De rechtsverhouding tussen erfpachter en erfverpachter (R&P nr. VG10) 2019/2.3.2
2.3.2 Verbintenissen uit de wet
Jacqueline Broese van Groenou, datum 01-12-2018
- Datum
01-12-2018
- Auteur
Jacqueline Broese van Groenou
- JCDI
JCDI:ADS391959:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Genotsrechten
Voetnoten
Voetnoten
Voorduin 1837, Noordziek 1873-1878.
Art. 1269 OBW: “Alle verbindtenissen ontstaan of uit overeenkomst, of uit de wet.” In de doctrine is alom fundamentele kritiek geuit op deze bepaling omdat de wet en de overeenkomst als bronnen van verbintenissen geen vergelijkbare grootheden zijn.
Het handboek van Asser bood die ruimte, dat van De Pinto niet. Zie Asser 1838, p. 470: “Bij het opstellen van het Fransche regt is men van het dwaalbegrip uitgegaan, dat alle verbindtenissen haren oorsprong uit overeenkomsten afleiden, alzoo uit het oog verliezende, dat er vele verbindtenissen bestaan, welke zonder contract geboren worden, zoo als onder anderen de verplightingen, welke uit voogdij, curatele, uiterste willen, regten en verpligtingen tusschen eigenaars van naburige erven, enz. haren oorsprong ontleenen. Er bestaat alzoo geene enkele bepaling omtrent verbindtenissen, welke niet kan worden toegepast op regten en verpligtingen, welke hetzij door, hetzij buiten overeenkomst zijn ontstaan.” De Pinto 1849, p. 187: “De verbindtenis is de wettelijke verpligting om iets te geven, te doen of niet te doen. Zij ontstaat: 1° Uit overeenkomst (Art. 1349-1387). 2° Uit de wet (Art. 1388-1416) Art. 1269.”
Diephuis 1849, p. 7-9: “In den staat, waarin alles aan de wet onderworpen is, bestaat geen regt en geene verpligting, dan krachtens de wet; er bestaat dus in het oog der wet ook geene verbindtenis, die niet door haar is erkend. In zoo verre zou men kunnen zeggen, dat alle geldige verbindtenissen uit de wet ontstaan. Deze is echter niet voor allen de naaste bron, daar sommige verbindtenissen haar ontstaan van elders ontlenen en in de wet slechts eene, het zij meer algemeene, het zij meer bepaalde bekrachtiging en regeling vinden. (…) Die [verbintenissen], welke gezegd worden uit de wet alleen voort te spruiten, zijn het gevolg der betrekking, waarin men zich tot anderen bevindt, en waaraan de wet zelve bepaalde regten en verpligtingen heeft verbonden, zonder dat daartoe eenige bepaalde handeling van partijen noodig is. Zoo heeft de wet regten en verpligtingen, mitsdien verbindtenissen, vastgesteld tusschen (…) eigenaren van naburige erven, (…). Tusschen deze alleen kunnen wel door bepaalde handelingen nieuwe verbindtenissen worden geboren, maar die, welke de wet schept, ontstaan uit en door de wet alleen. Van dien aard zijn in het algemeen de verbindtenissen, geregeld in het eerste en tweede boek B.W.”
Diephuis 1886a, p. 11-12.
Diephuis 1886a, p. 12. Dat de wettelijke bepalingen volgens Diephuis de rechtsverhouding erkenden werd bevestigd in een passage over de vraag op welk object een recht van erfpacht gevestigd kon worden, Diephuis 1886b, p. 27-28: “En al stelt de wet meermalen tegenover den erfpachter den grondeigenaar; al spreekt zij meer dan eens van den grond, die meestal inderdaad het voorwerp is van het regt, en waarmede de erfpachter althans in betrekking komt, men zal daarom aan de uitdrukking der wet geene beperkte beteekenis moeten hechten.”
Diephuis 1886b, p. 30.
Diephuis 1886a, p. 35-36. Nadruk toegevoegd.
Diephuis 1886a, p. 36: “Neemt deze [betrekking tot de zaak] voor een hunner [erfpachter of erfverpachter] een einde, zoo houden zij ook op elkanders schuldeischer en schuldenaar te zijn, behalve voor zoo ver die betrekking reeds eene zelfstandige schuld heeft teweeg gebragt, zoo als ten aanzien der reeds verschenen pacht of vaste huur.”
Opzoomer 1850, p. 230-231: “Is dien ten gevolge de verbindtenis een regtsbetrekking tusschen verschillende personen, waardoor de één verpligt is en in regten kan genoodzaakt worden, om iets in het belang van den andere te doen of na te laten, dan moeten onder dit woord ook al die verbindtenissen begrepen zijn, die uit de wet in het 1ste en 2de boek voortspruiten.”
Opzoomer 1876, p. 514: “Erfpacht is pacht, huur, al is het dan ook een zoo eigenaardige, met zoo uitgebreide bevoegdheid toegeruste pacht of huur, dat een zakelijk recht uit haar geboren wordt. Maar is nu huur bestaanbaar zonder huurprijs? Ik kan het niet aannemen.”
Opzoomer 1876, p. 513.
Opzoomer 1879, p. 5: “Men zou de stelling kunnen verdedigen, dat het geheele recht met niets anders te doen heeft dan met verbintenissen, het geheele privaatrecht dus met niets anders dan met privaatrechtelijke verbintenissen. En iedere verbintenis zou men als een betrekking tusschen personen kunnen voorstellen. Altijd, zoodikwijls er een rechtsbetrekking bestaat, komt ze ten slotte neer op een betrekking tusschen personen. En in die betrekking is er altijd aan de éene zijde een persoon die tot iets gehouden (verplicht, verbonden) is, en aan den anderen kant een persoon, die tot iets bevoegd (gerechtigd) is, die iets vorderen kan.”
Opzoomer 1879, p. 6. De bijbehorende noot onderscheidde de gang van zaken bij het zakelijk recht en bij de verbintenis: “Zoo is er altijd een beheerschen, een binden (obligare) van den wil, maar bij de verbintenis in den engsten zin is dit het eigenaardige, dat het binden van den vreemden wil de onmiddellijke inhoud der rechtsbetrekking is. Bij de rechten op zaken is het recht de causa en de verbintenis om het ongekrenkt te laten het effect, bij de verbintenis is – juist omgekeerd – het persoonlijk verbonden worden de causa, ten gevolge waarvan (als effect) een ander een recht verkrijgt.” Verbintenissen in de engste zin waren vermoedelijk de verbintenissen waarop boek 3 OBW betrekking had.
Opzoomer 1879, p. 9 en 22.
De negentiende-eeuwse handboeken op het gebied van het burgerlijk recht gaven een uitleg van het OBW aan de hand van de tekst van de wet en de parlementaire geschiedenis zoals die bekend was uit de publicaties van Voorduin en Noordziek.1 Deze handboeken volgden de hoofdindeling van de vermogensrechten, met de zakelijke rechten geregeld in Boek 2 OBW en de verbintenissen in Boek 3 OBW, wat betekende dat de bepalingen over het erfpachtrecht aan de orde kwamen in het deel over het zakenrecht, zonder aandacht voor de verbintenisrechtelijke kant van de rechtsverhouding. De bronnen van de verbintenis zoals aangeduid door art. 1269 OBW kwamen uitsluitend aan de orde bij de bespreking van het verbintenissenrecht.2 Juist deze bepaling is voor dit onderzoek van belang. De handboeken die verschenen kort na het in werking treden van het BW in 1838, gaven een meer of minder letterlijke lezing van art. 1269 OBW en bepaalden aan de hand daarvan in hoeverre de regels van het verbintenissenrecht van toepassing waren op rechten en verplichtingen die niet uit overeenkomst maar op andere wijze ontstonden.3 Dat bij een erfpachtrecht sprake was van verbintenissen tussen erfverpachter en erfpachter was evident, het was alleen zaak deze in te passen in het stelsel van de wet. Sommige auteurs legden art. 1269 OBW over de bronnen van de verbintenis zo uit dat als wettelijke bron mede aangemerkt konden worden de Boeken 1 en 2 OBW. Verbintenissen uit personen- en familierecht, geregeld in Boek 1 OBW en uit het zakenrecht, geregeld in Boek 2 OBW, moesten gezien worden als verbintenissen uit de wet waarop de regels van het verbintenissenrecht uit Boek 3 OBW van toepassing waren. Enige voorbeelden volgen hieronder.
Een belangrijke vertegenwoordiger van de opvatting dat verbintenissen konden voortvloeien uit de wettelijke regels omtrent zakelijke rechten was de Groningse rechtsgeleerde G. Diephuis (1817-1892). Diephuis legde reeds in de eerste druk van zijn handboek voor het burgerlijk recht art. 1269 OBW zo uit dat onder verbintenissen die uit de wet ontstonden ook moesten worden begrepen de verbintenissen die konden ontstaan uit de wettelijke regeling van bepaalde zakelijke rechten zoals de rechtsbetrekking tussen de eigenaren van naburige erven.4 Dat deze verbintenissen bestonden was vanzelfsprekend, vooral wanneer twee personen een verschillend recht op dezelfde zaak hadden:
“Wij hebben hierbij [bij de verbintenis] enkel te denken aan betrekkingen tusschen personen, niet aan betrekkingen tusschen personen en zaken; maar hieruit kunnen betrekkingen tusschen personen voortvloeijen, met name wanneer deze een regt hebben op dezelfde zaak; zij zijn dan ook verbindtenissen, al behoort de bron waaruit ze geboren worden tot het zakenregt.”5
De rechtsbetrekking tussen erfverpachter en erfpachter was in de visie van Diephuis een verbintenis die werd erkend en bekrachtigd door de wet, net als verbintenissen uit familierecht.6 De wettelijke bepalingen stelden de erfpachter meermalen tegenover, en dus in verhouding tot, de erfverpachter en daaruit kon een rechtsbetrekking voortvloeien. Het erfpachtrecht zelf omvatte een zakelijke rechtsverhouding tussen erfpachter en onroerende zaak. Diephuis benadrukte nog dat het recht van erfpacht volgens de wet een zakelijk recht was en dus van een heel andere aard dan het huurrecht, dat in de wet dan ook terecht op een heel andere plaats werd behandeld.7
Het erfpachtrecht was daarmee een rechtsbetrekking die door de wet geregeld werd en waaruit verbintenissen konden voortvloeiden. Op die verbintenissen uit het erfpachtrecht waren volgens Diephuis de regels van het verbintenissenrecht van toepassing. Ten onrechte maakte art. 1269 OBW geen onderscheid tussen enerzijds de bron en anderzijds de grondslag van de verbintenis.8 Elke verbintenis had een bron in de wereld van de (rechts)feiten, dat kon een overeenkomst zijn of een (on)rechtmatige daad. De wet bood vervolgens de grondslag voor verbintenissen, maakte betrekkingen tot rechtsbetrekkingen waaraan rechtsgevolgen waren verbonden. De bron van de verbintenis die hier in geding was, was het zakelijk recht van erfpacht en de grondslag voor deze verbintenis werd gevormd door titel 7 van Boek 2 OBW. In deze titel stonden enige bepalingen die verplichtingen en bevoegdheden van de erfpachter en de grondeigenaar jegens elkaar regelden. Daarnaast bood art. 782 OBW een grondslag voor aanvullende regelingen tussen betrokkenen. De verbintenissen tussen erfpachter en erfverpachter hadden als bron het zakelijk recht en dat recht berustte op de wet. Dit moest gezien worden als een door de wet erkende oorzaak van het ontstaan van verbintenissen voor zover de wettelijke bepalingen over de inhoud van het erfpachtrecht verplichtingen van de erfpachter jegens de grondeigenaar mogelijk maakten.
De verplichting tot canonbetaling was een veel aangehaald voorbeeld van een verbintenis die als bron het zakelijk recht van erfpacht had en als grondslag de wet in de vorm van art. 767 OBW:
“Er kan eene verbindtenis bestaan tusschen twee personen ten gevolge eener verschillende betrekking, waarin zij beide staan tot dezelfde zaak. Dit kan b.v. het geval zijn tusschen den eigenaar van het land en den beklemden meijer, die hem de vaste huur en, als het zo te pas komt, een geschenk schuldig is; tusschen den eigenaar van het goed en den erfpachter, die hem pacht moet betalen; tusschen hem die een tiendregt heeft en den tiendplichtige; tusschen den eigenaar van het heerschend en dien van het dienstbaar erf, wanneer deze volgens den titel belast is met de voor het genot der erfdienstbaarheid noodzakelijke werken (art. 736).”9
De genoemde verbintenissen waren bepaalbaar en partijen waren niet direct of onmiddellijk, maar middellijk, namelijk via de onroerende zaak, aan elkaar verbonden. Zij waren partij bij de verbintenissen in hun hoedanigheid van gerechtigde tot gebruik of eigendom van de onroerende zaak. Was een canonverplichting eenmaal opeisbaar, dan werd dit een persoonlijke verplichting van degene die op dat moment erfpachter was en deze verplichting ging niet over op zijn rechtsopvolger.10 In de visie van Diephuis vormde het zakelijk recht van erfpacht de bron voor een of meer verbintenissen tussen erfpachter en erfverpachter en vormde titel 7 van Boek 2 OBW de grondslag voor die verbintenissen. Indien partijen eigen regelingen afspraken in plaats van de wettelijke bepalingen, dan gold de wet niet en was hun verbintenis uitsluitend obligatoir. Art. 782 OBW werkte niet zo ver door dat verbintenissen die op die grondslag werden gevestigd zakelijke werking kregen. Maar indien partijen een onderwerp niet regelden en de wet bevatte daarvoor een regeling, dan kon op grond van de wet een verbintenis tussen erfpachter en erfverpachter ontstaan. Bijvoorbeeld de verbintenis die de erfpachter verplichtte aan de erfverpachter de schade aan de grond te vergoeden die was ontstaan door het bij het eindigen van het recht wegnemen van door de erfpachter onverplicht gestelde gebouwen en gemaakte beplantingen conform art. 772 OBW. Er was geen sprake van een rechtsverhouding in algemene zin, wel kon er sprake zijn van bepaalbare verbintenissen die volgden uit het erfpachtrecht en die aan de hoedanigheid van erfpachter of erfverpachter waren verbonden. Aldus werden deze verbintenissen ingepast in het stelsel van de wet.
Andere auteurs deelden de opvatting van Diephuis dat het evident was dat er tussen erfpachter en erfverpachter verbintenissen ontstonden. Ook naar de mening van de Utrechtse hoogleraar C.W. Opzoomer (1821-1892) konden uit zakelijke rechten verbintenissen ontstaan en waren verbintenissen uit Boek 2 OBW te beschouwen als verbintenissen uit de wet in de zin van art. 1269 OBW.11 Bij de vestiging van een recht van erfpacht ontstond op grond van de wet een rechtsbetrekking tussen erfpachter en erfverpachter. Het erfpachtrecht had volgens Opzoomer een verbintenisrechtelijke grondslag en was in de loop der tijd zodanig met bevoegdheden uitgebreid doordat het recht erfelijk was geworden, overdraagbaar, te bezwaren en dergelijke, dat het zakelijk was geworden. De verplichting tot canonbetaling maakte deel uit van het wezen van die rechtsbetrekking zodat de wettelijke definitie op dit punt dwingend was en het de contracterende partijen niet vrij stond eigen afspraken te maken.12 Overigens was niet de vermelding van de jaarlijkse pacht in art. 767 OBW doorslaggevend, maar ‘wat door de rechtswetenschap geacht wordt een deel uit te maken van het wezen der erfpacht’.13 In de visie van Opzoomer ging het recht altijd over verbintenissen, over betrekkingen tussen personen waarbij er een tot iets gehouden was en een ander tot iets bevoegd of gerechtigd was iets te vorderen.14 Dit gold ook voor het zakenrecht, omdat:
“Al heet het [boek 2 OBW] aan zaken gewijd, toch loopt het recht, dat men op een zaak heeft, altijd weer in een betrekking uit, waardoor een persoon tot iets gerechtigd, een ander tot iets verplicht is.”15
De canonverplichting was een verbintenis die een wezenlijk onderdeel vormde van de rechtsbetrekking tussen erfpachter en erfverpachter en deze moest om die reden worden beschouwd als een verbintenis uit de wet in de zin van art. 1269 OBW:
“Reeds hieruit [de parlementaire geschiedenis zoals weergegeven door Voorduin V, p. 13 en 16] bleek duidelijk genoeg, dat men bij een deel der verbintenissen, die uit de wet, wel bepaaldelijk dacht én aan het eerste én aan het tweede boek, al kunnen de verbintenissen daarin beschreven, ook even goed, soms zelfs alleen, door een overeenkomst tot stand worden gebracht. En het gevolg hiervan moest noodwendig dit zijn, dat men al die verbintenissen aan de bepalingen onderworpen achtte, die voor verbintenissen in het algemeen waren gegeven, en die men in de vier eerste titels had opgenomen.”16
Daarnaast bood de wet in de vorm van art. 782 OBW partijen de vrijheid de verbintenissen te regelen die zij wensten, mits zij de grenzen van het wezen van het erfpachtrecht in acht namen. Waar Diephuis de verbintenissen die volgden uit zakelijke rechten inpaste in het stelsel van de wet door middel van uitleg van de bepaling over de bronnen van verbintenissen, volgden volgens Opzoomer de verbintenissen uit het wezen van het erfpachtrecht, dat in feite als een verzakelijkte overeenkomst moest worden beschouwd. Voor Diephuis pasten verbintenissen die hun grondslag vonden in art. 782 OBW niet in het stelsel van de wet, terwijl voor Opzoomer gold of de betreffende verbintenis volgde uit het wezen van het erfpachtrecht. In beide visies vloeiden er dus verbintenissen voort uit zakelijke rechten en was het verbintenissenrecht daarop van toepassing.