Einde inhoudsopgave
Het voorlopig getuigenverhoor (BPP nr. XVII) 2015/32
32 Roep om uitbreiding van de mogelijkheden van het voorlopig getuigenverhoor; voorstellen
Mr. E.F. Groot, datum 01-01-2015
- Datum
01-01-2015
- Auteur
Mr. E.F. Groot
- JCDI
JCDI:ADS453403:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht / Bewijs
Voetnoten
Voetnoten
Zie bijvoorbeeld: Caroli 1907, p. 1-9. Caroli schrijft: “De oudste en ernstigste beschuldiging is de traagheid welke de rechtsbedeeling kenmerkt”, p. 3.
HR 16 januari 1928, NJ 1928, p. 329, m.nt. P. Scholten (Bartelsman/De Vlugt q.q.).
Kruseman 1928, p. 201-202; P. Scholten in zijn noot in NJ 1928, p. 329 onder HR 16 januari 1928 (Bartelsman/De Vlugt q.q.); Drilsma 1932, p. 585-587 en 612-613; Bloemers 1948, p. 555-557. Zie ook Van Deinse 1951, p. 169, die wel een versoepeling van de toepassing van het voorlopig getuigenverhoor voorstelt, maar zonder wetswijziging (zie hierna, nr. 33).
Gratama 1920a, p. 59; Gratama 1920b, p. 189-190. Vgl. het Duitse recht, waarin § 458 ZPO ook de voorwaarde van verlies of bemoeilijking van bewijs(levering) stelt (zie nr. 45 en 47).
Staatscommissie Dorhout Mees 1948, p. 136-141.
In de eerste helft van de twintigste eeuw kwamen stemmen op om het voorlopig getuigenverhoor toe te laten op andere dan in de persoon van de getuige gelegen gronden. Deze roep om uitbreiding van de mogelijkheden van het voorlopig getuigenverhoor kwam voort uit de algemene wens om procedures sneller te laten verlopen1 en uit het hierboven genoemde arrest van de Hoge Raad, waarin hij besliste dat een voorlopig getuigenverhoor niet is toegestaan op grond van het gevaar dat een getuige zich na verloop van tijd niet meer correct zou kunnen herinneren wat is voorgevallen.2 Immers, het vervagen of verdwijnen van indrukken door tijdsverloop heeft geen betrekking op de persoon van de getuige maar op zijn geheugen. Op grond van art. 876 Rv (1838) kon alleen een reden die was gelegen in het wegvallen van de persoon van de getuige de toewijzing van een voorlopig getuigenverhoor rechtvaardigen.
In de doctrine ontstond de opvatting, dat de mogelijkheden voor het houden van een voorlopig getuigenverhoor moesten worden uitgebreid. Niet alleen bij gevaar voor verlies van de persoon van de getuige moest een voorlopig getuigenverhoor worden toegelaten, maar ook omdat door verloop van tijd de herinnering vervaagt of om partijen in staat te stellen reeds voor het geding hun proceskansen af te wegen.3
De drang naar versnelling van procedures leidde in de eerste helft van de 20e eeuw tot twee voorstellen om het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering integraal te wijzigen. Uit deze voorstellen bleek de veranderende opvatting over de omstandigheden waaronder een voorlopig getuigenverhoor zou moeten worden toegelaten. In het eerste voorstel, dat van Gratama in 1920, werd ten aanzien van het voorlopig getuigenverhoor voorgesteld om gebruik van het middel niet alleen mogelijk te maken bij gevaar voor verlies van bewijs, maar ook als het leveren van bewijs ernstig bemoeilijkt zou worden of als uitstel aan de belanghebbenden aanmerkelijk nadeel zou berokkenen.4 Een voorlopig getuigenverhoor zou moeten worden toegewezen als bewijs later niet meer of minder goed zou kunnen worden geleverd. De voorstellen van de Staatscommissie Gratama haalden het niet. Hetzelfde lot trof het vooruitstrevende voorstel van de Staatscommissie Dorhout Mees in 1948 om een nieuw stelsel van procesrecht te ontwikkelen, waarbij eerst de feiten moesten worden vastgesteld en pas daarna moest worden overgegaan tot een juridische waardering van de feiten. Alle getuigen zouden onmiddellijk naar de zitting moeten worden meegenomen en gehoord.5