Vgl. HR 2 november 1994, ECLI:NL:HR:1994:AA2989
HR, 01-05-2020, nr. 19/04831
ECLI:NL:HR:2020:829
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
01-05-2020
- Zaaknummer
19/04831
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
Beroepschrift, Hoge Raad, 01‑05‑2020
ECLI:NL:HR:2020:829, Uitspraak, Hoge Raad, 01‑05‑2020; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHARL:2019:7342
- Vindplaatsen
NLF 2020/1075 met annotatie van Peter van der Muur
Belastingblad 2020/238 met annotatie van L.J. Boone
BNB 2020/122 met annotatie van P.G.M. JANSEN
FED 2020/130 met annotatie van A.W. Schep
NTFR 2020/1523 met annotatie van mr. P.L. Cheung
FutD 2020-1355
Beroepschrift 01‑05‑2020
Edelhoogachtbaar college,
Hierbij doen wij u ons beroep in cassatie toekomen tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem — Leeuwarden van 10 september 2019 met ECU nummer: ECLI:NL:GHARL:2019:7342.
Wij kunnen ons niet in de uitspraak van het Hof vinden op grond van de volgende overwegingen.
In overweging 4.2 geeft het Hof het volgende aan:
In het systeem van de artikelen 11 tot en met 15 van de AWR kan ingeval de grootte van de belastingschuld eerst kan worden vastgesteld na afloop van het tijdvak waarover de belasting wordt geheven — en de belastingplicht niet in de loop van het tijdvak eindigt — een definitieve aanslag pas na afloop van dat heffingstijdvak worden opgelegd.
Bovenstaande overweging heeft betrekking op de tijdvakbelastingen. Voor tijdvakbelastingen geldt dat aanslagen opgelegd kunnen worden op het moment dat de omvang van de materiële belastingschuld is vast is komen te staan.
Er zijn verschillende soorten tijdvakbelastingen. Bij tijdvakbelastingen is het mogelijk dat verschillende belastingsoorten ook verschillende tijdvakken kennen.
- 1.
In het geval van een burger die verhuist naar een andere gemeente, kan na de verhuizing de materiële belastingschuld voor de afvalstoffenheffing reeds definitief in de loop van het kalenderjaar bepaald worden.
- 2.
Voor de toeristenbelasting geldt bijvoorbeeld weer dat de materiële belastingschuld wel pas na 31 december vastgesteld kan worden en dat een definitieve aanslag dus ook pas na afloop van het kalenderjaar opgelegd kan worden.
Dit is voor de toeristenbelasting slechts anders indien de aanbieder van overnachtingen (Hotel bijvoorbeeld) eerder in het kalenderjaar met zijn bedrijfsvoering is gestopt.
Het is vaste jurisprudentie dat in geval van een tijdvakbelasting de (definitieve) aanslag niet kan worden opgelegd gedurende dat tijdvak, behoudens ingeval de grootte van de materiële belastingschuld al gedurende het tijdvak kan worden vastgesteld. Zie bijvoorbeeld:
- o.
Hof Arnhem 15 oktober 2004, M III, nr. 2000/02086, Belastingblad 2005, p. 203 (woonforensenbelasting gemeente Ede), overweging 4.3 van deze uitspraak:
Opgemerkt zij dat de omstandigheid dat de onderwerpelijke aanslag in de loop van het tijdvak is opgelegd, naar het oordeel van het Hof niet tot vernietiging van deze aanslag behoeft te leiden, indien de grootte van de belastingschuld reeds in de loop van het tijdvak kan worden vastgesteld (vergelijk HR 2 november 1994, nr. 29 595, BNB 1995/12 en HR 14 juni 2002, nr. 36 863, BNB 2002/294).
Voor wat betreft de onderhavige zaak:
De forensenbelasting kent een 90 dagen criterium. Indien voldaan is aan dit criterium, kan in onze optiek een definitieve aanslag worden opgelegd, óók als dit feit zich binnen het lopende kalenderjaar voor doet. Zodra een belastingplichtige voor 90 dagen of meer de beschikking heeft gehad over een gemeubileerde woning, is voldaan aan het belastbare feit en kan er een definitieve aanslag worden opgelegd. In theorie kan dit feit zich voor het eerst voordoen na 1 april.
In overweging 4.3 is te lezen:
In artikel 6 van de Verordening is bepaald dat het heffingsjaar gelijk is aan het kalenderjaar. Het tijdvak waarover de belasting is geheven is 1 januari 2017 tot en met 31 december 2017.
Bovenstaand schuin gedrukte deel geeft alleen aan dat belastbare feiten zich binnen het (heffings) tijdvak, zijnde 1 januari tot en met 31 december oftewel het kalenderjaar, moeten voordoen. Met andere woorden, de volledige 90 dagen cyclus dient zich tussen 1 januari en 31 december voor te doen.
Deze bepaling stelt dus niet dat definitieve aanslagen pas na het kalenderjaar opgelegd mogen worden. Dit betreft immers het tijdvak waar het belastbare feit op betrekking heeft, in casu het 90 dagen criterium.
Ten tijde van het opleggen van de definitieve aanslag op 15 september 2017 beschikte de heffingsambtenaar nog niet over alle voor het vaststellen van de belastingschuld benodigde gegevens, aangezien niet viel uit te sluiten dat belanghebbende zich contractueel zodanig verbonden had dat de woning hem niet op meer dan 90 dagen ter beschikking stond.
Dit is naar onze mening niet de juiste conclusie.
Voor de beantwoording van de vraag of de aanslag al dan niet juist is opgelegd, is het niet relevant of de heffingsambtenaar ten tijde van het opleggen van de aanslag over voldoende gegevens beschikte.
Waar het om gaat is of de aanslag op grond van de op het moment van het doen van uitspraak door het Gerechtshof ter beschikking staande gegevens, terecht is opgelegd. Anders wordt immers ten onrechte de juist opgelegde primitieve aanslag vernietigd, wat verhinderd dat er op een later moment een nieuwe aanslag kan worden opgelegd. Dit zou dan een tweede primitieve aanslag vormen omdat de eerste ten onrechte is vernietigd.
Uit de verklaring van belanghebbende aan het hof in het proces-verbaal kan worden afgeleid dat de woning aan hem voor meer dan 90 dagen beschikbaar stond en dat er geen beperking in de overeenkomst met WV Ameland is opgenomen. Dat belanghebbende op grond van zijn vakantiedagen geen 90 dagen van de woning gebruik kan maken, is niet relevant. Waar het om gaat is dat de woning voor meer dan 90 dagen aan hem ter beschikking stond. Op grond hiervan is er sprake van een belastingplicht voor de forensenbelasting en is de aanslag terecht opgelegd. Dit zou slechts en alleen anders zijn indien uiterlijk ten tijde van de zitting voor het hof belanghebbende aan heeft kunnen tonen dat er ten tijde van het opleggen van de aanslag, de woning voor minder dan 90 dagen aan hem ter beschikking heeft gestaan.
Dit is niet het geval dus zou de conclusie van het hof moeten zijn geweest dat de aanslag juist en terecht is opgelegd omdat de woning ten tijde van de aanslagoplegging voor meer dan 90 dagen aan belanghebbende ter beschikking heeft gestaan.
Conclusie
Wij verzoeken de Hoge Raad de uitspraak van het Gerechtshof te vernietigen op grond van onderstaande overwegingen:
- 1.
Gedurende de gehele procedure is niet gebleken dat belanghebbende ten tijde van het opleggen van de aanslag de woning voor minder dan 90 dagen ter beschikking heeft gehad.
- 2.
Nu voldaan is aan het 90 dagen criterium, is er ook voldaan aan het tijdvakcriterium van artikel 11 AWR en kon er na die 90 dagen een (definitieve) aanslag worden opgelegd.
- 3.
Nu de aanslag rechtens juist is opgelegd, dient deze in stand te blijven.
Uitspraak 01‑05‑2020
Inhoudsindicatie
Artikel 223 Gemeentewet, Verordening Forensenbelasting gemeente Ameland (2017); definitieve aanslag forensenbelasting kan in de loop van het jaar worden opgelegd als vaststaat dat de woning meer dan negentig dagen ter beschikking stond.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 19/04831
Datum 1 mei 2020
ARREST
in de zaak van
het COLLEGE VAN BURGEMEESTER EN WETHOUDERS VAN DE GEMEENTE AMELAND
tegen
[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 10 september 2019, nr. 19/00180, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Nederland (nr. LEE 17/4046) betreffende de aan belanghebbende voor het jaar 2017 opgelegde aanslag in de forensenbelasting van de gemeente Ameland. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
1. Geding in cassatie
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Ameland (hierna: het College) heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.
Het College heeft een conclusie van repliek ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van dupliek ingediend.
2. Beoordeling van de klachten
2.1
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
2.1.1
Belanghebbende woont in [Z]. Hij is eigenaar van een woning in de gemeente Ameland (hierna: de woning). Belanghebbende heeft met betrekking tot de woning een verhuurovereenkomst gesloten met de VVV in Ameland. De heffingsambtenaar van de gemeente Ameland heeft aan belanghebbende met dagtekening 15 september 2017 een aanslag forensenbelasting opgelegd voor het jaar 2017.
2.2
Het Hof heeft de aanslag vernietigd. Daarbij heeft het Hof overwogen dat de heffingsambtenaar ten tijde van het opleggen van de aanslag nog niet beschikte over alle voor het vaststellen van de belastingschuld benodigde gegevens, aangezien niet viel uit te sluiten dat belanghebbende zich contractueel zodanig had verbonden dat de woning hem niet op meer dan 90 dagen ter beschikking stond. De Verordening Forensenbelasting van de gemeente Ameland voor het jaar 2017 (hierna: de Verordening) biedt de mogelijkheid voorlopige aanslagen forensenbelasting op te leggen maar de heffingsambtenaar heeft daar niet voor gekozen, aldus het Hof.
2.3
De tegen het in 2.2 weergegeven oordeel van het Hof gerichte klachten betogen dat de definitieve aanslag kon worden opgelegd omdat op 15 september 2017 was voldaan aan het belastbare feit dat de woning op meer dan 90 dagen aan belanghebbende ter beschikking had gestaan. Het Hof had de juistheid van de aanslag moeten beoordelen op basis van de aan het Hof ter beschikking staande gegevens, aldus de klachten.
2.4.1
Artikel 2, lid 1, van de Verordening bepaalt dat onder de naam “forensenbelasting” een directe belasting wordt geheven van de natuurlijke personen die, zonder in de gemeente hoofdverblijf te hebben, er op meer dan 90 dagen van het belastingjaar voor zich of hun gezin een gemeubileerde woning beschikbaar houden.
Artikel 6 van de Verordening bepaalt dat het belastingjaar gelijk is aan het kalenderjaar.
2.4.2
Uit de in 2.4.1 genoemde bepalingen van de Verordening volgt dat forensenbelasting materieel verschuldigd is zodra in een kalenderjaar een woning op meer dan negentig dagen ter beschikking heeft gestaan. Vanaf dat moment kan de grootte van de forensenbelasting voor dat kalenderjaar worden vastgesteld en kan de definitieve aanslag in de forensenbelasting worden opgelegd.1.De heffingsambtenaar heeft gesteld dat de woning op 15 september 2017 op meer dan 90 dagen aan belanghebbende ter beschikking stond. Gelet op het vorenstaande had het Hof de juistheid van die stelling mede aan de hand van de verhuurovereenkomst tussen belanghebbende en de VVV in Ameland moeten beoordelen.
2.4.3
Uit hetgeen in 2.4.2 is overwogen volgt dat de uitspraak van het Hof berust op een onjuiste rechtsopvatting. De uitspraak van het Hof kan niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen.
3. Proceskosten
De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
- verklaart het beroep in cassatie gegrond,
- vernietigt de uitspraak van het Hof, en
- verwijst het geding naar het Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer J. Wortel als voorzitter, en de raadsheren A.F.M.Q. Beukers-van Dooren en P.A.G.M. Cools, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 1 mei 2020.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 01‑05‑2020