Dit is een fictieve naam, die niet overeenkomt met de werkelijke naam van enige partij in de procedure.
HvJ EU, 04-12-2025, nr. C-440/25
ECLI:EU:C:2025:939
- Instantie
Hof van Justitie van de Europese Unie
- Datum
04-12-2025
- Zaaknummer
C-440/25
- Conclusie
T. ćapeta
- Roepnaam
Ebilum
- Vakgebied(en)
EU-recht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:EU:C:2025:939, Conclusie, Hof van Justitie van de Europese Unie, 04‑12‑2025
Conclusie 04‑12‑2025
Inhoudsindicatie
Prejudiciële verwijzing — Asielbeleid — Internationale bescherming — Gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van de internationale bescherming — Recht op een doeltreffende voorziening in rechte — Volledig en ex nunc onderzoek — Beroep tegen een beslissing houdende afwijzing van een verzoek om internationale bescherming — Bevoegdheid van rechters in eerste aanleg om een beslissing te nemen over de gegrondheid van een verzoek — Begrip ‘gegronde vrees voor vervolging’ — Redelijke mate van waarschijnlijkheid van vervolging
T. ćapeta
Partij(en)
Zaak C-440/25 [Ebilum i.]1.
PM,
QN,
RM,
SM,
TM,
UM,
VM,
WM
tegen
Minister van Asiel en Migratie
[verzoek van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle (Nederland), om een prejudiciële beslissing]
I. Inleiding
1.
Het onderhavige verzoek om een prejudiciële beslissing van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle (Nederland), de verwijzende rechter, betreft een verzoek om uitlegging van zowel de procedurerichtlijn2. als de kwalificatierichtlijn3..
2.
Zoals gevraagd door het Hof van Justitie, richt de onderhavige conclusie zich echter uitsluitend op de uitlegging van het begrip ‘gegronde vrees voor vervolging’ als bedoeld in de definitie van ‘vluchteling’ in artikel 2, onder d), van de kwalificatierichtlijn.
II. Hoofdgeding, prejudiciële vragen en procedure bij het Hof
3.
Een gezin uit de Koerdische regio van Irak, bestaande uit een moeder, een vader en hun drie dochters (de verzoekers in het hoofdgeding; hierna: ‘verzoekers’), heeft in Nederland asiel aangevraagd bij de Minister van Asiel en Migratie (hierna: ‘minister’), de verweerder in het hoofdgeding.
4.
Als redenen voor hun asielaanvraag noemden verzoekers onder meer problemen met hun buurman, en angst voor bloedwraak en gedwongen uithuwelijking van hun dochters, vrees dat hun dochters zouden worden onderworpen aan vrouwenbesnijdenis, en het feit dat hun dochters zich vereenzelvigden met de fundamentele waarde van gelijkheid tussen vrouwen en mannen.
5.
Volgens het verzoek om een prejudiciële beslissing loopt de asielprocedure sinds 2017.
6.
Bij besluiten van 11 september 2023 (hierna: ‘bestreden besluiten’) heeft de minister de asielverzoeken van verzoekers afgewezen als kennelijk ongegrond, omdat de verklaringen van verzoekers niet geloofwaardig waren.
7.
Verzoekers hebben tegen die besluiten beroep ingesteld bij de verwijzende rechter.
8.
Die rechter heeft het beroep op 26 maart 2024 ter zitting behandeld en op 30 april 2024 beslist om het onderzoek te heropenen nadat het Hof had aangekondigd dat het zijn arrest in de zaak K en L4.zou wijzen.
9.
Naar aanleiding van dat arrest heeft de minister een aanvullende zitting gehouden voor verzoekers. Bij zijn aanvullende besluiten van 25 februari 2025 (hierna: ‘aanvullende besluiten’) heeft de minister de afwijzing van de asielverzoeken gehandhaafd. Daarbij heeft hij echter aanvullende gronden voor de afwijzing aangevoerd, die betrekking hadden op de vermeende vrees van verzoekers voor vrouwenbesnijdenis, vrees voor uithuwelijking en vereenzelviging met de fundamentele waarde van gelijkheid tussen vrouwen en mannen.
10.
Naar aanleiding van die aanvullende besluiten hebben verzoekers hun beroep bij de verwijzende rechter gewijzigd en aanvullende gronden voor hun beroep aangevoerd op basis van de aanvullende redenen van de minister voor de afwijzing van hun asielverzoeken.
11.
Op 12 juni 2025, tijdens de procedure voor de verwijzende rechter, heeft de minister de aanvullende besluiten ingetrokken en daarbij geen verdere toelichting gegeven, behalve dat hij meer tijd nodig had voor onderzoek naar de gevolgen van het arrest K en L en de wetgeving die naar aanleiding van dat arrest was aangenomen. Hij verklaarde dat verzoekers in Nederland mochten blijven in afwachting van nieuwe besluiten.
12.
Verzoekers wilden niet wachten op de nieuwe besluiten van de minister en verzochten de verwijzende rechter om hun beroep inhoudelijk te behandelen en te beoordelen, daarbij verwijzend naar de aanzienlijke stress en mentale impact die de langdurige procedure bij hen en met name bij de drie dochters heeft veroorzaakt.
13.
Ten eerste voerden verzoekers aan dat de drie dochters zich oprecht vereenzelvigen met de fundamentele waarde van gelijkheid tussen vrouwen en mannen en dat zij, indien zij naar hun land van herkomst zouden terugkeren, als anders zouden worden beschouwd en daarom aan vervolging zouden kunnen worden blootgesteld.
14.
Volgens de minister was dat argument niet aannemelijk omdat de drie dochters niet hadden aangetoond dat hun vereenzelviging met een bepaalde sociale groep van fundamenteel belang was voor hun identiteit.
15.
De verwijzende rechter is het niet eens met die stelling en is onder meer van oordeel dat het argument van de minister berust op een onjuiste uitlegging van het arrest K en L.
16.
Ten tweede voerden verzoekers aan dat zij vrezen voor vervolging indien zij naar hun land van herkomst terugkeren, omdat zij behoren tot een familie of clan waar vrouwen worden uitgehuwelijkt en als ongelijkwaardig aan mannen worden beschouwd, en waar zij kunnen worden vermoord als zij het niet eens zijn met hun echtgenoten.
17.
De minister vond hun vrees ongegrond omdat hij in wezen van mening was dat de ouders van de drie dochters ruimdenkend waren.
18.
De verwijzende rechter is het opnieuw oneens met de minister. Volgens die rechter heeft de minister onvoldoende onderbouwd waarom er voor de drie dochters — als zij zich daadwerkelijk vereenzelvigen met de fundamentele waarde van gelijkheid tussen vrouwen en mannen — geen sprake zou zijn van een gegronde vrees voor vervolging bij hun terugkeer naar Irak. In dat verband is de verwijzende rechter van oordeel dat het criterium van een redelijke mate van waarschijnlijkheid van vervolging, zoals dat eerder door de minister is toegepast, moet worden beoordeeld vanuit het perspectief van een ‘nuchter en redelijk persoon’.
19.
Ten derde had de minister het asielverzoek van verzoekers afgewezen voor zover het betrekking had op hun vermeende problemen met een buurman en hun vrees voor bloedwraak en uithuwelijking, omdat hij van mening was dat sommige verklaringen van de vader in dat verband tegenstrijdig waren.
20.
Verzoekers voeren aan dat hun vader ondanks de diepgaande gehoren met hem onvoldoende gelegenheid heeft gehad om tijdens een gehoor de vermeende inconsistenties te weerleggen.
21.
De verwijzende rechter merkt op dat, hoewel de inconsistenties in de verklaringen van de vader niet worden betwist, tegenstrijdigheden op zich niet automatisch de geloofwaardigheid van zijn verklaringen ondermijnen. Dit wordt volgens die rechter ondersteund door het feit dat de verklaringen van de moeder over de problemen met de buurman kunnen worden gebruikt om de verklaringen van de vader te bevestigen.
22.
Op basis van het voorgaande acht de verwijzende rechter zich voldoende geïnformeerd om zich uit te spreken over de geloofwaardigheid van het asielrelaas van verzoekers, dat hij geloofwaardig acht. De bestaande rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Nederland) staat de verwijzende rechter evenwel niet toe zelf de gegrondheid van een asielverzoek te onderzoeken.
23.
Om die reden heeft de verwijzende rechter twijfels over de verenigbaarheid van de bestaande rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State met de kwalificatierichtlijn en de procedurerichtlijn.
24.
De verwijzende rechter merkt op dat wanneer een nationale rechter bij de behandeling van een beroep tegen een beslissing tot afwijzing van een asielverzoek van oordeel is dat hij over alle nodige feitelijke en juridische gegevens ter zake beschikt, die nationale rechter volgens vaste rechtspraak van het Hof de bevoegdheid heeft om, na afloop van een volledig en ex nunc onderzoek, een bindende uitspraak te doen over de vraag of de persoon die dat beroep heeft ingesteld, voldoet aan de in de kwalificatierichtlijn vastgestelde voorwaarden om internationale bescherming te krijgen. De beslissing die die rechter in dat verband neemt, is vervolgens bindend voor de bevoegde autoriteit bij de beslissing over asielverzoeken.
25.
Voorts is de verwijzende rechter van oordeel dat de term ‘gegronde vrees’ moet worden uitgelegd als een ‘redelijke mate van waarschijnlijkheid’ of een ‘redelijke kans’ op vervolging en dat daarbij als doorslaggevend criterium kan worden gehanteerd of, vanuit het perspectief van een nuchter en redelijk persoon in de positie van de asielzoeker, een terugkeer naar het land van herkomst onredelijk lijkt na afweging van alle bekende omstandigheden.
26.
In die omstandigheden heeft de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, de behandeling van de zaak geschorst en het Hof van Justitie de volgende prejudiciële vragen gesteld:
- ‘1)
Kan de rechtbank aan artikel 46, derde lid, van [de procedurerichtlijn], al dan niet in samenhang bezien met artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU, dan wel aan enige andere bepaling of beginsel van EU-recht, de bevoegdheid ontlenen om een eigen oordeel over de geloofwaardigheid van een asielrelaas te geven, dat in de plaats treedt van het oordeel dat de minister heeft gegeven?
- 2)
Kan de rechtbank aan een van voornoemde bepalingen de bevoegdheid ontlenen om aan de hand van de door de minister geloofwaardig geachte onderdelen van het asielrelaas en, zo het antwoord op vraag 1 bevestigend is, de onderdelen van het asielrelaas die de rechtbank daarenboven geloofwaardig acht, een inhoudelijk en definitief oordeel te geven over het verzoek om internationale bescherming? Mag de rechtbank daarbij haar eigen oordeel over de aannemelijkheid van de vrees voor vervolging of het reële risico op ernstige schade in de plaats stellen van dat van de minister, met name als de rechtbank zich tegen de achtergrond van beschikbare voor het publiek toegankelijke landeninformatie voldoende geïnformeerd acht om een dergelijk oordeel te geven?
- 3)
Kan de nationale rechtspraak, bijvoorbeeld op grond van de procedurele autonomie, de bevoegdheden als bedoeld onder vragen 1 en 2 inperken, in die zin dat die bevoegdheden alsnog exclusief aan de minister worden toebedeeld?
- 4)
Mag de rechtbank informatie die in beroep naar voren is gebracht, maar in de bestuurlijke fase nog niet beschikbaar was, betrekken bij het oordeel over de vraag of hij over genoeg informatie beschikt om een inhoudelijk oordeel te geven? Is daarbij relevant of partijen schriftelijk, dan wel ter zitting zich volledig over de feiten hebben kunnen uitlaten?
- 5)
Dient onder ‘gegronde vrees’ als bedoeld in artikel 2 sub d van [de kwalificatierichtlijn] te worden verstaan de situatie dat sprake is van een redelijke mate van waarschijnlijkheid dat bij terugkeer de asielzoeker zal worden vervolgd? Dient die redelijke mate van waarschijnlijkheid te worden ingevuld aan de hand van het criterium van een ‘nuchter en redelijk persoon’, waarbij doorslaggevend is of vanuit het perspectief van een nuchter en redelijk persoon in de positie van de asielzoeker, een terugkeer naar het thuisland onredelijk lijkt na afweging van alle bekende omstandigheden? Zo niet, welk criterium dient dan te worden gehanteerd?’
27.
De verwijzende rechter heeft verzocht om de onderhavige zaak te behandelen volgens de spoedprocedure van artikel 107 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof of volgens de versnelde procedure van artikel 105, lid 1, daarvan.
28.
Artikel 105, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering bepaalt dat de president van het Hof, op verzoek van de verwijzende rechter, of bij wijze van uitzondering ambtshalve, de rechter-rapporteur en de advocaat-generaal gehoord, kan beslissen een prejudiciële verwijzing te behandelen volgens een versnelde procedure wanneer de aard van de zaak een behandeling binnen korte termijnen vereist.
29.
Op 19 augustus 2025 heeft de president van het Hof, de rechter-rapporteur en de advocaat-generaal gehoord, beslist om in te stemmen met het verzoek van de verwijzende rechter om het onderhavige verzoek om een prejudiciële beslissing volgens een versnelde procedure overeenkomstig artikel 105, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering te behandelen.
30.
De president van het Hof baseerde zijn beslissing op het feit dat de verwijzende rechter het Hof concrete, specifieke en tastbare bewijzen had verstrekt met betrekking tot zowel de gezondheid van de betrokken verzoekers als het causaal verband tussen hun gezondheid en de onzekerheid die werd veroorzaakt door de omstandigheden van het hoofdgeding. Uit die overwegingen volgt ook dat een antwoord van het Hof binnen korte termijnen het risico op verslechtering van de gezondheidstoestand van de twee betrokken verzoekers waarschijnlijk aanzienlijk zal beperken.
31.
Verzoekers, de Tsjechische, de Duitse en de Nederlandse regering alsmede de Europese Commissie hebben schriftelijke opmerkingen bij het Hof ingediend.
32.
Op 27 oktober 2025 vond een gezamenlijke terechtzitting plaats met een ander verzoek om een prejudiciële beslissing dat bij het Hof aanhangig was in zaak C-198/255., waarbij verzoekers, de Nederlandse regering en de Commissie hun mondelinge argumenten hebben uiteengezet.
III. Analyse
33.
Zoals ik reeds heb uitgelegd, spitst mijn conclusie in de onderhavige zaak zich uitsluitend toe op de vijfde prejudiciële vraag, die betrekking heeft op de uitlegging van het begrip ‘gegronde vrees’ in artikel 2, onder d), van de kwalificatierichtlijn.
34.
Als onderdeel van het gemeenschappelijk asielbeleid van de Unie baseert de kwalificatierichtlijn het recht op internationale bescherming op de erkenning van de vluchtelingenstatus.
35.
In dat opzicht is de ‘gegronde vrees’ van een persoon voor vervolging bij terugkeer naar zijn land van herkomst van cruciaal belang voor de erkenning van een dergelijke status.
36.
Artikel 2, onder d), van de kwalificatierichtlijn definieert een vluchteling als ‘een onderdaan van een derde land die zich wegens een gegronde vrees voor vervolging om redenen van ras, godsdienst, nationaliteit, politieke overtuiging of het behoren tot een bepaalde sociale groep, buiten het land bevindt waarvan hij de nationaliteit bezit en de bescherming van dat land niet kan of, wegens deze vrees, niet wil inroepen, dan wel een staatloze die zich om dezelfde reden buiten het land bevindt waar hij vroeger gewoonlijk verbleef en daarheen niet kan, dan wel wegens genoemde vrees niet wil terugkeren, en op wie artikel 12 niet van toepassing is’.
37.
Die definitie is ontleend aan artikel 1, onder A, punt 2, van het Verdrag van Genève6., dat door de Uniewetgever wordt erkend als ‘de hoeksteen van het internationale rechtsstelsel ter bescherming van vluchtelingen’ en dat ook door de Unie wordt geëerbiedigd.7.
38.
In die zin zijn dat verdrag8., met inbegrip van de uiteenlopende internationale uitleggingen van het daarin opgenomen begrip ‘vluchteling’, alsmede de richtsnoeren van de onder auspiciën van de Verenigde Naties opgerichte internationale instellingen, zoals de Hoge Commissaris voor de Vluchtelingen van de Verenigde Naties (UNHCR)9., relevant voor de uitlegging van het begrip ‘vluchteling’ in het Unierecht.
39.
Een persoon wordt als vluchteling beschouwd zodra hij voldoet aan de voorwaarden die zijn vastgelegd in de definitie van vluchteling in het Verdrag van Genève.10. Met andere woorden, de erkenning van de vluchtelingenstatus heeft declaratoire kracht.11.
40.
Aangezien die definitie het begrip ‘gegronde vrees’ voor vervolging omvat, is het ter vaststelling of iemand als vluchteling moet worden erkend, noodzakelijk om de betekenis van ‘gegronde vrees’ te begrijpen en te weten hoe kan worden bepaald of aan die voorwaarde is voldaan.
41.
De bevoegde autoriteiten, of in voorkomend geval de rechtbanken, moeten bij hun beoordeling of aan de voorwaarden voor het toekennen van de vluchtelingenstatus is voldaan, eerst de belangrijkste feiten met betrekking tot de persoon die om erkenning als vluchteling verzoekt en de feiten met betrekking tot de situatie in zijn land van herkomst vaststellen. Vervolgens moeten zij beslissen of die feiten leiden tot de conclusie dat er sprake is van een gegronde vrees voor vervolging.12.
42.
De vijfde vraag van de verwijzende rechter in de onderhavige zaak heeft betrekking op die tweede stap. Die rechter vraagt in wezen eerst of de nationale autoriteiten bij de beoordeling of aan de voorwaarde van een ‘gegronde vrees’ als bedoeld in artikel 2, onder d), van de kwalificatierichtlijn is voldaan, moeten nagaan of er een redelijke mate van waarschijnlijkheid bestaat dat de persoon die om internationale bescherming verzoekt, bij terugkeer naar zijn land van herkomst zal worden vervolgd. Vervolgens vraagt de verwijzende rechter op basis van welke criteria die redelijke mate van waarschijnlijkheid moet worden beoordeeld. Hij vraagt met name of de beoordeling daarvan moet plaatsvinden vanuit het perspectief van een ‘nuchter en redelijk persoon’ in de positie van de asielzoeker, of door alternatieve criteria toe te passen.
43.
Ik begrijp deze vragen aldus dat de verwijzende rechter in wezen om bevestiging vraagt dat het vereiste van het bestaan van een ‘gegronde vrees’ een objectieve beoordeling is en derhalve op basis van objectieve criteria moet worden vastgesteld, in welk geval de verwijzende rechter verder wenst te weten welke criteria moeten worden gehanteerd.
44.
Mijn analyse van deze vragen is opgebouwd als volgt. Eerst zal ik argumenten aanvoeren waarom het vereiste van een ‘gegronde vrees’ alleen op basis van objectieve criteria mag worden beoordeeld (A). Vervolgens zal ik de uitlegging van de verwijzende rechter bespreken, die ik het Hof in overweging geef te aanvaarden, namelijk dat een gegronde vrees voor vervolging moet worden opgevat als een redelijke mate van waarschijnlijkheid van vervolging (B). Ten slotte zal ik betogen dat het niet nodig is om de norm van de ‘redelijke persoon’ in te voeren om de objectiviteit bij de beoordeling van het mogelijke bestaan van een gegronde vrees te vergroten (C).
A. Objectieve beoordeling van ‘vrees’
45.
Hoewel het begrip ‘gegronde vrees’ centraal staat in de definitie van een vluchteling, wordt de betekenis ervan in de kwalificatierichtlijn, net als in het Verdrag van Genève, niet nader toegelicht.
46.
Om vast te stellen of er sprake is van vrees, moet bij de besluitvorming over de erkenning van de vluchtelingenstatus van een persoon noodzakelijkerwijs een toekomstgerichte beoordeling worden gegeven. Een beslissingsautoriteit moet zich afvragen of de vrees voor vervolging waarmee een persoon bij terugkeer naar zijn land van herkomst zou worden geconfronteerd, gegrond is.
47.
In dat verband, en bij gebrek aan een ‘kristallen bol’, is het antwoord op een dergelijke vraag noodzakelijkerwijs een beoordeling van de mate van waarschijnlijkheid of kans dat een dergelijke vervolging zich in de toekomst zal voordoen. Die vraag, waarop ik nog zal terugkomen, luidt dan als volgt: op welke wijze moet die mate van waarschijnlijkheid van vervolging worden beoordeeld?
48.
Een aanvullende vraag die zich voordoet in verband met het begrip ‘vrees’ is echter of, wanneer er een kans op vervolging bestaat, degene die over het verzoek om internationale bescherming beslist, bovendien moet vaststellen of de verzoeker daadwerkelijk een dergelijke vrees voor vervolging heeft. Aanwijzingen voor het nemen van een beslissing over dat subjectieve element van het vereiste van ‘gegronde vrees’ kunnen worden ontleend aan de richtsnoeren in het UNHCR-handboek.
49.
Volgens dat document bevat het begrip ‘gegronde vrees’ subjectieve en objectieve elementen. Vrees is een emotie en dus een subjectieve toestand. Het UNHCR-handboek legt echter verder uit dat de aanvullende kwalificatie ‘gegrond’ inhoudt dat ‘niet alleen de gemoedstoestand van de betrokkene bepalend is voor zijn vluchtelingenstatus, maar dat deze gemoedstoestand ook moet worden ondersteund door een objectieve situatie. De term ‘gegronde vrees’ bevat dus een subjectief en een objectief element, en bij het bepalen of er sprake is van gegronde vrees, moet met beide elementen rekening worden gehouden.’13.
50.
Dat lijkt te suggereren dat zowel de subjectieve emotie van vrees als een objectieve erkenning dat die emotie gegrond is, moet worden vastgesteld voordat iemands vluchtelingenstatus kan worden erkend.
51.
Dat gezegd zijnde, stellen een aantal rechtsgeleerden dat het niet noodzakelijk is om het bestaan van een subjectieve emotie van vrees bij de verzoeker vast te stellen om te voldoen aan het criterium van een ‘gegronde vrees’.14.
52.
Ik ben het eens met dat standpunt en geef het Hof in overweging om te oordelen dat het voldoende is om vast te stellen dat er objectief gezien een kans op vervolging bestaat om iemand als vluchteling te erkennen. Dat betekent dat moet worden vastgesteld dat iemand met de kenmerken van de verzoeker waarschijnlijk vervolgd zou worden als hij terugkeert naar zijn land van herkomst, gelet op de omstandigheden in dat land. Het is dus niet nodig om vast te stellen of die persoon daadwerkelijk vreest voor vervolging.
53.
Het is om een aantal redenen gerechtvaardigd om dat subjectieve element uit te sluiten bij de beoordeling of er sprake is van gegronde vrees.
54.
Ten eerste is het niet alleen moeilijk om een emotie zoals vrees te meten. Mensen zijn ook verschillend en uiten emoties op verschillende manieren.
55.
Ten tweede, en nog belangrijker, kan het feit dat een persoon zijn vrees niet voldoende aantoont, tot gevolg hebben dat de beslissingsautoriteit de asielaanvraag van die persoon niet geloofwaardig acht. Dat kan er vervolgens toe leiden dat de vluchtelingenstatus van die persoon wordt geweigerd zonder dat die autoriteit het objectieve element van een gegronde vrees heeft beoordeeld.
56.
Ten slotte voelen sommige personen, zoals kinderen, ondanks de objectieve kans op vervolging bij terugkeer naar hun land van herkomst, mogelijk geen vrees.15.
57.
Is die uitlegging, die vereist dat de beslissingsautoriteiten alleen rekening houden met de objectieve elementen van vrees, in strijd met de richtsnoeren in het UNHCR-handboek? Niet noodzakelijkerwijs. Door vast te stellen dat er een objectief risico bestaat dat een persoon bij terugkeer naar zijn land van herkomst zal worden vervolgd, kan de beslissingsautoriteit ook impliciet tot de conclusie komen dat er sprake is van subjectieve vrees. Daarom is een afzonderlijke beoordeling van het subjectieve aspect van vrees niet nodig, zelfs als de term ‘vrees’, zoals bedoeld in de definitie van vluchteling, wordt opgevat als een term met zowel subjectieve als objectieve elementen.
58.
Het lijkt in verschillende rechtsgebieden gangbare praktijk te zijn om uitsluitend op objectieve elementen te vertrouwen om vast te stellen of er sprake is van een gegronde vrees.16.
59.
Sommige rechtbanken in de Verenigde Staten lijken bijvoorbeeld de vraag te stellen of een ‘redelijk persoon’ die zich in dezelfde situatie als de asielzoeker zou bevinden, vrees zou hebben. Als dat het geval is, kan er sprake zijn van subjectieve vrees bij de verzoeker om internationale bescherming.17.
60.
Bovendien ondersteunen rechtbanken en beslissingsautoriteiten in andere landen, bijvoorbeeld in Australië, Frankrijk, Duitsland en Nieuw-Zeeland, de objectieve benadering voor het vaststellen van een gegronde vrees voor vervolging.18.
61.
Het Hof werd nog niet rechtstreeks gevraagd om een standpunt in te nemen over de vraag of autoriteiten die beslissen over verzoeken om internationale bescherming, bij hun beslissing om al dan niet de vluchtelingenstatus toe te kennen, rekening moeten houden met de subjectieve vrees van een verzoeker.
62.
In het arrest Y en Z heeft het Hof bij het beantwoorden van een andere vraag19. vastgesteld dat ‘de bevoegde autoriteiten, wanneer zij […] beoordelen of een verzoeker een gegronde vrees heeft te worden vervolgd, zich ervan vergewissen of de gebleken omstandigheden een zodanige bedreiging voor de betrokkene vormen dat hij een gegronde vrees heeft om, gelet op zijn persoonlijke situatie, daadwerkelijk te worden vervolgd.’20.
63.
Uit dat punt zou kunnen worden afgeleid dat het Hof van de bevoegde autoriteiten eiste dat zij het bestaan van een subjectieve vrees bij de verzoeker vaststelden, ook al moest de grondslag voor die vrees ook objectief worden erkend door te eisen dat de verzoeker een gegronde vrees had dat hij zou worden vervolgd.
64.
In het arrest Y en Z heeft het Hof echter verder gesteld dat ‘[d]eze beoordeling van de omvang van het gevaar, die in alle gevallen met zorgvuldigheid en omzichtigheid moet worden uitgevoerd […], uitsluitend [berust] op een concrete beoordeling van de feiten en omstandigheden overeenkomstig de regels van met name artikel 4 van de [kwalificatierichtlijn].’21.
65.
Naar mijn mening wijst dit erop dat het Hof van oordeel was dat alleen een objectieve beoordeling van de heersende omstandigheden kan leiden tot de conclusie dat er sprake is van een gegronde vrees voor vervolging, hetgeen zowel noodzakelijk als voldoende is om vast te stellen of iemand al dan niet een vluchteling is.
66.
Recentere rechtspraak bevestigt naar mijn mening een dergelijke conclusie. In het arrest K en L heeft het Hof twee punten uit het arrest Y en Z samengevoegd tot één punt, dat luidt als volgt: ‘[…] [D]e bevoegde nationale autoriteiten [moeten] de beoordeling of een verzoeker een gegronde vrees heeft om te worden vervolgd, op individuele basis en per geval met waakzaamheid en voorzichtigheid […] verrichten, uitsluitend op basis van een concrete beoordeling van de feiten en omstandigheden, teneinde uit te maken of de vastgestelde feiten en omstandigheden een zodanige bedreiging vormen dat de betrokkene, gezien zijn individuele situatie, goede gronden heeft om te vrezen daadwerkelijk te zullen worden vervolgd wanneer hij terugkeert naar zijn land van herkomst […].’22.
67.
Naar mijn mening heeft het Hof dus al het standpunt ingenomen dat de autoriteiten op objectieve basis moeten beoordelen of iemand in de situatie van de verzoeker, en gezien de omstandigheden in zijn land van herkomst, een gegronde vrees voor vervolging zou hebben.
B. Opvatting van een gegronde vrees als een redelijke mate van waarschijnlijkheid van vervolging
68.
Om vast te stellen of een verzoeker een gegronde vrees voor vervolging kan hebben, moet de beslissingsautoriteit een risicobeoordeling uitvoeren om na te gaan of het waarschijnlijk is dat de betrokken verzoeker bij terugkeer naar zijn land van herkomst zal worden vervolgd. Een dergelijke risicobeoordeling is noodzakelijkerwijs subjectief, tenzij het mogelijk is om een wiskundige formule te ontwikkelen die met behulp van de huidige AI-modellen wordt berekend en door menselijke besluitvormers wordt geverifieerd.
69.
In dat verband moet bij het uitvoeren van een dergelijke beoordeling rekening worden gehouden met een groot aantal factoren, die op verschillende manieren op elkaar kunnen inwerken. Het is niet onmogelijk dat een AI-model succesvoller zou zijn in het voorspellen van de mate van waarschijnlijkheid van vervolging van een asielzoeker, dat wil zeggen dat het een grotere nauwkeurigheid zou bereiken dan mensen. Er zijn echter onvoldoende gegevens over gebeurtenissen in het verleden — met name over het aantal situaties waarin verzoekers om internationale bescherming werden vervolgd als gevolg van het feit dat hun internationale bescherming werd geweigerd en zij daarom naar hun land van herkomst werden teruggestuurd — om een dergelijk AI-model te trainen en vervolgens de nauwkeurigheid van dat model te vergelijken met die van menselijke besluitvormers. Zelfs als een dergelijk model zou kunnen worden ontwikkeld, zou het nog steeds menselijk toezicht vereisen en zou het in het beste geval kunnen worden gebruikt als een aanvullend hulpmiddel bij het bepalen of een persoon voldoet aan de noodzakelijke voorwaarden om als vluchteling te worden erkend.
70.
Voor zover ik weet, is een dergelijk model nog niet ontwikkeld. Daarom kan de beoordeling van de mate van waarschijnlijkheid van vervolging voorlopig alleen door mensen worden uitgevoerd, wier beoordeling noodzakelijkerwijs subjectief zal zijn, in die zin dat twee verschillende beslissingsautoriteiten tot een verschillende conclusie zouden kunnen komen bij de beoordeling van dezelfde omstandigheden.
71.
Gelet op de mogelijkheid dat beslissingsautoriteiten uiteenlopende beslissingen nemen ten aanzien van twee verzoekers die zich in een vergelijkbare situatie bevinden, is het belangrijk dat risico tot een minimum te beperken.
72.
Daarom rijst de vraag hoe een subjectieve beslissing over de mate van waarschijnlijkheid van vervolging van een bepaalde persoon kan worden geobjectiveerd.
73.
De kwalificatierichtlijn bevat een aantal elementen die dienen om het besluitvormingsproces met betrekking tot beslissingen over de mate van waarschijnlijkheid van vervolging te objectiveren. Zoals het Hof reeds heeft uiteengezet, moet de vaststelling van het bestaan van een gegronde vrees geschieden ‘overeenkomstig de regels van met name artikel 4, leden 3 tot en met 5, van [de kwalificatierichtlijn]’.23.
74.
Artikel 4, lid 3, van de kwalificatierichtlijn vereist allereerst dat de beoordeling op individuele basis plaatsvindt. Dat betekent dat elk verzoek afzonderlijk moet worden beoordeeld en dat dit per geval moet gebeuren. Bij die beoordeling moet de beslissingsautoriteit rekening houden met twee soorten feiten. Het eerste soort zijn feiten op basis waarvan beslissingsautoriteiten tot een conclusie kunnen komen over de heersende situatie in het land van herkomst, met inbegrip van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van dat land en de wijze waarop deze in de praktijk wordt toegepast. Het tweede soort zijn feiten die rechtstreeks betrekking hebben op de verzoeker; dan gaat het onder meer om diens persoonlijke kenmerken, zoals achtergrond, geslacht, godsdienst en identiteit, die kunnen worden gestaafd door de door de verzoeker verstrekte documenten of verklaringen. Voor het geval bepaalde feiten niet kunnen worden bewezen op basis van de verstrekte documenten of andere bewijsmiddelen, zijn in artikel 4, lid 5, van die richtlijn omstandigheden opgenomen waarin de verzoeker het voordeel van de twijfel moet worden gegund.24.
75.
In beginsel worden alle relevante feiten vastgesteld op het moment van de beoordeling van het verzoek. De beslissingsautoriteit moet echter ook rekening houden met bewijs van vroegere vervolging van die specifieke verzoeker, indien dat bestaat25., alsmede met de activiteiten van de verzoeker sinds zijn vertrek uit het land die mogelijk hebben bijgedragen tot de vrees voor vervolging.26.
76.
Pas nadat de persoonlijke omstandigheden van de verzoeker zijn samengevoegd met de vastgestelde feiten met betrekking tot de mogelijke redenen voor vervolging in het land van herkomst, kan de beslissingsautoriteit bepalen of de vrees voor vervolging van die verzoeker daadwerkelijk ‘gegrond’ is.
77.
Daarom beschikken de beslissingsautoriteiten, in tegenstelling tot hetgeen de Nederlandse regering aanvoert, niet over een ruime beoordelingsmarge bij het nemen van beslissingen over verzoeken om internationale bescherming. In plaats daarvan zijn zij op grond van artikel 4 van de kwalificatierichtlijn verplicht om, in samenwerking met de asielzoeker, alle omstandigheden van het geval waarvan zij kennis hebben omdat ofwel de verzoeker deze aan de orde heeft gesteld, ofwel zij op eigen initiatief een grondig onderzoek hebben verricht, zorgvuldig in overweging te nemen teneinde op basis van een zo volledig mogelijke beoordeling over het vraagstuk te kunnen beslissen.
78.
De ruimte voor een persoonlijke en subjectieve beoordeling door de beslissingsautoriteit wordt dus beperkt door artikel 4 van de kwalificatierichtlijn. Niettemin moet die autoriteit, rekening houdend met alle vereiste feiten, nog steeds beslissen hoe waarschijnlijk het is dat de betrokken verzoeker zal worden vervolgd indien hij naar zijn land van herkomst wordt teruggestuurd.
79.
In dat verband stelt de verwijzende rechter als bewijsnorm een ‘redelijke mate van waarschijnlijkheid’ van vervolging voor.27. Die norm houdt in, zoals alle partijen in de onderhavige procedure inderdaad erkennen, dat de loutere mogelijkheid van vervolging niet voldoende is.28. Tegelijkertijd mag de norm geen al te hoge eisen opleggen en zeker niet als ‘zonder redelijke twijfel’ worden ingevuld, zoals in het strafrecht gebeurt. De partijen waren het echter oneens over de vraag of een redelijke mate van waarschijnlijkheid vereist dat vervolging ‘eerder wel dan niet’ zal plaatsvinden. Hoewel het EHRM zich bereid lijkt te tonen om een dergelijke bewijsnorm te aanvaarden29., ben ik het met de Commissie eens dat de norm bij een dergelijk fiftyfifty-vereiste te hoge eisen lijkt op te leggen. Als er een redelijke kans is dat een bepaalde persoon bij terugkeer naar zijn land van herkomst zal worden vervolgd, moet dat voldoende zijn om een gegronde vrees vast te stellen zonder dat vooraf een vereist percentage hoeft te worden vastgelegd.30.
80.
Gelet op het voorgaande kan het eerste deel van de vijfde vraag van de verwijzende rechter worden beantwoord als volgt: er is sprake van een gegronde vrees voor vervolging wanneer er een redelijke mate van waarschijnlijkheid bestaat dat een verzoeker om internationale bescherming bij terugkeer naar zijn land van herkomst zal worden vervolgd.
C. Criterium van de ‘redelijke persoon’ als methode om subjectieve beslissingen te objectiveren
81.
De verwijzende rechter vraagt verder of een redelijke mate van waarschijnlijkheid dat vervolging zal plaatsvinden indien een bepaalde verzoeker naar zijn land van herkomst wordt teruggestuurd, kan worden beoordeeld aan de hand van de juridische norm van een ‘redelijk persoon’. In dat verband baseert de verwijzende rechter zich op de praktijk van Duitse rechterlijke instanties, die bij het nemen van beslissingen over verzoeken om internationale bescherming de norm van een ‘redelijk en goed geïnformeerd persoon’ hanteren.31.
82.
In hun schriftelijke opmerkingen steunen zowel de Duitse regering als de Commissie die praktijk en stellen zij voor om de norm van de ‘redelijke en goed geïnformeerde persoon’ toe te passen op de situatie van asielzoekers.
83.
Verzoekers zijn echter van mening dat een asielaanvraag alleen mag worden beoordeeld vanuit het perspectief van de asielzoeker, bijvoorbeeld in het licht van de situatie in zijn land van herkomst. Zij leggen uit dat alleen die benadering ervoor zorgt dat het criterium in alle gevallen een neutrale en objectieve beoordeling omvat, terwijl het criterium van een ‘redelijk en goed geïnformeerd persoon’ het risico met zich meebrengt dat een alomvattende beoordeling wordt verwaarloosd. Verzoekers hebben tijdens de terechtzitting dan ook uiteengezet dat het gebruik van het criterium van een ‘redelijk en goed geïnformeerd persoon’ de beoordeling zou kunnen loskoppelen van de individuele verzoekers in een bepaalde zaak.
84.
De Nederlandse regering is van mening dat het hanteren van een dergelijk criterium niet tot meer uniformiteit zou leiden, omdat de manier waarop een fictief redelijk persoon een bepaalde (subjectieve) vrees ervaart, ook afhangt van de interpretatie die een beslissingsautoriteit en/of de uitlegging die een rechter per geval geeft. Daarom is de Nederlandse regering, gesteund door de Commissie, van mening dat er geen reden is voor het Hof om de norm van een redelijke mate van waarschijnlijkheid van vervolging nader te definiëren, maar dat die beoordeling per geval aan de nationale autoriteiten en rechtbanken moet worden overgelaten.
85.
Naar mijn mening zou de juridische norm van een redelijk persoon, mits correct toegepast, dienen om de beslissing van de autoriteit die moet bepalen of er in een bepaald geval een redelijke mate van waarschijnlijkheid van vervolging bestaat, te objectiveren. Dat zou het geval zijn voor zover die norm aldus wordt opgevat en gebruikt dat die besluitvormers, met inbegrip van rechters, ertoe aan moet zetten ‘een sociaal persoon te worden die belangstelling heeft voor anderen’32.; met andere woorden, om zich niet alleen op hun persoonlijke perspectief te beroepen. In die zin zou het gebruik van de juridische norm van een ‘redelijk persoon’ dienen als een extra herinnering voor besluitvormers om hun persoonlijke opvattingen niet op te leggen.
86.
Aangezien echter ook de mogelijkheid bestaat dat de norm van een redelijk persoon in feite alleen wordt gebruikt om een bepaald standpunt te versterken — door dat standpunt als ‘redelijk’ te presenteren, waardoor het niet als een beperkende factor voor iemands subjectiviteit fungeert, maar juist het tegenovergestelde gebeurt, namelijk dat het mogelijk wordt een subjectieve beslissing te rechtvaardigen33. — ben ik het eens met verzoekers en de Nederlandse regering dat het niet nodig is die norm te gebruiken.
87.
In antwoord op het tweede deel van de vijfde vraag van de verwijzende rechter geldt dat als criterium ter vaststelling of er een gegronde vrees voor vervolging bestaat, de vraag moet worden gesteld of een persoon die de kenmerken van de verzoeker heeft en zich in de situatie van de verzoeker bevindt, in het bijzonder gelet op het verband tussen zijn persoonlijke kenmerken en de feiten die werden vastgesteld omtrent vervolgingshandelingen in zijn land van herkomst, een gegronde vrees kan hebben dat hij bij terugkeer naar dat land zal worden vervolgd.
88.
Een dergelijke beoordeling moet per geval worden verricht, waarbij rekening wordt gehouden met al het beschikbare en relevante bewijsmateriaal dat door de betrokken verzoeker is overgelegd, alsmede met alle andere informatie die de beslissingsautoriteit kan verkrijgen en gebruiken ter ondersteuning van de verklaringen van die verzoeker.
89.
Die uitlegging sluit aan bij en bouwt voort op het standpunt dat het Hof reeds in verschillende arresten heeft ingenomen, zoals vermeld in punt 66 van de onderhavige conclusie.
IV. Conclusie
90.
Gelet op het voorgaande geef ik het Hof in overweging de vijfde prejudiciële vraag van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, te beantwoorden als volgt:
‘Artikel 2, onder d), van richtlijn 2011/95/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming, en voor de inhoud van de verleende bescherming
moet aldus worden uitgelegd dat er sprake is van een gegronde vrees voor vervolging wanneer er een redelijke mate van waarschijnlijkheid bestaat dat een verzoeker om internationale bescherming bij terugkeer naar zijn land van herkomst zal worden vervolgd.
Om te beoordelen of er sprake is van een dergelijke redelijke mate van waarschijnlijkheid, moet de beslissingsautoriteit nagaan of een persoon die de kenmerken van de verzoeker heeft en zich in de situatie van de verzoeker bevindt, gelet op het verband tussen de persoonlijke kenmerken van de verzoeker en de feiten die werden vastgesteld omtrent vervolgingshandelingen in zijn land van herkomst, een gegronde vrees kan hebben dat hij bij terugkeer naar dat land zal worden vervolgd.
Een dergelijke beoordeling moet per geval worden verricht, waarbij rekening wordt gehouden met al het beschikbare en relevante bewijsmateriaal dat door de betrokken verzoeker is overgelegd, alsmede met alle andere informatie die de beslissingsautoriteit kan verkrijgen en gebruiken ter ondersteuning van de verklaringen van die verzoeker.’
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 04‑12‑2025
Oorspronkelijke taal: Engels.
Richtlijn 2013/32/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van de internationale bescherming (PB 2013, L 180, blz. 60; hierna: ‘procedurerichtlijn’).
Richtlijn 2011/95/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming, en voor de inhoud van de verleende bescherming (PB 2011, L 337, blz. 9; hierna: ‘kwalificatierichtlijn’).
Arrest van 11 juni 2024, Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid (Vrouwen die zich vereenzelvigen met de waarde van gendergelijkheid) (C-646/21, EU:C:2024:487; hierna: ‘arrest K en L’).
Zie zaak C-198/25, Quotal — Verzoek om een prejudiciële beslissing van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, ingediend op 11 maart 2025 — S/Minister van Asiel en Migratie (PB C, C/2025/3395), beschikbaar op: http://data.europa.eu/eli/C/2025/3395/oj.
Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 en in werking getreden op 22 april 1954 (United Nations Treaty Series, deel 189, blz. 137), zoals aangevuld door het Protocol betreffende de status van vluchtelingen, gesloten te New York op 31 januari 1967 (United Nations Treaty Series, deel 606, blz. 267) en in werking getreden op 4 oktober 1967 (hierna samen: ‘Verdrag van Genève’).
Zie overwegingen 3 en 4 van de kwalificatierichtlijn.
Zie bijvoorbeeld arrest van 4 oktober 2024, Bundesamt für Fremdenwesen und Asyl e.a. (Afghaanse vrouwen) (C-608/22 en C-609/22, EU:C:2024:828, punt 33 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Om het begrip ‘vluchteling’ te kunnen begrijpen, dient daarom rekening te worden gehouden met het Handboek van de UNHCR over procedures en criteria voor het bepalen van de vluchtelingenstatus en richtsnoeren inzake internationale bescherming uit hoofde van het Verdrag van 1951 en het Protocol van 1967 betreffende de status van vluchtelingen, 2019 (hierna: ‘UNHCR-handboek’).
Zie punt 28 van het UNHCR-handboek.
Zie overweging 21 van de kwalificatierichtlijn.
Voor een gedetailleerde beschrijving van de stappen die moeten worden genomen om te bepalen of een persoon die om internationale bescherming verzoekt een vluchteling is, zie de website van het Asielagentschap van de Europese Unie (EUAA), ‘Well-founded fear’, in EASO Practical Guide: Qualification for international protection, januari 2022, blz. 20 en 21; beschikbaar op: https://euaa.europa.eu/easo-practical-guide-qualification-international-protection/well-founded-fear-0.
Zie punt 38 van het UNHCR-handboek (cursivering van mij).
Bijvoorbeeld Hathaway, J. C., en Foster, M., The Law of Refugee Status, Cambridge University Press, Cambridge, 2014, blz. 92. Zie ook Storey, H., The Refugee Definition in International Law, Oxford University Press, Oxford, 2023, en het rechtsleeroverzicht in dat boek.
Zie bijvoorbeeld Hathaway, J. C., en Hicks, W. S., ‘Is there a subjective element in the refugee convention's requirement of ‘well-founded fear’?’, Michigan Journal of International Law, 2005, blz. 505–562, met name blz. 512, en Zimmermann, A., en Herrmann, F. M., ‘Article 1 A, para. 2 1951 Convention — (Definition of the term ‘refugee’/définition du terme ‘réfugié’)’, in Zimmermann, A. e.a. (red.), The 1951 Convention Relating to the Status of Refugees and its 1967 Protocol, Oxford University Press, Oxford, 2024, blz. 359-555, met name blz. 484–489.
Voor een overzicht, zie bijvoorbeeld Hathaway, J. C., en Foster, M., voetnoot 14, op. cit., blz. 104; Anderson, A. e.a., ‘A well-founded fear of being persecuted… But when?’, Sydney Law Review, 2020, blz. 155–181, met name blz. 161 en 162, en Zimmermann, A., en Herrmann, F. M., voetnoot 15, op. cit., met name blz. 413–414.
Volgens de United States Court of Appeals for the Fifth Circuit heeft ‘een vreemdeling bijvoorbeeld een gegronde vrees voor vervolging als een redelijk persoon in haar omstandigheden zou vrezen voor vervolging als zij naar haar geboorteland zou worden teruggestuurd’ [Guevara Flores, verzoekster, tegen Immigration and Naturalization Service, verweerder (1986) 786 F.2d 1242 (USCA, 5th Cir., 1986), blz. 1249].
Voor voorbeelden van dergelijke beslissingen in die landen, zie Australië: High Court of Chan tegen Minister for Immigration and Ethnic Affairs (9 december 1989); Frankrijk: Cour nationale du droit d'asile (nationaal hof voor asielrecht, Frankrijk), zaak nr. 24009761 (17 juli 2024); Duitsland: Oberverwaltungsgericht, Niedersachsen (hoogste bestuursrechter, Nedersaksen, Duitsland), zaak nr. 2 LA 1584/17 (17 augustus 2018); Nieuw-Zeeland: Refugee Status Appeals Authority (beroepsinstantie voor vluchtelingenstatus, Nieuw-Zeeland), vluchtelingenberoep nr. 72635/01 (6 september 2002).
De vraag die in die zaak werd gesteld, was of de vrees van een verzoeker om vervolgd te worden gegrond is wanneer een dergelijke persoon vervolging in zijn land van herkomst kan vermijden door af te zien van bepaalde religieuze praktijken. Zie in dat verband arrest van 5 september 2012, Y en Z (C-71/11 en C-99/11, EU:C:2012:518, punt 73; hierna: ‘arrest Y en Z’).
Arrest Y en Z, punt 76 (cursivering van mij).
Zie arrest Y en Z, punt 77 (verwijzingen naar rechtspraak weggelaten en cursivering van mij).
Zie arrest K en L, punt 59 en aldaar aangehaalde rechtspraak.
Arrest van 21 september 2023, Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie (Politieke overtuiging in de lidstaat van ontvangst) (C-151/22, EU:C:2023:688, punt 42 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Een vergelijkbaar standpunt wordt ingenomen door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM). Zie in dat verband EHRM, 23 maart 2016, F.G. tegen Zweden (CE:ECHR:2016:0323JUD004361111, § 113 en aldaar aangehaalde rechtspraak), waarin het volgende wordt gesteld: ‘[…] [V]anwege de bijzondere situatie waarin asielzoekers vaak verkeren, is het dikwijls noodzakelijk om hun het voordeel van de twijfel te gunnen bij het beoordelen van de geloofwaardigheid van hun verklaringen en de ter ondersteuning daarvan overgelegde documenten. Wanneer echter uit de verschafte informatie ernstige redenen blijken om te twijfelen aan de waarachtigheid van de verklaringen van de asielzoeker, moet de betrokkene een bevredigende verklaring voor de beweerde tegenstrijdigheden kunnen geven […].’
Dat is ook een bewijsnorm die door de EUAA wordt voorgesteld; zie haar Practical Guide on Evidence and Risk Assessment, 2024, blz. 8.
Dat is ook het standpunt van het EHRM; zie zijn arrest van 30 oktober 1991, Vilvarajah e.a. tegen Verenigd Koninkrijk (CE:ECHR:1991:1030JUD001316387, § 111).
Zie EHRM, 28 februari 2008, Saadi tegen Italië (CE:ECHR:2008:0228JUD003720106, § 140).
Zie in dat verband arrest van de U.S. Supreme Court, Immigration and Naturalization Service tegen Cardoza-Fonseca [480 U.S. 421 (1987), nr. 85-782]. Die rechter verklaarde op blz. 440 het volgende: ‘Er is in de definitie van de Verenigde Naties eenvoudigweg geen ruimte voor de conclusie dat, omdat een verzoeker slechts 10 % kans heeft om te worden neergeschoten, gemarteld of anderszins vervolgd, hij geen ‘gegronde vrees’ heeft dat dit zal gebeuren. […] een gematigde uitlegging van de norm van ‘gegronde vrees’ zou betekenen ‘dat, zolang een objectieve situatie door bewijs wordt aangetoond, niet hoeft te worden aangetoond dat de situatie waarschijnlijk tot vervolging zal leiden, maar dat het voldoende is dat vervolging een redelijke mogelijkheid is.’’
De verwijzende rechter citeert met name het arrest van het Oberverwaltungsgericht Niedersachsen van 17 augustus 2018, zaak nr. 2 LA 1584/17. Zie voetnoot 26 bij de verwijzingsbeslissing (in de oorspronkelijke taal en in het Frans).
Zie in dat verband Jeutner, V., The Reasonable Person, Cambridge University Press, Cambridge, 2024, blz. 173.
Zie in dat verband het onderzoek gepubliceerd door Jeutner, V., voetnoot 32, op. cit.