HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823, NJ 2010/654 m.nt. Mevis, rov. 2.15.
HR, 17-09-2019, nr. 18/01486
ECLI:NL:HR:2019:1346
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
17-09-2019
- Zaaknummer
18/01486
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2019:1346, Uitspraak, Hoge Raad (Strafkamer), 17‑09‑2019; (Cassatie, Beschikking)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2019:903
ECLI:NL:PHR:2019:903, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 11‑06‑2019
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2019:1346
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2019-0310
NbSr 2019/277
Uitspraak 17‑09‑2019
Inhoudsindicatie
Beklag, beslag ex art. 94a Sv op woning onder klaagster i.h.k.v. strafrechtelijk onderzoek tegen echtgenoot van klaagster t.z.v. verdenking van (gewoonte)witwassen. Rb heeft klaagschrift van klaagster (derde) ongegrond verklaard op de grond dat niet boven redelijke twijfel is verheven dat echtgenoot (beslagene) niet als (mede-)rechthebbende van inbeslaggenomen woning moet worden aangemerkt en dat belang van strafvordering zich verzet tegen gevraagde teruggave. Heeft Rb juiste maatstaf toegepast? HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2010:BL2823 m.b.t. toepasselijke maatstaf of buiten redelijke twijfel is dat derde die ex art. 552a Sv om teruggave verzoekt als eigenaar moet worden aangemerkt en, zo ja, of zich situatie van art. 94a.4 of 94a.5 Sv voordoet. Door te onderzoeken of boven redelijke twijfel is verheven dat beslagene niet als eigenaar van het pand kan worden aangemerkt, heeft Rb een andere dan de toepasselijke - en dus een onjuiste - maatstaf aangelegd. Volgt (partiële) vernietiging en terugwijzing. Samenhang met 18/01485 B.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 18/01486
Datum 17 september 2019
BESCHIKKING
op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de Rechtbank Rotterdam van 22 maart 2018, nummer RK 18/225, op een klaagschrift als bedoeld in art. 552a Sv, ingediend
door
[klaagster] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1959,
hierna: de klaagster.
1. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de klaagster. Namens deze heeft H. Bakker, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.De Advocaat-Generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot terugwijzing van de zaak naar de Rechtbank teneinde op het bestaande beklag opnieuw te worden behandeld en afgedaan.
2. Beoordeling van het middel
2.1
Het middel klaagt onder meer dat de Rechtbank bij de beoordeling van het klaagschrift, voor zover dat strekt tot opheffing van het beslag op het pand aan de [a-straat 1] in Amsterdam , een onjuiste maatstaf heeft toegepast.
2.2
De Rechtbank heeft het namens de klaagster ingediende klaagschrift, dat onder meer strekt tot opheffing van het ten laste van de echtgenoot van de klaagster ( [betrokkene 1] ) op de voet van art. 94a Sv gelegde beslag op het in het middel bedoelde pand, ongegrond verklaard. De Rechtbank heeft daartoe het volgende overwogen:
“In een geval als het onderhavige, waarin het klaagschrift is ingediend door de echtgenote van beslagene, die stelt eigenaar te zijn en niet de beslagene, dient de rechter te onderzoeken of zich het geval voordoet dat boven redelijke twijfel is verheven dat de beslagene niet als eigenaar van de goederen kan worden aangemerkt.
Uit voorgaande feiten en omstandigheden blijkt dat niet alleen de hypothecaire lening rustende op het pand aan de [a-straat 1] en de bijbehorende Aegon-bankrekening op naam van klaagster en [betrokkene 1] staan, maar dat er ook een relatie kan worden gelegd tussen de verdenking tegen [betrokkene 1] en dat pand. De rechtspersonen van [betrokkene 1] , die zich bezighouden met de verkoop van PGP-telefoons en telefoondiensten aan vermoedelijk criminelen, [A] B.V., [B] Holding B.V. en [C] , gebruiken/gebruikten de bovenste verdieping (27-4) als kantoor. Ook zijn grote hoeveelheden contant geld aangetroffen op de verschillende verdiepingen van het pand.
Gezien het voorstaande is, ondanks het feit dat klaagster eigenaar van het pand is en onder huwelijkse voorwaarden is getrouwd met [betrokkene 1] , niet boven redelijke twijfel verheven dat [betrokkene 1] niet als (mede-)rechthebbende van de nog inbeslaggenomen goederen moet worden aangemerkt. Hierbij komt dat ook, gelet op de relatie die gelegd kan worden tussen het pand en de verdenking tegen [betrokkene 1] , het belang van strafvordering zich verzet tegen de gevraagde teruggave.
(...)
De rechtbank zal het beklag dan ook ongegrond verklaren.”
2.3
Art. 94a Sv luidt:
“1. In geval van verdenking van een misdrijf, waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd, kunnen voorwerpen inbeslaggenomen worden tot bewaring van het recht tot verhaal voor een ter zake van dat misdrijf op te leggen geldboete.
2. In geval van verdenking van of veroordeling wegens een misdrijf, waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd, kunnen voorwerpen in beslag genomen worden tot bewaring van het recht tot verhaal voor een naar aanleiding van dat misdrijf op te leggen verplichting tot betaling van een geldbedrag aan de staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
3. Ingeval van verdenking van een misdrijf, waarvoor een geldboete van de vierde categorie kan worden opgelegd, kunnen voorwerpen inbeslaggenomen worden tot bewaring van het recht tot verhaal voor een ter zake van dat misdrijf op te leggen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht.
4. Voorwerpen die toebehoren aan een ander dan degene aan wie, in het in het eerste lid bedoelde geval, de geldboete kan worden opgelegd of degene aan wie, in het in het tweede lid bedoelde geval, het wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden ontnomen, of degene aan wie, in het in het derde lid bedoelde geval, de maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht kan worden opgelegd, kunnen in beslag worden genomen indien voldoende aanwijzingen bestaan dat deze voorwerpen geheel of ten dele aan die ander zijn gaan toebehoren met het kennelijke doel de uitwinning van voorwerpen te bemoeilijken of te verhinderen, en die ander dit wist of redelijkerwijze kon vermoeden.
5. In het geval, bedoeld in het vierde lid, kunnen tevens andere aan de betrokken persoon toebehorende voorwerpen in beslag worden genomen, tot ten hoogste de waarde van de in het vierde lid bedoelde voorwerpen.
6. Onder voorwerpen worden verstaan alle zaken en alle vermogensrechten.”
2.4
Bij de beoordeling van het middel moet worden vooropgesteld dat de rechter in een geval als het onderhavige, waarin op de voet van art. 94a Sv beslag rust op het inbeslaggenomen voorwerp en een derde in een beklagprocedure op de voet van art. 552a Sv om teruggave verzoekt, als maatstaf moet aanleggen of zich het geval voordoet dat buiten redelijke twijfel is dat die derde als eigenaar van dat inbeslaggenomen voorwerp moet worden aangemerkt en daarvan in zijn beslissing blijk moet geven. Indien die derde als eigenaar wordt aangemerkt zal de rechter tevens moeten onderzoeken, en daarvan blijk moeten geven, of zich de situatie van art. 94a, vierde of vijfde lid, Sv voordoet. (Vgl. HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823, rov. 2.15.)
2.5
Door te onderzoeken of boven redelijke twijfel is verheven dat de beslagene ( [betrokkene 1] ) niet als eigenaar van het pand kan worden aangemerkt, heeft de Rechtbank een andere dan de toepasselijke - en dus een onjuiste - maatstaf aangelegd. De bestreden beschikking kan reeds daarom in zoverre niet in stand blijven.
2.6
Het middel is in zoverre terecht voorgesteld en behoeft voor het overige geen bespreking.
3. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de bestreden beschikking, maar uitsluitend wat betreft de beslissing van de Rechtbank tot ongegrondverklaring van het klaagschrift ten aanzien van het gelegde beslag op het pand aan de [a-straat 1] in Amsterdam ;
- wijst de zaak terug naar de Rechtbank Rotterdam, opdat de zaak ten aanzien daarvan op het bestaande klaagschrift opnieuw wordt behandeld en afgedaan;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en M.T. Boerlage, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 september 2019.
Conclusie 11‑06‑2019
Inhoudsindicatie
Beklag, beslag ex art. 94a Sv op woning. Klaagster (derde) komt op tegen het beslag gelegd ten laste van haar echtgenoot (de beslagene). HR herhaalt toe te passen maatstaf uit ECLI:NL:HR:2010:BL2823. Door te onderzoeken of boven redelijke twijfel is verheven dat de beslagene niet als eigenaar van het pand kan worden aangemerkt, heeft de Rechtbank een andere dan de toepasselijke - en dus een onjuiste - maatstaf aangelegd. Volgt (partiële) vernietiging en terugwijzing. Samenhang met 18/01485 B.
Nr. 18/01486 B Zitting: 11 juni 2019 | Mr. A.E. Harteveld Conclusie inzake: [klaagster] |
De rechtbank Rotterdam heeft op 22 maart 2018 een beschikking afgegeven op een klaagschrift in de zin van art. 552a Sv dat gericht was tegen het voortduren van de inbeslagneming van een pand aan de [a-straat 1] in Amsterdam, een bankrekening bij Aegon en een Mercedes 190SL, met een last tot teruggave aan de klaagster. Dit beklag is door de rechtbank ongegrond verklaard.
Er bestaat samenhang met de zaak 18/01485 B. Ook in deze zaak zal ik vandaag concluderen.
Namens de klaagster is cassatieberoep ingesteld en mr. H. Bakker, advocaat te Amsterdam, heeft één middel van cassatie voorgesteld.
Het middel klaagt dat de rechtbank bij de ongegrondverklaring van het klaagschrift een onjuiste maatstaf heeft aangelegd, althans dat het klaagschrift op ontoereikende gronden ongegrond is verklaard, in het bijzonder door de stelling van klaagster die inhoudt dat zij als (enig) eigenaar van de woning diende te worden aangemerkt te verwerpen op gronden die de verwerping niet kunnen dragen. De bestreden beschikking zou dan ook niet naar de eis der wet met redenen zijn omkleed, dan wel onvoldoende begrijpelijk zijn gemotiveerd.
4.1. De achtergrond van deze beklagprocedure is gelegen in een strafrechtelijk onderzoek naar onder meer de echtgenoot van klaagster, [betrokkene 1]. Dit onderzoek is gericht op versleutelde telefoons en telefoondiensten die onder de merknaam PGP Safe door [betrokkene 1] en een medeverdachte zouden zijn aangeboden aan criminelen. Met deze apparatuur en diensten zouden criminele activiteiten onder de radar van politie en justitie kunnen blijven. De praktijk bleek overigens anders, getuige verschillende strafzaken waarin de PGP-communicatie in handen is gekomen van opsporingsdiensten. Het vermoeden bestaat dat [betrokkene 1] en een medeverdachte zich schuldig hebben gemaakt aan (gewoonte-)witwassen. In het onderzoek naar [betrokkene 1] is onder meer op de voet van art. 94a Sv conservatoir beslag gelegd op een pand aan de [a-straat 1] in Amsterdam. De cassatieprocedure is gericht op dit beslag.
4.2. De beschikking van de rechtbank houdt onder meer het volgende in:
“5. Beoordeling
In een geval als het onderhavige, waarin het klaagschrift is ingediend door de echtgenote van beslagene, die stelt eigenaar te zijn en niet de beslagene, dient de rechter te onderzoeken of zich het geval voordoet dat boven redelijke twijfel is verheven dat de beslagene niet als eigenaar van de goederen kan worden aangemerkt.
Uit voorgaande feiten en omstandigheden blijkt dat niet alleen de hypothecaire lening rustende op het pand aan de [a-straat 1] en de bijbehorende Aegon- bankrekening op naam van klaagster en [betrokkene 1] staan, maar dat er ook een relatie kan worden gelegd tussen de verdenking tegen [betrokkene 1] en dat pand. De rechtspersonen van [betrokkene 1], die zich bezighouden met de verkoop van PGP-telefoons en telefoondiensten aan vermoedelijk criminelen, [A] B.V., [B] Holding BV en [C], gebruiken/gebruikten de bovenste verdieping (27-4) als kantoor. Ook zijn grote hoeveelheden contant geld aangetroffen op de verschillende verdiepingen van het pand.
Gezien het voorstaande is, ondanks het feit dat klaagster eigenaar van het pand is en onder huwelijkse voorwaarden is getrouwd met [betrokkene 1], niet boven redelijke twijfel verheven dat [betrokkene 1] niet als (mede-)rechthebbende van de nog inbeslaggenomen goederen moet worden aangemerkt. Hierbij komt dat ook, gelet op de relatie die gelegd kan worden tussen het pand en de verdenking tegen [betrokkene 1], het belang van strafvordering zich verzet tegen de gevraagde teruggave.
(…)
De rechtbank zal het beklag dan ook ongegrond verklaren.”
4.3. In deze zaak is het klaagschrift ingediend door een ander persoon dan de beslagene bij wie op de voet van art. 94a Sv conservatoir beslag is gelegd. Als maatstaf heeft in dat geval te gelden of buiten redelijke twijfel is dat de klaagster (derde) als eigenaar van het voorwerp moet worden aangemerkt.1.De rechtbank heeft daarentegen onderzocht of “boven redelijke twijfel is verheven dat de beslagene niet als eigenaar van de goederen kan worden aangemerkt”. Daarmee is een andere en dus onjuiste maatstaf aangelegd. De rechtbank heeft immers de eigendomspositie van de beslagene en niet die van de klaagster centraal gesteld. Hierdoor is de beschikking op een verkeerd fundament gebouwd. Weliswaar is in de bestreden beschikking de klaagster als ‘eigenaar’ van de woning aangemerkt en ten aanzien van de beslagene overwogen “dat niet boven redelijke twijfel verheven [is] dat [betrokkene 1] niet als (mede)rechthebbende van de nog inbeslaggenomen goederen moet worden aangemerkt”, maar deze vaststellingen kunnen gelet op de toepasselijke maatstaf de ongegrondverklaring niet dragen.
4.4. De eigendomsverhouding tussen de klaagster en de beslagene ten aanzien van het pand is van belang voor de uitkomst van de zaak. Indien wordt aangenomen dat klaagster als enig eigenaar wordt aangemerkt, dient het eigendomsrecht van de klaagster in principe te worden gerespecteerd. Wel zal de rechter moeten onderzoeken en daarvan blijk moeten geven in de beschikking of zich de situatie van art. 94a lid 4 Sv voordoet.2.Die bepaling maakt het mogelijk om schijnconstructies door te prikken. Daarbij kan meespelen of de beslagene het pand zelf heeft gefinancierd. Als daarentegen sprake is van mede-eigendom, dan staat dit aan de handhaving van het beslag niet in de weg. Dat is met name het geval indien niet hoogst onwaarschijnlijk is dat aan de verdachte betalingsverplichtingen zullen worden opgelegd welke op de goederen van de gemeenschap kunnen worden verhaald.3.In een dergelijk geval wordt zoveel als mogelijk aansluiting gezocht bij de regels van het burgerlijk recht.4.Een aanvullende toetsing aan de regeling van art. 94a lid 4 Sv is dan niet nodig.5.
4.5. Tot slot merk ik op dat de Hoge Raad aan de tenaamstelling van een woning veel waarde lijkt te hechten.6.De omstandigheid dat een registergoed ‘middellijk’ toebehoort aan de persoon op wie de verdenking zich richt, omdat die persoon het registergoed bijvoorbeeld heeft gefinancierd, brengt bijvoorbeeld niet reeds daarom mee dat een klaagschrift van een derde die stelt eigenaar te zijn ongegrond kan worden verklaard.7.Daarnaast is zonder nadere motivering niet voldoende dat "omstandigheden denkbaar zijn waaronder degene die is uitgesloten van de gemeenschap toch aanspraak kan maken op een deel van de waarde van de gezamenlijke woning", om aan te nemen dat de klaagster "niet buiten twijfel als enige rechthebbende op de woning kan worden aangemerkt".8.In die zaak was dus sprake van een motiveringsgebrek. Dat een registergoed op naam staat van een ander dan de beslagene, sluit mede-eigenaarschap dan ook niet uit. Zo kan mede-eigendom aangenomen worden indien sprake is van gemeenschap van goederen,9.een situatie die zich in de onderhavige zaak overigens niet voordoet, volgens de vaststellingen van de rechtbank.
4.6. Gelet op het voorgaande kan de bestreden beschikking niet in stand blijven. Het middel slaagt.
5. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
6. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot terugwijzing van de zaak naar de rechtbank teneinde op het bestaande beklag opnieuw te worden behandeld en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 11‑06‑2019
HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823, NJ 2010/654 m.nt. Mevis, rov. 2.15.
Vgl. HR 22 september 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZD1290, NJ 1999/77; HR 9 april 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD5293, NJ 2002/368 en HR 21 april 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH4078.
Zie nader Kamerstukken II 2001/02, 28 079, nr. 3, p. 21 en 22.
Vgl. HR 31 mei 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ2483, NJ 2011/263.
Bij (motor)voertuigen is daarentegen niet doorslaggevend dat die voorwerpen volgens een door de klager en de beslagene opgemaakte overeenkomst zijn verkocht aan de klager en in het kentekenregister op de naam van de klager zijn gesteld. Zie HR 6 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV3451, rov. 3.5.
HR 19 februari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BA7675, NJ 2008/339, rov. 3.5 en HR 19 februari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BA7671, NJ 2008/340 m.nt. Borgers, rov. 3.5. Zie ook de conclusie van mijn ambtgenoot Knigge, nr. 3.8 voorafgaand aan HR 16 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1952.
HR 16 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1952.
HR 31 mei 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ2483, rov. 2.5.