Einde inhoudsopgave
Het nieuwe aandelenregime gewikt en gewogen (FM nr. 89) 1999/3.2.2
3.2.2 Tarievenpalet opbrengsten van aandelen
E.J.W. Heithuis, datum 01-12-1999
- Datum
01-12-1999
- Auteur
E.J.W. Heithuis
- JCDI
JCDI:ADS450590:1
- Vakgebied(en)
Inkomstenbelasting (V)
Inkomstenbelasting / Aanmerkelijk belang (box 2)
Voetnoten
Voetnoten
Mits de aandelen niet ter voorbijgaande belegging werden ingekocht en mits was voldaan aan de voorwaarden van art. 57, eerste lid, onderdeel e, (oud) Wet IB.
Deze matiging van de tariefsprogressie gold overigens in mindere mate voor het 20%-tarief voor de inkomsten uit krachtens erfrecht verkregen aandelen en het 10%-tarief voor fiscaal gefa-cilieerde herkapitalisaties.
Zie hierover uitgebreider J.E.A.M. van Dijck, Bijzondere tarieven in de Wet op de inkomstenbelasting, Fed fiscale brochures, 2e druk, blz. 16-19, FED, Deventer, 1997.
Zie L.G.M. Stevens, Fiscaal sprookje, WFR 1988/5830, blz. 841 e.v.
Hierbij is het vennootschapsbelastingtarief gemakshalve op 35% gesteld.
Zie voetnoot 7.
Zie voetnoot 7.
Behalve het objectieve element van het gemiddeld op de (desbetreffende) aandelen gestorte kapitaal, kende het tot 1 januari 1997 geldende regime van belastingheffing met betrekking tot de opbrengsten van aandelen een uitgebreid
scala van verschillende tarieven die van toepassing waren op de diverse opbrengsten van aandelen:
regulier dividend: max. 60%
dividend als gevolg van liquidatie van de vennootschap: 45%
verkoop van aandelen in het zicht van liquidatie: 45%
inkoop van aandelen door de vennootschap:1 45%
winst uit aanmerkelijk belang: 20%
inkomsten uit krachtens erfrecht verkregen aandelen: 20%)
dividend als gevolg van herkapitalisatie van de vennootschap: 10%
verkoop van aandelen (geen winst uit aanmerkelijk belang): 0%
Er bestonden aldus maar liefst vijf verschillende tarieven voor de verschillende opbrengsten van aandelen. De achtergrond van deze bijzondere tarieven was gelegen in het feit dat vele opbrengsten van aandelen een meerjarig karakter hadden en in een reeks van jaren waren aangegroeid, zoals bijvoorbeeld het geval is bij liquidatie-uitkeringen, vervreemdingsopbrengsten van aandelen, e.d. Het zou dan onevenredig hard zijn om deze gedurende een reeks van jaren aangegroeide opbrengsten naar het normale progressieve tabeltarief in de belastingheffing te betrekken. Het bijzondere tarief diende aldus om de tariefsprogressie te matigen.2
Wat er ook zij van de legitimering van de gematigde (bijzondere) tarieven3, in elk geval kan worden geconstateerd dat deze verschillende tarieven er in de praktijk toe hebben geleid dat de opbrengsten van aandelen in een zodanig juridisch jasje werden gestoken dat (één van) de laagste tarieven kon worden getoucheerd. Kenmerkend voor deze structuren was dat feitelijk de winstreserves van de vennootschap in privé werden gerealiseerd zonder dat daarover het gebruikelijke dividendtarief van maximaal 60% werd geheven. Hierbij gold voor aanmerkelijkbelanghouders het aanmerkelijkbelangtarief van 20%> als laagste tarief, eventueel verder verlaagd door een combinatie met het herkapitalisa-tietarief van 10%4, en voor niet-aanmerkelijkbelanghouders het 0%o-tarief. Voorts was kenmerkend voor deze structuren een bepaalde mate van juridische ingewikkeldheid. Aangezien de laagste inkomstenbelastingtarieven werden verkregen bij een aandelenverkooptransactie, betroffen het steevast structuren waarbij 'normale', hoog belaste dividenduitkeringen werden getransformeerd in niet of laag belaste verkoopwinsten. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de zgn. 'verkoop-cum'-transacties en de verkopen in het zicht van liquidatie van de vennootschap. Voorts kan worden gedacht aan de met name in de jaren '70 en '80 in zwang gekomen zgn. holding- en kasgeldconstructies. Door op veelal gekunstelde wijze het juridische kleed van de aandelenverkooptransactie op te zoeken kon de aandeelhouder op elk daartoe door hem wenselijk geacht moment de winstreserves van de vennootschap naar privé overhevelen tegen het 20%- of 0%-tarief. In het vervolg van dit hoofdstuk wordt in onderdeel 3.4 uitgebreid stilgestaan bij deze in de praktijk ontwikkelde structuren om te profiteren van de laagste tarieven.
Bij de hierboven gepresenteerde tarievenlijst moest overigens wel worden bedacht dat in het huidige fiscale systeem de verhouding tussen de inkomsten- en vennootschapsbelasting werd (en wordt) gekenmerkt door het zgn. klassiekestelsel (zie uitgebreider hoofdstuk 2, onderdeel 2.3). Dit betekende dat, behoudens enkele minuscule verzachtingen zoals de dividendvrijstelling van het huidige art. 42c Wet IB, bij de heffing van inkomstenbelasting op geen enkele wijze rekening werd gehouden met de hieraan voorafgaande heffing van vennootschapsbelasting. Wordt het bovenstaande overzicht gecompleteerd met de heffing van vennootschapsbelasting, dan zag de tarievenlijst er als volgt uit:5
•dividend: dividend:max. 74%
•dividend als gevolg van liquidatie van de vennootschap: dividend als gevolg van liquidatie van de vennootschap:64,25%
•verkoop van aandelen in het zicht van liquidatie: verkoop van aandelen in het zicht van liquidatie:64,25%
•inkoop van aandelen door de vennootschap:6 inkoop van aandelen door de vennootschap:764,25%
•winst uit aanmerkelijk belang: winst uit aanmerkelijk belang:48%
•inkomsten uit krachtens erfrecht verkregen aandelen: inkomsten uit krachtens erfrecht verkregen aandelen:48%
•dividend als gevolg van herkapitalisatie van de vennootschap: dividend als gevolg van herkapitalisatie van de vennootschap:41,5%
•verkoop van aandelen (geen winst uit aanmerkelijk belang): verkoop van aandelen (geen winst uit aanmerkelijk belang):35%>
Worden de aldus resulterende belastingtarieven vergeleken met het schijventa-rief zoals dat bijvoorbeeld voor de inkomsten uit arbeid gold - van ongeveer 37% tot 60% - dan ziet een dergelijke tariefstructuur er beduidend minder indrukwekkend uit dan de hierboven weergegeven inkomstenbelastingtarieven. Werd het maximale tarief van 60%> voor bijvoorbeeld de inkomsten uit arbeid als ijkpunt genomen, dan kwamen eigenlijk alleen de laatste drie tarieven in beeld als acceptabel alternatief. De andere genoemde cumulatieve tarieven lagen (ver) boven het tarief voor de inkomsten uit arbeid van maximaal 60%>. Vanwege het feit dat dividenduitkeringen niet aftrekbaar waren (en zijn) van de winst van de vennootschap (art. 10, onderdeel a, Wet Vpb.), diende (en dient) aldus voor een juiste vergelijking niet enkel naar de inkomstenbelastingtarieven te worden gekeken, maar tevens naar de voordruk van de vennootschapsbelasting.