Vgl. HR 25 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:711 en HR 3 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:203 en de daarbij behorende conclusies. In deze zaken was ook sprake van een achteraf vastgestelde onjuiste feitelijke grondslag.
HR, 03-04-2018, nr. 16/02910
ECLI:NL:HR:2018:563
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
03-04-2018
- Zaaknummer
16/02910
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2018:563, Uitspraak, Hoge Raad (Strafkamer), 03‑04‑2018; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2018:334
ECLI:NL:PHR:2018:334, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 13‑02‑2018
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2018:563
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2018-0157
Uitspraak 03‑04‑2018
Inhoudsindicatie
Betekening appeldagvaarding. Achteraf vastgestelde onjuiste feitelijke grondslag op de grond dat BRP-adres verdachte in ID-staten SKDB waarvan Hof kennelijk is uitgegaan, niet overeenkomt met BRP-adres verdachte in ID-staat SKDB van latere datum. HR: Op de gronden die zijn vermeld in de CAG is het middel terecht voorgesteld. CAG: Appeldagvaarding is tevergeefs aangeboden op BRP-adres verdachte, zoals dat blijkt uit ID-staten SKDB van 23-11-2015, 10-12-2015 en 5-1-2016, en vervolgens ex art. 588.3.c Sv uitgereikt aan griffier met verzending van afschrift appeldagvaarding aan voornoemd adres. ID-staat SKDB van 29-4-2016 houdt in dat verdachte in desbetreffende periode in BRP stond ingeschreven op ander adres. Gelet op inhoud ID-staat SKDB d.d. 29-4-2016, rijst het ernstige vermoeden dat ‘s Hofs oordeel dat appeldagvaarding rechtsgeldig is betekend op een onjuiste feitelijke grondslag berust. HR verklaart dagvaarding in h.b. nietig.
Partij(en)
3 april 2018
Strafkamer
nr. S 16/02910
JH
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag van 1 februari 2016, nummer 22/004984-14, in de strafzaak tegen:
[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1976.
1. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft J.T.C.M. Crepin, advocaat te Rotterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal F.W. Bleichrodt heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot nietigverklaring van de dagvaarding in hoger beroep.
2. Beoordeling van het middel
2.1.
Het middel klaagt over het oordeel van het Hof dat de dagvaarding in hoger beroep rechtsgeldig is betekend.
2.2.
Op de gronden die zijn vermeld in de conclusie van de Advocaat-Generaal is het middel terecht voorgesteld.
3. Slotsom
Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven en als volgt moet worden beslist.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt de bestreden uitspraak;
verklaart de dagvaarding in hoger beroep nietig.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en V. van den Brink, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P.J. Lugtenburg, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 3 april 2018.
Conclusie 13‑02‑2018
Inhoudsindicatie
Betekening appeldagvaarding. Achteraf vastgestelde onjuiste feitelijke grondslag op de grond dat BRP-adres verdachte in ID-staten SKDB waarvan Hof kennelijk is uitgegaan, niet overeenkomt met BRP-adres verdachte in ID-staat SKDB van latere datum. HR: Op de gronden die zijn vermeld in de CAG is het middel terecht voorgesteld. CAG: Appeldagvaarding is tevergeefs aangeboden op BRP-adres verdachte, zoals dat blijkt uit ID-staten SKDB van 23-11-2015, 10-12-2015 en 5-1-2016, en vervolgens ex art. 588.3.c Sv uitgereikt aan griffier met verzending van afschrift appeldagvaarding aan voornoemd adres. ID-staat SKDB van 29-4-2016 houdt in dat verdachte in desbetreffende periode in BRP stond ingeschreven op ander adres. Gelet op inhoud ID-staat SKDB d.d. 29-4-2016, rijst het ernstige vermoeden dat ‘s Hofs oordeel dat appeldagvaarding rechtsgeldig is betekend op een onjuiste feitelijke grondslag berust. HR verklaart dagvaarding in h.b. nietig.
Nr. 16/02910 Zitting: 13 februari 2018 | Mr. F.W. Bleichrodt Conclusie inzake: [verdachte] |
De verdachte is bij arrest van 1 februari 2016 door het gerechtshof Den Haag wegens "diefstal" veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee weken. Voorts heeft het gerechtshof de teruggave gelast van in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, en de tenuitvoerlegging gelast van twee voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraffen.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. Mr. J.T.C.M. Crepin, advocaat te Rotterdam, heeft een middel van cassatie voorgesteld.
Het middel klaagt over het oordeel van het hof dat de dagvaarding in hoger beroep rechtsgeldig is betekend.
De stukken van het geding houden, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:
(i) een appelakte van 17 november 2014, waarin als adres van de verdachte is opgegeven: [a-straat 1] te Dordrecht;
(ii) een dubbel van de dagvaarding van de verdachte om te verschijnen op de terechtzitting in hoger beroep van 18 januari 2016;
(iii) een akte van uitreiking inhoudende dat die dagvaarding, nadat deze op 1 december 2015 tevergeefs is aangeboden op het adres [b-straat 1] te Dordrecht omdat volgens mededeling van degene die zich op dat adres bevond, "de geadresseerde daar niet woont noch verblijft", na verificatie van het BRP-adres, op 10 december 2015 is uitgereikt aan de (waarnemend) griffier van de rechtbank, die op 10 december 2015 een afschrift heeft verzonden naar het voornoemde adres;
(iv) een akte van uitreiking inhoudende dat die dagvaarding, nadat de dagvaarding op 22 december 2015 tevergeefs is aangeboden op het adres [a-straat 1] te Dordrecht, een bericht van aankomst is achtergelaten en de appeldagvaarding, nadat de appeldagvaarding op het postkantoor niet is afgehaald, is retour gezonden naar de afzender, alwaar de dagvaarding op 5 januari 2016 is uitgereikt aan de (waarnemend) griffier van de rechtbank, die op 5 januari 2016 [overeenkomstig art. 588a Sv] een afschrift heeft verzonden naar het voornoemde adres.
(v) een drietal ID-staten SKDB van onderscheidenlijk 23 november 2015, 10 december 2015 en 5 januari 2016, inhoudende dat de verdachte met ingang van 1 september 2015 in de BRP staat ingeschreven op het adres [b-straat 1] te Dordrecht;
(vi) een ID-staat SKDB van 29 april 2016 inhoudende dat de verdachte van 21 november 2015 tot 25 februari 2016 stond ingeschreven op het adres Vredehof 9 te Dordrecht.
5. Het bestreden arrest is bij verstek gewezen. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 18 januari 2016 houdt in dat de verdachte aldaar niet is verschenen en dat als raadsman van de verdachte is verschenen mr. T.F.B. Veerman, advocaat te Rotterdam, die door de verdachte niet uitdrukkelijk is gemachtigd de verdediging te voeren. Voorts blijkt uit het proces-verbaal van sde terechtzitting dat het hof heeft geoordeeld dat de dagvaarding van de verdachte om te verschijnen op die terechtzitting is betekend overeenkomstig het bepaalde in art. 588, derde lid onder c, Sv en dat voorts ingevolge art. 588a Sv een afschrift van de dagvaarding is verzonden aan het adres [a-straat 1] te Dordrecht. Het hof heeft dit oordeel en de daaraan ten grondslag gelegde vaststelling dat van de verdachte ten tijde van de betekening van de dagvaarding in hoger beroep was ingeschreven op het adres [b-straat 1] te Dordrecht kennelijk gebaseerd op de vermelding daarvan in de hiervoor onder 4 (v) genoemde ID-staten SKDB.
6. Gelet op de inhoud van de - hiervoor onder 4 (vi) genoemde - ID-staten SKDB, rijst het ernstige vermoeden dat het oordeel van het hof dat de oproeping in hoger beroep rechtsgeldig is betekend op een onjuiste feitelijke grondslag berust. De Hoge Raad kan de oproeping voor de terechtzitting in hoger beroep om doelmatigheidsredenen zelf nietig verklaren.1.
7. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
8. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot nietigverklaring van de dagvaarding in hoger beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 13‑02‑2018