom
- JCDI
JCDI:ADS367288:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie de conclusie van Cruz Villalón van 19 februari 2013 in de zaak C-426/11, nr. 51.
HvJEU 27 maart 2014, zaak C-314/12, ECLI:EU:C:2014:192 (UPC Telekabel Wien), nr. 49.
Zie HvJEU 22 januari 2013, EHRC 2013/90 (Sky/Oostenrijk), r.o. 4.2.
Zie par. 6.3 en 6.5.2.
Zie par. 4.4.5.
HvJEU 22 januari 2013, EHRC 2013/90 (Sky/Oostenrijk), r.o. 46 t/m 48.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De vrijheid van ondernemerschap beschermt het economisch initiatief en de handelingsvrijheid binnen een markt.1 Deze vrijheid van ondernemerschap omvat met name het recht om vrij te beschikken over de eigen economische, technische en financiële middelen.2
De vormgeving van de vrijheid van ondernemerschap in het Handvest is echter wat cryptisch. Deze vrijheid “wordt erkend overeenkomstig het Gemeenschapsrecht en de nationale wetgevingen en praktijken”. Uit deze formulering zou kunnen worden afgeleid dat deze vrijheid niets toevoegt, maar louter verwijst naar andere regelgeving. Echter, welbeschouwd promoveert art. 16 HGEU nationale rechtsbeginselen tot grondrechten met verdragsrechtelijke status. Dat betekent onder meer dat deze grijpbaarder worden, nu dergelijke grondrechten een duidelijk en verplicht toetsingskader kennen. Een beroep op een rechtsbeginsel is toch lastiger om handen en voeten te geven in de rechtszaal.
Een voor dit onderzoek relevant voorbeeld van hoe de vrijheid van ondernemerschap rechtsbeginselen verandert in mensenrechten is de contractsvrijheid en het daaruit volgende recht om te kiezen met wie men zaken doet. Deze vrijheden zijn namelijk volgens het Hof van Justitie van de EU onderdeel van de vrijheid van ondernemerschap.3 Via de band van art. 16 HGEU jo. art. 6 lid 1 VWEU is dit Nederlandse nationaal rechtelijke rechtsbeginsel dus tevens een mensenrecht met verdragsrechtelijke status.
Een interessante vraag is in dat kader of de vrijheid van ondernemerschap ook de inrichtingsvrijheid omvat. Denkbaar is dat zeker, omdat deze inrichtingsvrijheid haar oorsprong vindt in de contractsvrijheid en in andere EU- lidstaten de contractuele opvatting van de rechtspersoon niet is verlaten. Denkbaar is dus dat ook de inrichtingsvrijheid via de band van art. 16 HGEU jo. art. 6 lid 1 VWEU de status heeft van een verdragsrechtelijk mensenrecht. Op grond van de vrijheid van vereniging van art. 11 EVRM geldt dat slechts in beperkte mate.4
In het kielzog van de contractsvrijheid zou ook het daaraan verwante beginsel van de wilsautonomie5 deel kunnen uitmaken van de vrijheid van ondernemerschap, al is mij dienaangaande geen rechtspraak bekend.
Ondanks de hierboven besproken promotie van rechtsbeginselen tot mensenrechten blijft het de vraag of de vrijheid van ondernemerschap in materieel opzicht iets toevoegt, nu de scope van dat mensenrecht blijkens de tekst van art. 16 HGEU wordt bepaald overeenkomstig het nationale en gemeenschapsrecht. Het Hof van Justitie van de EU meent van wel: op grond van art. 53 lid 1 HGEU dienen beperkingen van de vrijheid van ondernemerschap proportioneel te zijn.6 Aldus stelt de vrijheid van ondernemerschap een inhoudelijke kwaliteitseis aan regels.