Executele
Einde inhoudsopgave
Executele (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel recht) 2007/III.C.6.1:III.C.6.1 Geen verkrijging, wel een verplichting, art. 4:130 lid 2 BW
Executele (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel recht) 2007/III.C.6.1
III.C.6.1 Geen verkrijging, wel een verplichting, art. 4:130 lid 2 BW
Documentgegevens:
Prof.mr. B.M.E.M. Schols, datum 07-12-2007
- Datum
07-12-2007
- Auteur
Prof.mr. B.M.E.M. Schols
- JCDI
JCDI:ADS403778:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De bevoegdheden van de executeur binnen het systeem van de wettelijke regeling van de executele kunnen in beginsel niet worden uitgebreid. Men kan de op de quasi-overeenkomst van lastgeving gebaseerde bevoegdheden van de executeur wel uitbreiden via testamentaire lasten. Deze mogelijkheidblijkt expliciet uit de eerste volzin van art. 4:130 lid 2 BW:
'Een testamentaire last kan ook worden opgelegd aan een executeur'.
Ook art. 4:144 BW maakt hier gewag van:
'Onverminderd de testamentaire lasten die de erflater aan de executeur mocht hebben opgelegd, heeft deze (...) tot taak (...)'.
Dat het uitbreiden van de bevoegdheden van de executeur via het instituut van de testamentaire lasten moet lopen heeft te maken met het feit dat legitimarissen niet hoeven te dulden dat zij hun legitieme onder bezwaar van een last verkrijgen (art. 4:72 BWen 4:73 BW). Op de uitbreiding van de bevoegdheden via de testamentaire last zal hierna in Hfdst.V. nog ingegaan worden bij de mogelijkheden om de opdracht van de executeur uit te breiden.
De verplichting op grond van de testamentaire last rust niet alleen op de executeur, maar mede op de gezamenlijke erfgenamen, tenzij uit haar aard of de uiterste wil iets anders voortvloeit (art. 4:130 lid 2 BW). Erflater doet er verstandig aan om uitdrukkelijk in zijn uiterste wilsbeschikking te bepalen ofde desbetreffende last al dan niet mede op de gezamenlijke erfgenamen rust. Bij 'tenzij uit haar aardiets anders voortvloeit' zal gedacht moeten worden aan de verplichtingen die uitsluitend door de betrokken executeur persoonlijk verricht kunnen worden.
In de parlementaire geschiedenis wordt het feit dat de verplichting in beginsel ook op de gezamenlijke erfgenamen rust, als volgt toegelicht:1
'Ook de verplichtingen die een erflater bij uiterste wil verklaart op te leggen aan een door hem benoemd executeur, kunnen van zeer verschillende aard zijn. Voor zover zij strekken tot een uitgave in geldof goedbeoogt hij gewoonlijk dat deze uitgave door de executeur uit de nalatenschap zal worden bekostigd. Het zal voorts van de aard van de verplichting en de bedoeling van de erflater afhangen, wat er moet geschieden, wanneer een executeur ontbreekt doordat de benoemde persoon is vooroverleden of zijn functie niet aanvaardt, wanneer de executeur (... ) defungeert voordat hij de hem opgelegde verplichting heeft vervuld, of wanneer zijn beheer van de nalatenschap eindigt voordat hij de verplichting heeft vervuld. In vele gevallen zal het niet met de bedoeling van erflater stroken dat daarmede de verplichting geheel vervalt.'
Indien erflater de executeur, ter voorkoming van twist tussen de erfgenamen, de last heeft opgelegd om de gehele inboedel of alle registergoederen te verkopen, komt meteen de vraag op in hoeverre de executeur hiertoe bevoegd is. Deze vraag is ook in de parlementaire geschiedenis aan de orde gesteld. De minister is van mening dat de frase in art. 4:144 lid 1 BW 'onverminderd de testamentaire lasten die de erflater aan de executeur mocht hebben opgelegd' voldoende tot uitdrukking brengt, dat aan de executeur alle bevoegdheden toekomen welke hij tot het volvoeren van de last behoeft.2 De executeur is derhalve bevoegd (en verplicht) tot vervreemding van de desbetreffende zaken over te gaan. Hoe dienen deze bevoegdheden geduid te worden? De erflater heeft immers alleen verplichtingen opgelegd. Mijns inziens kan de betreffende uiterste wilsbeschikking als het instellen van een afwikkelingsbe-windgezien worden, waarbij stilzwijgendde bevoegdheden op maat gesneden zijn als bedoeld in art. 4:171 BW. Het belang van deze constatering is dat een verkrijging van een erfgenaam ook als inferieur aangemerkt kan worden, ook als de testamentaire last niet op de erfgenaam rust, doch slechts op de legitimaris. Anders Kraan3 die er van uitgaat dat een last die niet op de erfgenaam rust jegens hem niet als inferieur aangemerkt kan worden.
Men dient zich bij het uitbreiden van de bevoegdheden van de executeur via testamentaire lasten steeds te realiseren dat de legitimaris tevens erfgenaam of legitimaris tevens legataris in dat geval de nalatenschap of het legaat kan verwerpen, zonder dat de waarde daarvan in mindering op zijn legitieme portie komt (art. 4:72 en 4:73 BW). Dit tast de vervreemdingsbevoegdheid van de executeur echter niet aan, aangezien de legitieme dan slechts een geldaanspraak is en geen recht op goederen.
Een veel voorkomende last die in de praktijk aan de executeur 'boven' op of in de plaats van zijn wettelijke taak zal worden opgelegd, is het regelen van de lijkbezorging, waarover in de volgende paragraaf meer.