De rechtsverhouding tussen erfpachter en erfverpachter (R&P nr. VG10) 2019/2.4.3.1
2.4.3.1 Redelijkheid en billijkheid
Jacqueline Broese van Groenou, datum 01-12-2018
- Datum
01-12-2018
- Auteur
Jacqueline Broese van Groenou
- JCDI
JCDI:ADS391963:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Genotsrechten
Voetnoten
Voetnoten
HR 26 maart 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZC2879, NJ 1999/446 (Stichting Belangenbehartiging Erfpachters Den Haag c.s./’s-Gravenhage).
Zie voor opzegging en beëindiging van het recht HR 26 januari 1979, ECLI:NL:HR:1979:AC6479, NJ 1979/452, m.nt. W.M. Kleijn (Van der Waal/’s-Gravenhage), behandeld in par. 2.4.2.5 en voor toestemming onder meer Scholten 1920.
Rb. Den Haag 30 november 1994, ECLI:NL:RBSGR:1994:AS5992, BR 1995, p. 329 (Stichting Belangenbehartiging Erfpachters Den Haag c.s./’s-Gravenhage), r.o. 4.2.
Hof Den Haag 29 mei 1997, ECLI:NL:GHSGR:1997:AS5303, BR 1998, p. 60 (Stichting Belangenbehartiging Erfpachters Den Haag c.s./’s-Gravenhage), r.o. 10. En in r.o. 11: ‘wanneer de periode waarvan de gemeente haar eigendom destijds in tijdelijke erfpacht heeft uitgegeven, verstrijkt, eindigt het recht van de zittende erfpachter en heeft de gemeente vanaf dat moment de onbezwaarde eigendom van haar onroerende zaak die uit de grond met de opstal bestaat.’
Conclusie A-G De Vries Lentsch-Kostense bij HR 26 maart 1999, NJ 1999/446, par. 8: ’s Hofs oordeel dat tussen de gemeente en haar erfpachters niet een contractuele band bestaat die als contractuele band krachtens art. 6:248 BW door de redelijkheid en billijkheid wordt beheerst en die bij heruitgifte in feite wordt voortgezet, is juist zoals overigens ook in het middel reeds wordt toegegeven. Tussen de gemeente/erfverpachter en haar erfpachters bestaat geen contractuele band doch een vermogensrechtelijke rechtsbetrekking. Deze rechtsbetrekking wordt – zoals ook het Hof kennelijk en terecht tot uitgangspunt nam – eveneens beheerst door de redelijkheid en billijkheid; de werking van art. 6:2 BW is door art. 216 BW juncto art. 6:248 BW uitgebreid tot alle meerzijdige vermogensrechtelijke rechtshandelingen, zodat de conclusie gerechtvaardigd is dat alle vermogensrechtelijke verhoudingen aan het beginsel van de redelijkheid en billijkheid onderworpen zijn. Dit beginsel beheerst derhalve ook de verhouding tussen de erfverpachter en de erfpachter bij het einde van de tijdelijke erfpacht althans voor zover het gaat om heruitgifte of om de afwikkeling van de rechtsverhouding.’ Nadruk toegevoegd.
Asser/Bartels & Van Velten 5 2017/220a, Snijders & Rank-Berenschot 2017, p. 564, Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2012, p. 486-487.
Struycken 2000 ziet het arrest over de Haagse erfpacht als een gemiste kans voor de Hoge Raad om zijn oordeel te geven over de nawerking van de contractuele titel op de rechtsverhouding tussen betrokkenen bij een goederenrechtelijk recht. De nawerkende contractuele titel betreft de overeenkomst tot vestiging of wijziging van een erfpachtrecht. In de doctrine bestaan strikte voor- en tegenstanders van deze nawerking. Zie daarvoor ook par. 2.3 waarin de doctrine over de rechtsverhouding wordt behandeld.
Vgl. Asser/Mijnssen, Van Velten & Bartels 5 2008/220.
HR 19 april 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD9594, NJ 2002/299 (Geboers/Asten). Identiek HR 19 april 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD9595 (Geboers/Asten) en HR 19 april 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD9597 (Geboers/Asten), gewezen tussen dezelfde partijen en betrekking hebbend op eenzelfde vorderingen betreffende erfpachtrechten op andere percelen. Het betrof in alle gevallen een oordeel van de kantonrechter te Helmond van 11 september 1998 (niet gepubliceerd).
HR 19 april 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD9594, r.o. 3.1: “De gemeente heeft voor de Kantonrechter betaling gevorderd van dit restantbedrag, vermeerderd met de wettelijke rente sedert 18 mei 1995, alsmede met de kosten. De Kantonrechter heeft deze vordering afgewezen op de grond dat het een naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbare verhoging van de canon betreft.” Evenzo de conclusie van A-G Wesseling-Van Gent, ECLI:NL:PHR:2002:AD9594, bij HR 19 april 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD9594, NJ 2002/299 (Geboers/Asten), par. 1.7: “Nadat de kantonrechter bij tussenvonnis van 12 december 1997 een comparitie van partijen heeft gelast, heeft hij bij eindvonnis van 11 september 1998 de vordering van de Gemeente afgewezen. De kantonrechter heeft overwogen dat de verhoging naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.”
Everaars 2015a. Zie par. 6.6 waarin de beëindiging van erfpachtrechten op grond van onvoorziene omstandigheden wordt behandeld.
HR 5 februari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK0870, TBR 2010/93, m.nt. F.J. Vonck (Willems/Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier). Identiek: HR 5 februari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK0871 (Kater/Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier). Deze arresten en de toetsingsmaatstaf voor toestemming worden behandeld in par. 4.5.3.
Ingeval een overheidsinstantie als grondeigenaar optreedt kan een erfpachter in meerdere hoedanigheden met deze instantie te maken krijgen. In een zaak uit 2009 verleende een gemeente als grondeigenaar geen toestemming voor het gebruik van een perceel als standplaats, terwijl voor datzelfde gebruik door dezelfde gemeente wel een publiekrechtelijke vergunning was verleend, HR 5 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH7845, NJ 2009/255, AB 2009/327, m.nt. G.A. van der Veen (Amsterdam/Geschiere). In casu werden geen zwaarwegende belangen van de gemeente om de toestemming te weigeren aangenomen. De toetsingsmaatstaf vormde in dit geval art. 3:14 BW en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.
Struycken 2007, p. 747-753 zoals aangehaald in par. 2.3.9, met name p. 747-748: ‘(…) het imprévision-instrument in het goederenrecht en overigens de meer geprononceerde rol voor de redelijkheid en billijkheid, ten dele via het leerstuk misbruik van bevoegdheid, zijn (…) instrumenten die de rechter kan gebruiken om de scherpte kantjes af te vijlen van beperkte goederenrechtelijke rechten die door hun inhoud en hun duur disproportionele last zijn geworden.’ Zie verder par. 7.3.1 waarin ik mijn bevindingen toets aan deze stellingen.
HR 28 oktober 2016, ECLI:NL:HR:2016:2448 (erfpachter/Rentambt van Over-Betuwe).
HR 29 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:765, NJ 2016/239, RCR 2016/57 (Amsterdam/erfpachter). Dit arrest wordt ook behandeld in par. 5.6.5 over canonherziening bij voortdurende erfpachtrechten.
HR 29 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:765, r.o. 3.5.1.
HR 29 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:765, r.o. 3.5.2.
De ‘wenk’ van de redactie van RCR 2016/57 bij HR 29 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:765, p. 680, verwijst naar HR 6 juni 1997, ECLI:NL:HR:1997:AG7242, NJ 1998/723 (AZG/Het Noorden e.a.) waarin, net als in HR 6 mei 1960, NJ 1961/366 waar de Hoge Raad naar verwees, sprake is van een bij het sluiten van een overeenkomst nog onbepaald onderdeel en stelt dat dat nog niet maakt dat de overeenkomst ongeldig is want: ‘dat de omstandigheid dat een onderdeel van het onderwerp ener overeenkomst onbepaald is gebleven, aan de bestaanbaarheid dier overeenkomst niet in den weg staat, mits datgene waartoe de overeenkomst pp. te dien aanzien verbindt op voldoende wijze – zoals het Hof ten aanzien van het onderhavige geval aangeeft: aan de hand van de bedoeling van pp. en zo nodig van de wet, in het bijzonder van art. 1374 en 1375 B. W. – kan worden vastgesteld.’
PG Boek 6 Inv. BW, p. 1595-1596. Zie ook Hijma 2016, p. 37-38 over samenloop tussen art. 6:233a BW en art. 6:248 lid 2 BW, waarbij volgens de Hoge Raad de bezwaarde wederpartij thans kan kiezen of hij een beroep doet op art. 6:233a BW of 6:248 lid 2 BW.
HR 31 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:559, RVR 2017/51 (erfpachter/Staat). Dit arrest wordt ook behandeld in par. 3.5.2 over de reikwijdte van de richtlijn en de hoedanigheid van partijen.
Conclusie A-G Wissink, ECLI:NL:PHR:2017:72, bij HR 31 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:559, par. 3.10.
HR 29 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:769, NJ 2018/41, m.nt. H.B. Krans (Stichting Erfpachters Belang Amsterdam c.s./Amsterdam). Deze uitspraak wordt uitvoerig besproken in de par. 3.5.4 (algemene voorwaarden) en 5.6.6 (canonherziening).
HR 29 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:769, r.o. 5.1.4. Het hof dat na verwijzing oordeelde bekrachtigde het vonnis van de rechtbank waarbij alle vorderingen van de erfpachters werden afgewezen, Hof Den Haag 19 september 2017, ECLI:NL:GHDHA:2017:2894. Het daartegen gerichte cassatieberoep werd met een beroep op art. 81 RO afgewezen, HR 21 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2371.
Dat de eisen van redelijkheid en billijkheid in zijn algemeenheid van toepassing konden zijn in erfpachtverhoudingen werd met zoveel woorden vastgesteld in het arrest Haagse erfpacht uit 1999.1 Eerder was al bepaald dat de erfverpachter bij opzegging van het recht of bij het verlenen van toestemming voor overdracht de eisen van de goede trouw in acht diende te nemen.2 In de uit 1994 daterende Haagse procedure stond de rechtsverhouding centraal tussen de gemeente als erfverpachter en de zittende erfpachters bij gelegenheid van de afloop van tijdelijke erfpachtrechten die 75 jaar hadden geduurd. De erfpachters kwamen op tegen de aangeboden heruitgifte vanwege de daaraan verbonden verhoging van de canon en presenteerden hun geschil daarbij nadrukkelijk in het kader van een bestaande contractuele rechtsverhouding waarop de eisen van redelijkheid en billijkheid van toepassing waren. De rechtbank bevestigde de visie dat de rechtsverhouding tussen erfpachter en erfverpachter als een contractuele verhouding moest worden beschouwd:
“Met de erfpachters is de rechtbank van oordeel dat ten aanzien van het vernieuwen van aflopende erfpachtcontracten sprake is van een verlenging van de contractuele relatie.”3
Het hof beschouwde de rechtsverhouding echter niet als een contractuele band en ontkende de doorlopende rechtsverhouding na afloop van het tijdelijk recht:
“Het betoog van de Stichting neemt een onjuist uitgangspunt, omdat de zittende erfpachter zijn rechtsverhouding voor de duur van zijn tijdelijke erfpacht ontleent aan die erfpacht, doch niet aan enige met de gemeente gesloten overeenkomst. Wanneer de gemeente voorafgaande aan het moment dat de tijdelijke erfpacht een einde neemt met de zittende erfpachter in onderhandeling treedt door hem aan te bieden de onroerende zaak bij het einde van de tijdelijke erfpacht aan hem in eeuwigdurende erfpacht uit te geven tegen een afkoopsom ter hoogte van de actuele grondwaarde, doet de gemeente de zittende erfpachter een aanbod tot de vestiging van een nieuw recht en wordt zij daarbij niet door enige contractuele band (en dus ook niet door artikel 6:248 BW) beperkt.”4
De erfpachters betoogden in cassatie dat zij geen willekeurige derden waren in de onderhandelingen met de gemeente over heruitgifte en dat het hof dat naar hun mening had miskend. Het cassatiemiddel betoogde dat het hof
‘als uitgangpunt [heeft] genomen, (…) dat de Gemeente bij het bepalen van de voorwaarden waaronder zij bereid is tot heruitgifte over te gaan, slechts wordt beperkt door de regel dat zij geen misbruik van haar bevoegdheid mag maken.’5
De Hoge Raad verwierp dit middel omdat de gevolgtrekking berustte op een onjuiste lezing van het arrest. Het hof had de contractuele relatie weliswaar afgewezen, maar dat betekende niet dat het hof had geoordeeld dat tussen partijen na afloop van het recht geen enkele rechtsverhouding meer zou bestaan:
“Dit betoog berust op een onjuiste lezing van ’s Hofs arrest, zodat het onderdeel bij gebrek aan feitelijke grondslag niet tot cassatie kan leiden. Weliswaar heeft het Hof zich niet verenigd met het standpunt van de Stichting dat tussen de Gemeente als erfverpachter en de zittende erfpachter een – bij de heruitgifte voortgezette – contractuele band bestaat, doch hieruit volgt niet dat het Hof zou hebben geoordeeld dat tussen de Gemeente en de zittende erfpachter na de expiratiedatum van de tijdelijke erfpacht niet een door de redelijkheid en billijkheid beheerste rechtsverhouding is blijven bestaan. Integendeel, door niet te volstaan met de overweging dat de Gemeente geen misbruik van haar eigendom maakt, doch daaraan toe te voegen dat de Gemeente tegenover de zittende erfpachter ook niet onredelijk handelt, en door voorts te onderzoeken of blijkt van bijzondere omstandigheden die tot een andere conclusie zouden kunnen leiden, heeft het Hof tot uitdrukking gebracht dat het de gedragslijn van de Gemeente heeft getoetst aan de eisen van redelijkheid en billijkheid.”6
Naar de mening van A-G De Vries Lentsch-Kostense moest de vermogensrechtelijke rechtsbetrekking tussen de erfverpachter en de voormalig erfpachter gedurende de onderhandelingen over heruitgifte evenmin gezien worden als een contractuele band, maar als een precontractuele vermogensrechtelijke rechtsverhouding die, als alle meerzijdige rechtshandelingen en op grond van art. 6:216 BW, werd beheerst door de eisen van redelijkheid en billijkheid. Dit gold ongeacht of er bij heruitgifte sprake was van een feitelijke verlenging of vernieuwing van de rechtsverhouding of van het vestigen van een nieuw recht en het gold eveneens bij afwikkeling van de rechtsverhouding.7
Algemeen wordt beschouwd dat het arrest een leemte in de wet vulde ten aanzien van de rechtsverhouding tussen erfpachter en erfverpachter wanneer partijen na afloop van een tijdelijk recht onderhandelen over heruitgifte of over de afwikkeling van de rechtsverhouding.8 Erfpachters, gemeente en rechtbank erkenden met zoveel woorden dat tussen partijen na het einde van het recht en gedurende de tijd dat partijen onderhandelen over heruitgifte, een rechtsverhouding bestaat of blijft bestaan waarop de eisen van redelijkheid en billijkheid van toepassing zijn. Het hof was daar niet expliciet in, maar de Hoge Raad las in het oordeel van het hof geen ontkenning van deze stelling. Daarmee werd voor het eerst in de rechtspraak geoordeeld dat de eisen van redelijkheid en billijkheid van toepassing konden zijn op goederenrechtelijke verhoudingen.
Naar mijn mening was er in dit geval geen geëindigde goederenrechtelijke rechtsverhouding omdat feitelijk sprake was van een stilzwijgende verlenging van de erfpachtrechten krachtens art. 779 OBW naar oud recht of art. 5:98 BW naar nieuw recht, ook al verwijst het arrest daar niet naar. Er is ook geen sprake van een echte leemte in de wet, eerder van nawerking van de bestaande rechtsverhouding waarvan de tijdsduur is verlopen, maar die wordt gecontinueerd voor de duur van de precontractuele onderhandelingen waaruit eventueel een overeenkomst tot vestiging van een erfpachtrecht kan voortvloeien.9 Gedurende die precontractuele fase is er zowel sprake van het doorlopen van de bestaande goederenrechtelijke verhouding als van een verbintenisrechtelijke precontractuele rechtsverhouding die voorafgaat aan en mogelijk resulteert in een overeenkomst tot vestiging van een nieuw, vernieuwd of verlengd erfpachtrecht. Dat op die in wezen verbintenisrechtelijke verhouding de eisen van redelijkheid en billijkheid van toepassing zijn volgt uit de bestaande leer over precontractuele onderhandelingen en is evenmin een nieuw inzicht.10 De hamvraag is of de eisen van redelijkheid en billijkheid ook van toepassing zijn op de rechtsverhouding tussen partijen gedurende de looptijd van het erfpachtrecht. Het antwoord op die vraag volgt niet uit het arrest Haagse erfpacht, ook niet impliciet.
De eisen van redelijkheid en billijkheid komen na 1999 vaker voor in arresten over erfpachtverhoudingen. In een zaak over agrarische erfpacht weigerde de erfpachter de canonverhoging te betalen omdat de gemeente als erfverpachter naar zijn mening nog niet gerechtigd was de canon te verhogen en bovendien de verhoging onjuist had berekend.11 De kantonrechter had de vordering van de grondeigenaar afgewezen op de grond dat het een naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbare verhoging van de canon betrof.12 In cassatie stuitte behandeling van de grieven over dat oordeel van de kantonrechter af op de appelgrens, maar aangenomen mag worden dat in de erfpachtvoorwaarden geen duidelijke bepaling over het moment en de grondslag van de canonverhoging was opgenomen zodat aanvulling van de rechtsverhouding op zijn plaats was. In dit arrest werd nog geen strikte uitleg gehanteerd.
De maatstaven van redelijkheid en billijkheid zijn in de erfpachttitel alleen opgenomen in art. 5:97 BW. De op grond van dit artikel mogelijke vordering de inhoud van het erfpachtrecht te wijzigen of het recht op te heffen op grond van onvoorziene omstandigheden welke van dien aard zijn dat naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid ongewijzigde instandhouding van de akte van vestiging niet van de eigenaar of de erfpachter kan worden gevergd, werd en wordt zelden toegewezen.13
Een andere bepaling uit de erfpachttitel waarin de ‘redelijkheid’ een rol speelt is art. 5:91 BW, op grond waarvan de erfverpachter toestemming voor overdracht of splitsing van het recht kan bedingen en de erfpachter de kantonrechter om vervangende machtiging kan verzoeken indien de erfverpachter zijn toestemming zonder redelijke gronden weigert of zich niet verklaart. In 2010 wees de Hoge Raad een beschikking over de toetsingsmaatstaf uit deze bepaling.14 De kantonrechter dient bij een dergelijk verzoek, aldus de Hoge Raad, te onderzoeken of de erfverpachter de vereiste toestemming zonder redelijke gronden weigert. Indien aan die toestemming voorwaarden zijn verbonden dient de rechter tevens te onderzoeken of die voorwaarden redelijk zijn. Zijn de voorwaarden onredelijk dan kan de kantonrechter de gevraagde machtiging verlenen, onvoorwaardelijk of onder de voorwaarden die de rechter redelijk acht. De erfverpachter dient bij het weigeren van toestemming voor overdracht of splitsing het goederenrechtelijke stelsel, de wet en zijn eigen algemene erfpachtvoorwaarden in acht te nemen, en indien hij dit nalaat handelt hij onredelijk jegens de erfpachter die zijn recht wil overdragen. Deze bescherming geldt eveneens voor splitsing van het erfpachtrecht, maar niet voor bestemmingswijziging.15
Uit de besproken arresten kan voorlopig worden geconcludeerd dat na ommekomst van de looptijd van een tijdelijk erfpachtrecht op de rechtsverhouding tussen de partijen die onderhandelen over heruitgifte de eisen van redelijkheid en billijkheid van toepassing zijn, wat zowel volgt uit de stilzwijgende verlenging van het recht als uit de leer omtrent precontractuele onderhandelingen. De eisen van redelijkheid en billijkheid vinden echter hun begrenzing in de stabiliteit van goederenrechtelijke verhoudingen en de goederenrechtelijke aard van het erfpachtrecht die onder meer meebrengen dat het erfpachtrecht niet de facto onoverdraagbaar gemaakt kan worden.
Een aantal recente arresten van de Hoge Raad over erfpachtzaken toont de actuele toepassing van verbintenisrechtelijke instrumenten op geschillen die voortvloeien uit de rechtsverhouding. Daaruit kan echter nog niet geconcludeerd worden dat deze instrumenten tegenwicht bieden aan de sinds 1992 verruimde kaders voor de vestiging van erfpachtrechten.16 Het ging in vrijwel alle gevallen om rechten die voor 1992 waren gevestigd en de omstandigheid dat de erfpachtvoorwaarden die lang geleden waren afgesproken de erfpachter of de erfverpachter gingen beknellen vormde geen reden om die voorwaarden niet toe te passen.
Een erfpachter van een tijdelijk erfpachtrecht kreeg vlak voor het einde van de looptijd te horen dat het recht niet opnieuw zou worden uitgegeven, maar dat hij wel een deel van de grond zou kunnen kopen voor een door de erfverpachter bepaalde aankoopprijs.17 De erfpachter vond de prijs te hoog en in cassatie stond de vraag centraal of de erfverpachter met dit koopaanbod misbruik maakte van zijn economische machtspositie. Het beroep op art. 24 Mededingingswet, dat een Europeesrechtelijk misbruikbegrip bevat dat ruimer moet worden opgevat dan misbruik van bevoegdheid in de zin van art. 3:13 BW, en de eis tot veroordeling van de erfverpachter tot vaststelling van een redelijke prijs werden in feitelijke instanties verworpen en konden volgens de Hoge Raad niet tot cassatie leiden. Naar het oordeel van het hof was er geen sprake van een economische machtspositie op de relevante markt. Er was geen ruimte voor de rechter om de erfpachter tegemoet te komen die na afloop van het erfpachtrecht zijn woning zou verliezen zonder recht op een opstalvergoeding. Dat de erfverpachter alleen een deel van de grond wilde verkopen en tegen een prijs vastgesteld door een door hem ingeschakelde taxateur vormde geen misbruik van zijn eigendomsrecht in de zin van art. 3:13 jo. 5:1 BW. De erfpachter had het einde van de looptijd kunnen voorzien en hem restte geen andere keuze dan het koopaanbod aanvaarden of verhuizen.
Een appartementseigenaar-erfpachter van een voortdurend erfpachtrecht had van de gemeente bij het einde van een tijdvak een aanbod gekregen voor de hoogte van de canon voor het volgende tijdvak.18 In cassatie ging het om de vraag of het aanbod bepaalbaar was in de zin van art. 6:227 BW nu partijen een verschillende uitleg gaven aan het in het aanbod gehanteerde begrip ‘korting’. De Hoge Raad plaatste de beoordeling in het licht van de:
‘in art. 6:227 BW neergelegde eis van bepaalbaarheid [die] niet los gezien kan worden van de eisen van redelijkheid en billijkheid waardoor de obligatoire overeenkomst blijkens art. 6:248 BW mede wordt beheerst.’19
De aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid bracht in dit geval mee dat het hof een te strenge maatstaf had aangelegd dat de erfverpachter ‘de korting overeenkomstig de eisen van redelijkheid en billijkheid dient te berekenen en conform het gemeentelijk besluit betreffende de ingroeiregeling (vgl. ook HR 6 mei 1960, NJ 1961/366).’20 Het beginsel dat een onderdeel van de overeenkomst, en dat kan ook de prijs zijn, op basis van de aanvullende werking van gewoonte, redelijkheid en billijkheid wordt vastgesteld en dus nooit tot bepaalbaarheidsvragen kan leiden21 werkte in dit geval in het nadeel van de erfpachter die op het verkeerde been was gezet over de hoogte van de canon voor een periode van vijftig jaar.
De open norm van de algemene voorwaardenregeling vormt volgens de wetgever een lex specialis van de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid.22 Een vennootschap die als erfpachter een vijfjaarlijkse canonherziening aanvocht zag zijn beroep op de onredelijk bezwarendheid van het beding uit de algemene erfpachtvoorwaarden echter stranden omdat het consumentenrecht niet op zijn geval van toepassing was.23 Het hof legde de bepaling uit de algemene erfpachtvoorwaarden objectief uit en was van oordeel dat het ontbreken van een bepaalde methode van canonherziening door deskundigen deze niet onredelijk maakte. De Hoge Raad volgde de conclusie van de A-G die, nu de erfpachter niet tijdig een beroep op de contra proferentem-regel van art. 6:238 lid 2 BW had gedaan, onvoldoende reden zag voor ‘reflexwerking’ van de rechtspraak over ambtshalve toetsing van algemene voorwaarden.24 Het was niet onredelijk dat de erfpachter in dit geval gebonden raakte aan de canonverhoging zoals die was vastgesteld door de deskundigen. Een omvangrijke toetsing van algemene erfpachtvoorwaarden aan de algemene voorwaardenregeling, uitgelegd conform de richtlijn oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten, vond plaats in een zaak aangespannen door een belangenorganisatie van erfpachters tegen de gemeente Amsterdam als erfverpachter.25 De Hoge Raad casseerde de ambtshalve vernietiging door het hof Amsterdam van de eenzijdige wijzigingsbedingen uit de algemene erfpachtvoorwaarden. In beginsel is het goed mogelijk dat algemene erfpachtvoorwaarden worden getoetst aan de richtlijn oneerlijke bedingen, ook ambtshalve, maar in dit geval had het hof een onjuiste toepassing aan de richtlijn gegeven.26
In het volgende hoofdstuk ga ik nader in op de betekenis en de werking van de algemene voorwaardenregeling voor erfpachtvoorwaarden, maar op grond van bovengenoemde jurisprudentie van de hoogste civiele rechter kan geconcludeerd worden dat alleen in zeer uitzonderlijke gevallen de maatstaven van redelijkheid en billijkheid een vasthouden aan de afspraken uit de vestigingsakte opzij kunnen zetten. De verbintenisrechtelijke instrumenten hebben daarmee niet gezorgd voor een aantasting van de goederenrechtelijke beperkte rechten.