Heffingsmethoden, een valse dichotomie?
Einde inhoudsopgave
Heffingsmethoden, een valse dichotomie? (FM nr. 156) 2019/5.4:5.4 Analyse
Heffingsmethoden, een valse dichotomie? (FM nr. 156) 2019/5.4
5.4 Analyse
Documentgegevens:
Dr. H.M. Roose, datum 01-04-2019
- Datum
01-04-2019
- Auteur
Dr. H.M. Roose
- JCDI
JCDI:ADS443547:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Inkomstenbelasting / Algemeen
Vennootschapsbelasting / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Wittgenstein, 1984, p. 276 e.v.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Dit deelonderzoek richtte zich op de deelvraag welke heffingstechnieken in het buitenland worden toegepast en in hoeverre die vergelijkbaar zijn met de in Nederland toegepaste aangifte- en aanslagbelasting. Het doel van het onderzoek is om meer kennis te verkrijgen van die technieken. Die kennis is van belang voor het deelonderzoek naar de vraag waarom wordt besloten tot een omzetting van een heffingsmethoden, waaronder het buitenland (hoofdstuk 6). Het betrof om die reden een onderzoek op hoofdlijnen.
De in het buitenland toegepaste heffingstechnieken worden in de regel aangeduid als ‘direct/administrative assessment’ en ‘self-assessment’. Voor zover al kan worden gesproken over uniforme technieken (zie hierna) geldt dat – net als in Nederland het geval (zie hoofdstuk 3) – het moment waarop het toezicht plaatsvindt, onderscheidend is. Bij ‘direct/administrative assessment’ is dat in de regel vooraf. Vergelijkbaar met de Nederlandse aanslagbelasting wordt bij deze techniek ook een ‘assessment’ (een aanslag) vastgesteld. Bij ‘self-assessment’ vindt het toezicht in principe achteraf plaats en volgt er – uitzonderingen daargelaten – geen ‘assessment’. Belastingplichtigen worden bij deze heffingstechniek dus in principe niet door hun belastingdienst geïnformeerd over de hoogte van hun fiscale verplichtingen. Dit is een soort eigen taak voor belastingplichtigen. Op de andere kernelementen zijn de onderlinge verschillen tussen beide heffingstechnieken veel minder manifest. Zo moeten belastingplichtigen bij beide technieken gewoonlijk een aangifte indienen. Voor het kernelement boeten geldt dat ik te weinig informatie heb kunnen vinden om voldoende onderbouwde uitspraken te kunnen doen over eventuele onderlinge verschillen. Daar is vervolgonderzoek voor nodig. Gelet op de uitkomsten van mijn onderzoek naar de onderlinge vergelijkbaarheid van de Nederlandse heffingsmethoden verwacht ik dat een dergelijk onderzoek zal leiden tot een precisering en waarschijnlijk ook een nuancering van de geconstateerde onderlinge verschillen.
Het onderzoek leert verder dat er binnen ‘direct/administrative assessment’ en ‘self-assessment’ verschillen tussen landen bestaan. Dit betreft onder andere de mogelijkheid om de Belastingdienst te laten uitrekenen en schriftelijk te laten mededelen welk bedrag aan belasting is verschuldigd in het geval van ‘self-assessment’. Daarnaast zijn er onderlinge verschillen waarneembaar ten aanzien van de termijnen waarbinnen het toezicht moet plaatsvinden. Om die reden ben ik van mening dat er niet kan worden gesproken van twee heffingstechnieken waarbij sprake is van mondiale uniformiteit. In mijn ogen moet, in aansluiting bij de theorie van de ‘familiegelijkenissen’ van de filosoof Ludwig Wittgenstein, worden gesproken van groepen van heffingstechnieken. Wittgenstein beargumenteerde namelijk dat bepaalde begrippen soms eigenschappen met elkaar gemeen kunnen hebben, zonder dat er één eigenschap is die ze allemaal gemeen hebben. Twee familieleden kunnen bijvoorbeeld bepaalde eigenschappen hebben, zonder dat er één eigenschap is die gelijk is voor de hele familie. Voor de familiegelijkenissen van Wittgenstein geldt dat ze niet transitief zijn. Dat wil zeggen dat als A op B lijkt en B lijkt op C, dit niet per definitie wil zeggen dat A ook op C lijkt. Zo ontstaat een netwerk van gelijkenissen en in dat netwerk zijn families te onderscheiden die bestaan uit verschillende kernelementen met onderlinge gelijkenissen. Wat de exacte grens is van die families is echter niet duidelijk of scherp aan te geven.1 Dit betreft een zogenoemd afbakenings-, of demarcatieprobleem. Een strikt onderscheid tussen die technieken ontbreekt. Daarom plaats ik deze op een continuüm. Het ene uiterste daarvan wordt gevormd door de zuivere theoretische vorm waarbij de belastingdienst de belastingschuld formaliseert. Het toezicht vindt hierbij volledig vooraf plaats. De belastingplichtige kan dan enkel achteraf bezwaar maken tegen de geformaliseerde belastingschuld. Het andere uiterste betreft de vorm waarbij de belastingplichtige de belastingschuld formaliseert, waardoor het toezicht door de belastingdienst volledig achteraf plaatsvindt. De groep van heffingstechnieken die vooral kenmerken heeft van de eerste vorm duid ik aan als 'direct/administrative assessment'. De Nederlandse methode ‘heffing bij wege van aanslag’ kan tot deze groep worden gerekend. De andere groep, waar ook ‘heffing bij wege van voldoening en afdracht op aangifte’ onderdeel van is, betreft dan 'self-assessment'.