HR, 20-01-2017, nr. 16/01572
ECLI:NL:HR:2017:44, Cassatie: (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
20-01-2017
- Zaaknummer
16/01572
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
Beroepschrift, Hoge Raad, 20‑01‑2017
ECLI:NL:HR:2017:44, Uitspraak, Hoge Raad, 20‑01‑2017; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHAMS:2016:1945, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
- Vindplaatsen
NLF 2017/0237 met annotatie van Sebastian Spauwen
NTFR 2017/192 met annotatie van mr. J. Rolleman
FutD 2017-0181
Viditax (FutD) 2017012001
Beroepschrift 20‑01‑2017
Edelachtbare heer, mevrouw,
Naar aanleiding van uw brief dd. 30 maart 2016 doen wij u hierbij de ontbrekende stukken toekomen.
- 1.
Machtiging
- 2.
Uittreksel Kamer van Koophandel
- 3.
Motivering van het beroep in cassatie.
Motivering
Grond 1. Het achteraf opleggen van naheffing is niet juist. Aan cliënt dient privégebruik auto van de zaak via zijn inkomstenbelasting te worden bijgeteld.
Als de bijtelling zoals wordt gepleit aangemerkt moet worden als inkomstenbelasting, zou er een navordering zijn i.p.v. een naheffing. Dit leidt ertoe dat er een nieuw feit nodig is.
Ik begrijp het standpunt dat er geen sprake is van een nieuw feit: er is geen sprake van een nieuw feit aangezien er tijdens het boekenonderzoek e.e.a. geconstateerd en feiten zijn niet verdoezeld.
Navordering
Met inachtneming van art. 16 AWR is sprake van een nieuw feit:
Nieuw feit — dit is een feit — dat bij het vaststellen van de eerdere aanslag nog niet bekend was. Een correctie voor de te weinig geheven belasting, mag in principe alleen bij sprake van een nieuw feit.
Geen nieuw feit nodig:
- •
de belastingplichtige te kwader trouw is;
- •
er een onjuiste verrekening is van een voorlopige aanslag, voorheffing of verliesverrekening;
- •
de aanslag door een fout, de redelijkerwijs kenbaar was voor de belastingplichtige, ten onrechte achterwege is gelaten of tot een te laag bedrag is vastgesteld.
Navorderingstermijn.
5 jaar. Ontstaat 1/1 van het volgend jaar. 2008 is dan ook het uiterste jaar waarover mag worden nagevorderd. Op dit gebied is de casus ontvankelijk.
Naar mijn mening is er niet sprake van een nieuw feit. De inspecteur heeft de winstaangifte onder ogen gehad en kon daaruit opmaken dat er auto's op de balans van de B.V. stonden, er kosten in aftrek zijn genomen, afschrijvingen hebben plaatsgevonden en er geen bijtelling zijn geconstateerd.
De inspecteur heeft dan wel geen onderzoeksplicht, maar had wel kunnen vermoeden dat de aangifte waarschijnlijk juist is en hier dus meer vraag naar moeten doen. Dat verschillende auto's verkeerd op de balans staan alsmede er geen bijtelling is ingediend, is vanwege een administratieve fout en dus niet onterecht bewust achterwege gelaten of tot een te laag bedrag vastgesteld door belanghebbende.
Daarnaast vind ik dat er beroep gedaan kan worden op het vertrouwensbeginsel. Dit beginsel omvat: Algemeen beginstel van behoorlijk bestuur dat voorschrijft dat een burger erop moet kunnen vertrouwen, dat een bepaalde toezegging van een bestuursorgaan ook wordt nagekomen. Gezien het feit dat de inspecteur een vermoeden van onjuistheid zou kunnen hebben, belanghebbende door een administratieve fout geen bijtelling indient er dus vanuit gaat aanslag van het jaar 2008 niet juist is, kan belanghebbende het beroep van vertrouwen in acht hebben genomen met het indienen van de daaropvolgende aangifte dat deze juist zijn. Na 5 jaar met een aannemelijk vermoeden van onjuistheid de aangifte van 2008 t/m 2013 corrigeren is daarom naar mijn mening ook een breuk op vertrouwensbeginsel.
Grond 2. Aantal auto's die ten onrechte bij de zaak staan vermeld zijn privéauto's. Bijtelling c.q. loonheffing dient te worden gecorrigeerd.
Over de auto's die volledig privé zijn en niet ter beschikking gesteld zijn door [X] dient geen bijtelling plaats te vinden. Dit is een administratieve fout. Dat deze volledig privé-eigendom zijn kan wellicht aangetoond worden.
Echter lijdt dit misschien wel tot een correctie autokosten in de jaarrekening.
Grond 3. Bestelauto's zijn deels leaseauto's en zijn bestemd voor de zaak. Bijtelling is derhalve niet aan de orde.
De bestelauto's worden alleen zakelijk gebruikt.
De bestelauto's kunnen niet na werktijd worden gebruikt. De auto's worden na afloop van de werktijd op het — afgesloten-terrein — van de werkgever geplaatst en de sleutels worden ingeleverd.
Mijn oordeel samengevat.
Lange termijn
Het is lastig om achteraf tot 5 jaar terug te bewijzen dat de auto's niet privé zijn gebruikt (<500 km) hier moet de inspecteur ook rekening mee houden.
Foutieve balans notering.
Voor auto's die door een administratieve fout onterecht op de balans staan
(dit moest via R-C), dient geen naheffing plaats te vinden, dit is namelijk geen loon in natura. Ter compensatie dienen dan wellicht wel de autokosten in de jaarrekening gecorrigeerd te worden?
Navordering.
Ingeval navordering is een nieuw feit vereist. Ik ben van mening dat hier aan wordt voldaan. De inspecteur heeft de winstaangifte onder ogen gehad en kon daaruit opmaken dat er auto's op de balans van de B.V. stonden, er kosten in aftrek zijn genomen, afschrijvingen hebben plaatsgevonden en er geen bijtelling zijn geconstateerd. De inspecteur heeft dan wel geen onderzoeksplicht, maar had wel kunnen vermoeden dat de aangifte onwaarschijnlijk juist is en hier dus meer vraag naar moeten doen. Dat verschillende auto's verkeerd op de balans staan alsmede er geen bijtelling is ingediend, is vanwege een administratieve fout en dus niet onterecht onbewust achterwege gelaten of tot een te laag bedrag vastgesteld door belanghebbende. Daarnaast vind ik dat er beroep gedaan kan worden op het vertrouwensbeginsel.
Geen sprake van opzet of grove schuld.
Er is geen sprake van opzet of grove schuld. Er is slechts sprake van een administratiefout c.q. communicatiefout, aangezien de oude werknemer niet meer werkzaam is bij het restaurant. Belanghebbende kan tevens beroep doen op het eerder genoemde vertrouwensbeginsel, welke voorrang heeft op de toepassing van de wet. Belanghebbende had er vanuit kunnen gaan dat er geen foutieve aangifte werd ingediend. Hierbij is nooit sprake geweest van een opzet of grove schuld betreft enig belastingontduiking. Hiertoe strekt dat slechts eventueel een verzuimboete van toepassing is i.p.v. een vergrijpboete.
Bestelauto's
Bestelauto's zijn volledig van de zaak dus absoluut geen naheffing.
Eventueel enige grond indien mogelijk:
- —
De bestelauto's kunnen niet na werktijd worden gebruikt
- —
De bestelauto's zijn niet geschikt voor privégebruik
Ik verzoek uw raad om op grond van genoemde feiten en argumenten de aanslagen loonbelasting te vernietigen en de Staat der Nederlanden te veroordelen in de proceskosten.
In afwachting van uw beslissing verblijf ik.
Uitspraak 20‑01‑2017
Inhoudsindicatie
Art. 13bis, lid 3 (tekst 2008) resp. lid 5 (tekst 2009 t/m 2015), Wet LB 1964. Stelling dat bestelauto buiten de werktijd niet gebruikt kon worden door Hof niet behandeld.
Partij(en)
20 januari 2017
nr. 16/01572
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van [X] B.V. te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 11 februari 2016, nrs. 15/00023 tot en met 15/00027, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland (nrs. HAA 14/1352 tot en met 14/1356) betreffende de aan belanghebbende over de tijdvakken 1 januari 2008 tot en met 31 december 2008, 1 januari 2009 tot en met 31 december 2009, 1 januari 2010 tot en met 31 december 2010, 1 januari 2011 tot en met 31 december 2011 en 1 januari 2012 tot en met 31 december 2012 opgelegde naheffingsaanslagen in de loonbelasting/premie volksverzekeringen, de daarbij gegeven boetebeschikkingen en de daarbij gegeven beschikkingen inzake heffingsrente. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
1. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
2. Beoordeling van de klachten
2.1.
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
2.1.1.
Bij belanghebbende heeft vanaf 14 februari 2013 een boekenonderzoek plaatsgevonden, waarvan de bevindingen zijn neergelegd in een rapport gedagtekend 28 augustus 2013. Het onderzoek was gericht op de fiscale verwerking in de loonaangiften van (personen- en bestel)auto’s die aan werknemers van belanghebbende ter beschikking zijn gesteld.
2.1.2.
De Inspecteur heeft naar aanleiding van de bevindingen van het boekenonderzoek aan belanghebbende naheffingsaanslagen in de loonbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd.
2.2.
Het Hof heeft onder meer geoordeeld dat aannemelijk is dat alle in geding zijnde auto’s door belanghebbende aan werknemers ter beschikking zijn gesteld en dat de Inspecteur derhalve terecht een voordeel voor privé-gebruik in aanmerking heeft genomen.
2.3.1.
Belanghebbende klaagt er onder meer over dat het Hof heeft verzuimd een door haar aangevoerde stelling te behandelen.
De klacht treft doel. Belanghebbende heeft voor het Hof bij conclusie van repliek gesteld dat de bestelauto’s niet na werktijd door de werknemers kunnen worden gebruikt, omdat die auto’s dan op het (afgesloten) terrein van de werkgever worden geplaatst en daarbij de sleutels worden ingeleverd. Het Hof heeft deze stelling ten onrechte onbesproken gelaten. Op grond van artikel 13bis, lid 3 (tekst voor het jaar 2008) respectievelijk lid 5 (tekst voor de jaren 2009 tot en met 2012), van de Wet op de loonbelasting 1964 geldt de bijtelling wegens privé-gebruik immers niet voor bestelauto’s die buiten de werktijd niet gebruikt kunnen worden.
2.3.2.
De overige klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
2.4. ’
s Hofs uitspraak kan niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen voor een onderzoek naar de juistheid van het door belanghebbende gestelde als weergegeven onder 2.3.1 hiervoor.
3. Proceskosten
De Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het beroep in cassatie gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof, behoudens de beslissingen omtrent de boetebeschikkingen, het griffierecht en de proceskosten,
verwijst het geding naar het Gerechtshof Den Haag ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest,
gelast dat de Staatssecretaris van Financiën aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie betaalde griffierecht ten bedrage van € 503, en
veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 990 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer C. Schaap als voorzitter, en de raadsheren Th. Groeneveld en J. Wortel, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 20 januari 2017.