Afscheiding van bestanddelen
Einde inhoudsopgave
Afscheiding van bestanddelen (O&R nr. 134) 2022/3.3.1:3.3.1 Bestanddelen
Afscheiding van bestanddelen (O&R nr. 134) 2022/3.3.1
3.3.1 Bestanddelen
Documentgegevens:
mr. J.C.T.F. Lokin, datum 01-03-2022
- Datum
01-03-2022
- Auteur
mr. J.C.T.F. Lokin
- JCDI
JCDI:ADS644912:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Goederenrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Diephuis I (1885), p. 424 e.v.
Diephuis I (1885), p. 426.
Diephuis I (1885), p. 424.
Diephuis I (1885), p. 424.
Zie Hoofdstuk 2, §2.1.6.
Suijling V (1940), Rn 57, p. 62 e.v.
De dode dieren moeten wel enige waarde vertegenwoordigen.
Suijling V (1940), Rn 57-73, p. 62 e.v.
Suijling V (1940), p. 63.
Asser/Beekhuis (1957), p. 34.
Asser/Beekhuis (1957), p. 34.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Een hoofdzaak bestond uit bestanddelen die hetzij door de natuur hetzij door menselijke arbeid zo met elkaar waren verenigd, dat ze tezamen voor het recht een eenheid vormden.1 Het begrip “bestanddeel” kwam niet voor in het OBW, maar werd wel in de literatuur gebezigd. Mede door het ontbreken van een wettelijke definitie verschilden de meningen in de literatuur over wat het begrip inhield. Bestanddelen waren volgens Diephuis geen zelfstandige zaken. Het eigendomsrecht omvatte daarom de gehele zaak, inclusief alle bestanddelen.2 Ook de beperkte rechten rustten op de gehele eenheidszaak. Volgens Diephuis maakten bestanddelen eenvoudigweg onderdeel van de zaak uit en verloren ze daarmee hun eigen bestaan. Ze waren opgegaan in het geheel.
(…) de planken, balken, steenen enz. van een huis gelden voor ons niet meer als zaken op zich zelve, zij zijn opgegaan in het geheel, dat daaruit is gevormd. Een gevolg daarvan is, dat wij, waar we dit als voorwerp beschouwen, die bestanddeelen buiten aanmerking laten en alleen denken aan het geheel.3
Voor het recht telde slechts de zaak als geheel. Dit bleek onder meer uit het feit dat een zaak voor het recht niet veranderde als bijvoorbeeld bestanddelen werden vervangen of nieuwe onderdelen aan de zaak werden toegevoegd. Zo bleef een schip nog steeds dezelfde zaak, nadat de planken van een schip door de jaren heen allemaal waren vervangen door nieuwe planken. Een pandrecht dat op dat schip rustte, bleef ook na het vervangen van alle planken bestaan, aldus Diephuis.4 Het begrip “bestanddeel” van Diephuis was inhoudelijk vergelijkbaar met de “wezenlijke bestanddelen” uit het Duitse recht.5 Voor zowel de bestanddelen als de wesentliche Bestandteile gold dat ze opgingen in de zaak en geen juridische zelfstandigheid hadden.
Suijling vatte het begrip bestanddeel ruimer op. Hij duidde daarmee de “onzelfstandige (wezenlijke) zaaksdeelen, bijzaken en hulpzaken” aan.6 Zij speelden een rol in de indeling die hij maakte in twee soorten zaken, namelijk in organische zaken en anorganische zaken. Organische zaken waren zaken die van nature een eenheid waren zoals bijvoorbeeld dieren, zowel levend als dood7, en stukken grond met bijbehorende begroeiing. De onderdelen waaruit zo’n organische zaak bestond “missen dus noodwendig het karakter van zelfstandige zaken”. Zij werden door Suijling aangeduid als “onzelfstandige (wezenlijke) zaaksdeelen”.8 Ze waren opgegaan in de eenheidszaak, waardoor op hen geen afzonderlijke zakelijke rechten konden rusten. De rechten die op de eenheidszaak rustten, strekten zich ook uit over de onzelfstandige zaaksdelen.
Een anorganische zaak was van nature geen eenheid, maar deze eenheid was ontstaan door de verbinding van verschillende zaken. De eenheid van zo’n anorganische zaak kon (“in den oogen van den practischen mensch”) een economische en/of een fysieke eenheid zijn, aldus Suijling. Ook voor de anorganische zaken gold dat de onderdelen in beginsel onzelfstandige (wezenlijke) zaaksdelen waren. Net als bij de organische zaken, was het niet mogelijk (“onbestaanbaar”) om op deze zaaksdelen zelfstandige zakelijke rechten te hebben. Een anorganische zaak werd aangenomen als de opheffing van de verbindingen resulteerde in waardeverlies:
“Ondanks de verscheidenheid van de anorganische verbindingen, die de practische mensch tot de lichamelijke eenheidszaken pleegt te brengen, berust hare classificatie als zoodanig steeds op dezelfde grondgedachte. Waarden mogen niet noodeloos worden vernietigd. Als de opheffing van den samenhang der deelen tot verlies voor de maatschappij zou voeren, behoort de verbinding onder de lichamelijke eenheidszaken te worden gerangschikt. In allerlei schakeering keert dit eene motief telkens terug. Waarom gelden de zandhoop en de in het fust besloten wijn als een lichamelijke eenheid? Omdat zand en wijn slechts in een toestand van samenhang menschelijke behoeften kunnen bevredigen. Met de opheffing van den samenhang zouden dus noodzakelijk waarden verdwijnen.”9
Ondanks de poging van Suijling om het “onzelfstandig zaaksdeel” te concretiseren, bleef het begrip “bestanddeel” in nevelen gehuld. Deze nevelen werden in de latere literatuur niet weggenomen. De mist bleek bijvoorbeeld uit de definitie die Beekhuis gaf van het begrip “bestanddeel”, onder welk begrip Suijling een “onzelfstandig zaaksdeel” verstond. Bestanddelen vormden volgens Beekhuis een “essentieel deel” van de hoofdzaak, zonder welk de hoofdzaak “praktisch niet aan haar economische en maatschappelijke bestemming zou kunnen beantwoorden”.10 Niet van belang was hierbij of de zaken hecht met elkaar waren verbonden. De dakpannen waren immers evenzeer bestanddelen van een huis, ook al lagen die los op het dak.
Wat een “essentieel deel” van een zaak was, bleef echter onduidelijk. En wanneer voldoet een zaak aan haar economische en maatschappelijke bestemming? Tot slot waren volgens Beekhuis ook die onderdelen bestanddelen, die zo hecht met de zaak waren verbonden dat afscheiding niet kon zonder dat dit “praktisch tot vernietiging van één ervan zou leiden”.11
Waardeverlies door afscheiding speelde bij Beekhuis en Suijling een rol om te bepalen of een onderdeel van de zaak te kwalificeren viel als een bestanddeel. Een hechte verbinding met een zaak was in beginsel geen vereiste om als bestanddeel te worden gekwalificeerd, maar als de verbinding zo hecht was dat afscheiding zonder zware beschadiging niet mogelijk was dan was het onderdeel in ieder geval een bestanddeel.
Het criterium om aan de hand van economisch waardeverlies al dan niet te bepalen dat verschillende met elkaar verbonden zaken een (wezenlijke) eenheid vormden, was hetzelfde criterium als we in het Duitse recht zijn tegengekomen. Resulteerde de afscheiding in (economisch) waardeverlies, dan waren de bestanddelen wesentliche Bestandteile. De “wesentliche Bestandteile” uit het Duitse recht, de “bestanddelen” van Diephuis en Beekhuis en de “onzelfstandige (wezenlijke) zaaksdeelen” van Suijling waren aan elkaar identiek. Omwille van de duidelijkheid worden ze voortaan aangeduid met de term “bestanddeel”. De zakelijke rechten op een zaak hielden op te bestaan nadat de zaak een bestanddeel was geworden. De zaak zelf verloor daarmee immers haar zelfstandigheid.