Lokale democratische innovatie
Einde inhoudsopgave
Lokale democratische innovatie (R&P nr. DR2) 2021/11.5:11.5 Tot slot
Lokale democratische innovatie (R&P nr. DR2) 2021/11.5
11.5 Tot slot
Documentgegevens:
mr. drs. J. Westerweel , datum 01-03-2020
- Datum
01-03-2020
- Auteur
mr. drs. J. Westerweel
- JCDI
JCDI:ADS248509:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Algemeen
Staatsrecht / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het idee dat de politieke democratie en de maatschappelijke democratie elkaar moeten aanvullen, zal niemand betwisten. Maar de tweedeling tussen de politieke democratie en de maatschappelijke democratie impliceert tegelijkertijd dat beide werelden maar tot op zekere hoogte kunnen overlappen. De gelijkwaardigheid die in de governancetheorie wordt verondersteld en nagestreefd, kan maar tot op zekere hoogte worden verwezenlijkt omdat de partners in een netwerksamenwerking door de aard van het publiekrecht niet gelijkwaardig zijn. De overheid oefent macht uit en dat is uit de aard der zaak verticaal. Net zo goed als dat die macht niet zomaar kan worden gedeeld met private bedrijven, kan die ook niet zomaar worden gedeeld met maatschappelijke initiatieven die beleidskeuzes van meer (of andere) democratische legitimatie wensen te voorzien. Er bestaat met andere woorden een bepaald betekenisvol onderscheid tussen de politieke en maatschappelijke democratie dat in stand moet blijven wanneer de verbinding tussen de twee wordt gelegd. In veel opzetten van initiatieven wordt dit onderscheid niet gerespecteerd maar wordt de politieke democratie en de waarden, belangen en beginselen die daaraan ten grondslag liggen aan de kant geschoven voor meer doorzettingsmacht aan de kant van de maatschappelijke democratie. Het is begrijpelijk dat initiatiefnemers af en toe gefrustreerd raken over (al dan niet ervaren) tegenwerking van “het systeem” en daarom pleiten voor een radicale verandering van de lokale democratie, al dan niet gepresenteerd als aanvulling. Maar het meer dan reële gevaar dat daarmee gepaard gaat, is dat het kind met het badwater wordt weggegooid. En dat terwijl uit allerlei onderzoek blijkt dat het huis van de lokale democratie weliswaar de nodige likjes verf kan gebruiken, maar dat tegelijkertijd het geraamte ervan nog redelijk stevig in de maatschappij staat.
Welke likjes verf er dan nodig zijn, is natuurlijk onderwerp van voortdurend debat. Dat is helemaal niet erg en in een volwassen democratie alleen maar gezond, maar het is wel zaak dat dit debat op grond van zinnige argumenten gevoerd wordt. In dit onderzoek is geprobeerd aan het debat een bijdrage te leveren door te onderzoeken wat de juridische mogelijkheden zijn om de lokale democratie aan te vullen met initiatieven die andere vormen van democratie en democratische besluitvormingsprocessen nastreven. Daarmee is het onderwerp van democratische innovatie op het lokale niveau natuurlijk niet uitputtend onderzocht. Verre van zelfs. Juridische mogelijkheden vormen een noodzakelijke voorwaarde voor het slagen van een democratisch initiatief, maar zijn op zichzelf niet voldoende. Of een initiatief in de praktijk tot bloei kan komen, is immers ook afhankelijk van wat in hoofdstuk twee de politieke cultuur is genoemd. Zaken zoals draagvlak onder de bevolking, medewerking van raadsleden, wethouders en ambtenaren en doorzettingsvermogen aan de kant van initiatiefnemers zijn voor het succes van een initiatief net zo goed van cruciaal belang. Logischerwijs zijn dit zaken die vooral het onderwerp zijn van sociaalwetenschappelijk onderzoek. In de bredere discussie over het nut en de noodzaak van democratische vernieuwing is het mede daarom dit type onderzoek dat de boventoon voert. Dat is logisch, want sociaalwetenschappers zijn bij uitstek geschikt om datgene te doen waar Hurenkamp en Tonkens voor pleitten, namelijk het analyseren van de methoden van participatie om vast te kunnen stellen of de problemen geadresseerd worden waarvoor burgerparticipatie in eerste instantie als oplossing werd gezien. Tegelijkertijd kan een dergelijke analyse niet het antwoord geven op alle vragen die spelen in de discussie over democratische vernieuwing. Het is zaak dat juristen aan deze discussie een grotere bijdrage gaan leveren dan zij op dit moment doen. Dat is vooral van belang omdat in de praktijk van participatieland nogal eens het argument te horen valt dat iets juridisch niet kan. De vraag is of dat klopt en, als er inderdaad een regel aan een initiatief in de weg staat, wat dan de achtergrond van de juridische belemmering is. Juist juristen zijn bij uitstek geschikt om deze achtergrond van wet- en regelgeving uit te leggen. Het verduidelijken daarvan is van groot belang omdat anders het debat over democratische vernieuwing deels op grond van verkeerde aannames wordt gevoerd. In elk debat is dat een probleem, maar in een debat waarin voorstanders van democratische vernieuwing meer deliberatie presenteren als middel om tot betere argumentatie te komen, zou een verkeerde aanname niet alleen problematisch zijn, maar ook behoorlijk ironisch.