Hof Amsterdam, 21-06-2016, nr. 200.140.399/01
ECLI:NL:GHAMS:2016:2380
- Instantie
Hof Amsterdam
- Datum
21-06-2016
- Zaaknummer
200.140.399/01
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:GHAMS:2016:2380, Uitspraak, Hof Amsterdam, 21‑06‑2016; (Hoger beroep)
ECLI:NL:GHAMS:2015:5394, Uitspraak, Hof Amsterdam, 22‑12‑2015; (Hoger beroep)
- Vindplaatsen
UDH:TvHB/13539 met annotatie van mr. J.M. Winter-Bossink en mr. N. Amiel
Uitspraak 21‑06‑2016
Inhoudsindicatie
Vervolg van tussenarrest 22 december 2015. Afhandeling.
Partij(en)
GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht, team I
zaaknummer : 200.140.399/01
zaak-/rolnummer rechtbank Noord-Holland : 553867 / CV EXPL 12-3072
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 21 juni 2016
inzake
INBEV NEDERLAND N.V.,
gevestigd te Breda,
appellante,
advocaat: mr. M. van Heeren te Eindhoven,
tegen:
[geïntimeerde] ,
wonend te [woonplaats], gemeente [gemeente],
geïntimeerde,
advocaat: mr. P. Wieringa te Zaandam.
1. Verder verloop van het geding
Partijen worden hierna wederom Inbev en [geïntimeerde] genoemd.
In deze zaak heeft het hof op 22 december 2015 een tussenarrest uitgesproken. Voor het verloop van het geding tot die datum wordt verwezen naar dat arrest.
Ingevolge het tussenarrest heeft Inbev een akte met producties genomen en [geïntimeerde] een antwoordakte.
Vervolgens hebben partijen wederom arrest gevraagd.
2. Verdere beoordeling
2.1
In het tussenarrest heeft het hof onder meer het volgende overwogen. Het doorberekenen door Inbev aan [geïntimeerde] van de meerpremie brandverzekering voor de jaren 2008 tot en met 2010 en de maanden januari en februari 2011 is naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar. [geïntimeerde] is deze meerpremie wel verschuldigd vanaf 1 maart 2011. Inbev wordt in de gelegenheid gesteld haar vordering met betrekking tot de periode van 1 maart 2011 tot en met 31 december 2013 nader te onderbouwen met verifieerbare, bij voorkeur van de verzekeringsmaatschappij van Novari afkomstige, stukken. Indien ten behoeve van een beter begrip van die stukken een toelichting nodig is, dient deze, eveneens bij voorkeur, te worden gegeven door de verzekeringsmaatschappij. Uit de in het geding te brengen stukken zal (i) per periode moeten blijken (ii) welk premiebedrag Novari verschuldigd zou zijn voor de brandverzekering van het gehuurde (dan wel, voor zover relevant, het gebouw of complex waarvan het gehuurde deel uitmaakt) wanneer de onderneming van [geïntimeerde] wordt weggedacht, en (iii) welk premiebedrag Novari per periode méér betaalt doordat de onderneming van [geïntimeerde] in het gehuurde wordt gedreven en, (iv) voor zover een aanpassing van de premie heeft plaatsgevonden, welke reden daaraan ten grondslag ligt. Indien van belang dient daarbij tevens het verloop van de verzekering vanaf 1 maart 2006 te worden betrokken.
2.2.
Inbev heeft bij akte een brief met bijlagen in het geding gebracht van [de heer H.] van ABN AMRO Verzekering B.V, gedateerd 6 januari 2016. Deze brief luidt voor zover van belang als volgt:
U heeft ons verzocht om een nadere toelichting op door ons in de jaren 2011 t/m 2013 aan onze cliënt Novari B.V. verstrekte overzichten inzake berekende verzekeringspremies met betrekking tot het onroerend goed [adres 1].
Na overleg met onze cliënt, Novari B.V., en met diens toestemming, verstrekken wij u met deze brief de door u gevraagde toelichting.
(…)
In de hiervoor genoemde periode heeft bij ABN AMRO Schadeverzekering N.V. ten behoeve van Novari B.V. een uitgebreide opstalverzekering gelopen waarop, naast andere gebouwen, het object [adres 1] verzekerd was.
Gedurende genoemde periode was het bij ons en verzekeraars bekende gebruik/bestemming van het verzekerde object dat van horecagelegenheid, i.c. café.
Gelet op dit gebruik/deze bestemming is de premie voor de opstalverzekering voor het verzekerde object door verzekeraars gesteld op 4,5‰.
Novari B.V. heeft ons in het verleden verzocht jaarlijkse overzichten te verstrekken van de aan Novari B.V. berekende premies en daarin ook premies te vermelden die voor de ten behoeve van Novari B.V. verzekerde objecten zouden zijn berekend als géén sprake zou zijn geweest van risicoverhogend gebruik/bestemming.
In de aan Novari B.V. verstrekte overzichten hebben wij dan ook naast de aan Novari B.V. berekende premies tevens premies opgenomen die door verzekeraars berekend zouden zijn als ware de bestemming/het gebruik van het verzekerde object dat van kantoor, winkel of woonhuis. Op basis van deze uitgangspunten hebben wij deze “normale” of “marktconforme” premie in overleg met verzekeraars gesteld op 1.50‰.
(…)
Wij voegen bij deze brief de overzichten welke in de jaren 2011 t/m 2013 door ons aan onze cliënt Novari B.V. zijn verstrekt. Tenslotte voegen wij bij deze brief de relevante delen van polisbladen waaruit de in de overzichten vermelde en aan Novari berekende premies blijken. Voor de goede orde wijzen wij u erop dat de in de polisbladen genoemde premies netto premies zijn, ofwel bij verrekening met Novari B.V. zijn verhoogd met de daarover verschuldigde assurantiebelasting.
In de overzichten zijn onder “marktconforme premie” de premies vermeld die Novari B.V. in rekening zouden zijn gebracht als de gebouwen [adres 1] niet in gebruik zouden zijn geweest als horecagelegenheid/café, maar als kantoor, winkel of woonhuis.
In de overzichten zijn termijnen benoemd die per saldo aansluiten op volledige kalender jaren. Er is sprake van gebroken perioden (1 januari tot 1 maart en 1 maart tot en met 31 december) aangezien verzekerde bedragen jaarlijks per 1 maart zijn bijgesteld aan de hand van indexcijfers voor bouwkosten.
Per 1 juni 2013 is het voor de gebouwen [adres 1] verzekerde bedrag verlaagd van € 833.200,- naar € 800.000,-. Deze verlaging komt voort uit een hertaxatie van de herbouwwaarde van het object. Uiteraard zijn naar aanleiding van deze verlaging ook de premies voor de resterende 7 maanden van 2013 naar beneden bijgesteld.
(…)
2.3.
Het hof is, anders dan [geïntimeerde], van oordeel dat Inbev met deze brief en de daarbij gevoegde bijlagen, voldoende inzichtelijk heeft gemaakt op welke wijze de aan [geïntimeerde] doorberekende meerpremie in de periode van 1 maart 2011 tot en met 31 december 2013 tot stand is gekomen. Duidelijk is thans verder dat de eerder in het geding gebrachte overzichten afkomstig zijn van ABN AMRO Verzekeringen B.V. en dat de inhoud van die overzichten correspondeert met de toepasselijke polis. [geïntimeerde] heeft niet gesteld dat dit anders is.
2.4.
Uit de brief blijkt onmiskenbaar dat het verzekerde object [adres 1] betreft, welk object wordt gebruikt als horecagelegenheid/café. De premie heeft dan ook geen betrekking op ruimte die niet door [geïntimeerde] is gehuurd. Aan de omstandigheid dat in het vervolg van de hierboven geciteerde brief soms ook wordt verwezen naar ‘de gebouwen [adres 1]’ kan niet worden ontleend dat de aan [geïntimeerde] in rekening gebrachte meerpremie betrekking heeft op meer dan het door [geïntimeerde] gehuurde deel van het gebouw waarin het café zich bevindt. Overigens rust op [geïntimeerde], anders dan hij kennelijk meent, gelet op artikel 20.3 van de algemene bepalingen, ook de verplichting om meerpremie die verband houdt met het door hem in het gehuurde gedreven bedrijf te voldoen voor ‘het gebouw of complex waarvan het gehuurde deel uitmaakt’.
2.5
[geïntimeerde] heeft niet gemotiveerd betwist dat Inbev de betreffende meerpremie aan Novari heeft voldaan. Dat betekent dat [geïntimeerde] op grond van artikel 20.3 van de algemene bepalingen gehouden is deze meerpremie aan Inbev te voldoen.
Dat geldt, anders dan [geïntimeerde] meent, ook voor de door de verzekeraar daarover berekende assurantiebelasting omdat deze naar zijn aard geacht moet worden onderdeel te zijn van het begrip (meer)premie in de zin van artikel 20.3 algemene bepalingen.
2.6.
Zoals in artikel 20.3 van de algemene bepalingen staat, is de verhuurder vrij in de keuze van de verzekeringsmaatschappij, de verzekerde waarde en de beoordeling van de redelijkheid van de premie.
Tegen deze achtergrond behoefde Inbev de taxatierapporten waarop de verzekeraar zich bij de bepaling van de premie heeft gebaseerd niet in het geding te brengen.
De enkele stelling van [geïntimeerde] dat een café niet risicoverhogend is, komt erop neer dat een café vergelijkbaar zou zijn met een kantoor, winkel of woonhuis. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, kan [geïntimeerde] daarin niet worden gevolgd.
De enkele stelling van [geïntimeerde] dat steakhouse [naam] aan de [adres 2] – een volgens hem veel grotere onderneming, met een groter risico op brand dan zijn café – in 2010 slechts een premie van 2.00‰ betaalde, kan hem niet baten, reeds omdat zijn stelling geen dan wel onvoldoende aanknopingspunten bevat voor de conclusie dat het verzekerde object vergelijkbaar is met [adres 1].
Niet valt in te zien waarom Inbev jegens [geïntimeerde], in de gegeven omstandigheden, in enige zorgplicht is tekortgeschoten door de berekende meerpremie ter zake van het door [geïntimeerde] gedreven café in de periode van 1 maart 2011 tot 31 december 2013 zonder protest aan haar verhuurder Novari te betalen.
[geïntimeerde] heeft ook overigens geen concrete feiten of omstandigheden gesteld die tot het oordeel moeten leiden dat het aan hem doorberekenen van de door ABN AMRO Verzekeringen, in overleg met de verzekeraars, in de relatie tot Novari berekende meerpremie van 3,00‰ in verband met het gebruik van het gehuurde als café, mede in aanmerking genomen de gehanteerde ‘marktconforme’/’gewone’ premie van 1.50‰ en de verzekerde waarde, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.
2.7.
De door Inbev in het geding gebrachte overzichten dienen derhalve tot uitgangspunt bij de berekening van het toewijsbare deel van haar vordering.
Uit het overzicht betreffende het jaar 2011 blijkt dat [geïntimeerde] voor de periode vanaf 1 maart tot en met 31 december ter zake van meerpremie brandverzekering een bedrag van (€ 3.206,70, totale premie minus € 1.068,88, ‘gewone’ premie =) € 2.137,82, te vermeerderen met € 207,37 ter zake van assurantiebelasting (9.7%), derhalve in totaal € 2.345,19 aan Inbev is verschuldigd. Uit de twee andere overzichten blijkt dat [geïntimeerde], inclusief assurantiebelasting, voor het jaar 2012 € 2.778,51 is verschuldigd en voor het jaar 2013 € 3.005,01. Totaal is dus toewijsbaar ter zake van meerpremie in de periode van 1 maart 2011 tot en met 31 december 2013 een bedrag van € 8.128,71.
2.8.
Niet in geschil is dat de factuur van 23 februari 2012 als vervaldatum vermeldt 26 maart 2012. De facturen van 2 mei 2013 (meerpremie 2012) respectievelijk 21 januari 2014 (meerpremie 2013) vermelden telkens een vervaldatum die gelijk is aan de factuurdatum. Dat is geen reële vervaldatum, zoals ook Inbev heeft erkend.
[geïntimeerde] heeft niet gesteld dat hij de afzonderlijke facturen niet omstreeks de factuurdatum heeft ontvangen. Hij had zich moeten realiseren dat de in de facturen van 2 mei 2013 en 21 januari 2014 vermelde vervaltermijnen op een kennelijke verschrijving berustten en dat hij ook deze facturen in ieder geval binnen de eerder gegeven termijn van 32 dagen diende te betalen. Het hof houdt daarom ook voor de facturen van 2 mei 2013 en 21 januari 2014 een vervaltermijn van 32 dagen aan, derhalve vervaldata van 3 juni 2013 respectievelijk 22 februari 2014. De stelling van [geïntimeerde] dat de desbetreffende gefactureerde bedragen niet opeisbaar zijn, omdat Inbev hem ter zake niet in gebreke heeft gesteld, stuit hierop af.
2.9.
Inbev vordert de betaling van boete over de verschuldigde bedragen op grond van artikel 18.2 van de algemene bepalingen. Dit artikel luidt als volgt:
Telkens indien een uit hoofde van de huurovereenkomst door huurder verschuldigd bedrag niet prompt op de vervaldag is voldaan, verbeurt huurder aan verhuurder van rechtswege per kalendermaand vanaf de vervaldag van dat bedrag een direct opeisbare boete van 2% van het verschuldigde per kalendermaand, waarbij elke ingetreden maand als een volle maand geldt, met een minimum van € 300,= per maand.
2.10.
Voor zover [geïntimeerde] heeft gesteld dat deze bepaling niet ziet op de meerpremie brandverzekering, omdat deze niet per maand is verschuldigd, miskent hij dat artikel 18.2 ziet op ieder bedrag dat op grond van de huurovereenkomst door de huurder is verschuldigd. Dat wordt niet anders doordat de boete over het niet betaalde bedrag vervolgens wordt berekend per kalendermaand.
2.11.
[geïntimeerde] heeft gesteld dat artikel 18.2 van de algemene bepalingen een onredelijk bezwarend beding in de zin van artikel 6:233 BW is. Deze stelling gaat niet op, omdat hij daaraan slechts ten grondslag heeft gelegd dat dit boetebeding in het verlengde ligt van het door hem vernietigde artikel 20.3 van de algemene bepalingen en daarom dat lot deelt. Het hof heeft in het tussenarrest onder 3.14 het beroep op vernietigbaarheid van artikel 20.3 van de algemene bepalingen echter verworpen. [geïntimeerde] heeft evenmin concrete feiten of omstandigheden aangevoerd die tot het oordeel moeten leiden dat het beroep van Inbev op artikel 18.2 van de algemene bepalingen naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.
2.12.
[geïntimeerde] is de boete van artikel 18.2 verschuldigd over voornoemde drie facturen vanaf de daarvoor geldende vervaldata, te weten vanaf 26 maart 2012, 3 juni 2013 respectievelijk 22 februari 2014. Voor matiging van de boete op grond van artikel 6:94 BW bestaat geen grond, nu [geïntimeerde] daartoe onvoldoende heeft aangevoerd.
2.13.
Inbev heeft voorts betaling gevorderd van een bedrag van € 800,= ter zake van buitengerechtelijke kosten. Dit bedrag is echter berekend in verband met de meerpremie brandverzekering over de jaren 2008 tot en met 2011. De meerpremie brandverzekering over de jaren 2008 tot en met 2010 is echter niet toewijsbaar. Gesteld noch gebleken is dat in verband met de factuur van 23 februari 2012 (afzonderlijke) buitengerechtelijke kosten zijn gemaakt die voor vergoeding in aanmerking komen. Dit ligt ook niet voor de hand, nu de inleidende dagvaarding dateert van 5 april 2012. De facturen van 2 mei 2013 en 21 januari 2014 zijn van na die datum, zodat de gevorderde buitengerechtelijke kosten daarop evenmin betrekking kunnen hebben. De vordering tot betaling van buitengerechtelijke kosten is dus niet toewijsbaar.
2.14.
Ten slotte
2.14.1.
De grieven 1 en 2 slagen voor zover in het bestreden vonnis in conventie de vordering tot betaling van de gevorderde meerpremie ter zake van de periode van 1 maart 2011 tot 31 december 2011, ter grootte van € 2.345,19, te vermeerderen met de contractuele boete als bedoeld in artikel 18.2 van de algemene bepalingen vanaf 26 maart 2012, is afgewezen. De vordering tot betaling van meerpremie zal in zoverre alsnog worden toegewezen. Voor het overige falen deze grieven.
2.14.2.
Grief 3 betreft de proceskostenveroordeling in conventie in eerste aanleg ten laste van Inbev. Gelet op de omstandigheid dat, zoals volgt uit het voorgaande, partijen in eerste aanleg over en weer gedeeltelijk in het ongelijk zijn gesteld, slaagt de grief. De proceskosten in conventie in eerste aanleg worden gecompenseerd als na te melden. Voor het overige faalt de grief.
2.14.3.
De grieven 4 en 5 zien op de veroordeling van Inbev in reconventie tot betaling aan [geïntimeerde] van een bedrag ter zake van de aan hem toekomende bonus over het jaar 2011 van € 12.418,12, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente daarover vanaf 23 januari 2012 tot de dag van voldoening, alsmede de in reconventie uitgesproken kostenveroordeling ten laste van Inbev. Inbev heeft gesteld dat zij de betaling van dit, door haar verschuldigde bedrag, kon opschorten en dat zij dit bedrag kon verrekenen met het door [geïntimeerde] verschuldigde bedrag ter zake van de meerpremie over de jaren 2008 tot en met 2013. Deze stelling is, gelet op het voorgaande, onjuist. Zij heeft niet weersproken dat zij op 23 januari 2012 in verzuim was met de betaling van deze bonus. Het maken van aanspraak op de betaling van meerpremie over de jaren 2008 tot en met 2010 en de maanden januari en februari 2011 is in deze procedure onaanvaardbaar geacht. De meerpremie over de resterende maanden van 2011 ter grootte van € 2.345,19 is op 23 februari 2012 aan [geïntimeerde] gefactureerd. Ten tijde van de verrekening was dat bedrag nog niet opeisbaar. De grieven falen. Inbev is bij deze stand van zaken terecht belast met de gedingkosten in eerste aanleg in reconventie. Het bestreden vonnis in reconventie wordt bekrachtigd.
2.14.4.
De in hoger beroep bij vermeerdering van eis gevorderde meerpremie voor de jaren 2012 en 2013, ter grootte van € 2.778,51 respectievelijk € 3.005,01, in totaal € 5.783,52 is toewijsbaar, te vermeerderen met de contractuele boete als bedoeld in artikel 18.2 van de algemene bepalingen vanaf 3 juni 2013 respectievelijk 22 februari 2014.
2.14.5.
Nu partijen in hoger beroep over en weer gedeeltelijk in het ongelijk worden gesteld, zullen de kosten van het hoger beroep als na te melden worden gecompenseerd.
3. Beslissing
Het hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep, voor zover daarbij de vordering van Inbev in conventie tot betaling van een bedrag van € 2.345,19, te vermeerderen met de contractuele boete als bedoeld in artikel 18.2 van de algemene bepalingen vanaf 27 maart 2012, is afgewezen en voor zover Inbev is belast met de proceskosten in conventie,
en in zoverre opnieuw rechtdoende:
veroordeelt [geïntimeerde] tot betaling aan Inbev van een bedrag van € 2.345,19, te vermeerderen met de contractuele boete als bedoeld in artikel 18.2 van de algemene bepalingen vanaf 26 maart 2012 tot de dag van algehele voldoening;
compenseert de kosten van het geding in eerste aanleg in conventie, aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;
bekrachtigt het vonnis waarvan beroep in conventie en in reconventie voor het overige;
veroordeelt [geïntimeerde] tot betaling aan Inbev van een bedrag van € 5.783,52, te vermeerderen met de contractuele boete als bedoeld in artikel 18.2 van de algemene bepalingen over een bedrag van € 2.778,51 vanaf 3 juni 2013 en over een bedrag van € 3.005,01 vanaf 22 februari 2014 tot de dag van algehele voldoening;
compenseert de kosten van het geding in hoger beroep aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;
verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het in hoger beroep meer of anders gevorderde.
Dit arrest is gewezen door mrs. C.M. Aarts, C. Uriot en J.H.M. Boukema en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 21 juni 2016.
Uitspraak 22‑12‑2015
Inhoudsindicatie
Huur van bedrijfsruimte. Verhuurster vordert meerpremie voor de brandverzekering. Anders dan de kantonrechter oordeelde mocht de huurder niet gerechtvaardigd vertrouwen dat de meerpremie in de huurprijs was verdisconteerd. Naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid is de vordering echter gedeeltelijk onaanvaardbaar. De verhuurster mag de resterende vordering nader onderbouwen.
Partij(en)
arrest
___________________________________________________________________ _ _
GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht, team I
zaaknummer : 200.140.399/01
zaak-/rolnummer rechtbank Noord-Holland : 553867 / CV EXPL 12-3072
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 22 december 2015
inzake
INBEV NEDERLAND N.V.,
gevestigd te Breda,
appellante,
advocaat: mr. M. van Heeren te Eindhoven,
tegen:
[geïntimeerde] ,
wonend te [woonplaats] , [gemeente] ,
geïntimeerde,
advocaat: mr. P. Wieringa te Zaandam.
1. Het geding in hoger beroep
Partijen worden hierna Inbev en [geïntimeerde] genoemd.
Inbev is bij dagvaarding van 12 juli 2013, hersteld bij exploot van 10 januari 2014, in hoger beroep gekomen van een vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Holland, sectie kanton, locatie Zaandam (hierna: de kantonrechter) van 16 mei 2013 onder bovengenoemd zaak-/rolnummer gewezen tussen Inbev als eiseres in conventie, tevens verweerster in reconventie en [geïntimeerde] als gedaagde in conventie tevens eiser in reconventie.
Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:
- memorie van grieven, met producties;
- memorie van antwoord, met een producties.
Partijen hebben de zaak ter zitting van 5 november 2015 doen bepleiten door hun voornoemde advocaten, ieder aan de hand van pleitnotities die zijn overgelegd.
Ten slotte is arrest gevraagd.
Inbev heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en
– uitvoerbaar bij voorraad – haar in hoger beroep vermeerderde vordering zal toewijzen, met beslissing over de proceskosten.
[geïntimeerde] heeft bezwaar gemaakt tegen de vermeerdering van eis en geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis, met beslissing over de proceskosten.
Inbev heeft in hoger beroep bewijs van haar stellingen aangeboden.
2. Feiten
2.1.
De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis onder het kopje ‘De feiten in conventie en in reconventie’ de feiten vastgesteld die hij tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn in hoger beroep niet in geschil en dienen derhalve ook het hof als uitgangspunt. Samengevat en waar nodig aangevuld met andere feiten die als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende betwist zijn komen vast te staan, komen de feiten neer op het volgende.
2.2.
Op 10 januari 2006 hebben partijen een huurovereenkomst gesloten met betrekking tot de bedrijfsruimte gelegen aan de Dam 3 te Zaandam, welke bedrijfsruimte in eigendom toebehoort aan Novari B.V. en door Novari aan Inbev is verhuurd. In het kader van de huurovereenkomst tussen partijen heeft Inbev de hoedanigheid van hoofdhuurder/verhuurder en [geïntimeerde] die van (onder)huurder. De huurovereenkomst heeft een looptijd van februari 2006 tot en met 15 oktober 2010; de aanvangshuurprijs bedraagt € 30.000,= per jaar.
2.3.
Op de overeenkomst zijn van toepassing de ‘Algemene Bepalingen huurovereenkomst winkelruimte en andere bedrijfsruimte in de zin van artikel 7:290 BW’, vastgesteld in juli 2003 (hierna: de algemene bepalingen). In artikel 20.3 van de algemene bepalingen is opgenomen:
Indien in verband met de aard of uitoefening van het beroep of bedrijf van huurder voor het gehuurde, dan wel het gebouw of complex waarvan het gehuurde deel uitmaakt, een hogere dan normale premie van brandverzekering voor opstal of inventaris en goederen aan verhuurder of andere huurders van het gebouw of complex in rekening wordt gebracht, zal huurder het meerdere boven de normale premie aan verhuurder of die andere huurders vergoeden. Verhuurder en andere huurders zijn vrij in de keuze van de verzekeringsmaatschappij, de bepalingen van de verzekerde waarde en de beoordeling van de redelijkheid van de verschuldigde premie.
Onder “normale premie” wordt verstaan de premie die verhuurder of huurder, bij een te goeder naam en faam bekend staande assuradeur kan bedingen voor het verzekeren van het gehuurde respectievelijk zijn inventaris en goederen, tegen brandrisico op het moment direct voorafgaande aan het afsluiten van deze huurovereenkomst, zonder daarbij rekening te houden met de aard van het door huurder in het gehuurde uit te oefenen bedrijf of beroep, alsmede – gedurende de duur van de huurovereenkomst – elke aanpassing van deze premie, die niet het gevolg is van een verandering van de aard of omvang van het verzekerde risico.
2.5.
Inbev heeft op 21 februari 2011 een factuur aan [geïntimeerde] gestuurd voor de brandverzekering van het gehuurde voor de jaren 2008, 2009 en 2010, betreffende een bedrag van in totaal € 13.479,81. De factuur is gebaseerd op een door Novari aan Inbev gestuurde factuur van 3 februari 2011 met de omschrijving ‘verrekening gebouwverzekering’ met hetzelfde totaalbedrag, waarvan € 881,85 voor assurantiebelasting.
Bij de stukken van Inbev bevinden zich drie overzichten, waarvan de herkomst onduidelijk is en waarop onder vermelding van het adres van het gehuurde en een polisnummer (7.724.007.1), in een staatje kennelijk is beoogd een toelichting te geven op de verschuldigde meerpremie door vermelding van data en bedragen in kolommen met opschrift ‘Periode’, ‘Premie’ en ‘Marktconforme premie’.
2.6.
Bij brief van 14 juli 2011 heeft Inbev [geïntimeerde] , naar aanleiding van door hem over de factuur gestelde vragen, voor zover hier van belang, het volgende geschreven:
Naar aanleiding van uw onderhoud met de heer Moerman en Liefveld over de meerpremie brandverzekering, kunnen wij u als volgt berichten.
De meerpremie brandverzekering in deze zaak bent u verschuldigd op basis van de huurovereenkomst. Bij het ondertekenen van de huurovereenkomst bent u akkoord gegaan met alle voorwaarden in de huurovereenkomst, inclusief de voorwaarden omtrent de betaling van de meerpremie brandverzekering.
Wij verzoeken u dan ook de meerpremie brandverzekering ad € 13.479,81 binnen vijf dagen na heden aan ons te voldoen.
2.7.
Inbev en [geïntimeerde] hebben in september 2011 een nieuwe schriftelijke huurovereenkomst ondertekend, met als ingangsdatum 1 maart 2011, een looptijd van veertien jaar en tien maanden en een huurprijs van € 45.000,= per jaar. Ook op deze overeenkomst zijn voornoemde algemene bepalingen van toepassing.
2.8.
Mr. Wieringa heeft Inbev bij brief van 2 november 2011 namens [geïntimeerde] laten weten dat hij de hem op 21 februari 2011 gestuurde factuur niet zal betalen omdat hij een all-in huurprijs betaalt en een beroep op artikel 20.3 van de algemene bepalingen niet opgaat omdat het gehuurde voordat partijen een huurovereenkomst sloten al als horecaonderneming was verhuurd en als café-bedrijf werd geëxploiteerd, zodat de huidige exploitatie als café-bedrijf geen verhoogd risico met zich brengt.
2.9.
Inbev heeft [geïntimeerde] op 23 februari 2012 een factuur gestuurd voor de brandverzekering voor het gehuurde voor het jaar 2011, betreffende een bedrag van € 2.828,43. Deze factuur is gebaseerd op een door Novari aan Inbev gestuurde factuur van 23 februari 2012 met de omschrijving ‘verrekening gebouwverzekering’ met hetzelfde totaalbedrag, waarvan € 250,10 voor assurantiebelasting. Bij de stukken van Inbev bevindt zich een overzicht, waarvan de herkomst onduidelijk is en waarop onder vermelding van het adres van het gehuurde en een polisnummer (7.724.007.1), andermaal een staatje is opgenomen, dit keer met data en bedragen in kolommen met opschrift ‘periode’, ‘premie per maand’, ‘premieperiode’, ‘herbouwwaarde’ en ‘marktconforme premie 1,50 ‰’.
3. Beoordeling
3.1.
In de eerste aanleg van deze procedure heeft Inbev gevorderd [geïntimeerde] te veroordelen tot betaling van € 16.308,24, voor meerpremie brandverzekering 2008 tot en met 2011, te vermeerderen met de contractuele boete van 2% per maand over dit bedrag, dan wel de wettelijke handelsrente van artikel 6:119a BW, althans van artikel 6:119 BW, en tot betaling van € 800,= voor buitengerechtelijke incassokosten, met beslissing over de proceskosten.
3.2.
[geïntimeerde] heeft in reconventie betaling gevorderd van € 12.418,12, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente over dat bedrag vanaf 23 januari 2012. [geïntimeerde] heeft daartoe gesteld dat Inbev dit bedrag aan hem is verschuldigd als bonus over het jaar 2011 en ten onrechte heeft ingehouden ter verrekening met haar vordering betreffende voormelde meerpremie brandverzekering.
3.3.
De kantonrechter heeft de vordering in conventie afgewezen en die in reconventie toegewezen, met veroordeling van Inbev in de kosten in conventie en in reconventie. Hij heeft daartoe – kort samengevat – overwogen dat [geïntimeerde] bij het aangaan van de huurovereenkomst erop mocht vertrouwen dat de gevorderde premies waren verdisconteerd in de overeengekomen huurprijs, omdat partijen nooit hebben gesproken over de verschuldigdheid en omvang van een meerpremie brandverzekering en het op de weg van Inbev, als professionele partij op horecagebied, had gelegen duidelijkheid te verschaffen over de bedragen die [geïntimeerde] als huurder verschuldigd zou zijn, opdat [geïntimeerde] daarmee rekening kon houden bij zijn bedrijfsvoering. De vordering van Inbev is niet toewijsbaar en zij had niet tot inhouding van de bonus mogen overgaan.
3.4.
Nadat het bestreden vonnis is gewezen heeft Inbev de bonus over het jaar 2011 alsnog aan [geïntimeerde] voldaan.
3.5.
Inbev komt met haar grieven op tegen de beslissingen van de kantonrechter in conventie en in reconventie en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen.
In hoger beroep heeft Inbev naast de premies over de jaren 2008 tot en met 2011 ook betaling gevorderd van de premies over de jaren 2012 (€ 2.778,51) en 2013 (€ 3.005,01), zodat het totaal in hoger beroep gevorderde bedrag uitkomt op € 22.091,76.
3.6.
De grieven 1 en 2 zijn gericht tegen de afwijzing van de vordering in conventie en lenen zich voor gezamenlijke behandeling.
3.7.
Partijen verschillen van mening over de uitleg van artikel 20.3 van de toepasselijke algemene bepalingen. Zij hebben voorafgaand aan de totstandkoming van beide door hen gesloten overeenkomsten niet afzonderlijk over dit artikel onderhandeld. De uitleg is dan ook vooral afhankelijk van objectieve factoren, zoals de bewoordingen van de bepaling.
3.8.
Gelet op de in het tweede onderdeel van artikel 20.3 van de algemene bepalingen gegeven betekenis aan de woorden ‘normale premie’ gaat het daarbij – voor zover hier van belang – om de premie die verhuurder voor het gehuurde, dan wel het gebouw of complex waarvan het gehuurde deel uitmaakt, op het moment direct voorafgaande aan het sluiten van de huurovereenkomst bij een goed bekend staande verzekeringsmaatschappij kan bedingen voor de brandverzekering, zonder dat daarbij rekening wordt gehouden met de aard van het door huurder in het gehuurde uit te oefenen bedrijf. Hieruit volgt, anders dan [geïntimeerde] meent, onmiskenbaar dat iedere huurder van het gehuurde op grond van artikel 20.3 van de algemene bepalingen de meerpremie brandverzekering is verschuldigd, ongeacht de vraag of in het gehuurde eerder een (ver)gelijk(baar) beroep of bedrijf werd uitgeoefend. De door [geïntimeerde] bepleite uitleg zou tot het ongerijmde gevolg leiden dat een verhuurder alleen bij de eerste huurder die een bepaald beroep of bedrijf in het gehuurde gaat uitoefenen de met dat beroep/bedrijf verband houdende meerpremie brandverzekering in rekening zou kunnen brengen en niet meer bij nieuwe huurders met een (ver)gelijk(baar) beroep of bedrijf. Daarmee zou artikel 20.3 van de algemene bepalingen zinledig worden. Die uitleg kan niet worden aanvaard. [geïntimeerde] heeft geen argumenten aangevoerd die tot een ander oordeel over de uitleg van artikel 20.3 algemene bepalingen nopen.
3.9.
Anders dan de kantonrechter is het hof van oordeel dat [geïntimeerde] niet gerechtvaardigd mocht vertrouwen dat de meerpremie brandverzekering telkens in de huurprijs was verdisconteerd. [geïntimeerde] heeft gesteld dat dit wel het geval is en dat partijen een ‘all-in huurprijs’ zijn overeengekomen, omdat zij voorafgaand aan de totstandkoming van beide huurovereenkomsten alleen over de door hem te betalen huurprijs hebben gesproken, waarbij zij hebben afgesproken dat hij geen servicekosten verschuldigd zou zijn (zie artikel 5 in beide overeenkomsten) en de contracten voor de nutsvoorzieningen op eigen naam zou sluiten, en waarbij de huurprijs in de tweede huurovereenkomst aanzienlijk naar boven werd bijgesteld. Een en ander kan echter bij [geïntimeerde] , gelet op de inhoud van artikel 20.3 de algemene bepalingen, redelijkerwijs niet tot de gerechtvaardigde verwachting hebben geleid dat de eventueel door hem verschuldigde meerpremie brandverzekering in de huurprijs van beide huurovereenkomsten zou zijn verdisconteerd. De ‘Kosten van leveringen en diensten’ enerzijds en de kosten in verband met ‘Belastingen, lasten, heffingen, premies’ anderzijds zijn in afzonderlijke artikelen met uiteenlopende regelingen in de algemene bepalingen opgenomen (te weten artikel 16 enerzijds en de artikelen 19 en 20 anderzijds). Artikel 5 van de door partijen gesloten overeenkomsten ziet uitsluitend op leveringen en diensten, niet op belastingen, lasten, heffingen en premies. Daarbij komt dat een huurder, anders dan het geval is bij contracten voor nutsvoorzieningen in het gehuurde, geen brandverzekering kan sluiten voor het pand waarin het gehuurde is gelegen.
3.10.
Voorts is het hof, anders dan de kantonrechter, van oordeel dat Inbev niet was gehouden [geïntimeerde] voorafgaand aan de totstandkoming van de huurovereenkomst van 10 januari 2006 expliciet te wijzen op (de omvang van) de kosten die voortvloeiden uit artikel 20.3 van de algemene bepalingen, nu Inbev in de relatie tot haar verhuurder – de eigenaar van het pand – niet eerder dan door de toezending van de factuur van 3 februari 2011 op de hoogte raakte van de omvang van de daarbij vanaf 1 januari 2008 aan haar in rekening gebrachte meerpremie en zij tot de ontvangst van de desbetreffende factuur ter zake van meerpremie niets aan [geïntimeerde] had (door) te berekenen. Voor zover [geïntimeerde] heeft gesteld dat Inbev voorafgaand aan de totstandkoming van de in september 2011 ondertekende nieuwe huurovereenkomst (met ingangsdatum 1 maart 2011) ter zake een mededelingsverplichting had en heeft geschonden, stuit dit reeds af op de omstandigheid dat [geïntimeerde] door de factuur van 21 februari 2011 wist dat Inbev jegens hem aanspraak maakte op betaling van meerpremie brandverzekering en welke bedragen dat volgens Inbev voor de jaren 2008 tot en met 2010 betrof. Dat [geïntimeerde] betwistte meerpremie verschuldigd te zijn, neemt niet weg dat hij op grond van die factuur in ieder geval een beredeneerde inschatting kon maken van de vanaf dat moment verschuldigde meerpremie, voor het geval hij ongelijk zou hebben. Bij pleidooi in hoger beroep heeft [geïntimeerde] voor het eerst gewag gemaakt van een toezegging van Inbev bij de totstandkoming van de huurovereenkomst van 2011, inhoudende dat hij geen meerpremie brandverzekering verschuldigd zou zijn. Het hof is van oordeel dat [geïntimeerde] dat deze stelling, gelet op de zogenoemde tweeconclusieregel, uiterlijk in de memorie van antwoord naar voren moeten brengen. Nu hij dat niet heeft gedaan, is deze stelling tardief en blijft deze buiten beschouwing. Overigens valt deze stelling niet te rijmen met zijn eerdere stelling dat partijen in het kader van de onderhandelingen over het nieuwe contract niet hebben gesproken over de verschuldigdheid van een meerpremie (memorie van antwoord, blz. 17, nr. 58), noch met de ondertekening door [geïntimeerde] en daarmee de acceptatie door hem van de schriftelijke overeenkomst, waarin geen uitzondering op artikel 20.3 van de toepasselijke algemene bepalingen is opgenomen.
3.11.
De conclusie van het voorgaande is dat [geïntimeerde] op grond van de beide huurovereenkomsten tussen partijen en de daarbij behorende algemene bepalingen, meer in het bijzonder artikel 20.3 van die algemene bepalingen, in beginsel de meerpremie brandverzekering die verband houdt met het door hem in het gehuurde uitgeoefende bedrijf is verschuldigd. In zoverre slagen de grieven. De devolutieve werking van het hoger beroep brengt met zich dat het hof bij de verdere beoordeling van het geschil de onbesproken stellingen van partijen uit de eerste aanleg in aanmerking neemt, voor zover voor de beoordeling in hoger beroep van belang.
3.12.
Anders dan [geïntimeerde] in eerste aanleg heeft gesteld en in hoger beroep heeft gehandhaafd, is de inleidende dagvaarding niet nietig. De eis en de gronden daarvan zijn in die dagvaarding opgenomen. Dat Inbev niet heeft vermeld dat zij (destijds) de bonus van [geïntimeerde] over het jaar 2011 had ingehouden ter verrekening met de door haar ingestelde vordering doet daaraan niet af. Gelet op het bepaalde in artikel 120 lid 4 Rv leidt het niet vermelden van getuigen in de inleidende dagvaarding evenmin tot nietigheid.
3.13.
[geïntimeerde] heeft voorts aangevoerd dat artikel 20.3 van de algemene bepalingen vernietigbaar is omdat hij als huurder geen invloed kan uitoefenen op de keuze van de verzekeringsmaatschappij en evenmin op de bepaling van de verzekerde waarde en de verschuldigde premie, zodat het beding onredelijk bezwarend is.
3.14.
Ook dit verweer faalt. Zoals [geïntimeerde] terecht heeft betoogd is het aan de eigenaar van het pand, in dit geval Novari, om een brandverzekering daarvoor te sluiten. Deze is niet gehouden [geïntimeerde] , als (onder)huurder, inspraak te geven bij zijn keuze voor een verzekeringsmaatschappij of de totstandkoming van de brandverzekering. Bij een reeds lopende verzekering zou dat zelfs onmogelijk zijn. Daarmee is [geïntimeerde] niet aan de willekeur van Novari overgeleverd, zoals hij stelt. De definitie van het begrip ‘normale premie’ in artikel 20.3 stelt grenzen aan de meerpremie die de verhuurder aan de huurder kan doorberekenen wegens de aard of uitoefening van diens beroep of bedrijf, omdat (i) bij aanvang van de huur de gewone premie (de premie zonder rekening te houden met de aard van het door huurder in het gehuurde uit te oefenen bedrijf of beroep) kan worden vergeleken met de premie die de verhuurder zou kunnen bedingen bij een te goeder naam en faam bekend staande assuradeur, en (ii) een aanpassing van de premie gedurende de looptijd van de huurovereenkomst alleen aan de huurder kan worden doorberekend voor zover deze niet het gevolg is van een verandering van de aard of omvang van het verzekerde risico. De stellingen van [geïntimeerde] bevatten ook overigens geen aanknopingspunten die tot het oordeel moeten leiden dat artikel 20.3 van de algemene bepalingen onredelijk bezwarend is. Voor zover [geïntimeerde] in dit verband heeft gesteld dat de eigenaar van het pand jegens de huurder gehouden zou zijn ‘de beste verzekering voor de scherpste prijs’ te sluiten, vindt dat geen steun in het recht, nog daargelaten de vraag of dat eenduidig zou zijn vast te stellen.
3.15.
[geïntimeerde] heeft ook aangevoerd dat het beding op grond van artikel 6:248 lid 2 BW buiten toepassing moet blijven. Daarmee stelt [geïntimeerde] aan de orde of en in hoeverre de concrete gevolgen van het beding voor [geïntimeerde] , gelet op de door Inbev ingestelde vordering, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn.
3.16.
De vordering van Inbev in eerste aanleg zag allereerst op de meerpremies voor de jaren 2008 tot en met 2010, die in februari 2011 aan [geïntimeerde] in rekening zijn gebracht. Het hof wil wel aannemen dat niet alleen [geïntimeerde] , maar ook Inbev in februari 2011 werd verrast door de desbetreffende vordering van Novari. De omstandigheid dat Inbev het gefactureerde bedrag zonder protest aan Novari heeft betaald, wil echter niet zeggen dat zij dat bedrag zonder meer kan doorberekenen aan [geïntimeerde] . Inbev heeft gesteld dat de premie per jaar is verschuldigd. Uit de door haar in het geding gebrachte overzichten op verder blanco papier leidt het hof af dat de verzekering hetzij loopt van 1 januari tot 1 januari van ieder jaar, dan wel van 1 maart tot 1 maart. De hoogte van de premies was dus hoe dan ook telkens uiterlijk rond 1 maart van de jaren 2008, 2009 en 2010 bij Novari bekend. Novari heeft om haar moverende redenen geen aanleiding gezien de meerpremies voor de desbetreffende jaren direct aan Inbev door te berekenen of tenminste de hoogte daarvan aan haar door te geven, zodat daarmee rekening kon worden gehouden door Inbev. Daarmee is Inbev ook de mogelijkheid onthouden om vervolgens [geïntimeerde] van de (te verwachten) omvang van de verschuldigde meerpremie voor het desbetreffende jaar op de hoogte te stellen. Dat is echter een omstandigheid die in de relatie tussen Inbev en [geïntimeerde] voor rekening van Inbev moet blijven. [geïntimeerde] kan hier niets aan doen. Als gevolg van deze gang van zaken heeft [geïntimeerde] bij zijn bedrijfsvoering in achtereenvolgens de jaren 2008, 2009 en 2010 geen rekening kunnen houden met de voor die jaren berekende meerpremie brandverzekering en werd hij begin 2011 ineens geconfronteerd met een factuur voor het substantiële bedrag van in totaal € 13.479,81. Hij had vanaf de aanvang van de huurovereenkomst van 10 januari 2006 geen meerpremie brandverzekering hoeven voldoen, zodat hij gezien deze lange periode van feitelijk premieloze jaren er vanuit mocht gaan dat er in zijn geval in de desbetreffende jaren geen meerpremie gold. Voorts is van belang dat [geïntimeerde] op grond van die overeenkomst en de toepasselijke algemene bepalingen geen enkele inschatting kon maken van de (potentieel) door hem verschuldigde meerpremie brandverzekering en dat hij in de jaren 2008, 2009 en 2010 dus ook geen reële mogelijkheid heeft gehad bij zijn bedrijfsvoering rekening te houden met de daaraan voor hem verbonden kosten. Dat werd pas anders toen hij de factuur van 21 februari 2011 ontving. Het hof is dan ook van oordeel het doorberekenen door Inbev aan [geïntimeerde] van de meerpremie voor de jaren 2008 tot en met 2010 en de in eerste aanleg eveneens gevorderde meerpremie voor de maanden januari en februari 2011, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. De stelling van Inbev dat destijds een betaling in gedeelten bespreekbaar was geweest, maar dat [geïntimeerde] daar niet om heeft gevraagd, kan in de gegeven omstandigheden niet tot een ander oordeel leiden.
3.17.
De conclusie is dat de vordering van Inbev met betrekking tot de jaren 2008 tot en met 2010 en de maanden januari en februari 2011 reeds op deze grond niet toewijsbaar is. De stellingen van partijen met betrekking tot de omvang van het gevorderde bedrag behoeven in zoverre geen bespreking. Vanaf 1 maart 2011 is [geïntimeerde] de meerpremie brandverzekering wel verschuldigd, omdat hij door de factuur van 21 februari 2011 met de verschuldigdheid daarvan rekening kon houden en een beredeneerde inschatting van het verschuldigde bedrag kon maken.
3.18.
[geïntimeerde] heeft bezwaar gemaakt tegen de vermeerdering van eis in hoger beroep, waarbij Inbev de betaling vordert van de inmiddels ook gefactureerde meerpremie voor de jaren 2012 en 2013. Dit bezwaar is niet doeltreffend. De eisen van een goede procesorde zijn niet in het geding. De grondslag van de vordering ter zake van deze jaren is immers gelijk aan de grondslag van de vordering met betrekking tot de daaraan voorafgaande periode. Hoewel de vermeerdering van eis niet in de aanhef van de memorie van grieven staat vermeld, is [geïntimeerde] daardoor niet benadeeld, nu de vermeerderde eis hem niet is ontgaan. Het betoog van [geïntimeerde] dat de vervaldatum op de facturen, die gelijk is aan de datering van de facturen, niet als rechtsgeldige vervaltermijn is aan te merken en hij nimmer in gebreke is gesteld ter zake van deze facturen, staat dat evenmin in de weg aan toelating van de vermeerdering van eis in hoger beroep. Dit verweer komt aan de orde bij de inhoudelijke behandeling van die facturen.
3.19.
Het hof is met [geïntimeerde] van oordeel dat de door Inbev in het geding gebrachte stukken onvoldoende inzicht bieden in de wijze waarop de aan hem in rekening gebrachte meerpremie tot stand is gekomen. Aan de hand van die stukken valt niet te controleren in hoeverre het gefactureerde bedrag voor meerpremie uitsluitend verband houdt met de door [geïntimeerde] in het gehuurde uitgeoefende onderneming, een horecabedrijf met primaire drankenfocus. Dat geldt ook voor de facturen met betrekking tot de jaren 2012 en 2013. Van de overzichten die Inbev daarbij heeft gevoegd is de herkomst eveneens onduidelijk evenals de redelijkheid van de daarop voorkomende bedragen. Deze overzichten zijn vergelijkbaar met het overzicht dat bij de factuur betreffende het jaar 2011 is gevoegd.
3.20.
Inbev zal in de gelegenheid worden gesteld haar vordering met betrekking tot de periode van 1 maart 2011 tot en met 31 december 2013 nader te onderbouwen met verifieerbare bij voorkeur van de verzekeringsmaatschappij van Novari afkomstige stukken. Indien ten behoeve van een beter begrip van die stukken een toelichting nodig is, dient deze, eveneens bij voorkeur, te worden gegeven door de verzekeringsmaatschappij. Uit de in het geding te brengen stukken zal (i) per periode moeten blijken (ii) welk premiebedrag Novari verschuldigd zou zijn voor de brandverzekering van het gehuurde (dan wel, voor zover relevant, het gebouw of complex waarvan het gehuurde deel uitmaakt) wanneer de onderneming van [geïntimeerde] wordt weggedacht, en (iii) welk premiebedrag Novari per periode méér betaalt doordat de onderneming van [geïntimeerde] in het gehuurde wordt gedreven en, (iv) voor zover een aanpassing van de premie heeft plaatsgevonden, welke reden daaraan ten grondslag ligt. Indien van belang dient daarbij tevens het verloop van de verzekering vanaf 1 maart 2006 te worden betrokken.
3.21.
De zaak zal naar de rol worden verwezen voor het nemen van een akte door Inbev. Iedere verdere beslissing, waaronder de behandeling van de grieven 3 tot en met 5, wordt aangehouden.
4. Beslissing
Het hof:
verwijst de zaak naar de rol van dinsdag 19 januari 2016 voor het nemen van een akte door Inbev met het hiervoor onder 3.20 omschreven doel;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. C.M. Aarts, C. Uriot en J.H.M. Boukema en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 22 december 2015.