ECLI:NL:GHDHA:2024:727 (parketnummer 22-003322-23).
HR, 14-10-2025, nr. 24/01889
ECLI:NL:HR:2025:1522
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
14-10-2025
- Zaaknummer
24/01889
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2025:1522, Uitspraak, Hoge Raad, 14‑10‑2025; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHDHA:2024:727
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2025:759
ECLI:NL:PHR:2025:759, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 08‑07‑2025
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2025:1522
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2025-0331
NTS 2025/78
Uitspraak 14‑10‑2025
Inhoudsindicatie
Zedenzaak. Ontucht met (meermalen gepleegd) en verkrachting van (meermalen gepleegd) zijn 2 minderjarige stiefdochters, art. 242 (oud), 244 (oud), 247 (oud) en 248.2 (oud) Sr. Bewijsminimum, art. 342.2 Sv (unus testis). Vinden verklaringen van aangeefsters voldoende steun in ander bewijsmateriaal? HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2010:BM2452 m.b.t. bewijsminimum van art. 342.2 Sv. ’s Hofs oordeel dat verklaringen van A over de onder 2, 4 en 5 bewezenverklaarde feiten (ontucht en verkrachting) en die van B over het onder 6 bewezenverklaarde feit (ontucht) steeds voldoende steun vinden in overige door hof gebruikte bewijsmiddelen, is niet zonder meer begrijpelijk. Daarvoor is van belang dat hof als steunbewijs voor verklaringen van A acht heeft geslagen op inhoud van behandelverslagen, terwijl die verslagen uitsluitend betrekking hebben op gesprekken die A met psycholoog heeft gevoerd over wat zij heeft meegemaakt. Ook is zonder nadere motivering niet duidelijk waarom door hof genoemde onderdelen van verklaringen van moeder van A en B, te weten dat verdachte het niet goed vond dat A met haar vriendinnen op vakantie ging, dat verdachte grote hoeveelheden bier per dag dronk en dat A vaak thuisbleef bij verdachte tijdens familiebezoeken, ondersteuning bieden aan aangifte van A. Hof heeft daarnaast i.v.m. verklaringen van B uitsluitend acht geslagen op verklaringen van moeder van A en B, terwijl deze verklaringen volledig berusten op wat B aan haar heeft verteld. Uit overwegingen van hof volgt ook niet of en, zo ja, hoe hof omstandigheid in zijn beoordeling van bewijs heeft betrokken dat 2 aangeefsters - los van elkaar - verklaringen hebben afgelegd over tegen henzelf door verdachte gepleegde seksuele misdrijven. Volgt vernietiging en terugwijzing.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 24/01889
Datum 14 oktober 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 30 april 2024, nummer 22-003322-23, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1966,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat P.L.G. Rens bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal M.E. van Wees heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Den Haag teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
2. Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel klaagt over (de motivering van) het oordeel van het hof dat is voldaan aan het bewijsminimum van artikel 342 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv).
2.2.1
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
“2. hij in de periode van 6 september 2008 tot en met 5 september 2009 te [plaats] , met [slachtoffer 1] geboren op [geboortedatum] 1997, die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, meermalen buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, bestaande uit het betasten van de borsten en billen en vagina van die [slachtoffer 1] en het laten betasten van zijn, verdachtes, penis door die [slachtoffer 1] ;
4. hij in de periode van 1 januari 2010 tot en met 5 september 2013 te [plaats] , meermalen met [slachtoffer 1] , geboren [geboortedatum] 1997, die hij verzorgde en opvoedde als behorend tot zijn gezin, en die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 1] , hebbende verdachte meermalen, de borsten en de billen en de vagina van die [slachtoffer 1] betast en de vagina van die [slachtoffer 1] gelikt en zijn, verdachtes penis laten vasthouden en zich laten aftrekken door die [slachtoffer 1] en zijn, verdachtes vinger(s) en tong in/tegen de vagina van die [slachtoffer 1] geduwd/gebracht en zijn, verdachtes, penis in de mond en vagina en anus van die [slachtoffer 1] geduwd/gebracht;
5. hij in de periode van 6 september 2013 tot en met 23 december 2015 te [plaats] , meermalen, door een feitelijkheid, te weten door het grote leeftijdsverschil en doordat verdachte misbruik heeft gemaakt van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht als stiefvader, en (daarbij) gebruik heeft gemaakt van de daaruit voortvloeiende afhankelijkheidssituatie en dat verdachte tijdens de minderjarigheid van die [slachtoffer 1] langdurig ontucht met die [slachtoffer 1] heeft gepleegd en (daardoor) een intimiderende situatie heeft doen ontstaan waaraan zij zich niet kon onttrekken, [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 1] te weten het zich laten aftrekken en laten betasten van zijn penis en het duwen/brengen van zijn vinger(s) en/of zijn penis in de vagina en/of anus van die [slachtoffer 1] en het brengen van zijn penis in de mond van die [slachtoffer 1] en het likken van de vagina van die [slachtoffer 1] ;
6. hij in de periode van 3 april 2013 tot en met 2 april 2014 te [plaats] , met [slachtoffer 2] , geboren [geboortedatum] 2001 die hij verzorgde en opvoedde als behorend tot zijn gezin, en die de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, bestaande uit het betasten van de buik en het masseren van de buik van die [slachtoffer 2] en het betasten en in de mond nemen van de borst van die [slachtoffer 2] en het wrijven tussen de (boven)benen en het wrijven over de vagina van die [slachtoffer 2] .”
2.2.2
Het hof heeft over de bewezenverklaring onder meer overwogen:
“Nadere bewijsoverweging
Inleiding
Na een informatief gesprek met de politie op 3 maart 2018 heeft [slachtoffer 2] op 13 april 2018 tegen de verdachte aangifte gedaan van seksueel misbruik. Haar zus, [slachtoffer 1] heeft, na een informatief gesprek op 5 februari 2020, op 26 februari 2020 aangifte tegen de verdachte gedaan wegens seksueel misbruik/incest. Op 1 mei 2023 zijn [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] als getuige gehoord bij de rechter-commissaris.
De verdachte heeft ongeveer tien jaar lang een relatie gehad met [betrokkene 1] , de moeder van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] (hierna: ' [betrokkene 1] ' resp. 'de moeder'). Met elkaar hebben zij als gezin samengeleefd op verschillende adressen in [plaats] tot het einde van 2015. In de periode van 24 november 2006 tot 16 december 2010 stond de verdachte ingeschreven op de [b-straat 1] in [plaats] . In de periode van 16 december 2010 tot 7 juli 2017 stond de verdachte ingeschreven op de [a-straat 1] in [plaats] .
De verdachte wordt ervan verdacht in de periode van 2008 tot en met 2015 zijn beide stiefdochters seksueel te hebben misbruikt.
De verdachte ontkent alle aan hem tenlastegelegde feiten.
Betrouwbaarheid van de verklaringen van aangeefsters
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verklaringen van de beide aangeefsters niet voor het bewijs kunnen worden gebruikt. De verklaringen zijn niet voldoende authentiek, consistent en betrouwbaar en bevatten opmerkelijke onjuistheden, aldus de verdediging.
Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de verklaringen wèl bruikbaar zijn voor het bewijs. Er zijn geen aanwijzingen dat de verklaringen op elkaar zijn afgestemd. Bovendien zijn de verklaringen wèl voldoende consistent, oprecht, duidelijk en gedetailleerd en daarmee betrouwbaar, aldus de advocaat-generaal.
Oordeel van het hof
Het hof ziet, anders dan door de raadsman betoogd, geen reden om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] . Daartoe stelt het hof voorop dat de beide aangeefsters in alle verklaringen gedetailleerd en consistent zijn geweest in hun beschrijvingen van de seksuele handelingen die zij hebben moeten ondergaan en verrichten. Daar waar de verdediging heeft gewezen op discrepanties, zien deze slechts op ondergeschikte onderdelen en doen zij niet af aan de kern van hetgeen aangeefsters hebben verklaard.
[slachtoffer 1] plaatst de gebeurtenissen in de tijd en koppelt deze aan de woning waar het gezin op dat moment woonde. Daarnaast verklaart [slachtoffer 1] consistent en gedetailleerd over specifieke situaties die zich hebben voorgedaan. Zo vertelt zij in haar drie verklaringen over een situatie waarin de verdachte haar vroeg of zij wist wat klaarkomen was, dat zij zich gedwongen moest uitkleden, dat zij de penis van de verdachte moest vasthouden en dat zij de verdachte gedwongen moest pijpen in de auto. De verdediging heeft gewezen op algemene termen die door [slachtoffer 1] in de verklaringen werden genoemd, zoals 'alles wat er op het gebied van seksuele misbruik mogelijk is'. Het hof is van oordeel dat deze gekozen bewoording van [slachtoffer 1] niet afdoet aan de gedetailleerde wijze waarop zij verscheidene situaties omschrijft en waarbij zij ook ingaat op specifieke handelingen die de verdachte heeft verricht of die zij moest verrichten.
Ook [slachtoffer 2] verklaart consistent en duidelijk over de gebeurtenis waarbij de verdachte haar borst in de mond heeft genomen en met zijn hand tussen haar benen heeft gezeten. Dat [slachtoffer 2] in haar verhoor heeft verklaard dat het misbruik zou hebben plaatsgevonden op het adres van haar biologische vader vat het hof op als een kennelijke vergissing, nu de context die [slachtoffer 2] bij de situatie schetst een voldoende te reconstrueren beeld geeft van de feitelijke woning. Zij spreekt immers over de verdachte als dader en verklaart dat haar moeder lag te slapen. Dit impliceert dat het op het adres geweest moet zijn waar [slachtoffer 2] samen met haar zus, broertje, moeder en verdachte als gezin samenleefde.
Het hof stelt vast dat de verklaringen van zowel [slachtoffer 1] als [slachtoffer 2] geruime tijd na het seksueel misbruik zijn afgelegd. Anders dan de raadsman betoogt doet deze omstandigheid naar het oordeel van het hof echter geen afbreuk aan de betrouwbaarheid van de inhoud van deze verklaringen. De aard en ernst van de feiten en de therapie, die zowel [slachtoffer 1] als [slachtoffer 2] hebben gevolgd ter verwerking van het seksuele misbruik, verklaren het tijdsverloop.
Tenslotte merkt het hof op dat de verdachte de beschuldigingen met weinig woorden heeft ontkend. Het hof constateert dat het dossier geen enkel aanknopingspunt bevat voor de veronderstelling dat [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] een motief zouden hebben om een valse aangifte te doen tegen de verdachte of niet de gehele waarheid te spreken.
Het hof ziet, gezien het bovenstaande, geen aanleiding om aan de betrouwbaarheid en geloofwaardigheid van de verklaringen van beide aangeefsters te twijfelen. Te meer nu de door hen afgelegde verklaringen worden gesteund door andere bewijsmiddelen in het dossier, kunnen deze naar het oordeel van het hof tot het bewijs worden gebezigd.
Steunbewijs
Het hof stelt voorop dat volgens het tweede lid van artikel 342 Sv het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, door de rechter niet uitsluitend kan worden aangenomen op de verklaring van één getuige. Deze bepaling heeft betrekking op de tenlastelegging in haar geheel en niet op een onderdeel daarvan. Zij beoogt de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing te waarborgen, in die zin dat artikel 342 lid 2 Sv de rechter verbiedt tot een bewezenverklaring te komen als de door één getuige naar voren gebrachte feiten en omstandigheden op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal. De vraag of aan het bewijsminimum van artikel 342 lid 2 Sv is voldaan, laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vereist een beoordeling van het concrete geval.
Het hof moet - met andere woorden - beoordelen of voor de betrouwbaar geachte aangiftes - welke verklaringen lijnrecht tegenover de ontkennende verklaringen van de verdachte staan - het dossier voldoende steunbewijs bevat.
Behandelverslagen [slachtoffer 1]
In het dossier bevindt zich het GGZ behandeldossier van [slachtoffer 1] betreffende de sessies die zij in de jaren 2016 en 2017 heeft gehad met een psycholoog. In de gesprekken met deze psycholoog heeft [slachtoffer 1] verteld over de gebeurtenissen betreffende het seksueel misbruik en heeft zij EMDR-therapie gevolgd. Op 11 augustus 2016, 4 maanden na de start van de behandelingen, vertelt [slachtoffer 1] over het jarenlange misbruik. Op dat moment weten alleen haar vriendje en haar behandelaar dit. Uit de verslagen blijkt dat [slachtoffer 1] zeer moeilijk over de gebeurtenissen kan praten, maar met kleine stapjes vertelt zij steeds meer. Uiteindelijk vertelt zij haar behandelaar dat het misbruik begon toen zij 10/11 jaar oud was en dat de verdachte haar vanaf dat zij 12 jaar oud was ook penetreerde. Het misbruik vond dagelijks plaats. Dit ondersteunt hetgeen zij hierover in haar aangifte en bij de rechter-commissaris heeft verklaard. Uit de gesprekken met de psycholoog blijkt dat zij worstelt met de relatie met de verdachte, nu zij hem ondanks alles ook wel eens mist.
In de gesprekken met de psycholoog vertelt zij daarnaast over haar relatie met de verdachte, hetgeen zij ook in haar aangifte heeft omschreven. Zo vertelt zij bijvoorbeeld dat zij van de verdachte niet op vakantie mocht met vriendinnen.
Het hof hecht waarde aan dit steunbewijs, nu de behandelingen door de psycholoog hebben plaatsgevonden voordat [slachtoffer 1] aangifte heeft gedaan en in het bijzonder gericht waren op haar beleving en verwerking van het misbruik en niet op beschuldiging van de verdachte.
Verklaring van de moeder
Het hof ziet tevens steunbewijs in de verklaring die is afgelegd door de moeder van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , [betrokkene 1] , bij de politie op 20 februari 2020 en bij de rechter-commissaris op 8 mei 2023.
Ten eerste bevestigt de moeder in die verklaring dat [slachtoffer 2] haar heeft verteld over dat zij seksueel misbruikt is door de verdachte. De moeder verklaart over de wijze waarop [slachtoffer 2] dit vertelde, namelijk door te doen alsof het verhaal over een vriendinnetje van haar ging. Later vertelde [slachtoffer 2] dat het haar zelf betrof en dat het ging om aanrakingen met de hand en de tong op haar knie, borst en nek. De aanrakingen zouden plaats hebben gevonden op de bank in de woonkamer. [slachtoffer 2] heeft dit rond mei/juni van het jaar 2014 verteld. Dit komt overeen met hetgeen [slachtoffer 2] hier zelf over heeft verklaard.
Bovendien bevestigt de moeder ook een aantal andere punten uit de verklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] :
- de verdachte vond het niet goed dat [slachtoffer 1] met haar vriendinnen op vakantie ging.
- de verdachte dronk grote hoeveelheden bier per dag.
- [slachtoffer 1] bleef vaak thuis bij de verdachte tijdens familiebezoeken.
Conclusie steunbewijs
Het hof verwerpt het verweer van de verdediging dat er niet is voldaan aan het wettelijke bewijsminimum. De verklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] worden immers op essentiële punten ondersteund door een bewijsmiddel uit andere bron, namelijk de behandelverslagen van [slachtoffer 1] en de verklaring van de moeder.
Feit 2
Het onder feit 2 tenlastegelegde ziet op de gepleegde ontucht door de verdachte bij [slachtoffer 1] dat heeft plaatsgevonden in de periode van 6 september 2008 tot en met 5 september 2009 in [plaats] . [slachtoffer 1] verklaart in haar aangifte dat zij door de verdachte is betast bij haar borsten, billen en vagina. Zij verklaart dat deze gebeurtenis heeft plaatsgevonden op de [b-straat] in [plaats] . Volgens het SKDB (bevattende informatie uit de Basisregistratie Personen) van de verdachte heeft het gezin van 24 november 2006 tot 16 december 2010 op dit adres gewoond. [slachtoffer 1] verklaart daarnaast dat toen zij 11 of 12 jaar oud was, de verdachte haar heeft gedwongen tot het betasten van zijn penis.
[slachtoffer 1] heeft meermaals verklaard dat het misbruik 7 jaar lang heeft geduurd, en stopte toen zij 18 jaar oud was. Op de vraag van de politie wat er op de [b-straat] is gebeurd, antwoordt [slachtoffer 1] dat daar twee keer iets is gebeurd, zij was toen een jaar of 10.
Feit 4
Onder feit 4 is tenlastegelegd dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan - onder meer - het seksueel binnendringen van [slachtoffer 1] toen zij 12 maar nog geen 16 jaar oud was, namelijk in de periode van 1 januari 2010 tot en met 5 september 2013 in [plaats] . Hieromtrent heeft [slachtoffer 1] verklaard dat zij twaalf jaar was toen de verdachte haar penetreerde met zowel zijn vingers als zijn penis. Zij verklaart daarnaast dat de verdachte toen zij 14, 15 of 16 was ook drie keer anale seks met haar heeft gehad. De handelingen die tijdens de seks hebben plaatsgevonden vat [slachtoffer 1] als volgt samen: ‘Pijpen, beffen, verkrachting, vaginaal en anaal, knijpen in de borsten, slaan op de billen en betasten van de vagina'. Daarnaast geeft zij aan dat de meeste misbruikhandelingen hebben plaatsgevonden op de [a-straat] in [plaats] . Uit de SKDB blijkt dat de verdachte in de periode van 16 december 2010 tot en met 7 juli 2017 op dit adres heeft gewoond. Eind 2015 is [slachtoffer 1] bij de verdachte uitgetrokken.
Feit 5
Onder feit 5 is tenlastegelegd dat de verdachte zich - onder meer - heeft schuldig gemaakt aan verkrachting van [slachtoffer 1] nadat zij de leeftijd van 16 jaar had bereikt. Dit heeft plaatsgevonden in de periode van 6 september 2013 tot en met 23 december 2015 in [plaats] . [slachtoffer 1] heeft verklaard dat zij minimaal honderd keer door de verdachte is verkracht, De laatste keer dat dit gebeurde was op 22 of 23 december 2015, toen zij 18 jaar was, kort voordat zij uit huis is gegaan bij de verdachte. Hieruit leidt het hof af dat deze verkrachtingen hebben plaatsgevonden in de tenlastegelegde periode, toen [slachtoffer 1] 16, 17 en 18 jaar oud was.
Feit 6
Onder feit 6 is de ontucht met [slachtoffer 2] in de periode van 3 april 2013 tot en met 2 april 2014 te [plaats] tenlastegelegd. [slachtoffer 2] verklaart dat zij 12 jaar was toen de ontucht plaatsvond. Het hof heeft eerder overwogen dat [slachtoffer 2] zich (kennelijk) heeft vergist bij het noemen van het adres waar de ontucht heeft plaatsgevonden. Gelet op haar verklaring dat zij op dat moment samenwoonde met haar moeder, de verdachte, haar zus en broertje, stelt het hof vast dat de ontucht moet hebben plaatsgevonden op de [a-straat] in [plaats] . [slachtoffer 2] heeft verklaard dat de verdachte met zijn mond op haar borst zat en haar vagina en benen heeft betast. Dit heeft zij ook aan haar moeder verteld.”
2.2.3
Volgens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman van de verdachte daar het woord gevoerd overeenkomstig de bij de stukken gevoegde pleitnota. Deze pleitnota houdt onder meer in:
“Geen steunbewijs
(...)
Verklaring moeder (...)
[betrokkene 1] verklaart alleen over wat [slachtoffer 2] haar over de gebeurtenis zou hebben verteld. De bron van die verklaring is dus nog steeds de aangeefster zelf. [betrokkene 1] kan niet uit eigen waarneming verklaren over het vermeende misbruik.
(...)
Verslagen psycholoog, dagboek verhaal en brieven
Ook het getypte "dagboek"-verhaal van [slachtoffer 2] , de verslagen van de psycholoog en de geschreven brieven van [slachtoffer 1] aan cliënt kunnen niet als steunbewijs dienen. Ook hier geldt weer dat de oorspronkelijke bron nog steeds de aangeefster zelf is.”
2.3
Volgens artikel 342 lid 2 Sv kan het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, door de rechter niet uitsluitend worden aangenomen op de verklaring van één getuige. Deze bepaling heeft betrekking op de tenlastelegging in haar geheel en niet op een onderdeel daarvan. Zij beoogt de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing te waarborgen, in die zin dat artikel 342 lid 2 Sv de rechter verbiedt tot een bewezenverklaring te komen als de door één getuige naar voren gebrachte feiten en omstandigheden op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal. De vraag of aan het bewijsminimum van artikel 342 lid 2 Sv is voldaan, laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vereist een beoordeling van het concrete geval. De Hoge Raad kan daarom geen algemene regels geven over de toepassing van artikel 342 lid 2 Sv, maar daarover slechts tot op zekere hoogte duidelijkheid geven door het beslissen van concrete gevallen. Opmerking verdient nog dat het bij de beoordeling in cassatie of aan het bewijsminimum van artikel 342 lid 2 Sv is voldaan, van belang kan zijn of de feitenrechter zijn oordeel dat dat het geval is, nader heeft gemotiveerd. (Vgl. HR 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM2452.)
2.4
Het oordeel van het hof dat de verklaringen van [slachtoffer 1] over de onder 2, 4 en 5 bewezenverklaarde feiten en die van [slachtoffer 2] over het onder 6 bewezenverklaarde feit steeds voldoende steun vinden in de overige door het hof gebruikte bewijsmiddelen, is niet zonder meer begrijpelijk. Daarvoor is van belang dat het hof als steunbewijs voor de verklaringen van [slachtoffer 1] acht heeft geslagen op de inhoud van de behandelverslagen, terwijl die verslagen uitsluitend betrekking hebben op de gesprekken die [slachtoffer 1] met de psycholoog heeft gevoerd over wat zij heeft meegemaakt. Ook is zonder nadere motivering niet duidelijk waarom de door het hof genoemde onderdelen van de verklaringen van de moeder van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , te weten dat de verdachte het niet goed vond dat [slachtoffer 1] met haar vriendinnen op vakantie ging, dat de verdachte grote hoeveelheden bier per dag dronk en dat [slachtoffer 1] vaak thuisbleef bij de verdachte tijdens familiebezoeken, ondersteuning bieden aan de aangifte van [slachtoffer 1] . Het hof heeft daarnaast in verband met de verklaringen van [slachtoffer 2] uitsluitend acht geslagen op de verklaringen van de moeder van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , terwijl deze verklaringen volledig berusten op wat [slachtoffer 2] aan haar heeft verteld. Uit de overwegingen van het hof volgt ook niet of en, zo ja, hoe het hof de omstandigheid in zijn beoordeling van het bewijs heeft betrokken dat twee aangeefsters – los van elkaar – verklaringen hebben afgelegd over tegen henzelf door de verdachte gepleegde seksuele misdrijven.
2.5
Het cassatiemiddel slaagt.
3. Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
Gelet op de beslissing die hierna volgt, is bespreking van het cassatiemiddel niet nodig.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof;
- wijst de zaak terug naar het gerechtshof Den Haag, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren C. Caminada en R. Kuiper, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 14 oktober 2025.
Conclusie 08‑07‑2025
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Ontucht met minderjarige stiefdochters (art. 242, 245, 247 en 248 Sr). Slagend middel over bewijsminimum art. 342.2 Sv (unus testis). Het andere middel kan buiten bespreking blijven. Conclusie strekt tot vernietiging en terugwijzing.
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer24/01889
Zitting 8 juli 2025
CONCLUSIE
M.E. van Wees
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1966,
hierna: de verdachte.
Inleiding
1.1
De verdachte is bij arrest van 30 april 20241.door het gerechtshof Den Haag wegens 2. "met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen, meermalen gepleegd", 4. “met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, terwijl de schuldige het feit begaat tegen een kind dat hij verzorgt of opvoedt als behorend tot zijn gezin, meermalen gepleegd”, 5. “verkrachting, meermalen gepleegd” en 6. “met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen, terwijl de schuldige het feit begaat tegen een kind dat hij verzorgt of opvoedt als behorend tot zijn gezin” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 78 maanden, met aftrek van voorarrest. Het hof heeft daarnaast de vorderingen van de benadeelde partijen toegewezen en in verband daarmee schadevergoedingsmaatregelen opgelegd.
1.2
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en P.L.G. Rens, advocaat in Den Haag, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.
Het eerste middel
2.
2.1
Het middel bevat de klacht dat het bewijsminimumvoorschrift als vervat in artikel 342 lid 2 Sv is geschonden, althans dat het oordeel dat daaraan is voldaan ontoereikend is gemotiveerd.
2.2
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
“2.
hij in de periode van 6 september 2008 tot en met 5 september 2009 te [plaats] , met [slachtoffer 1] geboren op [geboortedatum] 1997, die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, meermalen buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, bestaande uit het betasten van de borsten en billen en vagina van die [slachtoffer 1] en het laten betasten van zijn, verdachtes, penis door die [slachtoffer 1] ;
4.
hij in de periode van 1 januari 2010 tot en met 5 september 2013 te [plaats] , meermalen met [slachtoffer 1] , geboren [geboortedatum] 1997, die hij verzorgde en opvoedde als behorend tot zijn gezin, en die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 1] , hebbende verdachte meermalen, de borsten en de billen en de vagina van die [slachtoffer 1] betast en de vagina van die [slachtoffer 1] gelikt en zijn, verdachtes penis laten vasthouden en zich laten aftrekken door die [slachtoffer 1] en zijn, verdachtes vinger(s) en tong in/tegen de vagina van die [slachtoffer 1] geduwd/gebracht en zijn, verdachtes, penis in de mond en vagina en anus van die [slachtoffer 1] geduwd/gebracht;
5.
hij in de periode van 6 september 2013 tot en met 23 december 2015 te [plaats] , meermalen, door een feitelijkheid, te weten door het grote leeftijdsverschil en doordat verdachte misbruik heeft gemaakt van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht als stiefvader, en (daarbij) gebruik heeft gemaakt van de daaruit voortvloeiende afhankelijkheidssituatie en dat verdachte tijdens de minderjarigheid van die [slachtoffer 1] langdurig ontucht met die [slachtoffer 1] heeft gepleegd en (daardoor) een intimiderende situatie heeft doen ontstaan waaraan zij zich niet kon onttrekken, [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 1] te weten het zich laten aftrekken en laten betasten van zijn penis en het duwen/brengen van zijn vinger(s) en/of zijn penis in de vagina en/of anus van die [slachtoffer 1] en het brengen van zijn penis in de mond van die [slachtoffer 1] en het likken van de vagina van die [slachtoffer 1] ;
6.
hij in de periode van 3 april 2013 tot en met 2 april 2014 te [plaats] , met [slachtoffer 2] , geboren [geboortedatum] 2001 die hij verzorgde en opvoedde als behorend tot zijn gezin, en die de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, bestaande uit het betasten van de buik en het masseren van de buik van die [slachtoffer 2] en het betasten en in de mond nemen van de borst van die [slachtoffer 2] en het wrijven tussen de (boven)benen en het wrijven over de vagina van die [slachtoffer 2] .”
2.3
Die bewezenverklaring steunt op de bewijsmiddelen waar in de voetnoten van het PROMIS-arrest naar wordt verwezen.
2.4
Het arrest bevat, voor zover voor de bespreking van het middel van belang, de volgende bewijsoverwegingen2.:
“Steunbewijs
Het hof stelt voorop dat volgens het tweede lid van artikel 342 Sv het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, door de rechter niet uitsluitend kan worden aangenomen op de verklaring van één getuige. Deze bepaling heeft betrekking op de tenlastelegging in haar geheel en niet op een onderdeel daarvan. Zij beoogt de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing te waarborgen, in die zin dat artikel 342 lid 2 Sv de rechter verbiedt tot een bewezenverklaring te komen als de door één getuige naar voren gebrachte feiten en omstandigheden op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal. De vraag of aan het bewijsminimum van artikel 342 lid 2 Sv is voldaan, laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vereist een beoordeling van het concrete geval.
Het hof moet – met andere woorden – beoordelen of voor de betrouwbaar geachte aangiftes - welke verklaringen lijnrecht tegenover de ontkennende verklaringen van de verdachte staan – het dossier voldoende steunbewijs bevat.
Behandelverslagen [slachtoffer 1]
In het dossier bevindt zich het GGZ behandeldossier van [slachtoffer 1] betreffende de sessies die zij in de jaren 2016 en 2017 heeft gehad met een psycholoog. In de gesprekken met deze psycholoog heeft [slachtoffer 1] verteld over de gebeurtenissen betreffende het seksueel misbruik en heeft zij EMDR-therapie gevolgd. Op 11 augustus 2016, 4 maanden na de start van de behandelingen, vertelt [slachtoffer 1] over het jarenlange misbruik. Op dat moment weten alleen haar vriendje en haar behandelaar dit. Uit de verslagen blijkt dat [slachtoffer 1] zeer moeilijk over de gebeurtenissen kan praten, maar met kleine stapjes vertelt zij steeds meer. Uiteindelijk vertelt zij haar behandelaar dat het misbruik begon toen zij 10/11 jaar oud was en dat de verdachte haar vanaf dat zij 12 jaar oud was ook penetreerde. Het misbruik vond dagelijks plaats. Dit ondersteunt hetgeen zij hierover in haar aangifte en bij de rechter-commissaris heeft verklaard. Uit de gesprekken met de psycholoog blijkt dat zij worstelt met de relatie met de verdachte, nu zij hem ondanks alles ook wel eens mist.
In de gesprekken met de psycholoog vertelt zij daarnaast over haar relatie met de verdachte, hetgeen zij ook in haar aangifte heeft omschreven. Zo vertelt zij bijvoorbeeld dat zij van de verdachte niet op vakantie mocht met vriendinnen.
Het hof hecht waarde aan dit steunbewijs, nu de behandelingen door de psycholoog hebben plaatsgevonden voordat [slachtoffer 1] aangifte heeft gedaan en in het bij zonder gericht waren op haar beleving en verwerking van het misbruik en niet op beschuldiging van de verdachte.
Verklaring van de moeder
Het hof ziet tevens steunbewijs in de verklaring die is afgelegd door de moeder van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , [betrokkene 1] , bij de politie op 20 februari 202019 en bij de rechter-commissaris op 8 mei 2023.
Ten eerste bevestigt de moeder in die verklaring dat [slachtoffer 2] haar heeft verteld over dat zij seksueel misbruikt is door de verdachte. De moeder verklaart over de wijze waarop [slachtoffer 2] dit vertelde, namelijk door te doen alsof het verhaal over een vriendinnetje van haar ging. Later vertelde [slachtoffer 2] dat het haar zelf betrof en dat het ging om aanrakingen met de hand en de tong op haar knie, borst en nek. De aanrakingen zouden plaats hebben gevonden op de bank in de woonkamer. [slachtoffer 2] heeft dit rond mei/juni van het jaar 2014 verteld. Dit komt overeen met hetgeen [slachtoffer 2] hier zelf over heeft verklaard.
Bovendien bevestigt de moeder ook een aantal andere punten uit de verklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] :
- de verdachte vond het niet goed dat [slachtoffer 1] met haar vriendinnen op vakantie ging.
- de verdachte dronk grote hoeveelheden bier per dag.
- [slachtoffer 1] bleef vaak thuis bij de verdachte tijdens familiebezoeken.
Conclusie steunbewijs
Het hof verwerpt het verweer van de verdediging dat er niet is voldaan aan het wettelijke bewijsminimum. De verklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] worden immers op essentiële punten ondersteund door een bewijsmiddel uit andere bron, namelijk de behandelverslagen van [slachtoffer 1] en de verklaring van de moeder.”
2.5
Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad geldt met betrekking tot het in artikel 342 lid 2 Sv neergelegde bewijsminimum het volgende:
“Volgens artikel 342 lid 2 Sv kan het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, door de rechter niet uitsluitend worden aangenomen op de verklaring van één getuige. Deze bepaling heeft betrekking op de tenlastelegging in haar geheel en niet op een onderdeel daarvan. Zij beoogt de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing te waarborgen, in die zin dat artikel 342 lid 2 Sv de rechter verbiedt tot een bewezenverklaring te komen als de door één getuige naar voren gebrachte feiten en omstandigheden op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal. De vraag of aan het bewijsminimum van artikel 342 lid 2 Sv is voldaan, laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vereist een beoordeling van het concrete geval. De Hoge Raad kan daarom geen algemene regels geven over de toepassing van artikel 342 lid 2 Sv, maar daarover slechts tot op zekere hoogte duidelijkheid geven door het beslissen van concrete gevallen. Opmerking verdient nog dat het bij de beoordeling in cassatie of aan het bewijsminimum van artikel 342 lid 2 Sv is voldaan, van belang kan zijn of de feitenrechter zijn oordeel dat dat het geval is, nader heeft gemotiveerd (Vgl. HR 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM2452).”3.
2.6
In aanvulling daarop volgt uit de rechtspraak van de Hoge Raad dat het steunbewijs geen betrekking hoeft te hebben op de tenlastegelegde gedragingen4., maar dat niet een te ver verwijderd verband dient te bestaan tussen de verklaring van de aangever en het steunbewijs.5.Het moet gaan om feiten en omstandigheden die op relevante wijze in verband staan met de inhoud van de verklaring van de aangever.6.Hoewel aan de aard van het steunbewijs nauwelijks specifieke eisen worden gesteld, het hoeft bijvoorbeeld niet om een tweede getuigenverklaring te gaan, geldt als duidelijke beperking dat de tweede bewijsgrond niet van dezelfde bron afkomstig mag zijn als de verklaring van de aangever.7.
2.7
In het middel wordt betoogd dat het manco van het steunbewijs in deze zaak tweeledig is. Waar het de behandelverslagen en de verklaring van de moeder van aangeefsters betreft, zou in de eerste plaats gelden dat deze uit dezelfde bron stammen, namelijk alleen een weergave bevatten van hetgeen aangeefsters hebben verklaard. De inhoud van de behandelverslagen zou te herleiden zijn tot [slachtoffer 1] , die van de verklaring van de moeder grotendeels tot [slachtoffer 2] . De onderdelen waarop de moeder van aangeefsters wel uit eigen waarneming verklaart, zouden bovendien – en dat is het tweede punt – slechts steun bieden voor “de algemene context, sfeer of situatie waarin het vermeende misbruik zou hebben plaatsgevonden”. Als gevolg daarvan bieden noch de behandelverslagen, noch de verklaring van de moeder van aangeefsters de voor een bewezenverklaring benodigde steun aan de verklaringen van aangeefsters, aldus de steller van het middel.
2.8
Ik zal me eerst buigen over de vraag of de behandelverslagen en de verklaring van de moeder van aangeefsters inderdaad (overwegend) zijn terug te voeren op de verklaringen van aangeefsters zelf. Met de steller van het middel meen ik dat dit het geval is.
2.9
In de behandelverslagen relateert de psycholoog enkel wat [slachtoffer 1] haar tijdens sessies over het misbruik zou hebben verteld. Deze houden daarnaast geen eigen waarneming of bevinding van de psycholoog in die in voldoende relevant verband staat met de verklaring van [slachtoffer 1] . Er is bijvoorbeeld geen sprake van een bij [slachtoffer 1] waargenomen emotie die voldoende steun zou kunnen opleveren.8.
2.10
Voor zover het hof de enkele vermelding dat [slachtoffer 1] zeer moeilijk over de gebeurtenissen kan praten als zodanig heeft willen aanmerken, acht ik dat niet begrijpelijk. Allereerst kan de vraag gesteld worden of dat überhaupt als waarneming van een emotionele staat kan worden aangemerkt. Zelfs als daarvan wordt uitgegaan, wijs ik erop dat de observatie van bijna acht maanden na het eindigen van het vermeende misbruik dateert. Al is een kort tijdsverloop na het strafbare feit geen hard vereiste voor het als steunbewijs kunnen dienen van een getuigenverklaring over emoties bij de aangever, in geval van lang(er) tijdsverloop is behalve de waargenomen emoties doorgaans meer steunbewijs nodig.9.Het andere door het hof als steunbewijs gehanteerde bewijsmiddel, de verklaring van de moeder van aangeefsters, is daarvoor echter ontoereikend, zoals verderop zal worden betoogd.
2.11
Ten overvloede constateer ik dat de door de psycholoog geobserveerde emoties niet worden gekoppeld aan waarnemingen van [slachtoffer 1] fysieke gesteldheid. Een dergelijke waarneming had de behandelverslagen als steunbewijs naar een hoger niveau getild dan wanneer deze slechts een subjectief oordeel van de psycholoog over emoties bij [slachtoffer 1] behelzen, zoals nu het geval lijkt te zijn. Desalniettemin zouden de behandelverslagen ook dan onvoldoende steun voor de verklaring van [slachtoffer 1] opleveren, gelet op hetgeen onder randnummer 2.10 is uiteengezet over de noodzaak van aanvullend steunbewijs vanwege het tijdsverloop, terwijl het aan zulk steunbewijs in de bewijsconstructie van het hof ontbreekt.
2.12
Ik merk nog op dat de argumenten van het hof voor het gebruik van de behandelverslagen als steunbewijs niet overtuigen. In dat kader overweegt het hof dat de behandelingen bij de psycholoog hebben plaatsgevonden voordat [slachtoffer 1] aangifte heeft gedaan en in het bijzonder gericht waren op verwerking van het misbruik en niet op beschuldiging van de verdachte. Deze motivering heeft echter betrekking op de betrouwbaarheid van de verklaring van [slachtoffer 1] en ziet niet op de vraag of die verklaring voldoende steun vindt in het overige bewijsmateriaal. Ofschoon steunbewijs kan dienen als controlemiddel voor de betrouwbaarheid van de verklaring van de aangever10., dient de betrouwbaarheid van de getuigenverklaring te worden onderscheiden van het steunbewijs voor die verklaring.11.
2.13
Ook de verklaring van de moeder van aangeefsters is overwegend een hervertelling van wat [slachtoffer 2] haar over het door haar ondervonden misbruik zou hebben gezegd. In zoverre de moeder van aangeefsters in haar verklaring de verklaringen van aangeefsters bevestigt, gaat het naar mijn inzicht om dusdanig algemene en ondergeschikte onderdelen om daar ondersteunende bewijskracht van te doen uitgaan. Ik meen dat het verband tussen de drie door het hof uitgelichte onderdelen en de verklaringen van aangeefsters te ver verwijderd is om de verklaring van hun moeder aan te merken als steunbewijs.
2.14
Waar het gaat om het derde onderdeel, inhoudende dat [slachtoffer 1] vaak thuisbleef bij de verdachte tijdens familiebezoeken, heb ik daar nog over getwijfeld. Dat heeft ermee te maken dat bewijsmiddelen waaruit de aanwezigheid van de verdachte bij het delict blijkt regelmatig als steunbewijs plegen te worden gebruikt12., en uit de verklaring van [slachtoffer 1] volgt dat zij steeds alleen was met de verdachte wanneer hij haar misbruikte. Nu de beschuldiging evenwel ziet op jarenlang misbruik in de woning waar [slachtoffer 1] samenleefde met haar moeder, zusje en de verdachte – die ook haar opvoeder was – is de omstandigheid dat zij op bepaalde momenten alleen thuis was met de verdachte weinig redengevend. Dat zou bijvoorbeeld anders zijn wanneer het zou gaan om één geval of enkele gevallen van misbruik op een locatie waar de aangever en de verdachte doorgaans niet samen aanwezig zijn, terwijl het steunbewijs hen gelijktijdig op die locatie plaatst.
2.15
Aldus kom ik tot de slotsom dat de verklaringen van aangeefsters onvoldoende steun vinden in de behandelverslagen en de verklaring van hun moeder. De bewezenverklaring is door het hof uitdrukkelijk gegrond op de verklaringen van beide aangeefsters, met daarvoor als steunbewijs de behandelverslagen en de verklaring van de moeder. Die bewijsconstructie kan de bewezenverklaring evenwel niet dragen. Het middel is dan ook terecht voorgesteld.
2.16
Tot besluit nog het volgende. In tegenstelling tot de rechtbank is het hof bij de bewijsvraag weggebleven van het gebruik van schakelbewijs. Het hof heeft zich derhalve niet aangesloten bij de specifieke door de rechtbank genoemde overeenkomsten tussen de verklaringen van aangeefsters en ook niet in meer algemene zin gewezen op het feit dat beide stiefdochters verklaren door de verdachte te zijn misbruikt, (waarbij [slachtoffer 1] heeft verklaard op jonge leeftijd tegen de verdachte te hebben gezegd dat zij bereid was zich op te offeren en het misbruik te ondergaan op voorwaarde dat hij niet hetzelfde bij haar zusje zou doen). Dat mede op deze grond tot een bewezenverklaring is gekomen staat niet in het arrest en valt daar mijns inziens – zelfs als men dat welwillend zou doen – evenmin in te lezen. Het hof heeft nadrukkelijk de keuze gemaakt voor de verklaringen van aangeefsters steun te vinden in de behandelverslagen en de verklaring van de moeder. Dit komt ook tot uitdrukking in de in het arrest gebruikte kopjes en volgt dwingend uit de daarin vervatte conclusie ten aanzien van het steunbewijs. Voor een andere interpretatie van de bewijsconstructie laat het arrest naar mijn inzicht geen ruimte.
2.17
Concluderend meen ik dat het oordeel van het hof dat de verklaringen van aangeefsters voldoende steun vinden in de behandelverslagen en de verklaring van hun moeder, waardoor aan het bewijsminimum van artikel 342 lid 2 Sv zou zijn voldaan, niet zonder meer begrijpelijk is.
2.18
Het middel slaagt.
Het tweede middel
3. Omdat het eerste middel slaagt, behoeft het tweede middel geen bespreking. Indien Uw Raad daarover echter anders oordeelt, ben ik desgewenst bereid aanvullend te concluderen.
Afronding
4.
4.1
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
4.2
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Den Haag teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 08‑07‑2025
De bijbehorende voetnoten zijn hier niet weergegeven.
HR 27 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:946, rov. 5.2 en HR 5 september 2023, ECLI:NL:HR:2023:1152, rov. 2.3. Vgl. HR 26 januari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK2094, rov. 3.3.
HR 15 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:717, rov. 2.4.
HR 5 september 2023, ECLI:NL:HR:2023:1152, rov. 2.4 en HR 26 januari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK2094, rov. 3.4. Zie ook het overzicht gegeven in de conclusie van AG Paridaens van 2 april 2024, ECLI:NL:PHR:2024:356, onder randnummers 4-15.
G.J.M. Corstens, bew. door M.J. Borgers en T. Kooijmans, Het Nederlands strafprocesrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2021, p. 851.
Idem.
Evenmin wordt een diagnose gesteld, die echter op zichzelf ook niet zonder meer voldoende is als steunbewijs. Vgl. HR 28 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:484, waarin de Hoge Raad vooral betekenis hechtte aan een door de verdachte tegenover zijn echtgenote afgelegde bekentenis.
Vgl. HR 27 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:946 en HR 20 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1262 (art. 81 RO na conclusie van AG Spronken, ECLI:NL:PHR:2022:840).
G.J.M. Corstens, bew. door M.J. Borgers en T. Kooijmans, Het Nederlands strafprocesrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2021, p. 854-855.
HR 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM2452, rov. 2.5.
Vgl. HR 14 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:693 (art. 81 RO na de hierna te noemen conclusie van AG Paridaens) en HR 15 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:2034. Dit is de zevende categorie van bewijsmiddelen die als steunbewijs worden gebruikt die AG Paridaens onderscheidt in haar conclusie van 2 april 2024, ECLI:NL:PHR:2024:356, onder randnummer 15. Overigens is haar gevolgtrekking dat bewijs uit deze categorie op zichzelf niet voldoende is als steunbewijs, maar in combinatie met ander steunbewijs wel toereikend kan zijn.