De weg naar schadevergoeding in het internationale gemotoriseerde verkeer
Einde inhoudsopgave
De weg naar schadevergoeding in het internationale gemotoriseerde verkeer (Verzekeringsrecht) 2010/4.3.2:4.3.2 De verzekeraar
De weg naar schadevergoeding in het internationale gemotoriseerde verkeer (Verzekeringsrecht) 2010/4.3.2
4.3.2 De verzekeraar
Documentgegevens:
mr. F.J. Blees, datum 29-04-2010
- Datum
29-04-2010
- Auteur
mr. F.J. Blees
- JCDI
JCDI:ADS394789:1
- Vakgebied(en)
Verzekeringsrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Sinds HvJ EG 13 december 2007 nr. C-463/06 (FBTO Schadeverzekeringen NV/Jack Odenbreit), Jur. 2007, p. 1-11321, NJ 2009, 144 mnt. PV, staat buiten twijfel dat de benadeelde zelf de (buitenlandse) verzekeraar in een dergelijk geval voor de rechter van zijn, benadeelde's, woonplaats kan oproepen.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Als de aansprakelijke verzekerd is - en de toepasselijke wetgeving voorziet in een action directe of een eigen recht tegen de verzekeraar - kan de benadeelde ervoor opteren de verzekeraar aan te spreken. Dat geldt niet alleen bij zuiver nationale ongevallen, maar in veel gevallen ook als het schadegeval een internationale component heeft.
Dat geldt voor wat betreft ongevallen in de lidstaten die zijn veroorzaakt door bezoekende voertuigen uit andere lidstaten op grond van het feit dat de verzekering ingevolge de Richtlijn de gehele EER moet dekken en in alle lidstaten een rechtstreeks vorderingsrecht tegen de verzekeraar moet bestaan. Ook slachtoffers van ongevallen in andere lidstaten dan die van hun woonplaats kunnen op deze grond de verzekeraar rechtstreeks aanspreken.
Met de constatering dat de benadeelde veelal een vordering rechtstreeks tegen de verzekeraar heeft, is nog geen uitspraak gedaan over de vraag waar hij deze vordering moet instellen, noch welk recht deze rechtstreekse vordering beheerst. Deze vragen komen later, in paragrafen 4.43 en 4.4.4, aan de orde. Hier volstaat de vaststelling dat de mogelijkheid om de verzekeraar aan te spreken niet is beperkt tot ongevallen die zich zuiver binnen één nationale rechtssfeer afspelen. De benadeelde van een 'groenekaartongeval' dan wel van een ongeval in de zin van de '4e Richtlijn' kan niet alleen gebruikmaken van het groenekaartstelsel, dan wel van de op grond van art. 21 van de Richtlijn door de verzekeraar aangestelde schaderegelaar, maar hij kan er ook voor kiezen zich rechtstreeks - en ook in rechte - tot de verzekeraar te wenden.
De vraag is wel onder welke omstandigheden de benadeelde er ook echt voordeel bij heeft om de verzekeraar rechtstreeks aan te spreken. Vindt het ongeval in zijn eigen land plaats en is daarvoor een bezoeker aansprakelijk, dan zal hij - zoals hierna, in paragraaf 433 en uitgebreider paragraaf 4.5, zal blijken - in de meeste gevallen een aanspraak hebben op het Bureau en als dat niet het geval zou zijn, op het waarborgfonds. En als hij in een andere lidstaat van de EU de benadeelde van een ongeval is geworden, heeft hij - meestal - de mogelijkheid om de door de verzekeraar in het kader van de 4e Richtlijn aangestelde schaderegelaar te benaderen. Is dat niet het geval, bijvoorbeeld omdat de uit een andere lidstaat afkomstige aansprakelijke niet verzekerd is of omdat de verzekeraar geen schaderegelaar heeft aangesteld in de lidstaat van de woonplaats van de benadeelde, dan heeft de benadeelde toegang tot het schadevergoedingsorgaan.
Toch zijn er casusposities waarin het voor de benadeelde eenvoudiger is om de verzekeraar aan te spreken en zelfs waarin dat voor hem de enige mogelijkheid is. Een voorbeeld van een casus waarin het aanspreken van de verzekeraar de eenvoudigste weg is, ondanks het feit dat hij een aanspraak heeft tegen het Bureau van het land van het ongeval, is dat van het ongeval in het buitenland waarbij de aansprakelijke een landgenoot van de benadeelde is.
Een concreet voorbeeld: een Nederlander wordt in Duitsland aangereden door een Nederlandse auto, die ook in Nederland verzekerd is. Theoretisch kan de benadeelde het Duitse Bureau aanspreken, maar veel simpeler is het om de Nederlandse verzekeraar rechtstreeks aan te spreken. Dat hij dat kan vloeit voort uit art. 6 Wam, dat hem een eigen recht op schadevergoeding tegen de verzekeraar verschaft, jo. art. 3 lid 2 Wam, op grond waarvan de verzekeraar dekking moet verlenen in de landen van de EER.
Voor de volledigheid: In dit geval kan de 4e Richtlijn niet worden toegepast omdat het ongeval weliswaar in een lidstaat heeft plaatsgevonden, maar het aansprakelijke voertuig gewoonlijk is gestald en/of verzekerd in de lidstaat van de woonplaats van de benadeelde.
De benadeelde kan dan immers of de verzekeraar of diens schaderegelingsvertegenwoordiger in het kader van de vrijheid van dienstverrichting in de lidstaat van zijn woonplaats aanspreken. Het feit dat het ongeval in het buitenland heeft plaatsgevonden betekent alleen dat op de aansprakelijkheid een ander rechtstelsel dan dat van de woonplaats van de benadeelde van toepassing is.
Onder bepaalde omstandigheden is het aanspreken van de verzekeraar de enige mogelijkheid. Dat is het geval in de volgende gevallen:
In de eerste plaats bij het ongeval in het kader van de '4e Richtlijn' waarbij de benadeelde weliswaar van de schaderegelaar van de verzekeraar (of van de verzekeraar) binnen drie maanden een gemotiveerd antwoord op zijn verzoek om schadevergoeding heeft gekregen, maar waarin de schaderegeling niet tot een goed einde wordt gebracht. Hij heeft dan geen toegang tot het schadevergoedingsorgaan en zal alleen de verzekeraar zelf in rechte kunnen aanspreken. De schaderegelaar is alleen vertegenwoordiger van de verzekeraar in de lidstaat van de woonplaats van de benadeelde en kan niet zelf tot schadeloosstelling worden aangesproken.1
Het tweede geval ziet op een ongeval in een niet-lidstaat waarbij de bezoeker slachtoffer is en waarvoor een niet gewoonlijk in een lidstaat gestald en verzekerd motorrijtuig aansprakelijk is.