Einde inhoudsopgave
Totdat het tegendeel is bewezen (SteR nr. 35) 2018/VIII.3.1
VIII.3.1 Dwangmiddelen als noodzakelijk kwaad
J.H.B. Bemelmans, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
J.H.B. Bemelmans
- JCDI
JCDI:ADS598637:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Deze definitie is de gangbare. Zie bijv. Baaijens-van Geloven & Simmelink 2002, p. 448-449; Corstens/Borgers 2014, p. 411. De inbreuk moet overigens wel van een zekere ernst zijn en voldoende gericht zijn op een individu. Het fotograferen van zich in het openbaar afspelende taferelen is bijvoorbeeld geen dwangmiddel (zie Corstens/Borgers 2014, p. 332). Zie voor enigszins andere benaderingen van het dwangmiddelbegrip Brouwer 1999, p. 8; Keulen & Knigge 2016, p. 305-307.
Dit principiële verschil lokte bijvoorbeeld discussie uit over de vraag of aftrek van het voorarrest bij de oplegging van een vrijheidsstraf facultatief, imperatief, of uitgesloten zou moeten zijn. Zie reeds uiterst kritisch Slotemaker 1882 en voor verdere verwijzingen Baauw 1978, p. 118.
Zie voor historische bronnen Uit Beijerse 1998, i.h.b. p. 16-17.
Dit uitgangspunt treedt bijvoorbeeld ook nadrukkelijk op de voorgrond in de memorie van toelichting bij de Wet Bijzondere opsporingsbevoegdheden, Kamerstukken II 1996/ 97, 25 403, nr. 3 (bijv. p. 3, p. 9, p. 55).
Een beginsel van ‘geen dwangmiddel zonder verdenking’ valt daarin niet te lezen. Tegen vroegsporing en opsporing op grond van aanwijzingen van terrorisme verzet het beginsel zich op zichzelf mijns inziens dus niet. Zie § IV.2.4.2.
Niet alleen in woord, ook in daad kan een verdachte worden bejegend als schuldige. Foltering en langdurige opsluiting van nog slechts verdachten van strafbare feiten, vormen de oorspronkelijke achtergrond waartegen de behandelingsdimensie opkwam. De afkeuring van tortuur en het besef dat voorarrest van gevangenisstraf moet worden onderscheiden, zijn tegenwoordig wijdverbreid. Dit neemt niet weg dat ten behoeve van het strafrechtelijk onderzoek ook vandaag de dag inbreuk wordt gemaakt op de rechten en vrijheden van het individu. De mogelijkheden daartoe zijn talrijker geworden en veel van de moderne mogelijkheden kunnen in het geheim worden ingezet. Bevoegdheden in het kader van de strafvordering, die – anders dan door de tenuitvoerlegging van sancties – daadwerkelijk inbreuk maken op de rechten en vrijheden van personen, noemt men dwangmiddelen.1
In de hierboven gegeven definitie van dwangmiddelen worden zij reeds op voorhand onderscheiden van sancties. Dwangmiddelen zijn die daadwerkelijke inbreuken op grondrechten die geen executie van een sanctie behelzen. Het verschil daartussen is voor de Nederlandse strafvordering vanzelfsprekend, maar is tevens cruciaal voor de naleving van de onschuldpresumptie. Daarin ligt immers een absoluut onderscheid besloten tussen de wetsovertreder die leed mag worden aangedaan omdat hij wetsovertreder is, en de mogelijke wetsovertreder wiens rechten totdat zijn schuld is bewezen niet meer dan nodig mogen worden geschaad.2 Dat eerste, de toepassing van het materiële strafrecht op de werkelijk schuldige, is volgens de wetgever één van de hoofddoelen van het strafproces.3 Dwangmiddelen daarentegen zijn daarbij hulpmiddel. Zij zijn nu eenmaal onmisbaar om de met opsporing en vervolging belaste ambtenaren snel, krachtig en effectief te laten optreden, maar hun toepassing is geen doel op zichzelf. De doelen van dwangmiddelen conflicteren met de belangen van het individu, en moeten daartegen worden afgewogen.4 Vooral de voorlopige hechtenis is om die reden en onder verwijzing naar het vermoeden van onschuld dikwijls getypeerd als een noodzakelijk kwaad.5 In wezen is die typering voor alle dwangmiddelen passend. Zij zijn noodzakelijk om een legitiem doel te bereiken dat in het concrete geval zwaarder weegt dan de rechten van het individu en niet te bereiken is zonder een (zo zware) inbreuk op die rechten.6
In eerdere hoofdstukken bleek reeds dat dergelijke inbreuken op zichzelf met de onschuldpresumptie verenigbaar zijn. Dat zij soms grote overeenkomsten vertonen met bestaande sancties maakt dat niet anders. Beslissend is de onderliggende redenering waarop de toepassing van het dwangmiddel wordt gebaseerd. De met het gebruik van dwangmiddelen beoogde doelen en de afweging van die doelen tegen de belangen van het betrokken individu, mogen niet getuigen van een schuldoordeel.7 Dat heeft betekenis op zowel een abstract als een concreet niveau. Zowel de wetgever die de voorwaarden creëert waaronder dwangmiddelen kunnen worden toegepast als de rechter of officier van justitie die beslist een dwangmiddel daadwerkelijk in te zetten, dient het onschuldvermoeden in acht te nemen.