Einde inhoudsopgave
Aftrekbeperkingen van de rente in het internationale belastingrecht (FM nr. 132) 2008/12.6
12.6 Hoe verhoudt de heffing van dividendbelasting over de rente op een geldlening die door de Hoge Raad wordt aangemerkt als een kapitaalverstrekking zich met de belastingverdragen, de Moeder-dochterrichtlijn en de Rente- en royaltyrichtlijn?
mr. J. Vleggeert, datum 01-11-2008
- Datum
01-11-2008
- Auteur
mr. J. Vleggeert
- JCDI
JCDI:ADS305585:1
- Vakgebied(en)
Onbekend (V)
Internationaal belastingrecht (V)
Internationaal belastingrecht / Algemeen
Internationaal belastingrecht / Belastingverdragen
Vennootschapsbelasting / Winstbepaling
Europees belastingrecht (V)
Europees belastingrecht / Algemeen
Vennootschapsbelasting / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken II 2005/06, 30 572, nr. 8 (Nota), p. 44.
In dezelfde zin M.L. Molenaars, ‘De behandeling van hybride leningen en convertibles onder het wetsvoorstel Werken aan winst’, WFR 2006/6686, p. 1075. Zie ook R.J. de Vries, ‘Economische tegenwind en fiscaliteit: kwijtschelding, omzetting en hybridisering van (onvolwaardige) vorderingen’, TFO februari 2004, p. 10.
Art. 3, lid 1, onderdeel f, DB 1965 is van toepassing op vergoedingen op geldleningen als bedoeld in art. 10, lid 1, onderdeel d, Wet VPB 1969. De laatstgenoemde bepaling is volgens de staatssecretaris alleen van toepassing op de deelnemerschapslening. De schijnlening en de bodemlozeputlening vallen echter niet onder haar bereik.1 De vergoeding op een schijnlening of een bodemlozeputlening is daarom alleen onderworpen aan dividendbelasting als zij wordt aangemerkt als de opbrengst van aandelen of winstbewijzen als bedoeld in art. 1 Wet DB 1965. Of de rechter deze stap zal willen zetten, is op zijn minst twijfelachtig.2
Een deelnemerschapslening is doorgaans als een vennootschappelijk recht te beschouwen in de zin van art. 10, lid 3, OESO-modelverdrag. Dat zal slechts in uitzonderlijke gevallen anders zijn. Zo laat zich de situatie denken waarin de crediteur een achtergestelde lening heeft verstrekt met een looptijd van meer dan 50 jaar en een winstdelende rente aan een debiteur die het geld belegt in langlopende vastrentende waarden. Onder deze omstandigheden is het naar mijn mening voorstelbaar dat de crediteur door middel van de lening niet deelneemt in de debiteur. Komt de definitie van dividend in een Nederlands belastingverdrag overeen met art. 10, lid 3, OESO-modelverdrag, dan valt de vergoeding op de deelnemerschapslening echter in het algemeen onder het bereik van deze bepaling.
Is de definitie van de term dividend in een Nederland belastingverdrag gebaseerd op art. 10, lid 6, NSV dan wordt zij uitgelegd aan de hand van art. 3, lid 1, onderdeel f, Wet DB 1965. Het laatstgenoemde voorschrift heeft betrekking op de deelnemerschapslening. De vergoeding op een dergelijke lening valt dus onder het bereik van de dividendbepaling van het NSV.
In een aantal Nederlandse belastingverdragen komt een afwijkende definitie van de term dividend voor. Voor de toepassing van deze verdragen zal per geval moeten worden bezien of de dividendbepaling van toepassing is op de vergoeding op een deelnemerschapslening.
In gevallen waarin de deelnemerschapslening is te beschouwen als een vennootschappelijk recht in de zin van art. 10, lid 3, OESO-modelverdrag, wordt de vergoeding op deze lening aangemerkt als uitgekeerde winst voor de toepassing van art. 5 Moeder-dochterrichtlijn. Wordt deze vergoeding genoten door een moedermaatschappij in de zin van deze richtlijn, dan is zij vrijgesteld van dividendbelasting.