De (onmiddellijke) voorzieningen van de enquêteprocedure
Einde inhoudsopgave
De (onmiddellijke) voorzieningen van de enquêteprocedure (IVOR nr. 105) 2017/12.3.4.2:12.3.4.2 Overige mogelijkheden
De (onmiddellijke) voorzieningen van de enquêteprocedure (IVOR nr. 105) 2017/12.3.4.2
12.3.4.2 Overige mogelijkheden
Documentgegevens:
F. Eikelboom, datum 01-06-2017
- Datum
01-06-2017
- Auteur
F. Eikelboom
- JCDI
JCDI:ADS364856:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In par. 12.2.2 werd een parallel getrokken tussen de vernietiging van vermogensrechtelijke rechtshandelingen en de vernietiging van civielrechtelijke uitspraken. Bij beide geldt als hoofdregel dat de vernietiging terugwerkende kracht heeft. Tevens werd besproken dat er ook uitzonderingen op deze hoofdregel worden aanvaard in de zin dat in bepaalde gevallen geen sprake is van terugwerkende kracht. In het vermogensrecht ligt de basis van deze uitzondering in art. 3:53 lid 2 BW. Deze bepaling geeft de rechter die de vernietiging uitspreekt de mogelijkheid om de gevolgen van deze vernietiging deels te ontzeggen. Het via de schakelbepaling van art. 3:59 BW toepassen van deze bepaling op de vernietiging van beschikkingen waarin (onmiddellijke) voorzieningen zijn getroffen, zou betekenen dat de Hoge Raad in geval van een vernietiging kan bepalen of de (onmiddellijke) voorzieningen reeds niet hebben gegolden vanaf de dag dat de ondernemingskamer deze trof of pas vanaf een later tijdstip, bijvoorbeeld vanaf de dag van de uitspraak van de ondernemingskamer.
Dat laatste zou bijvoorbeeld, in het geval van de vernietiging van een aanstelling van een tijdelijke bestuurder, inhouden dat de tijdelijke bestuurder ondanks de vernietiging toch in functie was tot het moment van de vernietiging. Alle rechtshandelingen die deze bestuurder namens de vennootschap heeft verricht, zijn dan gewoon bevoegd verricht en alle besluiten waaraan deze bestuurder heeft deelgenomen gaan niet gebukt onder de in par. 12.3.2.3 genoemde problemen. Als het gaat om de vernietiging van een beschikking waarin tijdelijk bij wijze van (onmiddellijke) voorziening de regels van de deelrechtsorde gewijzigd zijn, blijven de gewijzigde regels toch van kracht tot het door de Hoge Raad bepaalde tijdstip. Dat voorkomt de problemen genoemd in par. 12.3.2.2.
Toepassing van art. 3:53 lid 2 BW jo. art. 3:59 BW leidt er tevens toe dat partijen vanaf de uitspraak van de Hoge Raad gelijk weten waar ze aan toe zijn. Discussies over de in par. 12.3.3 besproken problematiek zouden achterwege kunnen blijven.
Dat de wetgever het tegengaan van deze problematiek wenselijk acht, blijkt uit art. 341a lid 1 BW en art. 2:343b BW en de wetsgeschiedenis daarbij.1 Ook art. 1:348 BW en art. 13 Fw wijzen in die richting.2 Hetzelfde geldt voor de rechtspraak van de Hoge Raad over de vernietiging van uitspraken waarin beslagen zijn opgeheven.3
Dat deze mogelijkheid ter beschikking staat aan de Hoge Raad lijkt mij ook wenselijk. Weliswaar zullen veel van de problemen, die ontstaan door de vernietiging van een beschikking waarin (onmiddellijke) voorzieningen zijn getroffen, worden opgelost door de in par. 12.3.3 besproken derdenbeschermingsbepalingen. Dat deze oplossingen in voorkomende gevallen niet volstaan, wordt echter aangetoond door het bestaan van bepalingen als art. 341a lid 1 BW, art. 2:343b BW, art. 1:348 BW en art. 13 Fw. In voorkomende gevallen hebben partijen recht en belang dat zij geen discussies hoeven te voeren over de vraag of aan hen een beroep op de in par. 12.3.3 besproken derdenbeschermingsbepalingen toekomt. Let wel, indien de Hoge Raad er aan te pas komt, zijn partijen al lange tijd bezig met procederen over de vraag of er überhaupt (onmiddellijke) voorzieningen kunnen worden getroffen. Als de Hoge Raad deze vraag uiteindelijk ontkennend beantwoordt, kunnen partijen er ook belang bij hebben dat niet verder geprocedeerd moet worden, maar dat iedereen gelijk weet waar hij aan toe is.
Dat zal natuurlijk niet altijd zo zijn. In die gevallen kan toepassing van art. 3:53 lid 2 BW jo. art. 3:59 BW achterwege blijven en de hoofdregel – terugwerkende kracht – onverkort worden toegepast.
Denkbaar is echter ook dat de Hoge Raad aansluiting zal zoeken bij de jurisprudentie over de vernietiging van uitspraken waarin beslagen zijn opgeheven4 in de zin dat de vernietiging van de beschikking van de ondernemingskamer nooit kan afdoen aan in de tussentijd door derden verkregen rechten.