Vertrouwen op informatie bij bestuurlijke taakvervulling
Einde inhoudsopgave
Vertrouwen op informatie bij bestuurlijke taakvervulling (IVOR nr. 83) 2011/6.4.1:6.4.1 De jurisprudentiële erkenning van dwaling
Vertrouwen op informatie bij bestuurlijke taakvervulling (IVOR nr. 83) 2011/6.4.1
6.4.1 De jurisprudentiële erkenning van dwaling
Documentgegevens:
mr. M. Mussche, datum 30-05-2011
- Datum
30-05-2011
- Auteur
mr. M. Mussche
- JCDI
JCDI:ADS611017:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie bijvoorbeeld HR 22 september 2009, NJ 2009, 461. Zie voor de opzetuitsluitende werking van de dwaling verder Strijards 1983, p. 119-128.
HR 14 februari 1916, NJ 1916, 681 (Melk en water).
Voor doen plegen is veresit dat de materiële dader niet strafbaar is.
HR 4 november 1918, NJ 1918, 1182.
Rb. Rotterdam 26 april 1921, NJ 1922, 818.
HR 25 juni 1923, W 1923, 11104.
HR 25 februari 1929, NJ 1929, 1500.
HR 3 mei 1949, NJ 1949, 538; HR 22 november 1949, NJ 1950, 180 (Motorpapieren).
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Dwaling houdt een gebrekkige kennis van de werkelijkheid in. Verschoonbare dwaling neemt de schuld bij de dader weg. Onder omstandigheden kan dwaling ook opzet wegnemen.1 Als een dwalingsverweer wordt aanvaard bij culpoze en doleuze delicten, dan volgt vrijspraak. Bij delicten die geen subjectieve bestanddelen in de delictsomschrijving hebben, leidt een geslaagd dwalingsverweer tot ontslag van alle rechtsvervolging. Dwaling wordt gecategoriseerd in feitelijke dwaling en rechtsdwaling. Feitelijke dwaling is een vergissing in de feitelijke werkelijkheid, rechtsdwaling is een vergissing in de wederrechtelijkheid van een handeling.
De feitelijke dwaling deed zijn intrede als schulduitsluitingsgrond in het Nederlandse strafrecht in het bekende melk- en waterarrest uit 1916.2 Een melkhandelaar had in strijd met de Amsterdamse APV melk aangelengd met water. Zijn knecht wist dit niet en verkocht de aangelengde melk. De Hoge Raad oordeelde dat de melkhandelaar veroordeeld kon worden wegens het doen plegen van de overtreding. De knecht werd door zijn feitelijke dwaling namelijk straffeloos bevonden wegens afwezigheid van alle schuld.3 Het duurde enige tijd voordat de Hoge Raad ook de rechtsdwaling als mogelijke schulduitsluitingsgrond aanvaardde. Ik schets kort de historische ontwikkeling van dit proces.
In 1918 werd in het cassatieberoep tegen een vonnis van de rechtbank te Rotterdam in vrij algemene bewoordingen een beroep op avas wegens rechtsdwaling afgewezen.4 De Hoge Raad overwoog:
`dat de Rechtbank hieromtrent wel overweegt, dat, waar R. in de meening verkeerde, dat tot eene handeling als aan hem opgedragen, geene vergunning van Burgemeester en Wethouders was vereischt, hij zich er niet van behoefde te vergewissen, of de hem opgedragen handeling op een daartoe nodige vergunning berustte, doch ten onrechte, vermits onbekendheid met of dwaling omtrent de verbodsbepaling den overtreder van het verbod niet van aansprakelijkheid ontheft;'
In 1921 is het opnieuw de rechtbank te Rotterdam die zich welwillend opstelt tegenover een verdachte die zich beroept op verschoonbare rechtsdwaling.5 Het beroep op rechtsdwaling wegens onjuist advies van zijn advocaten wordt weliswaar niet aanvaard, maar de rechtbank oordeelde wel:
`(...) dat er gevallen kunnen zijn waarin een beklaagde, ook al heeft hij een strafbare handeling verricht, straffeloos moet blijven, wanneer hij niet wist, dat hetgeen hij deed, strafbaar was, en met het oog op bijzondere omstandigheden, redelijkerwijs niet van hem kon worden gevergd, dat hij met het strafbare karakter van zijn handeling bekend was — doch dat zich hier een zoodanig geval niet voordoet;'
Het beroep op rechtsdwaling werd in casu al wel aangenomen als grond voor strafvermindering. Een arrest uit 1923 luidde het begin in van een wijziging in de opvatting van de Hoge Raad.6 Een geslaagd beroep op verschoonbare rechtsdwaling werd kennelijk eventueel mogelijk geacht:
`(...) [Z]oo er al omstandigheden denkbaar zijn, waarin het niet kennen der verbods- of strafbepaling de strafrechtelijke aansprakelijkheid zou wegnemen, zulks toch zeker niet zonder meer het geval is, wanneer een chauffeur in dienst van een onderneming niet op de hoogte is van de ter plaatse voor het vervoeren van vrachten met automobielen geldende verbodsbepalingen;'
Ook in een zaak uit 1929 lijkt de Hoge Raad de mogelijkheid van rechtsdwaling als schulduitsluitingsgrond niet helemaal te willen uitsluiten.7 Zijn overweging ziet niet specifiek op de rechtsdwaling, maar omvat deze mede:
`0. immers dat een uitdrukkelijke bepaling dat bij strafbare feiten, bij welker omschrijving niet wordt gewaagd van schuld als element, de dader niet strafbaar is, indien te zijnen aanzien algeheel gemis van schuld moet worden aangenomen, weliswaar is het wetboek van strafrecht niet wordt aangetroffen, doch dat dit beginsel niettemin in het algemeen in strafzaken behoort te worden aangenomen.'
In 1949 maakt de HR een einde aan de onduidelijkheid. Als er nog twijfel was na het arrest van 3 mei 1949, dan is die er in ieder geval na het arrest van 22 november van dat jaar niet meer.8 In deze zaak was de verdachte bekeurd wegens motorrijden zonder nationaliteitsbewijs. Een opperwachtmeester had hem voorafgaand aan deze overtreding desgevraagd verteld dat zijn papieren (zonder nationaliteitsbewijs) in orde waren. De feitenrechter had dit avasverweer van de verdachte aanvaard. De Hoge Raad ging mee in dit oordeel en verwierp het cassatieberoep dat daartegen was ingesteld.