Aangevoerd wordt dat de vlucht om 14.55 uur vertrok. Uit de stukken blijkt dat de vlucht KL 741 volgens het schema om 11.15 uit Amsterdam zou vertrekken en om 14.55 op Bonaire zou aankomen. In haar 62rief van 21 december 2004 aan de OvJ schrijft aanvraagster dat de vlucht om 11.15 uur vertrok.
HR, 06-10-2009, nr. 07/13560 H
ECLI:NL:HR:2009:BJ9377
- Instantie
Hoge Raad (Strafkamer)
- Datum
06-10-2009
- Zaaknummer
07/13560 H
- Conclusie
Mr. Fokkens
- LJN
BJ9377
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2009:BJ9377, Uitspraak, Hoge Raad (Strafkamer), 06‑10‑2009; (Herziening)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2009:BJ9377
ECLI:NL:PHR:2009:BJ9377, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 30‑06‑2009
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2009:BJ9377
- Vindplaatsen
Uitspraak 06‑10‑2009
Inhoudsindicatie
Herziening. Persoonsverwisseling. Gegrondverklaring van de aanvrage tot herziening.
6 oktober 2009
Strafkamer
nr. 07/13560 H
SM
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op een aanvrage tot herziening van een in kracht van gewijsde gegaan vonnis van de Politierechter in de Rechtbank te Assen van van 10 november 2003, nummer 19/021312-03, ingediend door mr. R.J. Skála, advocaat te Haren, namens:
[Aanvraagster], geboren op [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1982, te dezen domicilie kiezende ten kantore van haar raadsman.
1. De uitspraak waarvan herziening is gevraagd
De Politierechter heeft de aanvraagster ter zake van "diefstal, gevolgd van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om, bij betrapping op heter daad, aan zichzelf de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren", veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van acht weken.
2. De aanvrage tot herziening
2.1. De aanvrage tot herziening is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
2.2. De aanvrage berust op de stelling dat sprake is van een omstandigheid als bedoeld in art. 457, eerste lid aanhef en onder 2°, Sv. De aanvraagster voert daartoe aan dat sprake is van een persoonsverwisseling.
3. De conclusie van de Procureur-Generaal
De Procureur-Generaal Fokkens heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad de aanvrage gegrond zal verklaren, voor zover nodig de opschorting of schorsing van de tenuitvoerlegging van de in de aanvrage vermelde uitspraak zal bevelen en de zaak zal verwijzen naar het Gerechtshof te Leeuwarden, opdat de zaak zal worden behandeld en afgedaan op de wijze als in art. 467, eerste lid, Sv is voorzien.
4. Beoordeling van de aanvrage
4.1. De aantekening van het mondeling vonnis van de Politierechter houdt onder meer in dat het bewezenverklaarde feit is gepleegd op 3 september 2003. De Politierechter heeft recht gedaan op processen-verbaal van politie die ten aanzien van dat feit onder meer inhouden dat op 3 september 2003, omstreeks 17.55 uur, een persoon is aangehouden in verband met een kort daarvoor gepleegde winkeldiefstal en dat die persoon opgaf te zijn genaamd "[naam aanvraagster], geboren op [geboortedatum] 1982 te [geboorteplaats]".
4.2.1. Als bijlagen zijn bij de aanvrage gevoegd:
(i) een boekingsbevestiging van [A] te [plaats] van 29 augustus 2003, inhoudende dat voor de aanvraagster een plaats is gereserveerd op vlucht KL741 van Schiphol naar Bonaire, vertrekkende op 3 september 2003 om 11.15 uur, en een kwitantie, inhoudende dat de aanvraagster het ticket heeft betaald;
(ii) een afschrift uit de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens van de gemeente Groningen, inhoudende dat de aanvraagster op 2 september 2003 is geëmigreerd naar de Nederlandse Antillen;
(iii) een kopie van het paspoort van de aanvraagster, inhoudende dat zij op 28 oktober 2003 is ingeschreven in de bevolkingsregistratie van Bonaire.
4.2.2. Bij de stukken bevindt zich een brief met bijlagen van de aanvraagster aan de Officier van Justitie. Deze stukken houden, kennelijk ter verklaring van de vertraging die is opgetreden bij de inschrijving in de bevolkingsregistratie van Bonaire, onder meer in dat de aanvraagster een geboorteakte nodig had om zich in te schrijven in de bevolkingsregistratie van Bonaire en dat zij die moest halen op Curaçao. Deze [op 24 oktober 2003 afgegeven] geboorteakte bevindt zich eveneens bij de stukken.
4.3. De inhoud van de hiervoor onder 4.2 genoemde stukken geeft steun aan de stelling waarop de aanvrage berust, te weten dat de aanvraagster niet degene is geweest die op 3 september 2003, omstreeks 17.55 uur, in Assen is aangehouden en dat sprake is geweest van persoonsverwisseling.
4.4. Een en ander levert het ernstig vermoeden op dat de Politierechter, ware deze met de evenvermelde feiten en omstandigheden bekend geweest, de aanvraagster van het haar tenlastegelegde zou hebben vrijgesproken.
5. Slotsom
Uit het vorenoverwogene volgt dat zich een omstandigheid voordoet als bedoeld in art. 457, eerste lid aanhef en onder 2°, Sv, zodat de aanvrage gegrond is en als volgt moet worden beslist.
6. Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart de aanvrage tot herziening gegrond;
beveelt voor zover nodig de opschorting of schorsing van de tenuitvoerlegging van voormeld vonnis van de Politierechter in de Rechtbank te Assen van 10 november 2003;
verwijst de zaak naar het Gerechtshof te Leeuwarden, opdat de zaak op de voet van art. 467, eerste lid, Sv opnieuw zal worden behandeld en afgedaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren J.P. Balkema en J.W. Ilsink, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.J. Verhoeven, en uitgesproken op 6 oktober 2009.
Conclusie 30‑06‑2009
Mr. Fokkens
Partij(en)
Conclusie inzake:
[Aanvraagster]
1.
Aanvraagster is op 10 november 2003 door de Politierechter in de Rechtbank te Assen wegens — kort gezegd — diefstal met geweld, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van acht weken. Het vonnis is onherroepelijk nu tegen het vonnis geen rechtsmiddel is aangewend.
2.
De herzieningsaanvrage is ingediend door mr. R.J. Skála, advocaat te Haren.
3.
De aanvrage berust op de stelling dat er sprake is van persoonsverwisseling. Een ander dan aanvraagster zou destijds de personalia van [Aanvraagster] aan de politie hebben opgegeven.
4.
Hetgeen ten laste van aanvraagster bewezen is verklaard, is gekwalificeerd als ‘diefstal, gevolgd van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren’ en is op 3 september 2003 te Assen gepleegd.
5.
Om de stelling waarop de aanvrage berust te onderbouwen, wordt aangevoerd dat aanvraagster zich de dag voorafgaand aan de bewezenverklaarde diefstal met geweld, uit de Gemeentelijke basisadministratie (GBA) heeft laten uitschrijven en op de dag van de diefstal 's ochtends met vlucht KL 741 naar de Nederlandse Antillen is vertrokken.1. Bij de aanvrage zijn kopiën overgelegd waaruit blijkt dat aanvraagster een ticket voor genoemde vlucht heeft geboekt en betaald. De rekening is gesteld op de naam van aanvraagster zodat mag worden aangenomen dat ook het ticket op haar naam was gesteld en een ander daarvan geen gebruik heeft kunnen maken. Uit een overzicht van de GBA blijkt dat aanvraagster zich inderdaad op 2 september 2003 heeft laten uitschrijven.
6.
Uit een in het paspoort van aanvraagster geplaatst stempel blijkt dat zij op 28 oktober 2003 in het bevolkingsregister van Bonaire (Nederlandse Antillen) is ingeschreven. Om de vertraging te verklaren, voert aanvraagster aan dat zij een uittreksel van het bevolkingsregister nodig had om zich te kunnen laten inschrijven en dat ze voor dat uittreksel eerst naar Curaçao diende te gaan. Een kopie van een akte (uittreksel van het bevolkingsregister) bevindt zich bij de stukken.
7.
Voor de beoordeling van de aanvrage is van belang dat uit de processen-verbaal van verhoor van de vrouw die op heterdaad is betrapt bij de diefstal waarbij geweld tegen winkelpersoneel is gepleegd, niet blijkt op welke wijze haar identiteit is vastgesteld. Niet blijkt dat de identiteit is vastgesteld aan de hand van een identiteitsbewijs. Daarbij wijs ik erop dat de vrouw die op 3 september 2003 in de namiddag is aangehouden, een handtekening heeft geplaatst op de processen-verbaal en de akte van uitreiking van de dagvaarding om ter terechtzitting van de Politierechter te verschijnen, waarbij de familienaam niet goed leesbaar is geschreven. Die handtekening verschilt op het eerste gezicht van de handtekening die is geplaatst in het paspoort van aanvraagster, waar de familienaam duidelijk leesbaar is geschreven. De handtekening van degene die is aangehouden verschilt dus op het eerste gezicht van de handtekening van aanvraagster.
8.
In verband met de beoordeling van de aanvrage, heb ik het College van Procureurs-Generaal verzocht onderzoekshandelingen te laten verrichten. Daaruit is gebleken dat de KLM niet meer beschikt over de gegevens van de vlucht zodat niet kan worden vastgesteld dat aanvraagster zich daadwerkelijk aan boord van het desbetreffende vliegtuig heeft bevonden. Een zogenoemde instapkaart is bij de aanvrage niet overgelegd. De door mij verzochte confrontatie van aanvraagster met verbalisanten — ten einde te achterhalen of zij degene is die destijds is aangehouden — heeft niet plaatsgevonden. Daarbij is gewezen op het tijdverloop. Het is evenmin gelukt om de zus van aanvraagster te horen. Op uitnodigingen van de politie per brief heeft zij niet gereageerd. Op haar GBA-adres heeft de politie haar niet aangetroffen.
9.
Hoewel thans niet meer met zekerheid kan worden vastgesteld dat aanvraagster zich daadwerkelijk op 3 september 2003 aan boord van vlucht KL 741 heeft bevonden, acht ik dit wel afdoende aannemelijk gemaakt. De reden die aanvraagster geeft voor het feit dat zij zich niet meteen in het bevolkingsregister van Bonaire heeft kunnen laten inschrijven, acht ik plausibel. Ook de inhoud van de brief die aanvraagster vanuit detentie heeft gestuurd, kort nadat zij was aangehouden ter executie van het vonnis waarop de aanvrage betrekking heeft, maakt een authentieke indruk.
10.
Op basis van het vorenstaande meen ik dat, voor wat betreft de aard van de onderhavige procedure aannemelijk is gemaakt dat aanvraagster zich niet in Nederland bevond ten tijde van het feit dat zij in Assen zou hebben gepleegd. Een en ander doet derhalve het ernstig vermoeden ontstaan als bedoeld in art. 457 lid 1 onder 2o Sv.
11.
Ik concludeer dat de aanvrage tot herziening gegrond is, en dat voor zover nodig de opschorting of schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis van de Politierechter in de Rechtbank te Assen van 10 november 2003 wordt bevolen, en dat de zaak wordt verwezen naar het Hof te Leeuwarden opdat de zaak op de voet van art. 467 Sv opnieuw zal worden behandeld en afgedaan.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 30‑06‑2009