Einde inhoudsopgave
Rechtsgevolgen van stille cessie (O&R nr. 65) 2011/1.7
1.7 Nadere afbakening van het onderzoek
J.W.A. Biemans, datum 01-07-2011
- Datum
01-07-2011
- Auteur
J.W.A. Biemans
- JCDI
JCDI:ADS590625:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Verbintenissenrecht / Algemeen
Verbintenissenrecht / Overgang en tenietgaan verbintenissen
Voetnoten
Voetnoten
Dergelijke vorderingen zijn veelal naar hun aard niet vatbaar voor overdracht.
Vorderingen uit obligatieleningen blijven derhalve buiten beschouwing; obligaties op naam komen in Nederland zelden voor. Zie Horsten 1999, p. 44. Het aan vorderingen verbonden stemrecht en de vergadering van obligatiehouders blijven in deze studie om die reden ook buiten beschouwing. Vgl. o.a. Horsten 1999; en Croiset van Uchelen 2007.
Zie over het faillissement van de stille cedent: Biemans 2008; en over derdenbeslag en stille cessie: Biemans 2010a.
Ook kan de populariteit van dergelijke rechtsfiguren afnemen. Zie bijvoorbeeld Salomons & Van 't Westeinde 2008, p. 453, die schrijven: 'Adieu securitisation, welkom covered bonds'. Vgl. echter Neil Unmack, 'Securitisatie lijkt weer terug' NRC Handelsblad 15 september 2010 (Economie), p. 16.
Ook de wijziging van de regeling van de financiëlezekerheidsovereenkomsten (art. 7:51 e.v. BW), waardoor de stille cessie tot zekerheid van kredietvorderingen mogelijk wordt, blijft buiten beschouwing. Zie Richtlijn 2009/44/EG van 6 mei 2009 tot wijziging van Richtlijn 98/26/EG betreffende het definitieve karakter van de afwikkeling van betalingen en effectentransacties in betalings- en afwikkelingssystemen en Richtlijn 2007/47/EG betreffende financiëlezekerheidsovereenkomsten wat gekoppelde systemen en kredietvorderingen betreft, PbEU 10 juni 2009, L 146/37; en voor de implementatie, Kamerstukken nr. 32 457. Zie nader Beekhoven van den Boezem & Bergervoet 2011, p. 48 e.v.
Zie Wiarda 1937, hoofdstuk 1. Zie ook o.a. Luig 1966; Verhagen & Haazen 2002; en Van den Nieuwenhuijzen 2009. Vgl. voor het Europese recht en het Schotse recht, Anderson 2008, hoofdstuk 4 respectievelijk hoofdstuk 5.
Zie o.a. Anderson & Biemans 2012 (aankomend). Het rechtsvergelijkend onderzoek heeft onder meer plaatsgevonden aan de University of Edinburgh, Schotland, in 2007, en is mede mogelijk gemaakt behulp van een Reisbeurs van De Jonge Akademie van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen. Zie voor het Schotse recht met name, Anderson 2008; en Nienaber & Gretton 2004, p. 787-818.
8. De vereisten voor de stille cessie blijven in dit onderzoek buiten beschouwing.
Het onderzoek beperkt zich tot de rechtsgevolgen van stille cessie van geldvorderingen en vorderingen tot overdracht van een goed. Vorderingen op naam die tot een andere soort prestatie verplichten, bijvoorbeeld tot het verlenen van een dienst, komen niet aan bod.1 Hetzelfde geldt voor vorderingen aan toonder of aan order.2 Het onderzoek beperkt zich voorts tot de rechtsgevolgen tussen de cedent, de cessionaris en de debitor cessus. De samenloop van de gevolgen van de stille cessie met de gevolgen van een tweede levering ('dubbele levering') of de gevolgen van andere rechtsfiguren zoals een beperkt recht of een beslag op, of de onderbewindstelling van de stil gecedeerde vordering of het faillissement van de stille cedent vallen eveneens buiten de reikwijdte van dit onderzoek.3
Ook de rechtsfiguren uit de praktijk die de aanleiding zijn geweest voor de invoering van de stille cessie, zoals securitisation en factoring, blijven in deze studie buiten beschouwing. Het toepassingsbereik van de regeling van de stille cessie is niet beperkt tot een bepaalde rechtsfiguur.4 De regeling inzake de stille cessie is algemeen. Dienovereenkomstig dient ook de behandeling daarvan als zodanig plaats te vinden.5
Op de rechtshistorische aspecten van de cessie wordt in deze studie evenmin ingegaan. Kortheidshalve zij verwezen naar de uitstekende studie van Wiarda daarover.6
Bevindingen omtrent rechtsvergelijking met de Draft Common Frame of Reference (DCFR), de Principles of European Contract Law (PECL) en het Schotse recht worden omwille van de omvang afzonderlijk gepubliceerd.7 Hetzelfde geldt voor de meer theoretische beschouwingen die aan deze studie ten grondslag liggen.