De huwelijksgemeenschap en verkrijgingen krachtens erfrechtelijke titel en gift
Einde inhoudsopgave
De huwelijksgemeenschap en verkrijgingen krachtens erfrechtelijke titel en gift (R&P nr. PFR10) 2024/9.3.5.3:3.5.3 De positie van de huwelijksgemeenschap van de verwachter
De huwelijksgemeenschap en verkrijgingen krachtens erfrechtelijke titel en gift (R&P nr. PFR10) 2024/9.3.5.3
3.5.3 De positie van de huwelijksgemeenschap van de verwachter
Documentgegevens:
Mr. T.M. Subelack, datum 02-01-2024
- Datum
02-01-2024
- Auteur
Mr. T.M. Subelack
- JCDI
JCDI:ADS948005:1
- Vakgebied(en)
Personen- en familierecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie paragraaf 3.2.3 van hoofdstuk 6.
Zie paragraaf 4.4 van hoofdstuk 7, onder verwijzing naar Parl. Gesch. Boek 3 BW (TM), p. 864; Parl. Gesch. Boek 3 BW (TM), p. 735 en Parl. Gesch. Boek 3 BW (MvT), p. 661. Zie tevens Spath, Zaaksvervanging (O&R nr. 55) 2010/148 en J.C. van Straaten, ‘Vorderingen tot vergoeding die in de plaats treden van bezwaarde of beslagen goederen’, WPNR 2009/6782.
Zie paragraaf 5.2.4.1 van hoofdstuk 6, alsmede paragraaf 4.3 van hoofdstuk 7.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
558. Bekijkt men de figuur van het fideï-commissaire sublegaat vanuit de positie van de huwelijksgemeenschap van de verwachter, dan staat voorop dat de verwachter bij het overlijden van de erflater een vorderingsrecht op de bezwaarde verkrijgt dat hem jegens de bezwaarde, direct of op een later moment, recht geeft op levering van het gelegateerde goed (althans het overschot daarvan). Is de verwachter in de beperkte wettelijke gemeenschap van goederengehuwd dan zal zijn vorderingsrecht op grond van artikel 1:94 lid 2 sub a BW niet in de huwelijksgemeenschap vallen, tenzij aan het sublegaat een insluitingsclausule is verbonden. Wordt het goed vervolgens krachtens sublegaat aan de verwachter geleverd, dan zal dat goed op grond van artikel 1:94 lid 2 sub a BW eveneens rechtstreeks van de beperkte huwelijksgemeenschap zijn uitgezonderd.1 Voldoen de bezwaarde of zijn rechtsopvolgers onder algemene titel, nietaan de verplichting om het gelegateerde goed aan de verwachter door te leveren dan zal de vordering uit hoofde van wanprestatie die alsdan ontstaat eveneens van de beperkte huwelijksgemeenschap zijn uitgezonderd. De grondslag daarvoor is gelegen in artikel 1:94 lid 6 BW. Onder ‘een vordering tot vergoedingdie in de plaats van een eigen goed van een echtgenoot treedt’ valt immers óók een vordering op grond van wanprestatie.2 Het op die vordering geïnde kwalificeert vervolgens als ‘hetgeen wordt geïnd op een vordering die buiten de gemeenschap valt’ als bedoeld in artikel 1:94 lid 6 BW. Aldus zal ook het geïnde buiten de beperkte huwelijksgemeenschap van verwachter vallen. Het resultaat van dit alles is dat zowel het sublegaat, als de vordering uit wanprestatie, als het daarop geïnde buiten de beperkte huwelijksgemeenschap vallen waarin verwachter is gehuwd, tenzij aan het sublegaat een insluitingsclausule was verbonden.
559. Is de verwachter in de algehele wettelijke gemeenschap van goederen gehuwd, dan zal zijn vordering op de bezwaarde op grond van de hoofdregel van artikel 1:94 lid 2 oud BW in beginsel tot de huwelijksgemeenschap gaan behoren, tenzij aan de verkrijging van zijn vordering een uitsluitingsclausule is verbonden. Treedt de voorwaarde in waaronder het tweetrapslegaat is gemaakt, dan kan de verwachter jegens de bezwaarde levering van het goed vorderen en zal het geleverde goed op grond van de hoofdregel van artikel 1:94 lid 2 oud BW eveneens tot de huwelijksgemeenschap gaan behoren, tenzij aan het sublegaat een uitsluitingsclausule was verbonden. In dat laatste geval gaat het op die vordering geïnde goed op grond van artikel 1:94 lid 4 oud BW tot het privévermogen van de verwachter behoren. Het op het sublegaat geïnde kwalificeert in dat geval immers als ‘hetgeen wordt geïnd op een vordering die buiten de gemeenschap valt’ als bedoeld in dat artikel.3 Voldoen de bezwaarde of zijn rechtsopvolgers onder algemene titel na het intreden van de voorwaarde niet aan de verplichting om het gelegateerde goed aan de verwachter door te leveren, dan zal de vordering uit hoofde van wanprestatie die alsdan voor de verwachter ontstaat op grond van de hoofdregel van boedelmenging eveneens in de huwelijksgemeenschap vallen waarin hij is gehuwd. Is aan het sublegaat een uitsluitingsclausule verbonden, dan geldt evenwel dat ook de schadevergoedingsvordering buiten de huwelijksgemeenschap valt. Ook hier geldt dat een dergelijke vordering als ‘een vordering tot vergoedingdie in de plaats van een eigen goed van een echtgenoot treedt’ kwalificeert, zodat de schadevergoedingsvordering om die reden op grond van artikel 1:94 lid 4 oud BW buiten de algehele wettelijke gemeenschap van goederen valt. Hetzelfde zal op grond van artikel 1:94 lid 4 oud BW gelden voor hetgeen op die vordering wordt geïnd. Aldus vallen ook hier zowel het sublegaat, als de vordering uit wanprestatie, als het daarop geïnde buiten de huwelijksgemeenschap waarin verwachter is gehuwd (net zoals dit zou gelden wanneer de verwachter in de beperkte huwelijksgemeenschap zou zijn gehuwd, vgl. randnummer 558 hiervóór).