Einde inhoudsopgave
Aanvullen van subjectieve rechten (O&R nr. 109) 2019/9.1
9.1 Inleiding
mr. drs. T.E. Booms, datum 01-01-2019
- Datum
01-01-2019
- Auteur
mr. drs. T.E. Booms
- JCDI
JCDI:ADS296779:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Proefschriften die (mede) betrekking hebben op de aard van (goederenrechtelijke) subjectieve rechten en de reden voor hun bestaan zijn onder meer Rank-Berenschot 1992; van der Steur 2003; de Jong 2006; Struycken 2007; Mollema 2013a. Overzichten van de door (enkele van) deze auteurs geboden theorieën zijn te vinden bij Schoordijk 1992; Vegter 1993; Snijders 2006; Verstijlen 2006; van Velten 2007; Koops 2014; Neppelenbroek 2016; Mollema 2013b, die ieder ook hun eigen meningen toevoegen aan de gevoerde discussies. Daarnaast bestaat een grote hoeveelheid rechtsliteratuur uit België, waarbij de auteurs zich (deels) op Nederlandse bronnen baseren. Waar van toepassing verwijs ik daar ook naar.
Dat neemt niet weg dat ik van mening ben dat bijvoorbeeld ook in het verbintenissenrecht onderwerpen bestaan die op basis van het voorgaande nader doordacht zouden kunnen worden. Een voorbeeld daarvan is het verschil tussen rechtsplichten en verbintenissen. Zie hierover in algemene zin Rank-Berenschot 1992, p. 103–104; Asser/Sieburgh 2016, para. 8–10.
365. In de voorgaande hoofdstukken van deel I van dit boek heb ik op basis van de (Anglo-) Amerikaanse literatuur drie dingen uiteengezet: wat een subjectief recht is, op welke wijze subjectieve rechten kunnen worden aangevuld en hoe dat het meest optimaal kan gebeuren. In deel II van dit boek bespreek ik het tweede punt naar Nederlands recht: welke rechtsfiguren kennen wij om subjectieve rechten aan te vullen? In deel III bespreek ik het derde punt naar Nederlands recht: hoe verhoudt ons recht zich tot een ‘optimale’ regeling? Voor de volledigheid bespreek ik in het voorliggende hoofdstuk ook het eerste punt naar Nederlands recht: wat zijn subjectieve rechten? Waar bestaan ze uit? Op welke manier maken ze het gebruik van schaarse middelen mogelijk? Zijn goederenrechtelijke rechten naar hun aard anders dan andere subjectieve rechten? Welke rol speelt de numerus clausus? Om de rode draad van dit boek te volgen is het niet nodig om dit hoofdstuk te lezen; het is puur bedoeld voor de lezer die zich afvraagt wat de verschillen en overeenkomsten zijn tussen hetgeen ik in de hoofdstukken hiervoor heb uiteengezet en de opvattingen van andere Nederlandse auteurs.
366. Het is niet mijn bedoeling om in dit hoofdstuk een volledig overzicht te geven van de in de Nederlandse literatuur aangehangen denkbeelden over de aard en de bestaansredenen van subjectieve rechten. De hoeveelheid materiaal is daarvoor te groot.1 In plaats daarvan heb ik een selectie gemaakt van onderwerpen die het dichtst tegen het onderwerp van dit onderzoek aanliggen. Deze selectie valt in twee delen uiteen. In paragraaf 9.2 geef ik een overzicht van de standpunten die in Nederland zijn ingenomen die parallel lopen aan hetgeen ik in de voorgaande hoofdstukken heb uiteengezet. Dat is niet om de lezer ervan te overtuigen dat ik ‘gelijk’ zou hebben; er zijn gemakkelijk veel (meer) auteurs aan te voeren die juist heel anders tegen de aangesneden onderwerpen aankijken. Mijn doel is ten eerste om rekenschap af te leggen van het feit dat ik hier niet het wiel opnieuw uitvind. Ook andere auteurs zijn – zonder gebruik te (kunnen) maken van het begrippenkader dat ik in de voorgaande hoofdstukken heb uiteengezet – tot soortgelijke opvattingen gekomen als de mijne. Ten tweede maakt het geboden overzicht het wellicht gemakkelijker voor de lezer om de voorgaande hoofdstukken te plaatsen in een Nederlandse context. Ten derde wordt duidelijk welke van de in de hoofdstukken hiervoor ingenomen standpunten al wél en nog niet in de Nederlandse rechtsliteratuur zijn verdedigd en waarom dat het geval is.
367. In paragraaf 9.3 bekijk ik vervolgens of hetgeen ik in de voorgaande hoofdstukken heb uiteengezet nieuw licht kan werpen op enkele dogmatische discussies die in de Nederlandse rechtsliteratuur worden gevoerd. Ik heb daarbij een selectie gemaakt van onderwerpen die de afgelopen jaren veel debat hebben opgeleverd, waarbij ik me beperk tot het goederenrecht.2 Specifiek besteed ik aandacht aan de vraag wat het verschil is tussen goederen- en verbintenissenrecht, op welke wijze (goederenrechtelijke) rechten aan personen ‘toebehoren’, en hoe beperkte rechten dogmatisch moeten worden verklaard. De onderwerpen die reeds in paragraaf 9.2 aan de orde zijn gekomen, bespreek ik daarbij niet opnieuw.