Einde inhoudsopgave
Het nationale budgetrecht en Europese integratie (SteR nr. 36) 2018/8.3.1
8.3.1 De betrokkenheid van het IMF
mr. S.P. Poppelaars, datum 01-01-2018
- Datum
01-01-2018
- Auteur
mr. S.P. Poppelaars
- JCDI
JCDI:ADS458905:1
- Vakgebied(en)
EU-recht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken II 2009/10, 21501-07, 701, p. 3.
Kamerstukken II 2009/10, 21501-07, 705, p. 7.
Kamerstukken II 2009/10, 21501-07, 701, p. 13.
Kamerstukken II 2009/10, 21501-07, 701, p. 17.
Kamerstukken II 2009/10, 21501-07, 697; Handelingen II 2009/10, 54, p. 4928.
Handelingen II 2009/10, 54, p. 4929.
Het kabinet Balkenende-IV kon geen overeenstemming bereiken over deelname van Nederland aan een militaire missie in de provincie Uruzgan in Afghanistan.
Kamerstukken II 2009/10, 21501-07, 703, p. 1.
Kamerstukken II 2009/10, 21501-07, 703, p. 1.
Kamerstukken II 2009/10, 21501-07, 703, p. 2.
Kamerstukken II 2009/10, 21501-07, 703, p. 2-3.
Kamerstukken II 2009/10, 21501-07, 703, p. 3.
Kamerstukken II 2009/10, 21501-07, 709.
Kamerstukken II 2009/10, 21501-07, 709, p. 1.
Kamerstukken II 2009/10, 21501-07, 709, p. 5.
Kamerstukken II 2009/10, 21501-07, 710; Handelingen II 2009/10, 81, p. 6920, 6932.
Kamerstukken II 2009/10, 21501-07, 709, p. 2.
Kamerstukken II 2009/10, 21501-07, 709, p. 4.
Handelingen II 2009/10, 81, onder meer p. 6891-6893.
Kamerstukken II 2009/10, 21501-07, 734, p. 7.
Handelingen II 2009/10, 21501-07, 82, p. 6957.
Kamerstukken II 2009/10, 21501-07, 734, p. 7.
Kamerstukken II 2009/10, 21501-07, 734, p. 8.
Kamerstukken II 2009/10, 21501-07, 734, onder meer p. 13.
Handelingen II 2009/10, 21501-07, 82, p. 6970.
Zie par. 9.8.
Een eerste discussiepunt dat in het parlement een grote rol speelde, was de betrokkenheid van het IMF bij die steunmechanismen. In de Tweede Kamer bestond grote overeenstemming over het nut van deelname van het IMF aan de Griekse leningen en bij het optuigen van het EFSM en de EFSF. Een van de taken van het IMF wereldwijd is immers om vergelijkbare steunoperaties te leiden, op het moment dat staten niet langer zelfstandig kunnen lenen op de financiële markten. Hulp via het IMF lag daarom volgens de Tweede Kamer het meest voor de hand. Veel andere Europese landen hadden echter een grote voorkeur voor een puur Europese oplossing. Zij wilden een soort Europees Monetair Fonds, omdat naar hun mening een Europees probleem een Europese oplossing verdiende.
Al tijdens een algemeen overleg van de vaste commissies voor Financiën en Europese Zaken op 11 februari 2010 kwam dit punt naar voren. De VVD was tijdens dit overleg bij monde van Tweede Kamerlid Weekers stellig:
‘Ik verwacht van de minister van Financiën de garantie dat Nederland op geen enkele manier bijdraagt aan een oplossing voor Griekenland anders dan […] steun als Griekenland bijvoorbeeld de hand wil ophouden bij het IMF. Dat is volgens de VVD-fractie de enige weg. Volgens mij zijn de afspraken die wij hebben gemaakt de laatste strohalm voor de geloofwaardigheid van de euro, te weten de “no bail out”-clausule. Deze houdt in dat de Europese Unie, maar ook andere eurolidstaten een euroland in dit soort situaties niet mogen helpen.’1
Ook andere fracties stelden zich op dit standpunt. SP-Kamerlid Irrgang formuleerde het tijdens een algemeen overleg op 11 maart 2010 als volgt:
‘De SP-fractie is geen voorstander van een Europees Monetair Fonds. Hiermee kan een eerste aanzet worden gegeven voor het uithollen van de soevereiniteit op het punt van de nationale begroting. [...] Het belangrijkste argument tegen de oprichting van een Europees Monetair Fonds is echter dat er al een instituut voor deze kwesties bestaat, namelijk het IMF. De oprichting van een Europees fonds is dus niet nodig.’2
Toenmalig minister van Financiën Bos (PvdA) sloot zich in een reactie op Weekers aan bij dit standpunt en had ook nadrukkelijk aandacht voor de positie van het parlement bij eventuele steunmaatregelen:
‘Ik ben het geheel met de heer Weekers en met anderen eens dat het IMF in een aantal opzichten de eerstaangewezen partij is om hulp te verlenen als dat aan de orde is. Daaraan voorafgaand zijn de Grieken zelf de eerstverantwoordelijke partij om vele redenen die de commissie vandaag heeft genoemd. Ik ben mij er goed van bewust dat de Nederlandse regering in dit opzicht geen commitments kan aangaan als die niet gedekt worden door het parlement. In dit stadium is er geen commitment en dat is ons ook niet gevraagd. Ik kan de Kamer wel toezeggen dat ik, zou die situatie zich voordoen, haar tijdig daarbij betrek zodat zij niet voor voldongen feiten komt te staan.’3
Tevens merkte Bos op dat de discussie in Europa een andere kant op leek te gaan:
‘De Nederlandse positie dat IMF-bemoeienis verstandig kan zijn, is niet populair in Europa. Een aantal andere lidstaten vindt ten principale dat Europa dit zelf op zou moeten lossen.’4
VVD-Kamerlid Weekers diende na deze reactie van de minister bij een plenair debat een motie in.5 Daarin verzocht hij de regering ‘op geen enkele wijze Nederlands belastinggeld te besteden aan een bail-out van Griekenland via een bilaterale oplossing’. Ook vroeg hij de regering om ‘te bevorderen dat Griekenland zo nodig de aangewezen weg van het IMF bewandelt’. In de overwegingen van de motie merkte Weekers verder op, in navolging van zijn opmerkingen zoals die hierboven zijn weergegeven, dat ‘de ”no bail out”clausule uit het Europees Verdrag het laatst overgebleven fundament is van de bepalingen die de geloofwaardigheid van de euro moeten waarborgen’ en dat ‘na het schenden van deze laatste bepaling de geloofwaardigheid van de euro met de huidige afspraken en instituties op geen enkele manier meer is te waarborgen’. De Tweede Kamer nam de motie met algemene stemmen aan.6
Ongeveer anderhalve week later viel het kabinet Balkenende-IV.7 De Jager (CDA) volgde Bos op als (demissionaire) minister van Financiën. Ook in de daaropvolgende regeerperiode van het kabinet-Rutte I, dat in oktober 2010 aantrad, was De Jager minister van Financiën.
Op 17 maart 2010 stuurde De Jager een brief naar de Kamer over eventuele steunmaatregelen voor Griekenland. De eurogroep was enkele dagen daarvoor bijeengekomen om te bespreken aan welke voorwaarden een dergelijke actie zou moeten voldoen. In de brief benadrukte De Jager dat ‘[n]och over de definitieve vormgeving, noch over het starten van gecoördineerde actie […] een besluit [is] genomen.’8 Ook beklemtoonde de minister van Financiën de terughoudendheid van de eurogroep bij het te hulp schieten van Griekenland:
‘Uitgangspunt van de eurogroep is dat een eventuele interventie nooit tot doel mag hebben om een lidstaat die onverantwoord budgettair beleid heeft gevoerd uit de brand te helpen, en dat een besluit tot interventie uitsluitend plaats zal vinden wanneer de financiële stabiliteit van het gehele eurogebied in gevaar dreigt te komen. Dat Griekenland de situatie zo uit de hand heeft laten lopen is volstrekt onacceptabel en het is volstrekt duidelijk dat Griekenland zelf verantwoordelijk is voor het snel en duurzaam op orde brengen van zijn overheidsfinanciën. Van cadeautjes voor Griekenland kan dan ook op geen enkele wijze sprake zijn. Een interventie in wat voor een vorm dan ook is alleen denkbaar als deze gepaard gaat met stevige beleidscondities en krachtige prikkels voor Griekenland om zich op de markt te financieren, op een dusdanige wijze dat de Nederlandse belastingbetaler niet opdraait voor de kosten van jarenlang wanbeleid in Griekenland. Tegelijkertijd heb ik als Minister van Financiën een duidelijke verantwoordelijkheid voor het bewaken van de financiële stabiliteit van Nederland. U mag van mij verwachten dat we voorbereid zijn op het nemen van actie, indien nodig, om de financiele stabiliteit van Nederland te waarborgen.’9
Verder liet De Jager de Tweede Kamer weten dat hij rekening hield met zijn demissionaire positie:
‘Ik wil benadrukken dat ik in Europa uitdrukkelijk heb gewezen op de demissionaire status van het kabinet. In de huidige omstandigheden kan en wil het kabinet niet instemmen met plannen die niet de steun hebben van het parlement. Daarom maken wij als [k]abinet richting Europa een parlementair voorbehoud.’10
In de brief ging De Jager ook in op de betrokkenheid van het IMF bij een mogelijke steunoperatie voor Griekenland:
‘Nederland heeft zich – in lijn met de wens van de Tweede Kamer – steeds sterk ingezet voor financiële betrokkenheid van het IMF. Daar zijn legitieme redenen voor. Het IMF heeft in de loop der tijd een enorme expertise opgebouwd met het ondersteunen van landen in financiële problemen. Daarnaast heeft het IMF ook een goede trackrecord opgebouwd bij het afdwingen en bewaken van voortgang van hervormingen die nodig zijn om een land weer op eigen benen te laten staan. Er zijn echter ook landen en instellingen (Europese Commissie en ECB) die grote problemen hebben met een financiële betrokkenheid van het IMF. Zij zien de problemen van Griekenland primair als een probleem van het eurogebied en vinden dat daarom een oplossing moet worden gevonden in de context van de eurogroep. Daarnaast hebben zij er grote moeite mee als IMF betrokkenheid zou leiden tot aanbevelingen die strijdig zijn met de Europese kaders. Denk hierbij bijvoorbeeld aan aanwijzingen voor het monetair beleid van de ECB of aanbevelingen die op gespannen voet kunnen staan met de buitensporig tekortprocedure. [...] De realiteit is dat tot op heden in de eurogroep nagenoeg geen steun is gebleken voor een financiële betrokkenheid van het IMF, ondanks herhaaldelijk aandringen van Nederland.’11
Ook achtte de minister het simpelweg niet mogelijk dat uitsluitend het IMF hulp zou bieden:
‘[…] [H]et [is] van belang om te vermelden dat het IMF nooit een volledige oplossing zou kunnen bieden. Er wordt in de praktijk namelijk een bovengrens gehanteerd aan de steun die het IMF aan een land kan geven, die altijd gerelateerd is aan het quota-aandeel van dat land bij het IMF. Het IMF zal nooit accepteren dat het de volledige financiering voor eigen rekening moet nemen. Bij eerdere interventies in EU-landen (Letland, Hongarije, Roemenië) kwam een zeer substantieel deel van de steun uit de regio zelf, namelijk via de Europese Commissie of via bilaterale bijdragen van andere landen. Mocht de financiële stabiliteit in het geding komen, dan zouden er dus hoe dan ook financiële middelen uit het eurogebied moeten komen.’12
Anderhalve maand later volgde de instemming met het Griekse verzoek om hulp. De minister van Financiën stuurde op 3 mei 2010, een dag na het officiele besluit, een brief naar de Tweede Kamer.13 Hierin werd de Kamer geïnformeerd over de afspraken en werd haar toestemming gevraagd voor het verstrekken van leningen door Nederland aan Griekenland, als onderdeel van het gezamenlijke steunpakket van het IMF en de eurolanden.14 De minister benadrukte in de brief de positie van het parlement hierbij:
‘Dat de Eurogroep zijn vertrouwen heeft uitgesproken in het MoU [Memorandum of Understanding, SP] die het IMF, de Commissie en de ECB zijn overeengekomen met de Griekse regering, betekent niet dat ik definitief heb ingestemd met Nederlandse deelname aan de interventie in Griekenland. Deze beslissing is aan het parlement.’15
Dat de Tweede Kamer goedkeuring verleende, bleek uit het verwerpen van een motie waarin de regering werd opgeroepen om niet akkoord te gaan met de steun.16
Onderdeel van het besluit om Griekenland steun te bieden, was de betrokkenheid van het IMF daarbij. De brief van de minister van 3 mei 2010 schetste hoe steeds meer landen overtuigd raakten van dit idee, hoewel veel Europese staten hier in eerste instantie fel tegen gekant waren.17 De Kamer leek daarmee dus haar zin te krijgen. Tegelijkertijd stelden de eurolanden in totaal 80 miljard euro aan leningen beschikbaar, met een Nederlands aandeel van 4,7 miljard naar de ECB-verdeelsleutel.18 De betrokkenheid van de eurolanden was dus ook groot. De Kamer ging daar echter mee akkoord. Eerder was immers gebleken dat een volledige oplossing door het IMF niet haalbaar was. Om te onderstrepen wat was binnengehaald, benadrukte de Kamer in het debat over de steun aan Griekenland met name de strenge controle die het IMF op de naleving van de voorwaarden voor de steun zou gaan uitoefenen.19
Slechts enkele dagen na het debat over de leningen aan Griekenland bleek die steun echter al onvoldoende. De kapitaalmarkten dreigden snel het vertrouwen te verliezen in de financiële stabiliteit van een aantal andere eurolanden. Het gevaar van besmetting was groot. Een Europees noodfonds met een waarde van 750 miljard euro werd daarom opgetuigd, zoals hierboven besproken, bestaande uit het communautaire EFSM (60 miljard), de intergouvernementele EFSF (440 miljard) en een deel vanuit het IMF (250 miljard).
Verschillende Kamerleden plaatsten vraagtekens bij de korte periode die zat tussen het besluit tot steun aan Griekenland en de instelling van de Europese noodfondsen. Zo stelde VVD-Kamerlid Weekers tijdens een algemeen overleg van de vaste commissies voor Financiën en Europese Zaken over de Europese noodfondsen:
‘Wij hebben afgelopen vrijdag de hele dag gedebatteerd met deze minister van Financiën over een reddingsplan voor Griekenland. [...] De bedoeling van het pakket was om ervoor te zorgen dat het Griekse virus, de Griekse ziekte, zich niet verder zou verspreiden. Er is vervolgens nog geen weekend overheen gegaan of er moest kennelijk opnieuw worden ingegrepen. [...] Inmiddels zitten wij weer bij elkaar en praten wij over een veel groter pakket.’20
Ook tijdens het plenaire debat over de Europese noodfondsen uitte Weekers zijn frustratie hierover:
‘Vijf dagen geleden stonden wij op deze plaats om het noodpakket voor Griekenland te bespreken. [...] De dagsluiting was nog niet geweest of het bleek noodzakelijk om weer een nieuwe reddingsboei te ontwerpen en uit te werpen [...].’21
Verder merkte hij op:
‘Kijkend naar dat pakket, komt het op mij over alsof wij weer onder protest ja zullen moeten zeggen omdat er feitelijk geen keuze is. […] De vraag is vervolgens […] of dat wel genoeg is.’22
En:
‘Ik denk dat wij vrijdag of vannacht ergens een grens over zijn gegaan, zonder dat wij weten waarop wij afkoersen.’23
Bij het debat over de instelling van de Europese noodfondsen speelde de betrokkenheid van het IMF opnieuw een rol. De angst leefde bij sommige partijen dat met name met het communautaire EFSM toch een soort Europees Monetair Fonds werd gecreëerd.24 De betrokkenheid van het IMF werd dan ook veelvuldig benadrukt, net zoals eerder bij het debat over de steun aan Griekenland.25
De debatten die in de Tweede Kamer zijn gevoerd over de steun aan Griekenland en de oprichting van de Europese noodfondsen laten zien dat de Kamer van begin af aan een duidelijke inzet voor ogen had: de betrokkenheid van het IMF bij deze steunoperaties. Ondanks eerdere tegenstand in andere Europese landen, werd deze route in beide gevallen gevolgd. Het IMF verleende de steun weliswaar onder de voorwaarde van grote betrokkenheid van de eurolanden, maar op dat moment was duidelijk geworden dat het IMF nooit maatregelen zou nemen zonder die steun uit de regio. De Kamer zag daarmee haar standpunt zo veel mogelijk verwezenlijkt. Deze discussie is in het bijzonder interessant, gelet op het feit dat sinds begin 2017 opnieuw wordt gesproken over de eventuele oprichting van een Europees Monetair Fonds.26